grootste verschrikkingen van dezen ontzaglijken tijd, als te worden
getart en geplaagd door zijn kleinere misères. En waarom ons dus boos te
maken over dezen bundel juist?... Wat is, bij al de
zoetelijk-hooggestemde arrogantie van het buitenland jegens ons, de
arrogantie en de stroopige sentimentaliteit van dezen jongen,
ongetwijfeld niet onbegaafden schrijver? En naast den voorgewenden
hoogmoed uit het geknauwd-zijn geboren, welke heel het droeve
wereld-leven om ons heen kenmerkt, die, zij het uit de vernedering van
geslachten voortgekomen, geest van blague en ijdele zelfverheffing in 'n
paar vrij onbeteekenende novellettes? Bovendien: aan iederen
leeftijd--ook van de ziel--het zijne; we zouden toch al heel nurksch
moeten zijn, om dezen jongen man, met een hart vol beminnelijk-jeugdige
wereldverachting, verliefdhedens, wijsbegeerte en symboliekerigheid,
niet het genoegen te gunnen, van ons door al deze verhevenheid
volmaakt-geépateerd te toonen--het aan den tijd overlatend, hem het
begrip bij te brengen, dat niet wij de dupe zijner zelfverheffing waren,
maar hij die van onze welwillende onverschilligheid. En bevindt zich dit
werk-zelf al ver ònder het middelmatigste der Nederlandsche literatuur;
van den geest, die het maakte, mag worden getuigd, dat hij zich door een
zeker, helaas haat-geboren, psychologisch-analytisch vermogen, een
decadent-fijne doordringendheid en een hartstochtelijke
ontvankelijkheid, ietwat bóven het middelmatige [p.121] verheft. En dus:
het voor en tegen wel gewogen: het zal geen goed maar ook geen kwaad
doen--laat ons zwijgen. Maar helaas, wie zoo redeneert, houdt er geen
rekening mee, dat affiniteit en plotseling, zij 't door een uitwendige
oorzaak, weer actief wordend atavisme --ge hebt 't nog onlangs bij den
talentvollen Goudsmit gezien[1] --véél vermogen, en dat onze toekomstige
Joodsch-Hollandsche auteurs daarvan, in dit geval, zeer makkelijk de
dupe zouden kunnen worden. "Atavisme?" vraagt ge verwonderd, "zekere
affiniteit, dat is mij duidelijk, maar waar haalt ge het atavisme
vandaan?" Wel, is mijn antwoord, dat donker hoekje, waar het ligt
verscholen, zal ik U wijzen.... De niet minder beminnelijke dan
kunstgevoelige recensent van "Het Volk", die dit bundeltje verschoonend
besprak, noemde het "fantasieën van een Oosterschen droomer". Inderdaad
Oostersch, waarde vriend, zou ik hem willen zeggen, maar niet van het
gloeiende, rijk-edele Oosten, waar de klassieke bakermat van het
semietisch ras ligt, doch van het Europeesche Oosten, waar de hel zijner
vernedering en verslaving wordt gevonden. Niet de sterke en zonbrandende
visioenen van het Hebreeuwsch goudelen in dit werk, maar de koortsheete
en verwilderde schemerdroomen der Ghetti walm-flakkeren erdoor. En ook
veel van het verwerpelijkste dat in de eerste tijden de bevrijding uit
het Ghetto bracht,--het Ghetto, dat ook zoo vroom van stille
studie-gepeinzen kon wezen--is erin: de reactie op de geleden
vernedering; het uitgerekt op stelten loopen nadat men zoo lang gebukt
is gegaan; de pralende hoogmoed, het zich als meer voordoen dan men is;
het zich nog overal en altijd de verongelijkte en vernederde voelen; de
onverzadelijke eerzucht: de begeerte naar het eeuwen ontbeerde; het
smartvolle beluisteren van alles wat over je dierbare zelf wordt gezegd,
nu je voor het eerst in het licht gaat.--Neen, niet dien weg moet gij
op, jonge Joden van Holland. Weest gij geen "Oosterlingen" van Europa,
weest gij Oosterlingen van Azië: de ziel vol zon en wonend tusschen de
bergen, vroom opziend [p.122] naar de hoogten, en kennend U-zelf. Weest
als zùlk een Oosterling weidsch, en, naar uw vrij en eerlijk beleden
aard, slijpt de kostbaarste steenen van uw vinding, vlecht het filigrain
uwer glanzend zich wendende dialectiek, tot sieraden op uw taalgewaad.
