verstoorde Mierennest hebt gelezen, ziet ge den zacht-ironischen, den
mild-droevigen en koel-vreugdigen, den schuwen, slechts in wat losse
speelschheid zich uiten willenden geest van den schrijver, ten voeten
uit, voor U. En in dìt boek herkent ge hem weer--hij is nu ietwat
veranderd, maar dit verbaast U niet: gij hebt die verandering
vóórvoeld....--Want ge zaagt ook wel hoe hij kwam aangetreden, deze in
zich-zelf teruggetrokken mensch, door der jaren kronkelende gang, waar
nu en dan schamplichten zijn dàn strak-gehouden gelaat belichtten, maar
ge in de duisternis een weemoedig spotlachje daarop vermoedde--ge zaagt
wel hoè hij opging tot de zelfopenbaring dezer twee boeken. Een
journalistenleven het zijne ... neen, erger: het bestaan van een
kunstcriticus!... Te midden van den grootheidswaan, de ijdele
zelfverheffing, de intrigetjes, het kemphaantjesgekraai, de nerveuse
overspanningen van al die Shakespeartjes en Bouwmeestertjes, heeft hij
dagen èn avonden doorleefd. Onderwijl echter moet hij aldoor stilletjes
naar zijn eigen speelsche droomen hebben gekeken, hoe daar dingen
ontstonden, die toch wel mooi--nee, nièt móói, zal hij op zijn
zich-zelf néérdrukkende wijze hebben gemeend, doch áárdig ... toch wel
aardig ... waren. Maar niet opschrijven, niet opschrijven, kapte hij dan
heftig een nauwelijks gedàchte gedachte af.... Wat is er in godsnaam aan
gelegen naast al het heerlijk-moois, dat de grooten hebben gemaakt ...
en kijk 'us [p.105] al die mallen, die opgejaagden, die
schichtigen....--Hij moet dien dégoût hebben gehad, welken elk
kunstenaar-criticus kent, dien dégoût van den lazaret-dokter aan de
vuur-linie ... te véél wonden, te veel verwrongen gezichten, te veel
mensch wrakken, om Gòds wil hou òp! Maar--de droomen van een
wezenlijk-scheppenden geest als de zijne, zijn sterker dan diens wil.
Zij dwongen hem ten slotte zich te bukken onder hun juk.... Hij gìng
zich uiten.... Maar in 's hemels naam, zoo moet zijn wijze deemoed hem
in een laatste verweer hebben toegefluisterd: zonder iets dat maar op
ophef lijkt, àsjeblieft ... zorg ervoor, dat ze je niet kunnen zitten
aankijken als een wonderdier ... gelùkkig: jij kunt dit leven niet
anders aanvoelen dan als een doelloos spel, bééld 't als zoodanig ...
nog een beetje achteloozer dan je 't wellicht van zelf al zou hebben
gedaan ... òm je maar de vooze gewichtigdoenerij van 't lijf te
houden....--En daar kwam dan het eerst dat vóórwoordelijke eerste
hoofdstuk van Het Verstoorde Mierennest: "Indien de natuur eens
meedeed?".... "Bedenk eens zulk een gril".... "Laat ons het eindloos
getal zulker doode werelden met één vermeerderen"..... "Maar ons
sprookje gaat verder"[1] Dit voorwoord zei den lezers onmiddellijk:
vrienden, trek jullie asjeblieft je galapak uit, je gaat niet naar een
zitting van de Staten-Generaal, maar naar de bijeenkomst van een
debating-club ... begrijpt wèl: er dwìngt ons géén nijpende
wèrkelijkheid tot spreken, noch gaan wij beraden over iets dat is, maar:
wij hebben nu eenmaal lùst tot spreken, en we zullen redeneeren over
iets, dat we veronderstellen te zijn....--Nóóit heeft een werk eene meer
discrediteerende voorrede meegekregen: de verwezenlijking van het
gegeven--het doel van kunst!--in des aanschouwers geest, scheen hier bij
voorbaat onmogelijk gemaakt! Temeer, waar zich de spèl-natuur, de
schaakspel-natuur der verbeelding nog in iets anders accentueerde: in
den ònoorspronkelijken opzet van het verhaal; dien een werelddood
brengenden komeetstaart vol blauwzuur. Want werd [p.106] ons deze opzet
niet onmiddellijk voelbaar als een analogon van een dier, grootendeels
eeuwenoude, "openingen" van het schaakspel, waarmede bijna elke partij,
óók de oorspronkelijkste, óók de geniaalste, begint? Maar dit was dan
ook de schoone triomf, zelfs over mij, die dit alles toch zóó sterk had
doorvoeld, dat den lezer dit áárdige spel, trots àlle tekortkomingen,
trots àlle onwaarschijnlijkheden, langzamerhand tot boèienden ernst
werd!--En toch--ik sprak straks van eene verandering die te voorvoelen
was: in zoo speelsche luim kòn déze scheppende geest niet volharden.
