Hier, bij dezen Dante der werkelijkheid, zijn weer de in slijkpoelen

verzonkenen van Alighieri's zevenden zang; de, als een schildpad in zijn

schild, in modder geharnasten, de "gekroonden met drek." Hier zijn weer

de in gloeiende graven gemartelden, van den zesden hellekring: de

slavenden bij de nachtelijke korveeën, zich plat-drukkend op den onder

den granatenstorm en den spattenden vuurregen golvenden en brandenden

grond, te halver diepte pas ter dekking ingegraven. Hier weer de

badenden in het kokende bloed, van den vijftienden zang: de man verkoold

in granaatvlammen, terwijl een brandende plas van bloed-goud op zijn

lichaam knettert. Hier stuift en kuilt de zandzee, waarop de vuurregen

daalt en waarheen de verdoemden genoopt worden te vluchten: de

zinlooze stormloop onder het spervuur, in de gierende orkaan en

fonteinende vuurstroomen der granaten. Hier wankelen weer de "van

vlammen omhulden": als de ontploffingen de kapotjassen in brand steken.

Hier zijn weer de verdoemden van den twintigsten zang, wien de dood het

hoofd omdraaide op den romp, rugwaarts het lichaam omvouwde, en de

beenen, gelijk bij een zittende onder den buik, omhoog onder de aars.

Hier is weer [p.160] de "schreeuwende menschboom" van den twaalfden

zang: een verstijfd lijk met krijsch-gezicht, wortelend in den top van

een heuvel, deinend en schuddend in den wind. Hier zijn zij van den acht

en twintigsten zang, wie de dood doorhakte "van de kin tot den bilnaad,

dat hun de ingewanden tusschen de beenen hingen." Hier zijn de beknelden

in de storm-gezweepte en ijskoude stroomen van den Coeytus, die Dante

als vezels in het ijs zag, tegen wier hoofden zijn voeten botsten, wier

boven de beknelling uitstekende haarlokken hij kon grijpen. Hier

stierven weer zijn Branca d'Oria's, maar onschuldige, "wier haren," zegt

Barbusse, "rechtop in het water staan als aquariumplanten." Hier zijn

zij wie de dood aan elkander bond, de lijken elkaar omklemd houdend als

in vereeuwigde strijdwoede, en zij die hij, bij de wegweekende

overstrooming der loopgraven, vereende als in goddelijke toewijding tot

elkaar: "twee mannen, die op elkaar steunen om te slapen. Daar zij zich

niet op den wegvlietenden grond, die over hen heen zou golven, konden

uitstrekken, bogen zij zich over elkaar heen, elkaar bij de schouders

vattend en sliepen in, tot aan hun knieën in het veld weggezakt." Hier

sidderen ook weer de van de hoogste tragiek omstormde Danteske teerheid

en liefelijkheden. O, kleine, bleeke Eudore, met je teere lichaam en nog

teederder hart, die met verlof gingt, om na vijftien maanden je jonge

vrouw weer te zien.... De passen blijken niet in orde, zij kan niet tot

hem komen, hij niet tot haar, dan alleen in den voornacht van zijn

verlofeinde.... Maar dan--de regen verdrinkt de aarde--ontmoet hij

andere verlofgangers, die niet weten waar onder dak te komen ... de

beide gelieven, die slechts dien enkelen nacht hebben om gelukkig te

zijn, offeren zich op en deelen hun eene kamer met hen ... de kostbare

nacht, die een liefdefeest voor hen had kunnen zijn, gaat somber te

midden der geeuwende soldaten voorbij.... Zij scheiden onder

hartstochtelijke omhelzingen.... Hij komt weer in de loopgraven terug.