En zoo ge zwoel van ziel zijt, met de zwoelheid van de drachtige dag,
verheugt U daarom; doch mocht gij 't zijn met de zwoelheid der
Ghetto-benauwenis en zijn ziekenkamers, weest dan hàrd tegen U-zelf en
gééselt het ùit U.... Maar--ge lacht om mijn vrees...! "Wij, vrije
Hollandsche Joden, in dezen tijd van Joodsche renaissance, zouden zóó
zijn?!" .... En uw jonge zekerheid stráált.... Wèlnù.... misschien hèbt
ge ook wel gelijk, misschien neem ik het wel te tragisch: onze
Dembitzer, meent ge, lijdt welbeschouwd aan wat men eigenlijk cultureele
kinderziektetjes moet noemen, en zoo iets is natuurlijk in het volwassen
Hollandsch gezin, dat die ziektetjes al lang was vergeten, wel een
beetje storend, doch overigens.... En jawel, zeker, dàt is waar: als we
hèm nu maar beter zien worden en opgroeien in ons midden, en gij laat U
niet door die waterpokjes en mazeltjes besmetten, nou dan was het geval
wel 'n beetje lastig voor Holland maar Holland-in-last was 't nog niet.
Maar nog eens--en niet boos worden!--past op, dat gij niet.... Want
waarachtig, zoo'n hééle kinderkamer, dàt zou niet gaan ... al dergelijk
gerei hebben we immers al in '80 aan den uitdrager meegegeven.
Juni '18.
Noot:
[1] In de critiek op diens Droom en Wereld, niet in dezen
bundel opgenomen.
* * * * *
[p.123] RENÉ DE CLERCQ: HET ROOTLAND
De tooster en de kunstenaar zijn immer elkanders ergernis geweest. Als
beiden aan 's levens zwaargeladen tafels zitten, schuinoogt de eerste in
lacherig en gòeig-spottend misprijzen--hij is zoo'n altijd-joviale,
bolwangige, rondbuikige en áárdige kwant--naar den laatste, die saaie
piet, die verhevenling, van wie ze, godbetert, zeggen, dat-ie zoo'n
genie is, maar die nou nooit 'ns zoo'n wat je noemt leuken, wàrmen,
hàrtelijken toost kan slaan. En de laatste kijkt in verbazing en afkeer
naar dat van wijn en dùrende geestdrift en vette hartelijkheid zweetende
vetblok tegenover zich, die geen oogenblik zijn dikke lippen tot een
woordloos geheimenis kan adelen; die maar aldoor z'n natsmijdigen
keellach laat losgrollen uit z'n pralend-machtigen schud-romp, en luidop
indiscreet-opgetogen opmerkingen over zijn tafelgenooten slaakt, en dàn
weer tegen z'n glas tikt--voor de zooveelste maal, eindelóós door!--en
drinkt "op de gezondheid", "op het lieve kroost", "op de deugdzaamheid"
van onzen dierbaren vriend A. van onze lieve vriendin B....--"En hij is
waarachtig daar nog in staat," denkt onderwijl de bleekwordende
kunstenaar, z'n woede verbijtend, "om op de blanke halzen, de dikke
kuiten en de prachtig-gewelfde borsten te drinken!" Nee, de kunstenaar
en de tooster, die zijn niet voor elkaar gemaakt, máár de criticus, dat
koud-groene amphibie, dat, als de kikker uit het sprookje, uit het
klaar-vloeiend water der kunst, naar den koningstafel des levens komt
opgekropen, diè heeft een verkneuterend genot aan bèiden èn van hun
verhouding tot elkaar. En soms--maar dan wordt 't een [p.124] schouwspel
voor gòden, en eigenlijk voor hèm te mooi--ziet hij beiden bij beurten
een-en-denzelfden man ontstijgen, als in occulte zelfverdubbeiing,
zelfprojectie. En dit nu, vereerde lezers, dit schouwspel voor gòden, is
mij, zoo nederig en gering als ik hier voor U zit, ten deel gevallen!