Want weet dit wel: het leven weerspiegelt zich op drie wijzen in de
menschelijke psyche: als doel- en wetten-looze toevalligheid; als
wet-gebonden spel; als doelmatige ernst. En wie nu, als onze schrijver,
meenend in de sfeer der hier als twééde genoemde levensbeschouwing te
verkeeren, toch reeds blijkens de eigenaardige ernst-impressie, welke
zijn werk ten slòtte maakt, in zijn scheppend onbewuste de erkentenis
van de dèrde draagt--diè stijgt, al scheppend, ook bewùst tot deze; die
verláát het spèl. Men ziet dan ook in dit zijn tweede boek duidelijk de
aanvang dezer stijging. Het werd er minder èn meer door. Mìnder: want nu
het puur-fantastisch gegeven is vervangen door dat eener zeer makkelijk
als zoodanig te aanvaarden werkelijkheid, storen ons veel
onwaarschijnlijkheden des te heviger.... En óók minder: omdat de
schrijver niet immer tot de hart-diepte van zijn soms
van-realiteit-nijpend onderwerp daalde, en met name zijn daardoor
geïnspireerde lyriek, hoe fraai die ook op sommige plaatsen zij, als
geheel nog onrijp bleef. Maar méér: door het
sociologisch-bitterder-hekelende van zijn oude en zuiver-gebleven
socialisten-hart; door de toch steviger levende menschelijkheid--de
engelsche professor, de apache, het meisje;--door het prachtig-geestige,
dat het werk doortintelt--de graaf met z'n vier Pommeren! dat is
onovertrefbaar in zijn soort ... dàn vloeien de meest spiritueele
karakteristieken uit zijn pen. Terwijl tusschen dat alles nog kleuren,
vaag, wonderteere van-glansmist-omdeinde visioenen. Naast vrij wat
slordigheid in de taal--soms zeer opmerkelijk in het andere uiterste
overslaande: eene als uit nerveuse behoedzaamheid [p.107] ontstane
verstarring, (een taalgevoel dat, onraad snuffelend, plots waaksch, op
stijve pooten loopt)--zijn er ook wel eenige vreemde stijlinvloeden aan
te wijzen: nàuwelijks èven een de Haansch rhythme; lànger eene
Queridoïaansch-beeldende zegging; zéér lang aangehouden de tóón der
voortreffelijke Prikkelidyllen van Cornelis Veth....--Ik wil nu maar
hopen, dat ik onzen ingetogen auteur niet te veel lof, naar zijn smaak,
heb toegezwaaid, en vooral verzoek ik hem mijne allicht-onjuiste
psychologische analysen te willen verontschuldigen Hij-zelf heeft aan
mijne vermetelheid een weinig schuld! Schoon spel prikkelt tot
medespelen. Jammer slechts dat ik dan een zoo onkundig partner was. Maar
zie, alreeds sta ik op, en de vrije plaats voor het schaakbord aan zijne
Scheppende Droomen latend, trek ik mij in den kring der verheugde en
zwijgende aanschouwers terug.
Febr. '18.
Noot:
[1] Alle cursiveeringen van mij.