"En wanneer zal ik haar nou weerzien? En zàl ik haar wel terugzien,"

zucht hij tot de kameraden. Hij ziet haar niet weer terug. Een nacht

wordt hij mét drie makkers door het mitraille doorzeefd.... En dan

[p.161] die beide andere gelieven, Farfadet en Eudoxie!... Farfadet, die

nog van haar aanbiddelijke schoonheid als levend en hem toebehoorend

droomt; die zich zeker voelt van een gelukkig leven met haar na den

oorlog, terwijl reeds lang haar lijk wegrottend en afzichtelijk

beschimmeld in een mijngroef tusschen de linies is gevonden....--Of het

ontroerend gesprek tusschen de twee legionnairs--ja, ja, ge weet wel,

dat zijn twee van die "uitvaagsels," van die

"maatschappelijk-verworpenen," van het "vreemden-legioen"!--Barbusse,

uitgeput in den onderaardschen hulppost dicht naast hen neerzittend,

beluistert hen zonder het te willen. De een, doodelijk gekwetst, vraagt

den ander, of die wel weet, dat-ie heel wat op z'n kerfstok heeft en

dat-ie wel heel moeilijk ooit weer in de burger-maatschappij een bestaan

zal kunnen vinden. De ander, woest, zegt: "Hou je smoel! wat kan jou dat

verdomme'?" En de doodelijk-gekwetste antwoordt, dat, daar hij nu toch

gaat sterven, hij van zakboekjes met den ander wil ruilen, dan kan die

onder een nieuwen en eerlijken naam verder leven en heeft een betere

toekomst voor zich! Maar aan Louise, zijn lief, zal-ie 't toch in zijn

afscheidsbrief schrijven, "dan vindt ze dat ik goed gedaan heb en zal ze

beter an me denken." Maar neen, "met iets als een verheven inspanning"

schudt hij dan 't hoofd: "Nee, háár zal ik 't zelfs niet zeggen! Ik weet

wel dat zij het is, maar de vrouwe' zijn zoo praatzuchtig!"--Of ook de

Idylle: Paradijs de coquette schoentjes poetsend van een vijftienjarig

kind; een verheerlijkende glimlach licht over zijn gelaat, en nog in

zijn uitputtingsslaap blijft die stralen. O, hier, hier vooral, laat ons

zacht en voorzichtig treden en met onze gansch liefdevolle en

aandachtige oogen naar de laagte zien. Hièr heft de menschelijke adeldom

zijn schoonste bloemen, terwijl hij nochtans als een kruipplant over een

slijkerigen bodem wart....--

* * * * *

Maar deze Dante der werkelijkheid, die bij het zuchten zijner

Francesca's en Paolo's niet bezwijmde; die de volle heerschappij over

al zijn krachten zelfs onder de vuurregens en midden de slachtingen

behield, en als meer dan een òngebroken man: als een schepper, als

[p.162] een glanzend wezen, uit de loopgraven trad; deze Dante, door de

beukende realiteit tot verhevener deemoed geleid dan de ander door den

droom, vertoont op wat men een parallelplaats van eene in Alighieri's

werk zou kunnen noemen, eene ontroerender schoonheid dan daar aanwezig

is. En waarlijk, het is mij een rijk geluk, haar, verholen als zij is,

voor u te mogen opdelven en 'r u te toonen. Toen ik haar ontdekte in het

licht mijner verdere lezing van het werk, bleef het eerste hoofdstuk,

waarin zij zich bevindt, niet slechts een schoone uiting van bewuste

genialiteit voor mij, maar wèrd een wonder van den schrijver onbewust

gebleven en toch zich openbarende inspiratie. Dit hoofdstuk heet Het

Visioen en beeldt niet anders dan een Zwitsersch sanatorium, waar aan

den overkant der bergen, op een galerij de tuberculose-lijders liggen.

Het teekent kort het schuchter en als ingehouden leven dier

ongelukkigen. De courant wordt rondgebracht, en de eerste die haar

leest, zegt: "Het is geschied, de oorlog is verklaard." Deze "peinzers,"