Dáár--ten feestmale op Het Rootland. Och, wat deed die van
jovialigheid-glimmende tooster De Clercq druk. Hoe vet glimmerde z'n
mond bij al die dierbare en opgetogen woorden over z'n lieve, heerlijke
tafelgenooten; hoe aardig waren al die zòete tafereeltjes, die hij, na
'n tik aan z'n glas, zoo téékende met--zou je misschien mogen zeggen als
die er spits genoeg voor was:--z'n mond. Och ja, 't was alles zoo móói,
móói, maar toch nooit mooi genoeg voor dien lieven, in-goeien,
alles-en-iedereen-aan-z'n-hart-drukkenden man: "Er ontbrak slechts wat
zonnegoud daarop om dit drietal, als een levende beeldengroep ter
verheerlijking van landelijke kracht, zorg, levenslust en liefde,
waardig te omlijsten." Nou, beste kerel, waarom hei je dat zonnegoud er
dan niet maar bijgeteekend? Als je zóó vol zoeten levenswijn bent, dàn
mag je dàt toch óók wel doen?... Eigenlijk, docht me toen, is het heele
bestel, dat waarom alles draait, van 't feest, 't werk van den tooster,
want: dat een gezonde boer als die Joost Valke, zóó krom zou denken, dat
hij zichzelf gaat opofferen, om z'n meisje òngelukkig te maken, nee,
hoor.... Maar de tooster, hé, diè had die "edelmoedigheid", die
tranenglibberige smart van noode.... Waarvoor? Nou, om er aandoenlijk op
te toosten, natuurlijk!... Maar kijk, nauwelijks had ik van dat alles 'n
weinigje spottig genoten, of de jovialige dikkert en wijdgebarende
zwaardert was plots verschimd ... wèg, èn--daar stond de kunstenaar! Wat
of diè deed? O, dat was zóó anders.... Die spràk: een knoestig uit den
zielsgrond gewassen woord--woordconstructies, voor ons
Noord-Nederlandsch om van te watertanden; die gàf: hartig-levensware
menschscheppingen, teer-schoone, soms doorgeestelijkte
natuurbeschrijvingen.... Met de natuur bemoeide zich de tooster dan ook
nooit, en nà het eerste deel des feestes heb ik 'm gelukkig heelemaal
niet meer gezien. En tòen voltrok zich dan ook een wonderlijke [p.125]
verandering--in mij. Ik zei 't U reeds, dat ik, amphibie, als in 't
sprookje, uit het water naar den koningstafel was opgekropen, maar toen,
alweer als in 't sprookje, veranderde ik in 'n liefde-vollen prins. En
met mijn lievende en prinselijke oogen aanziende deze kunstenaarsziel,
dacht ik: René de Clercq, wat zijt gij toch een schoone mensch.... Welk
'n fijnheden en innigheden en diepten hebt gij. Dat woord van dien door
de boeren mishandelden dokter: ""'t Leven is aardig," zegde hij in zijn
eigen." Hoe subliem. En de stille tragiek van Anneken's afscheid.... Het
minnarijtje van Rik en Maaike in de van bloemenlucht overhuifde
avonden.... Hoe natúúr-zoet. Soms ook spreekt ge een zinnetje als
vlottende muziek. Al het knoestige van uw woord is dan wèg, het zijn
geen woordbóómen meer, het zijn losse, wònderlijke klankjes--géén
melodie--van een Aeolus-harp in uwe boomen.... En neen, ik bedenk mij:
waar ge een tooster waart, waart ge toch waarschijnlijk geen èchte....