* * * * *
[p.108] JOH. DE MEESTER: DE KINDSHEID VAN HARLEKIJNTJE
De jòng-geestige, liefdevol-spotlustige verteller, die de Meester
eenmaal was, de verteller van dat onvergetelijk Avontuur van David
Zangvogel èn Petite Reine, benevens de wat
Hildebrand-achtig-gemoedelijke, novellistische verhandelaar, die hij
zoowaar óók soms kon blijken--die beide evenwichtiger wezens bestaan,
blijkens dezen bundel, nauwelijks meer in hem. Zijn nog altijd jeugdige
en rappe geest heeft een toch wat oùwelijk-stèrker physionomie gekregen
... van een vréémde ouwelijkheid, zulk eene als, schoon plòts
geopenbaard, wel altijd bij het wezen moet hebben behoord, of het jong
was dan wel oud; die niets met den vorderenden leeftijd heeft te maken.
Zijn scheppende geest--dáár ben ik er!--lijkt mij de, machtiger dan
vroeger geprononceerde, physionomie van den condor te hebben:
kaalhoofdig, naakt-scherpe oogen, bits-kromme grijpsnavel. Met zijn
fel-flikkerenden blik zoekt hij den hemel af en de aarde over....--Zijn
nerveus-open ziel reageert op alles dat leefbeweegt binnen zijn
gezichtsveld. Alles is hem schoonheidsprooi, hij ziet èn grijpt.... Het
is verwonderlijk wat hij òp kan, wàt hij ver-bijt, wàt hij verslindt en
in hoe korten tijd hij 't doet....--Ziedaar de schrijver des zes, deels
voortreffelijke, deels goede, maar àlle: boeiende, Thuiskomsten; van het
pittige Een geval van Tooneelbescherming en het een beetje, in de figuur
van den schilder, Emants-getinte Oase. Nog altijd is hij de
onverminderd-uitmuntende compositeur van het vlotte, korte verhaal, en
in elk zoo'n verhaal is welhaast een roman saamgedrongen; zij [p.109]
zijn instantané's, maar niet van een-oogenblik-in-'t-leven, doch van
het-leven-in-een-oogenblik. Zijn verhalen zijn vol rillende driften:
hèrsens vòl bevende zenuwen, kloppende aderen. Zijn zinsbouw, zijn taal
zijn incarnatie--pezig-mager, gloed-droog woordvleesch--van zijn vurige,
lijdende, wrang-genietende, het leven een drònk afdwìngende ziel. Warmte
en koude wisselen snel in hem, maar blijvend in hem toch is: iets
hard-staalachtigs, sòms smijdig-vlug als een toestootende degen, maar
soms ook als onverzettelijk omhooggespeerd onder den duister-broeienden
hemel van zijn pessimisme. Donkerte en licht wisselbliksemen dan langs
hem heen, want geen onweer barst in zijn nabijheid los of hij trekt de
ontlading aan ... dan ziet ge fèl den staalglans. Als het gevaarlijke
hemellicht, verraderlijk-snel en wreed, de zich onzichtbaar wanende
zwoel-heimelijke nachtelijkheden der aarde opendekt, vaart het langs hèm
neer, om zich-zelf in den reuk-zwaren grond te begraven. Dit, wat den
schepper in dit werk betreft. De mensch, die niet tot het schepper-zijn
kon stijgen, wijl hij er zooeven vermoeid uit neergezegen was, spreekt
uit het eerste verhaal: De Kindsheid van Harlekijntje. Dáárin leeft de
man, die door de turbulente jacht van scheppende bewogenhden éven
verlaten, zoo graag een héél gewone mensch, dien korten tijd althans,
wil zijn. Daar ziet hij zich nu zitten in een gezellige kamer, en een
anderen mensch tegenover zich.... Heeft die naar hem geluisterd, terwijl
hij scheppend-verhaler was?... De bewonderingswarme blik van dien man
schijnt dat wel te zeggen.... Maar wat doet dat ertoe; van zùlk een
verhaler is nù niets in hem ... hij voelt als een geestelijke koude, een
leegte ... hij voelt een behoefte aan gewóón-menschelijke vriendschap