zooals Barbusse dan zegt, "op den drempel der wereld verwijlend,

gelouterd van partijhartstochten, bevrijd van opgedane begrippen, van

verblinding, van de greep der traditiën, zij beseffen schuchter nog den

eenvoud der dingen en de wijd-sperrende mogelijkheden." En in het

gebeuren midden dat woeste bergen-décor, het opstijgen en speurend

kringen der adelaars, het neerbliksemen van het onweder, de schemers

gelijk watervloeden vol vage vormen van verdronkenen op de velden,

aanschouwen zij in een kort visoen heel de ontzaglijke rij der

toekomstige afgrijselijke oorlogsbeelden. Dit nu kan men, gelijk ik zei,

een parallelplaats, in beperkten zin, van Dante's vierden zang, noemen,

omdat: hier evenals daar het storm-stille "Voorportaal" van de Hel

is; omdat hier evenzeer als daar wel geen geluk is, maar ook hier

zoowel als daar geen lijden, vergeleken met hetgeen daarna komt. En

ook hier zoowel als daar is er dus de doorlichtende tegenstelling

tusschen het stille, rustige, beveiligde en nog te dragen leed van het

Voorportaal, en de woeste, de vlijmende, de hulpeloos voortgejaagde,

de ondragelijke smart van de Hel. Maar dàn ziet men ook zich daaruit

een andere en nog beteekenisvoller tegenstelling [p.163] ontwikkelen,

die de hoogere schoonheid, waarvan ik sprak, brengt. Dante, in het

kasteel van de Homerische dichtergroep gekomen, waar de groote denkers

en poëten der Oudheid verblijven, verkondigt zelf volkomen bewust en

luide zijn ontzaglijke grootheid: Homeros begroet hem als den zesde in

zijn verheven kring. Maar in het "Voorportaal" van déze hel, in dit

eerste hoofdstuk van Barbusse's werk, wordt wèl evenzeer des

schrijvers grootheid verkondigd, máár: niet door hem, doch hem

ondanks: door het van hèm niet reppend voorgestelde! Den kunstenaar

onbewust, en onafhankelijk van zijn wil, vrij dus van met trots

verbonden zelfkennis, verheft zich hier de in hem levende Inspiratie

en zegt ons: zie toch, zie, dit geheele tafereel is de symbolische

veruiterlijking van zijn innerlijkst--en nog wel

verkleinde!--wezen, en zegt zijn grootheid. En hij de deemoedige

wist het niet! Want gelijk die "peinzers, op den drempel der wereld

verwijlend, gelouterd van partijhartstochten, bevrijd van opgedane

begrippen, van verblinding, van den greep der traditiën," zóó is ook

hij; en gelijk die eenzamen want in-zichzelf gekeerden, maar

verzorgden, las ook hij in 't omfloerste wereldgebeuren de verholen

beteekenis, de waarheid ìn wat hij zag, de naar geboorte worstelende

kern; máár bedenkt dit wel: Hij was niet slechts aldus in het

voorportaal, maar midden den storm, in de hel.... Beseft dan gij

allen de grootheid, de ongeschoktheid, de reine onbaatzuchtigheid van

dezen mensch, hoe volkomen onbekommerd om eigen lot, in welk een

zelf-ontruktheid, in welk een zelfvergetelheid hij mòet hebben geleefd;