Uw overdrijven van het sentiment, was het wellicht niet anders dan dat
van het overvolle volks-kinderlijke hart, dat zóo onleschbare dorst
heeft om allen lief te hebben, dat het de menschen mooier mòet maken,
sòms, om ze te kùnnen beminnen? En trouwens, die tooster is dan toch,
zoo niet rééds bezweken, toch bezwijkend in u.... Toen hij op Het
Rootland verscheen, dat was in 1911...! Sindsdien.... "Die Schenker
woont in Zijn onnaakbre hallen".... Die Schenker, die ook dàt feest gaf,
heeft sedert alsem in den wijn gemengd.... En schonk Hij ù niet De zware
Kroon te dragen....? Maar de lippen van den tooster zag ik wit worden
vanwege de bitterheid en het wrange.... Neen, hij zal niet zooveel meer
spreken in en naast u.... En eens laat hij u, den sterken kunstenaar,
alleen....
Juni '18.
* * * * *
[p.126] J.J.L. GREGORY: HET LIED VAN DE ZONDE
Maandag 10 Juni!... In de grondelooze délices mijner àndere analytische
en zwáár-critische kunst, het verheven diamantklooven, verzonken; mijn
brandende aandacht gefascineerd door de blanke wereld van een
flonkerenden octaëder, waarin, gelijk een kwade gedachte in een schoonen
geest, een dier zwarte vlekken duistert, dewelke men greinen noemt,
voelt mijn ziel, plots gestoord, zich naar de oppervlakte der
alledaagschheid zweven.... Een tik op de deur.... Ah! er wordt mij een
pakje recensie-exemplaren gebracht. Dàn glimlach ik toch; geeuwerig en
lacherig strek ik mij behaaglijk tegen den rug van mijn leunstoel en
door mijn onfeilbare instincten geleid, grijp ik naar dit dun en
diabolisch boekje. Dun: o recensenten-geluk! Diabolisch: waar zou ik
anders naar grijpen, ik, die den tijd, welken ik mijn voortreffelijken
werkgevers duur laat betalen, met het lezen van gedichten verdoe en dàn
nog klagerig jank om meer loon; ik, die bij het zien van een
diamantvlekje aan een helsch-zwarte gedachte denk.... En ik ga lezen ...
ik lees deze onsterfelijke regels: "En Paul schreeuwde: Breng me een
jong leven, dat ik het verkrachten kan!" Ik lees: hoe Paul een levende
meeuw de vleugels ontscheurt, en daarmee--o verrukkelijk visioen!--een
heuvel opstormt, en ik knik bewonderend, en denk blij: een Baudelaire't
je en een Lautréamontje.... Maar nòg duivelscher dan dit duiveltje denk
ik ook vèrder en grijns en zie, zie--hoe deze Gregory, dit onnoozele
dwaze schaap, een dag grasjes mummelend in zijn vlakke weidje, plots
dien vuurspuwenden draak, dien Maldoror aan den horizon zag
òpgloedwolken en neergolven [p.127] gelijk een lavastroom, en toen
waterde van angst achter de boomen, als kameelen die den leeuw ruiken;
maar daarna ziende, dat de Vreeselijke weer verdween, Hem ... ging
nadoen! buitelend en blazend in zijn malsche vachtje met z'n goeiïg
snuitje.... Ach, mijn kleine zoon, met wien ik laatst in Artis heb
gewandeld, deed je ook niet zoo? Wéét je 't niet meer of wil je 't niet
meer weten: de leeuw brulde, ik voelde je handje trillen en je gezichtje
betrok. Ik zei: ben je bang, jonkie? en je antwoordde, jij kleine
slimmerd: "nee, maar mijn hoofdje gaat zoo'n pijn doen van dat gebrul."