.... Hij wéét zeker, dat als hij nu in zijn weeken weemoed, zijn drang
naar wat meegevoel, gaat spreken, hij sentimenteel, misschien wel
drakig-melodramatisch zal doen; tòch kan-ie 't niet laten. De oogen
ver-starend, vochtig van verlangensglans, mijmert hij zachtkens over
zijn jeugd, hoe-ie daar in dat oude, kleine stadje, waar zijn ouders
woonden, een jongetje kende, Harlekijntje ... een armzalig, door drank
verdwergd jongetje.... En hij vraagt vertrouwelijk den man tegenover
zich: van die Harlekijntje gesproken: "Heette zijn [p.110] moeder niet
dronken Fie? Was zij uit een Belgisch Seheldedorp".... "Heeft de muziek
Fie gelokt naar de stad?"....--Maar de man tegenover hem ziet hem
koelverbaasd aan. Die begrijpt niet, dat de liefde-gevende schepper
plots een liefde-behoevende mènsch is geworden, en koud antwoordt hij
hem: "Vraagt U mij wie of wat Fie was!... dat wilde ik juist van U
weten.... Wat wilt U toch van mij? Waar is Uw prachtige zèkerheid
gebleven?... O, o ... ik zie 't nu.... U zijt geen schepper meer als
straks.... U zijt 'n mènsch als ik geworden. Ik herken mijn eigen
twijfelen in U helaas, maar ùwe zekerheden herken ik niet meer." En de
man staat op en gaat héén....--O, de Meester, dit is het lot van alle
scheppenden, als dat vreemde heimwee hen naar het gewone mensch-zijn
trekt ...--naar: los te zijn van scheppende droomen; los van die
over-vreeselijke, pijnende gevoeligheid; los van hun onverzadelijke,
dùistere drift naar een vermoede licht, al maar heller begeerd, al maar
heller dan zij ooit hebben gekend ... bevrijd te zijn van dat dunne,
meedeinende, maar nooit wijkende, alles zoo anders kleurende waas, dat
hen van de anderen scheidt. Want nóóit worden zij daaraan geheel
onttogen en nooit hun de zoete vrede der gewone menschen en het
't-zelfde-voelen met dezen gegeven. Blijf daarom je nerveus-trillende,
je van leven kloppende verhalen schrijven; hoe levend en schoon zijn zij
ook weer hier, al zijn, gelijk in al het levende, doode plekken in hen.
Maar mijmer geen Harlekijntjes meer. Wat de mensch beminnenswaard zelfs
acht in zijn evenbroeder, verwerpt en veroordeelt hij nog in hem dien
hij als kunstenaar meende te hooren, terwijl toen de kunstenaar nièt
sprak....--
Febr. '18.
* * * * *
[p.111] R.J. SPITZ: UIT HOOFT'S LYRIEK
De heer Spitz maakt zich wel zeer verdienstelijk zoowel jegens de oude
literatuur als jegens den modernen mensch, die hij zich zoozeer beijvert
tot elkander te brengen. Eerst de overzetting van de Beatrijs uit het
Middel-Nederlandsch in het hedendaagsch, een werk, dat, er mogen dan ook
duidelijk-zichtbare vlekjes op zijn aan te wijzen--ik kom er spoedig
elders op terug--toch van een piëteitvollen moed en een schoonheidsbesef
getuigt, die den uitvoerder eeren. Nù deze bescheidener maar niet minder
gewichtige arbeid van het samenstellen eener korte bloemlezing uit
Hooft's lyriek, waarbij echter, daargelaten dat het doen eener keuze
vaak evenzeer een blik gunt in den geest van die haar deed, als een
vertaling in dien van den vertaler, de bloemlezer kans heeft gezien en
wèl gebruikt, om zijn zeer te waardeeren aandeel in het gebodene te
verhoogen door het schrijven eener beknopte, aangenaam-leesbare, zeer
concis-gestelde inleiding, welke met een zekere prettig-aandoende,
vastbesloten flinkheid de dingen bespreekt of noemt, waar 't op aankomt.