en hebt hem lief, hebt hem oneindig lief....--

* * * * *

II

Het kan allicht zijn nut hebben, ook hier iets te tóónen van de wijze

waarop, benevens een weinig van de kern-waarheid, welke hij zag. De

wijze van zien is die van een zéér groot epicus, met veel wijsgeerige en

sociaal-politische bezinning, beheerschte lyrische kracht, machtig

[p.164] beeldend vermogen, en zooals na dit alles vanzelf spreekt,

groote psychologische intuïtie. In die bezinning en in het vooral den

subtielen Franschen geest karakteriseerende van het laisser entrevoir

sa pensée, lijkt hij mij sterk aan Balzac verwant; in de manier van

dialoog-aanwending als beeldend en karakteriseerend hulpmiddel aan onzen

Querido, en het is dan ook dáárom--al mag men er ook, hier en daar, uit

anderen hoofde bezwaar tegen hebben--een voortreffelijke daad van den

door zijn liefde voor beiden en zuivere kunstzinnigheid geleiden

vertaler geweest, dat hij ter overzetting dier dialogen, uit het

"vocabulaire der Burk's" putte, want aldus doende, werd hij een

vruchtenplukker gelijk, die immers meer medeneemt, dan de geplukte

vruchten: ook hij nam den geur van den boomgaard mede, hij vergoedde

het allicht onontkoombare verlies van 't in de dialogen levend episch

fluïde van den grooten Franschman door dat van den aan hem verwanten

grooten Hollander. Het is trouwens niet daarin alleen, dat Barbusse aan

den schrijver van Menschenwee en de beide De Jordaan's doet denken,

het is ook in de wijze, waarop hij de menschen buiten de dialoog

beeldt, in zijn groot-epische heftig van kleur en mouvement doorstormde

visies, gelijk in het verschrikkelijke hoofdstuk Het Vuur, in de

hartverkillende atmospherische stemmingen van De Korvee, in de

chaotische volten van Opbreken. Een ander maal, zooals in Lucifers,

waarin de vier Franschen, op jacht naar vuur, om vleesch te kunnen

braden, in de loopgrapen verdwalen, en in de "Internationale gang" een

Duitsch officier dooden en met diens lucifers terugkomen, is er voor mij

in het beeldend geluid, in het aspect der figuren-plastiek, in het

bonkig trago-komische en in het lacherig-vreeselijke, iets, om ons tot

de modernen te bepalen, van de Maupassant. Dan weer zie ik duidelijk, de

paar malen dat hij natuurleven beschrijft, plots onzen Van Looy voor

mij, zooals in Gewend Geraakt, die prachtige observaties in den

hoenderhof, waar hij in sober-beeldende woorden--elk woordje om zoo te

zeggen een vondst, een levende kleur, een reuk, een beweging--het

verinnerlijkt-geziene schildert. De zaak is, dat, gelijk naar occulte

leering de zielen van veel volmaakt

[p.165] geworden menschen in die eens gods versmelten, in de genialiteit

van Barbusse veel van het beste van veler tijden en landen literaire

kracht is saamgekomen. Er is een menigte van schoone geesten in hem,

maar die zijn toch één, die zijn toch zìjn geest geworden.--Zooveel

mogelijk nu die gedeelten uitkiezend, welke ik kan citeeren, zonder te

zeer den omvang van dit opstel te vergrooten, en mij bij andere slechts

tot enkele vermelding bepalend, zal ik u een weinigje aanwijzen van al

dat schoons. Als voorbeeld van zijn wijsgeerige bezinning vol diepe

psychologie, hier in een subtiel aphoristischen vorm:

Zij zijn allen, de een als de ander: er is niet één, die niet zegt:

"Ik ben nièt als de anderen."

Het spel is voor kinderen een ernstige bezigheid. Alleen volwassen

menschen spelen.

En dit van zijn Danteske visies, voor zoover die vooral het kenmerk van

een den mythos, historie en leven omvattenden geest dragen: (over den

verliefden Lamuse, den "osmensch," door Eudoxie afgewezen)

Hij laat zijn groot, dik hoofd hangen. In de meedoogenlooze klaarte

van de herboren lente, gelijkt hij de arme cycloop, die langs de

oude oevers van Sicilië doolde, bespot en getemd door de

helstralende kracht van een kind, als een monsterlijk speeltuig, in

den aanvang der tijden.

Of dit nog dieper geziene: (Over een soldaat, die, in de loopgraven, een

koperen ring voor zijn vrouw vijlt)

Hij arbeidt vol vuur. Het is zijn hart dat zich zoo goed mogelijk

wil uitspreken en zich inspant als voor een stuk schoonschrift.[3]

In deze ontredderde gaten van de aarde verkrijgen onze mannen, zich

vol ontzag buigend over de lichte, allereenvoudigste sierselen, zoo

klein dat de grove hand ze moeilijk vasthoudt en makkelijk

ontglippen laat, een nog woester, primitiever, menschelijker

aanzien dan onder welke omstandigheid ook. Men denkt aan den

eersten uitvinder, den vader der kunstenaars, die aan blijvende

voorwerpen den vorm van wat hij zag en de ziel van wat hij

onderging, trachtte te geven.

[p.166] Het zijn de Dantesk-picturale visies, waarbij ik mij helaas

tot nauwelijks meer dan bloote vermelding moet bepalen. Zoo van het

voorbijtrekken der helsch-caricaturale "straatvegers der loopgraven";

van het trekken door het krijtland, waar een witte stuiving de soldaten

in grijsaards vermomt, en zij, stilstaand op een halte, in elkander

"pleisterbeelden meenen te zien."