Toen zijn we maar stil, mijn heldje, naar buiten gegaan, maar nauwelijks
waren we thuis, of--jij werd zoo waar een geweldige leeuw en ik moest
maar in je leeuwerigheid gelooven en mij làten verscheuren! Kom, weet je
wat, dàt is een mooie inval: Pappie gaat nou 'n spelletje bedenken, het
leeuw-en-duivel-spelletje, en dan mag je volgenden Zondag je vriendje
Gregory bij je op visite vragen en dat sàmen met 'm spelen gaan.... Hé
... wat?... ja natúúrlijk, onder de hand chocolade, wat dacht je dan ...
twéé reepen ieder!...--Zaterdagavond 15 Juni! De pret is 'r 'n beetje
voor me af.... Querido vindt 'm reeds een imitatie-Baudelaire en
-Maldoror. Uit puren lust, mijn originaliteit te demonstreeren, zou ik
nou wel willen zeggen, dat-ie 'n namaak-Augustinus is! Maar waarachtig,
het gaat niet.... Baudelaire zou ik me nog kunnen ontgeven, Maldoror
zèker niet. En toch lezer moogt ge daarom volstrekt niet denken, dat ons
Gregorytje door de Lautréamont beïnvloed zou zijn--gij zoudt er den
laatste, dien goddelijk-duivelschen reus al te schandelijk mee
beleedigen. Tja ... hòe zal ik u de verhouding tusschen beiden nu
duidelijk maken.... Kijk, ze is zóó.... Op 'n morgen--het vertelsel is
wat onsmakelijk, maar het verklaart u alles--hoorde ik op 'n atelier,
waar ik werkte, iemand een beruchten smeerpoets vragen: "Zeg, mag 'k
even je vest zien?" "Waarom?" vraagt de smeerpoets. "Ik wou zoo graag
weten, wat je gister hebt gegeten," antwoordt de ander droogjes. En ziet
ge nu lezer, zìet ge: als ik nu het vestje van den heer Gregory maar
èven bekijk en daarop de gore vlek van zijn "gedicht" ontdek, dan roep
ik, [p.128] me op de knieën slaand van pret: O, jij Gregorytje,
Gregorytje, jij hebt, ontken 't niet, gisteren de Lautréamont's Maldoror
gegeten!... En dàt nu is de verhouding....--Les Chants de Maldoror! Wèl
was het mij een vreugde, toen ik den sindsdien helaas, en hoezeer te
vroeg, gestorven vertaler van dit wonderwerk, den begaafden kunstenaar
en arts J. Stärcke, behulpzaam kon zijn bij het vinden van een uitgever.
Want er moge ongetwijfeld in die liefdevolle overzetting veel
schoonheid, vooral van de muzikale harmonieën, verloren zijn gegaan--en
bij welke vertaling gebeurt dat niet--de visioenen vol buiten- maar ook
bòven-menschelijk schoons zijn toch thans aan Holland gebracht. Maar het
is een duivelsch, het is een vrééselijk boek, werpt ge mij tegen....
Ach, lieve vriend ... weet ge wat het mij immer was? Ziedaar: het meest
treffende der pantheïstische levensbeschouwing in kunst verbeeld, de
verluchting van Spinoza's sublieme woorden: God schiep het Al gelijk het
is, "wijl het hem niet aan stof ontbrak om alles van den hoogsten tot
den laagsten graad van volmaaktheid te scheppen." En aan zóó iets raakt
dit schrijvertje.... Maar wat zou het! Hebben zelfs niet de
lucifersfabrikanten, bij het benoemen van hun product, zich den gevallen
Aartsengel ten nutte gemaakt? O Paul-duiveltje van dit Lied van de
Zonde, wees er zeker van, gij althans blééft in uw rol, toen ik aan U de
leelijke pijp ontstak, die ik hiermee den heer Gregory doe rooken....--
Juli '18.