Als ge hem, in den eersten zin reeds, zoo terloops hoort zeggen, dat
Hooft's vader "een van de besten en zuiversten van een regentensoort
(was), waarvan de vrijzinnigheid vaak niet meer dan afkeer was van
predikanten-heerschappij en dat meestal slechts voor een vrijheid voelde
die de onderdrukking van anderen als grondslag had en ten eigen bate kon
worden aangewend," dan herkent ge hier onmiddellijk deze uiting als die
van een man, die, ver over zijn vak-omheininkje heen, den wijden
horizont ziet, diens spel van in elkander vervloeiende en elkaar
aanvullende tinten [p.112] begrijpt, en met dat zuiver-eigen begrip zijn
van anderen ontvàngen kennis scheidt, weer samenvoegt, schakeert, en
aldus tot den vollen èigendom van zijn geest maakt. Er klopt iets in
deze zoo aus einem Gusse gegoten inleiding, iets van zoo wàrme
overtuiging ook--men leze bijvoorbeeld die paar regels, waarin de
schrijver "protesteert" tegen een oordeel, dat Hooft een fijner geest
dan Vondel noemt--dat het mij zeer verwonderen zou, indien deze "klop"
niet eens een véél verder dragend geluid uit het brons der taal zou
wekken dan dit, al zal het wel, denk ik, nooit een schóón carillon, maar
slechts een zeer nuttige en, wie weet, ook menig rustig slaapje storende
uur slag zijn. De heer Spitz lijkt mij namelijk niet iemand--het blijkt
m.i. duidelijk uit zijn overzetting van de Beatrijs--van noemenswaardige
kunstenaarsgaven. Intusschen, gewichtiger dan dit alles dunkt mij de
vraag, of zelfs een voortreffelijk uitgaafje als dit bij machte zal zijn
den nieuwen mensch tot de oude kunst te brengen. Bloemlezers van oude
literatuur, in dezen tijd, schijnen mij altijd min of meer op zoo'n oude
dame te lijken, die, als haar coquet kleindochtertje naar haar eerste
bal gaat, uit 'r commode, van achter zeven sloten, een kostbaar antiek
snoer haalt en dit, als in zelf-opofferende innigheid, om het jonge
halsje legt. Maar het kind helaas, ofschoon ze quasi-opgetogen haar
oogen laat schitteren, is er heelemaal niet dankbaar voor ... ze zou
veel liever een van haar moderne snuisterijen dragen, en bovendien: wat
zal Albert, dien ze van de tien dansen zeven heeft beloofd, er wel van
zeggen, dat ze zijn medaillonnetje niet aan heeft?!...--De keus-zelf
overigens lijkt mij hier bijzonder geslaagd. Och ja, natuurlijk:
desiderata blijven er voor mij ontevredene nog altijd. Een kort-regelig
en kunstig vers, ter vertegenwoordiging der soort, als: Ghij suchten
heet, mis ik al even noode, als, na de opgenomen monoloog van Dorilea,
de veel zàngeriger "zang" van Daifilo. En als pendant van Amaril op blz.
14, had ik het geestige en, mij dunkt, den hedendaagschen lezer wel
lijkende Amaril, had jck hajr wt uw tujtjen, er maar bij genomen. Een
bepaalde tekortkoming echter acht ik, dat de fèl-zinnelijke Hooft--hij
had met Boccacio niet slechts zijn humanistische [p.113] neigingen èn
voorkeur voor de letteren boven den koophandel gemeen!--niet door een
vers als Dartelavondt is vertegenwoordigd. Er komt hier, meen ik, een
zelfde tegenzin van den heer Spits, tegen grover-sensueele passages, als
in zijn vertaling van de Beatrijs aan het licht. Maar erger dan eene
tekortkoming: een volstrekt vergrijp vind ik de verminking van Op Liefs
Afweezen. Niet slechts de vijf laatste coupletten, maar zelfs het derde,
dus iets uit het midden, uit een gedicht te snijden...! Bloemen lezen
van een veld en takken afbreken van een boom zijn twee verschillende
dingen! Gelijk ook bloemen lezen iets zeer liefs kan zijn, maar ze
slordig te laten vallen als steken van een breikous, iets bepaald
ònliefs is. Ik doel op eenige drukfouten, die zin of metrum, een enkel
maal zelfs beide, storen, al blijkt, in twee gevallen althans, uit de
noten de juiste lezing wel. In Deuntje: een "wonder-ziek geesje" in
plaats van "wond-ziek." (In hetzelfde gedicht ware 't m.i. beter geweest
Leendertz' noot bij "Gloorroos" over te nemen: de moderne lezer snapt
niet zoo dadelijk, dat dit woord het troetelnaampje van een meisje is.)