Aan de beelding van het barbaarsch-Oostersch voorbijschrijden der

kleurlingen ontleen ik dit:

Onder deze kerels van geel, brons of ebbenhout, zijn enkele

ernstigen; hun gezichten zijn beangstigend, stil, als zichtbare

valstrikken. Anderen lachen; hun lach schatert als de klank der

vreemde muziek van uitheemsche instrumenten en laat hun tanden

zien.

Soms bereikt zijn visionnairisme een louter-geestelijke helderziendheid,

zooals in die heilige, stràlende regels--blz. 224--225, te veel voor

een citaat!--waarin hij de ziel van den burger-soldaat, op dat opperst

moment vóór den stormloop en waarschijnlijken dood, klaar doorschouwt.

Of gelijk hier: (over het voortschrijden onder sper-vuur, van soldaten

op een open vlakte)

Het is bijna niet te gelooven, dat elk dezer kleine vlekken een

wezen van rillend en teer vleesch is, geheel ongewapend in de

ruimte, vol diepe gedachten, vol innige herinneringen en beelden:

het is ontstellend, dit gestuif van menschen, even klein als de

sterren aan den hemel.

Arme naasten, arme onbekenden, het is nu uw beurt te offeren! Een

ander keer zal het de onze zijn. Wij zullen morgen wellicht den

hemel boven onze hoofden hooren vaneenrijten of voelen hoe de aarde

zich onder onze voeten opent, of aangevallen worden door het

wondere leger van projectielen en weggevaagd door orkaanstuwingen,

honderd duizendmaal krachtiger dan de orkaan zelf.

Zóó is het. Zoodra men de wezens en dingen in hùn wáárheid en de

waarheid hunner verhoudingen ziet, dan is het inderdaad niet te

gelooven, wat er met hun stoffelijke wezenheid gebeurt. En ook het

omgekeerde [p.167] is waar, zooals--Barbusse-zelf, de op dat moment

ontluisterde en verduisterde Barbusse het in zijn eigen Godsontkenning

ééns fél demonstreert!...--

* * * * *

Hoogst gewichtig ook voor het juist begrip van de gróótheid en den aard

zijner genialiteit, zijn die kleine zinnetjes, die enkele woorden soms,

met, in zulk een enkel woord, een rijkdom van beeldende kracht; woorden

en zinnen, vluchtig en snel, als flitsen, die midden de algemeene

verwoesting, de ongereptheid van het edele landschap van zijn geest, in

een witschitterend licht doen dagen. Zoo over korporaal Bertrand--een

prachtige menschschepping. (Het is na den stormloop door het spervuur,

na de verovering der vijandelijke loopgraven, dat dit gesprek, waarvan

ik een stukje citeer, door de twee helden wordt gevoerd):

"En toch, vervolgde Bertrand, kijk! Er is één figuur, die zich

boven den grooten oorlog verhief en die door de schoonheid en

belangwekkendheid van zijn moed...."

Op een stok geleund, over hem been gebogen, luisterde ik, het

geluid van deze stem opvangend, die, in de stilte der schemering,

uit een bijna altijd zwijgenden mond kwam. Met heldere stem riep

hij:

"Liebknecht!"

Hij stond op, de armen steeds gekruist. Zijn schoon gelaat, even

diep en rustig als dat van een beeld, viel weer op zijn borst

neer. Maar nogmaals verbrak hij zijn marmeren zwijgen, om te

herhalen....

Zoo ook deze plechtig ontroerende metaphoor. (Over een soldaat opduikend

uit zijn slaaphol in de loopgraven):

Hij komt te voorschijn; zijn grauwe klompige lichaam verschijnt,

als de nacht in den avond.

* * * * *

[p.168] Ongetwijfeld, er zijn ook zekere tekortkomingen in dit

ontzaglijk werk te bemerken en het waar' nutteloos hier van de liefde te

vorderen ze te verhullen. Want de alles doordringende luister van het

geslaagde, overgroote deel, zou toch ook deze verwrongenheden aan ieders

oog openbaren. Daar is allereerst het toevallige. Het doet als

toevallig aan, dat juist weinige uren, ja weinige oogenblikken vóór

Poterloo, "in de vlam van een granaat wegvliegt," hij, in een gesprek

met Barbusse, als zijn vaste verzekerdheid te kennen geeft, dat hij den

oorlog zal overleven. En het is de schuld van den schrijver, dat wij

dien indruk van toevalligheid krijgen. Want, bij den opmarsch nà het

gesprek, in den avond, veroorlooft de auteur den lezer geen oogenblik,

zijn aandacht van Poterloo af te wenden: de auteur spreekt voortdurend

met dezen zijn wapenbroeder, roept hem telkens aan, vraagt hem hoe 't

hem gaat. Hierdoor voelen wij al, dat het nièt goed zal gaan, dat er

iets noodlottigs met dien man daar dadelijk zal gebeuren; wij voelen een

zekeren toeleg bij den schrijver. Die toeleg, zoo raden wij al, is:

de tragiek van het naderend gebeuren te onderstreepen, en zoodra wij

nu zien dat ons vermoeden juist was, verschijnt ons natuurlijk dit

gebeuren als een "gewilde" toevalligheid en wordt de tragiek juist

verzwakt.--Toevallig is ook dat juist Lamuse, die niet tot de genie

behoort, zich aanbiedt als vrijwilliger om de sappeurs bij het maken van

een mijngroef behulpzaam te zijn, en--daarin het beschimmelde lijk van

de door hem geliefde Eudoxie vindt; en nog toevalliger: dat even te

voren een voorval uit Gauchin wordt verhaalt--Gauchin, waar Lamuse

Eudoxie zijn liefde had bekend en was afgewezen--èn dat Farfadet (de

minnaar van Eudoxie) na de opmerking van iemand, dat je "van niks iets

zeggen kan," peinzend "alsof een aanbiddelijk gezicht hem tegenlachte"

mompelt: "Toch zijn er dingen waar je zeker van kunt zijn." Ja, het mag

niet verzwegen: hier blijkt wel héél duidelijk een "Absicht", die

"verstimmt." Deze toevalligheden--de welwillende lezer vergeve mij het

zoo veelvuldig gebruik van een zelfde woord!--zijn dan ook allerminst

... toevallig! Zij spruiten voort uit de hybridische natuur van het

boek. Eenerzijds was het de [p.169] bedoeling van den auteur een

waarheidgetrouw relaas van feitelijke gebeurtenissen te geven,

anderzijds dwong hem zijn krachtige kunstenaarsaanleg een kunstwerk

te scheppen. Maar als iets omtrent den aard van een kunstwerk vaststaat,

dan is het wel dit, dat het een verbeeldingswerk moet zijn. En ziedaar

nu de oorzaak van stoornis en botsing: in een toevalligheid uit een

feiten-relaas berusten wij, zij kan niet onecht en "gewild" zijn,

immers zij is--een feit. Maar bij die in een kunstwerk berusten wij

niet, dáár zijn wij slechts tevree met wat ons als noodwendigheid

verschijnt. En omgekeerd: een geval dat wij in een feiten-relaas als

van-zelf-sprekend aannemen en dat derhalve geen afzonderlijke

vermelding door den auteur voor ons behoeft, zal soms, als het in een

kunstwerk voorkomt, ons juist het ontbreken eener afzonderlijke

vermelding als een hiaat en een slordigheid doen voelen. Zóó het

geval-Farfadet: op blz. 82 staat het vast, dat "hij is opgeroepen achter

het front bij den generalen staf" om kantoorwerk te doen. Voor hem is de

oorlog--het gevaar--voorbij. Maar jawel! tot het eind van het boek zien

wij hem gewoon soldaat blijven, zonder dat er een woord over die

tegenstrijdigheid wordt gekikt, en tenslotte wordt hij zelfs aan beide

oogen gewond! En ziehier dus weer de botsing van het hybridische: omdat

in den schrijver óók de bedoeling en het bewustzijn leefden, een

relaas van feitelijke gebeurtenissen te geven, deelde hij ons niet mede,

bijvoorbeeld dat de oproeping van Farfadet naar achter het front was

ingetrokken. Voor zijn gevoel, van feitelijkheden-vermelder, sprak dat

van zelf, maar voor òns gevoel, dat in dit werk, nevens zijn aard van

feiten-relaas, ook en vooral een kunstvolle herschepping der

realiteit ziet, voor ons spreekt dat allerminst van zelf. Want wij zijn

nu eenmaal gewend, als wij in een kunstwerk een dergelijke achteloosheid

ontmoeten, te zeggen: hé, hier was de auteur klaarblijkelijk vergeten,

wat hij vroeger had verhaald!--Er is meer. Het schijnt mij toe, dat men

ook een enkel maal in de dialogiseering dat hybridische kan herkennen.