* * * * *
IS. QUERIDO: VAN VERBEELDING EN WERKELIJKHEID
Deze bundel is--schoon niet alle opstellen op een zelfde hoogte
staan--een prachtig boek, prachtig vóóral om de rijk genuanceerde
vitaliteit van den mensch, die het schreef; de hartstocht voor héél het
leven, die er in nimmer verzadigde begeerte tot menschscheppen; in
strijdlust; in verlangen om te weten, te doen en te ondergaan, tot
uiting komt. Gij herinnert u den Woudgeest uit De Verdronken Klok, die
woeste bewustwording, die nu òplááiende, straks weer fijntjes
vlijm-vlammende personificatie--dien water-Nickelman brengt hij aan en
van de kook!--van den onblusehbaren leefdrang-zelf? Ik zie hem weer vóór
me--o, die onvergetelijke Heyermans'sehe "Literaire Matinée", waar Mögle
hem fel-levend aanzijn gaf!--nu ik dit boek heb gelezen en 't nog eens
in gedachte òverschouw. Vraag zoo'n wezen niet, in zijn meest
leven-overstelpte oogenblikken, naar wat wij menschen "distinctie"
noemen--een hóóg-prijselijke eigenschap, maar die overigens ook wel,
vaker dan men denkt, uit geestelijke schamelheid wordt geboren--; niet
naar de ingetogenheid, die voorzichtig schrijdt, zeker dàn wanneer haar
tocht een bergtocht is. Neen, hij stijgt springend als een gems van de
dalen naar de toppen, wipt onvoorziens weer van de hoogten in de diepten
neer, houdt al officieele godzaligheid en "geestelijkheid" voor den gek,
keert schalk de orde der dingen om, door zelfs een barbier bij den neus
te hebben, máár--als hij verháált, hóórt ge in zijn woord het
klank-gesprànkel en de dòndering van de klok hèrgalmen, die hij luidde
op zóó vreemde [p.130] wijs ... door hem van rotspunt tot rotspunt te
doen storten! O, oude wagen van de taal, hoe onbeschroomd-moedwillig
heeft deze schrijver je wel eens heftig een van je raderen ontrukt, en
je zwijgende klok tot zingen gebracht door dat gevaarte als een licht
steentje te doen huppelen tegen de weerstanden van zijn genialen
geest.... Zoo hoorde de wereld dan wel een wild en toomloos lied, maar
dat óók was een nieuw geluid, en dat geluid: muziek. En was eindelijk
deze als voortgezwéépte, deze als demonisch voortgejáágde klok ter diepe
gevoelsbedding in rust gezonken, dàn weer ... plòts ... als in den
nàdroom van het leven, roerde een heel andere: de vrouwelijke
teederheid, de mijmerende, klagende en herdenkende teederheid van deze
groote kunstenaarsziel, nog ééns aan de metalen wanden, en de
donderaar-in-den-zonnedag huiverde nu van uit de donkere diepten een
licht en melodieus gerucht naar de zachte en weifelende schemers van het
luisterend hart. Lees maar weer in dìt boek die schoone bladzijden uit
Reisbeschrijvingen, vol teerste jeugdherdenking, mij zijn dèze liever
dan die uit Verbeelding en Werkelijkheid in dien anderen bundel:
Malvina, waarin het sentiment soms door het koesteren van de eigen
persoonlijkheid werd verzoetelijkt. Of voel de teerheid der beeldingen
in Herfst, dien rei der jaargetijden, vol van muziekale plastiek:" ...
de gouden regen fonkelt zijn slanke trossen neer uit hoogen hang." "Er
twinkelde vogelengerucht door de lucht, en van een witten til-kanteel[1]
vloog een zwerm duiven op," met ook die fijne bezinning over het
herfstelijk ruischen der boomen; en dit zéér fraaie,
dichterlijk-wijsgeerige aan het slot: "De Herfst in eigen wisselgestalte
bevestigt den kringgang der dingen, en in zijn praalschoonen dood jubelt
hij juist van het eeuwige wederkeeren". Maar het wilde en toomelooze
lied hoort ge bijvoorbeeld in het geëmotionneerde Nietzsche, mèt het
kleurig Aquarium werk van romantisch intellect en
gevoel....--Intusschen: zeker wanneer ik zoo'n kòrt stukje als dit over
Querido's critisch en lyrisch proza schrijf--en tot het schrijven
[p.181] van omvangrijker studies ontbreekt mij thans ten eenenmale de
tijd--kan ik mijn oordeel, zij het in nieuwe uitingsvormen, slechts
herhalen. Wat ik in 1911, in mijn Over Literaire Kritiek en Is.