Op blz. 26 is zelfs de door Perk opnieuw beroemd geworden regel:
"En is geen lachje, neen, maer lachens daegheraedt"
verminkt door in plaats van maer te laten staan: man; terwijl in den
regel:
"Hier streckt de stock het derde been
"Den ouden man...."
door in plaats van streckt te drukken: sterckt, de gezegde oude man een
kermiswonder-met-drie-beenen is geworden. Ik begrijp dat de
Errungenschaften op dit gebied van den Grootmeester-aller-Bloemlezers,
den jongere in de oogen steken! Maar toch zou ik den heer Spitz, waar
hij voor dèze uitmuntendheid veel te--goed is, willen raden: keer gij
liever tot de zachtere zeden van het pre-Knutteliaansche tijdvak
terug....--
April '18.
* * * * *
[p.114] G. VAN HULZEN: VAN DEN ZELFKANT DER SAMENLEVING. ZIJN KIND
De makers der catena fina werden spoedig blind, vertelt Schopenhauer. En
het is mij of ik daarin iets van mijn eigen tijd beleef.... Want wat
dien ouden, Italiaanschen edelsmeden wedervoer, hebben wij dat ook niet
bij zoo menigeen der tachtigers en hunner epigonen te betreuren? Heeft
dat turen op de allerfijnste schakels van innerlijk en uiterlijk
gebeuren, en dat kunstig smeden van gouden woordkettinkjes, sommigen
hunner ten slotte niet het vermogen om te zien gekost, te zien wàt ook,
niet slechts hùn verwonderlijk-fijne vlechtwerk, maar ook heel het
volle, rijke leven?... Zeker: ik geef grif toe: hier vooral kan men van
wisselwerking spreken. Waren de visie op, de neiging naar dat vollere
leven, de gave van den echten menschen-schepper, van nature en meet af
aan, zij het naast hun verbijzonderingsdrang, màchtig in hen geweest,
zouden dàn hunne oogen en handen zich tot verlammens- en blind-wordens
toe hebben kunnen bezighouden met hun onder de loupe bewerkt goud?...
Een ontwikkelingsgang als die van den schrijver van Hulzen wijst mede er
wel op, hoe volstrekt-ontkennend hier het antwoord moet zijn. Van
Hulzen, vooral in 't begin van zijn loopbaan,
tachtiger-epigoon-uit-bewondering en bekoord-zijn, maar allerminst uit
aanleg, heeft óók wel vroeger "catene fine" gemaakt, minutieusen
détailarbeid, máár: op zijn manier: die van den volksman, wien nu
eenmaal de aristocratische neiging tot zoo fijnen arbeid niet in 't
bloed zit en die dan ook mede daardoor ciseleerbeiteltjes en fijn-stalen
hamertjes, allang vóór hij merken [p.115] zou dat zulk werk zijn oogen
verzwakte, in den steek liet, om met den houten boetseerstok in de vette
kleiaard te werken. Waren diè dan ook niet zijn beste boeken, welke,
zich bezighoudend met het lagere en allerlaagste volksleven,
tegelijkertijd, in hun grovere en aard-zuivere menschelijkheid,
afwezigheid van eigenlijke woordkunst en subtiele taalbeheersching,
bewezen hoe zijn vroegere subtiliteit niets dan een kasbloempje was
geweest, ontloken in de hooge temperatuur van het epigonen-enthousiasme?