Het staat een kunstenaar vrij zijn dialoog te styleeren, dan wel bloot

realistischen--mits innerlijk gehoorden--dialoog te geven. In beide

[p.170] is het groote te bereiken. Maar het staat hem, dunkt mij, niet

vrij, door een zelfden spreker, ja in een zelfde gesprek nog wel, een

mengvorm van beide te scheppen. Want dan veronechten die

ongelijksoortige factoren elkaar. Het is volmaakt in orde, dat Poterloo

in het innig gesprek met zijn vriend zegt: "... ten slotte hebbe' ze een

luizedoosie voor me opgesnord dat groot genoeg was om d'r mijn kop in te

bergen." En het zou ook volkomen in orde kunnen zijn, dat hij in zulk

een gesprek zegt: "ze glimlachte en boog liefelijk haar hoofdje met het

lijstje van blonde haar, waarin de lamp gouë straaltjes scheen." Maar

het is niet in orde, dat dezelfde man allebei zegt. Gestyleerde dialoog

is en blijft voor den lezer: vertolking van realistischen dialoog,

maar omdat ook de gestyleerde door den scheppenden schrijver innerlijk

en als het ongekunsteld-oorspronkelijke werd gehoord, zal hij op den

lezer denzelfden indruk van innerlijke waarachtigheid als de

realistische maken. Maar nochtans--nog daargelaten, dat bijvoorbeeld dit

zinnetje van Poterloo niet juist gestyleerd is--is het niet raadzaam

een valsche roos, in wat roes van scheppende illusie ook gevormd en

getint, náást een echte te leggen, want dan spot-fluistert in haar geur-

en kleuren-taal die echte allicht: "Dat is mijn zuster niet."--Men

begrijpe mij niet verkeerd, ik heb er niets op tegen, dat deze soldaat

zoo innig denkt over zijn vrouw--wat potsierlijke dwaasheid zou dàt

wezen! Waarom zou die prachtige mensch niet zoo kunnen denken--ik heb

er slechts op tegen, dat hij zóó zijn gedachten verwoordt. Dat kan

hij niet. De soldaat Marthereau--voddenraper in het burgerlijk

leven--zegt: "De wind heit de suiker opgelikt." Dat is prachtig. Maar

gesteld eens, dat hij had gezegd iets dergelijks als: "De wind heeft de

sneeuwbonbons verorberd." Dat ware afschuwelijk geweest! En niettemin

geloof ik, dat al is en blijft er te dezen opzichte iets te laken, dit

voor onze Hollandsche ooren waarschijnlijk erger klinkt dan het is. Want

dat den lageren klassen der Latijnsche volken in onderscheiding met de

onze, in diepere gevoelsmomenten van zelf een edeler en schooner taal

naar de lippen dringt, dan hun dagelijksch argot, lijkt mij bij hun

algemeen veel hooger ontwikkeld kunstgevoel [p.171] en aangeboren

literair begrip wel aannemelijk. Wat den waarlijk-meesterlijken

vertaler betreft, zoo er hier al schuld bij hem is, dan is die toch

minimaal en komt slechts hierop neer, dat hij de bezwaren, waarvan ik

reeds sprak, die het gebruik van het "vocabulaire der Burk's" aankleven,

wel ietwat heeft onderschat, en daardoor hier en daar onnoodig de

tegenstelling tusschen de eene soort dialoog en de andere heeft

verscherpt....--Berusten wij derhalve in de erkenning, dat op den zege-

en zonne-wagen van zijn genie gezeten, waarmee hij zich uit den nacht

van den oorlog verhief, Barbusse van zijn ongelijkrassige paarden

ongetwijfeld wel een enkel maal de toomen heeft laten glippen. Maar wat

nood, hij heeft zijn tocht voleind, en uit den afgrond tot ver boven

onze hoofden uitstralend, ons het licht zijner liefde gebracht.

* * * * *

III

Over literatuur Critisch en didactisch, tweede bundel · 第 12 / 22 段