Querido's Studiën van hem zei--men kan de essai in mijn bundel Schetsen
en Critische Opstellen vinden--acht ik nog immer volkomen juist: wat ik
daar schreef over zijn deugden en gebreken; wat ik schreef over de
voorkeur, die, zeker bij het oordeelen over een groot schrijver als
deze, het natuurlijkheidsgevoel van den criticus, boven zijn
schoonheidsgevoel als kunstcriterium verdient, en niet minder wat ik
schreef over zijn metaforen- en menschscheppende macht. Die
eigenschappen en ook die tekortkomingen, zij zijn in àl zijn lyriek
aanwezig: daar de ééne meer, ginds weer de àndere. Metaphoren, er zijn
er van de schoonste in dezen bundel. Menschschepping, Pol de Mont,
Streuvels, hun prachtige uitbeelding herinnert aan het allerbeste uit de
Geschreven Portretten. In een geval, waar een schoone metafoor vergezelt
de psychologische doorgronding van den menschschepper, in een
karakteristiek van het menschschepper-zijn-zelf--een heuglijk
samentreffen! --zij het mij veroorloofd, u nog even een citaat te geven,
(over Streuvels): "Hij spreidt zijn stille peinzers-net zoo wijd, van de
lage aarde naar den hemel, en toch zonder hoovaardij. Want hij verwerkt
al de zelfgegaarde wijsheid weer in de nederigste zielen en geeft u de
ontraadseling van een mysterie terug uit een kindermond." Zou men met
dit laatste ook den schepper-zelf van Huib Kilometerboekje niet kunnen
kenschetsen? En als ge opmerkt, dat er, op blz. 24, van Pol de Mont's
"Zeus-achtige stem" wordt gesproken, en pas veel later, in de
uitmuntende metaforisch-synthetische karakteristiek, die op bl. 32
begint, ditzelfde beeld vluchtig-en-fijn wordt uitgewerkt, dan ziet ge
toch wel, dat ook deze wagen-verwrikkende en klokken-neerstortende
Natuurgeest ònder zijn heftige gepassionneerdheid tevens de distinctie
ìn zich heeft. Want is het wezen der waarlijk-gééstelijke distinctie
niet: het beschroomd-beproeven, het dan duldzaam wachten, en ten slotte
het niet-opzichtig uiten van eigen zieleschoon?... Hoe gaarne had ik nog
over andere opstellen in dit boek geschreven, [p.132] zooals over het
geestige Dagboekbladen van Twee Kellners en het door fijne, korte
opmerkinkjes benevens een ontzaglijke belezenheid boeiende Rond
Jean-Jacques Rousseau, en mij tevens in analysen verdiept --ik moet het
laten.... En is het trouwens wel noodig? Is er geen Macbethiaansch
wonder gebeurd, welsprekender getuigend dan ik óóit zou kunnen zijn? Ik
gebruikte daar straks den term: "een groot schrijver." Als ik dàt eens
in 't literair-stormige 1911 had gedaan, gelijk hier: zonder uitvoerige
ontledingen te geven, bewijzen en nog eens bewijzen ...! Maar sindsdien,
o literaire vrienden, die destijds met mij wel twisttet, gebeurde er
iets: hoe verrassend--en welke Macbeth zou dàt hebben voorzien--is 't,
dat het woud uwer meeningen zich is gaan bewegen, en wel in de richting
waarin ìk lang tevoor was gegaan ... èn: dat het èinddoel van dien
wuivenden tocht toch feitelijk ten slotte bleek--een kròning!
Juli '18.
Noot:
[1] Alle cursiveeringen van mij.
* * * * *
[p.133] ELLEN: ARIADNE EN DIONYSOS