Ware het daarbij gebleven.... Wie zou er niet blij om zijn, dat een
sterk-begaafde tot zijn oer-eigen natuur weerkeert! Maar helaas: in dit
zijn werk schijnt mij die oude epigoon in Van Hulzen zich op vreemde
wijze om zijn veronachtzaming te hebben gewroken. Hij, die niet langer
edelsmid kon en mocht zijn; die niet langer gouddraad tot fijne
kettinkjes mocht vervlechten, werd hier de fabrieksarbeider, die den
metaaldraad "trekt" en rekt, rekt tot ieder die 't ziet, zichzelf zoo
"gereckt", zoo gemarteld, als die metaaldraad voelt worden! Want, mijn
hemel, wèlke eindelóóze herhalingen in dit boek, geen herhalingen van de
soort, waarin zich het machtig scheppend beproeven, het evolutionnair
modifieeren van een zelfde grondtype, der Natuur weerspiegelt, gelijk ik
dit eens in Querido's werk aanwees, maar integendeel van die welke het
gevolg is van een onmacht, die zich gaan laat, gaan, tot de monden
geeuwen, de oogen tranen, de voeten wankelen van die haar moeten
aanschouwen. Zeker, ook in dat veelszins voortreffelijke boek De Man uit
de Slop viel zulk een herhalen reeds op, maar verderop beterde dat; ik
dacht toen: Van Hulzen, als zoovelen, moet zich eerst "inschrijven" vóór
hij op dreef komt; hièr echter wordt 't hoe langer hoe erger, hier
heeft-ie zich eruitgeschreven. Wèl blijkt dit boek een formidabele
achteruitgang, na het zooeven genoemde werk, na Maria van Dalen vooral,
met die onvergetelijk-prachtige vrouwefiguur; óók als men dankbaar de
aanwezigheid van vele stukjes goede en stemmingsvolle natuurbeschrijving
erkent; óók wanneer men het betreurt aldus over een auteur te moeten
spreken, wiens erbarmingsvolle en diepe menschelijkheid zóó nog de
klamme en lang-slierende druilmist zijner [p.116] onmacht doorlicht, dat
men waarlijk nog vaak, trots een hartkwaalachtig gevoel van weeheid, in
z'n Vrouw Ruffert vooral, een medemensch herkent. Een onmacht overigens,
die niet alleen in compositorische lamlendigheid en een gebrek aan
energische zelfcritiek zich uit, maar ook, zooals na al het voorgaande
wel van zelf spreekt, de taal harkerig maakt èn verslordigt. Hééft de
schrijver wéét van dit alles? En is het thans wellicht ook tot hem
doorgedrongen, hoe walvischachtig een "traan" moet zijn, die iets
"verwarmt", zelfs een "gemoed"? Zoo ja, dan begrijpt hij ook wel waarom
ik mij nog liever met een zijner oude "catene fine" zou hebben geworgd,
dan mij aan dìt rafelige touw, als een makke, critische melkkoe, al heb
ik nù herkauwen geleerd, ter ... "foire sur la place" te laten leiden.
Mei '18.
* * * * *
[p.117] HERMAN POORT: LITERATUUR
Des avonds, als de winkellichten zijn ontstoken, flaneert zoo'n nijvere
winkelier 'ns langs zijns gildebroeders étalage-ruiten. Het is in den
rust-avond na den werk-dag een langzaam geschuifel in de schemer-gedekte
straten van menschen, die stil-áán genot willen proeven, het genot van
het vredige feestje, tusschen den werkdag en den te doorslapen nacht,
den nacht zonder bewustzijn, die daar al naderhaast over hun hoofden,
van boven de straten. De oogen der feestelijk-schuifelenden kijken
dwalerig-vaag, en soms in ongewisse staring, als van menschen aan het
digereeren van een zwaar diner. Het zijn dan ook de nà- en de òp-werking
van al wat verstand en gevoel dien dag hebben moeten slikken, die zoo
hun oogen vertroebelen. De nijvere winkelier schuifelt mede, digereert
mede. Maar jawel, is dat, gelijk van den quasi-slaperigen herdershond
naast de kudde moeë schapen, niet maar schijn? Kijk!... plots
ònttroebelt een felle tinteling zijn oogen.... Een hartklopping
veroorzakende aanblik heeft zijn pupillen verwijd ... nerveus grijpt de
hand den kromhakigen stok, die in den schok der ontroering van den arm
is gegleden ... de tanden bevinnigen een snorpunt.... Wat duivel! Een
nieuw soort jam, die hij nièt heeft ...! Hij verwìnt zijn emotie. Hij
strakt den rug. Zijn gezicht maakt hij effen, maar straks--straks zal
zijn blik nòg troebeler zijn, hij heeft iets erbij te digereeren
gekregen.--En welnu, in dezen driewerf gelukkigen rustfeest-avond, na de
vele, vele uren, dat ik de onsjes en half-onsjes mijner meeningen
[p.118] op de dan blinkende, straks weer verdofte schaal mijns oordeels
heb afgewogen, flaneer ook ik--als hij. En ik ben op jacht als hij. Daar
... daar hei je 't nieuwe winkeltje van Poort. Nou ... noù! niet die
jachthonden-gretigheid in je oogen ... kijken ... jùist: 'n
vòlkswinkeltje is 't ... geen gróóte zaak ... nee, en 'n
Barthold-Schwarz-van-'n-etaleur in zijn dienst heeft-ie ook niet....
Maar 't is alles proper en netjes, een winkeltje van oud-hollandsche
heldere zuiverheid en eerlijke waren.... Als Baas de Meester het
uithangbord had moeten schilderen, had-ie d'r vast In den lieven Eenvoud
opgezet.... En ik dacht na ... als 'k eens naar binnen ging en wat
kocht, om 't bij me thuis op m'n gemak na te pluizen.... M'n gezicht
kennen doet Poort toch niet, en 't zou trouwens al 'n "reuze"-toeval
wezen, als-ie zelf in dat filiaaltje zat. ,
Máár, nom d'une pipe, hij zat d'r wèl, èn: dat portret door Pieter de
Mets.... Maar 't viel erg mee, daar niet van; na twee glaasjes waren we
al aan 't tutoyeeren: je moet rekenen, we kenden elkaars zaken al
zóólang, en zoo hebben we tot heel laat, in 't gezellige achterkamertje,
met de warm-gele zoldering en de je knus omstaande wanden geboomd, en
het gerinkel van de winkelbel--die was geen oogenblik in rust--omklonk
hem, denk ik, als de muziek der sfeeren. En ik moest maar van alles
proeven, en dan keek-ie me vragend aan. "Poort, jonge", mocht 'k dan zoo
kopwiebelen, "als je me nou toch zoo god-vergeten-inquisitorisch zit aan
te kijken, dan moet ik je maar eerelik verklaren: je Definities bevallen
me niet; als je mijn nou vóóraf had gevraagd ... diè mót je ook niet in
'n volkswinkeltje verkoopen, dat mòt toch Ersatz worden; àls je ze
tenminste voor de prijs, die jou mééste klanten kunnen besteje, leveren
wilt.... Daar nou ...! in die pot Poezie heb je toch heelemaal geen
epiek gedaan, waar of niet?"... Nou, hij kòn niet nee zeggen, want ik
likte juist de lepel af. Maar je bonbons à liqueur esthétique, die ik
daar heb geproefd, wel drommels, daar leken me wel fijne dingetjes onder
te zitten; je bent toch een kranige kerel, dat je die zoo zelf hebt
gemengd en gebakken. En je Pallieter-saus--'n courant artikel, hè,
Pallieter? [p.119]--smaakt naar meer. Ja hoor, ik zie wel, 't is hier 'n
toffe boel, en mijn zegen heb je.
"Maar toch ... maar toch", en 'k ging weer kopwiebelen, "zie je, óók
voor zoo'n klein volkswinkeltje ... ja got, ik weet d'r alles van ...
val me maar niet in de rede ... zèkèr, je wilt zeggen, je Groningsche
magazijn ... maar och kerel, als iemand 't weet, dan weet ik 't toch
hoeveel betere dingen je daar hebt ... maar hier, zie je.... Daar hei je
nou die trommels Letterkundige critiek en essai ... dat is nou toch
werachies te weinig keus, niet genoeg variatie.... Als ze je nou vragen
naar het merk Querido, wat zeg je dan? En naar Dirk Coster, ik
persoonlijk, as je mijn vraagt, hou van dat merk niet zoo erg, máár,
daar gaat niks van af, heel puik en fijn ìs 't; en naar Verwey en naar
Erens ...? Waarom làch je, schalk duivelskind? Ah ja", en ik moest zelf
lachen--"je zou wel willen hè, dat ik nog één naam noemde, maar nee
vader, je Humor-mosterd, als je maar die Speenhoff-pickles eruit vischt,
is misschien het beste wat je hier hebt, en daarin heb je geen
bijmengseltjes op mijn kosten noodig!" Het was nacht, toen ik naar huis
ging, maar vreemd toch, ik voelde me heelemaal niet moe. Onvertroebeld
in m'n harden kop, voelde ik m'n oogen sterk en vast. En ge zult mij
toestemmen: al was 't dan prettige en lichte kost, ik had toch dien
avond wèl wat te digereeren gekregen....
Mei '18.
* * * * *
[p.120] SALAMON DEMBITZER: EEN ZOMER IN GALICIE
Vertaling door Arn. Saalborn