zachtkens, liet ik 't vóór mij ter tafel neerglijden, en evenals toen
... in dien machtigen tijd ... toèn! daar het Westen zich tegen het
Oosten verhief en krijgsgerucht de luchten, vulde--al was, gelijk ook in
dien anderen Mâha-Bhârata, dat gerucht meer van speeches dan van
wapengekletter afkomstig--zie ik mijzelf glimlachen, liefdevol
èn--demonisch....--"De Joden in de Literatuur"!... Daar staat het
artikel nu weer voor mij en lacht op zijn beurt ... ja waarlijk! ik zìe
hoe 't lácht, een beetje benepen en verlegen als een aardige,
verstandige kwant, die wel wéét, alweer een malle boodschap van zijn
baas over te brengen, maar nu eenmaal gehoorzamen mòet .... En ik mijmer
weer weg.... Hoe schoon was dat ... die jong-machtige figuur van
Ornstein uit de denkverzonkenheid van zijn wetenschappelijken arbeid te
zien rijzen, en zich te weer stellen ... voor Querido en van Campen?...
Ach wel neen, wàt zouden hem die zijn geweest! maar voor dat mèt zijn
wetenschappelijken hartstocht hem beheerschend toekomst-visioen: een
Jodendom, dat vrij, geestelijk en materieel, zich uit kan leven.... En
hoe schoon ook was, in dien subtielen, kalm-evenwichtigen, polemischen
stijl van Mevrouw Mr. Ornstein de vrouwelijke charme noch het vaste
zelfbedwang [p.93] te zien vervluchtigen voor het vuur--dat de heeren
Scharten, Wiessing en Abas lichtelijk-roosterend vuur--van haar
diep-intuïtief èn wetenschappelijk verwerkt, nóóit afdwalend
nationaliteitsbesef.--Maar dan helaas!...--o, eerste leelijkheid, die
mijn mooi genot kwam storen!--ontwaar ik hoe mijn wenkbrauw-uiteinden
mephistophelisch omhoogrijzen, voel ik mijn neusvleugels trillen van
zàcht-uitgeademde, tráág-gesávoùréérde spotjool.... En ik zie weer Jac.
Levy, een wel begaafde en energisch-opstrevende proletarier, maar toen
te jong, zonder ervaring.... Nauwelijks was hij het Mosgroene Heilige
Bosch ingetreden, om voor de verheven goden, die daar toeven, zijn hart
uit te storten, of er springt een mr.-wiessing op hem af en hapt 'm een
stuk uit zijn eerste-eigengebakken offerkoek ... en ah! welkom! welkom!
dáár is ook weer de heer Abas-van-de-fransche-verzen, welke Querido niet
beoordeelen wou.... Wraak is kòstelijk en zóet, mijn kunstenaarsziel
bemint de schoone wrekers, en dies lijkt mij dan ook de heer de Rosa,
toen hij in De Nieuwe Amsterdammer die wraakneming wilde bestraffen, en
na weigering van zijn stuk er waarachtig ook nog mee naar De Joodsche
Wachter liep, zéér verwèrpelijk en zùùr: had hij niet kunnen weten, dat
"als de redactie (van de Mosgroene natuurlijk, v.C.) zich (tegen opname)
verzet, zijn er steeds naar haar meening redenen voor van moreelen of
intellectueelen aard"? En gebóód dan ook hier inderdaad de
dièpst-begrepen moraliteit niet, dat des heeren Abas wàre beweegredenen
slechts doorheen--een putdeksel bleven stinken?... Maar och, dat is
kleingoed, dat is allemaal kleingoed ... vaarwel Levy, wáárlijk-kranige,
intelligente jongen, die je zoo mooi-autodidactisch uit je
diamantslijpers-ellende hebt opgeworsteld tot een schooner bestaan;
adieu mijnheer Abas, als u je maar vlijtig in het maken van fransche
verzen blijft oefenen, dan zie ik al in niet te ver verschiet den dag
genaken, waarop diezelfde de Rosa u, als den Verlaine Redivivus, een
zijner innigste "Filmpjes" wijdt.... Maar ga nu, ga nu, ik hoor
Scharten's stap, "the step of the master"....--Dàg Scharten!... Maar
néén toch, néén.... Verbeelding! bloeiende, [p.94]lokkende,
verleidelijke, zóó volg ik je niet langer, hìer is de grens; jij zoudt
wel van mijn denken een dialogische klucht willen maken.... Gij
vormwisselende-als-water, fònkel! maar maak den beker van mijn ernst met
je fonkeling vol....--O Scharten, als je destijds had geweten, hoe ik je
uit mijn verte zat te bezien, demonisch-spottend, jawèl, maar toch wel
waarlijk ook met een verteederd medelijden; als je toen mijn blik, en
wat die zeggen wilde, had gevoeld, hoeveel reiner en beter zou dàn je
boek zijn geworden.... Nu krijt je maar: "ik ben geen antisemiet," en
tast, geloof ik, als waar 't naar een wapen, naar een papier in je
zak.... Ah ja, ik ken 't: dat is dat soort dienst-bodengetuigschrift,
dat Mr. Wiessing je in je nood "verleende": "zoo is het ons bekend, dat
Scharten absoluut geen antisemiet is." Ach ik vrees, dat helpt niet
veel, èn jou, èn Mr. Wiessing zal men niet gelooven. Maar luister:
ik--om meer dan een reden is de tijd daartoe gekomen:--ik wasch die smet
van je af in een stróóm van argumenten .... máár bedenk dit wel: wien
een smet wordt afgewasschen, hij wijte het den wasscher niet, dat de
huid in haar ware kleur te voorschijn komt....--
* * * * *
Scharten een antisemiet! Medestanders en vrienden, gij, die hem
verontwaardigd dus noemde, vergunt mij dat ik u thans klaarder inzicht
schenk. Overweegt eens allereerst dit: Wàt zou deze hoofsche en elegante
stylist, deze rijk-ontwikkelde kunstenaar-criticus, die met de roomigste
melk van veler landen literaturen is doorvoed, wiens waarlijk-nauwgezet
en gewetensvol onderzoek zijner critiek-objecten de warmste erkenning
verdient; wat zou déze man hebben gedaan, indien hij waarlijk antisemiet
ware geweest? Zou hij niet, vrage ik u, het voorwerp zijner afkeer ter
dege hebben bestudeerd, om het des te zekerder te kunnen treffen. Zou
hij, hij, zich niet in diens literatuur hebben verdiept, en al wat door
groote verdedigers en tegenstanders daarover is geschreven, met zijn
critische loupe hebben bezien? Ja zelfs--wat hadde dit immers uitgemaakt
voor dezen begaafden en polyglottischen literator--zou hij, in den loop
zijner van [p.95] semitischen aanstoot getourmenteerde jaren, niet
althans een weinig Hebreeuwsch hebben geleerd, om toch ééns ten minste
den gehate in diens eigen huis te kunnen bespieden? Gij antwoordt
bevestigend, natuurlijk. En evenwel, hij deed van dat alles niets. En
wat deed hij dan wel?...
Hij schreef:
Want de schuld der Joden is hun erfelijk ongeloof; hun ongeloof in
den Christus; hun ongeloof (vertaalt de beschouwer van dezen
heil-zwangeren onheilstijd) hun ongeloof in de Liefde als de het
menschdom verlossende kracht,
Hij schreef:
... en voor Christus' heilleer bleek het niet rijp (!!)
Is deze van alle wetenschap gespeende, is deze schamel-geestelijke
herkauwer van zoo evidente, een oneindig aantal malen rééds herkauwde en
uitgespògen, dwaasheid, is déze onze voortreffelijke kunstenaar? Bij
mijn ziel: hij lijkt wel een dorpspastoor uit "het donkere Zuiden", die,
gewaarschuwd dat een gevaarlijk-welsprekend en allicht joodsch
S.D.A.P.-redenaar een propaganda-speech komt houden, op den
voorafgaanden Zondag den kansel beklimt, om voor zijn schaapkens de
Joden als de in haat verzonken, baarlijke duivels "kruisigers van
Christus", af te malen, en hen te verzekeren, dat ze voor eeuwig mèt die
verdoemden in de hel zullen branden, als ze zouden komen te luisteren,
al ware 't maar één moment, naar dien verleider, neen erger: dien Jood
(hu!) dien Satan-zelf thans tot ze zendt!... Hoe kwam dan deze
voortreffelijke geest zóó neergedaald? Het lijkt een moeilijk probleem,
maar mij is 't er geen. Ik denk mij de oplossing aldus: levend, doordat
hij zich wellicht verongelijkt voelde--welken mensch, welken kunstenaar
vooral, gebeurt dat niet op z'n tijd!--in een wanen-doorspookt
halfduister van geestelijke depressie, veralgemeende hij zijne
zuiver-persoonlijke, bijzondere en natùùrlijk nog wel ten deele
gefantaseerde grieven, en zag eene tijdelijke ontstemming [p.96] voor
een grondsentiment zijner persoonlijkheid aan. Maar deze psychologie is
u wat te duister, te abstract? Welnu, laat mij haar dan door een
concreet voorbeeld verhelderen. Denk u een vorst--hoe vaak is 't in onze
tijden gebeurd!--die zijn troon door een revolutie ziet bedreigd, en
zijn smartelijken toorn in een pogrom uitviert--is die man dáárom een
antisemiet?! Hij èn anderen denken dat allicht, en niettemin: welk een
dwaling! Hij is immers niets dan een mènsch, die naar de schoone,
bijna-onbewust werkende, traditie van zijn liefdevol geslacht, aldus
zijn onbeheerscht en maar vluchtig gevoel uit. Is het revolutie'tje
overwonnen, is de troon weer bevestigd, dàn wordt hij allicht weer een
beste vent, doet zelfs een jóódsche vlieg geen kwaad, ja zegt wellicht
beminnelijk, dat die schoon is als een vlinder.... Keeren we nu tot
Scharten terug! Eens in die depressie vervallen, verhinderde hem zijn
ongeloofelijke naïveteit zelfs maar een glimp van den waarachtigen aard
zijns voelens te zien.... Maar hier protesteert gij! Gij gelooft
inderdaad niet, zegt ge, aan een dergelijke naïveteit in een immers
juist zoo voortreffelijk cerebraal-begaafde. Welnu vrienden, ik zal U
dwingen te gelooven, ik zal U bewijzen wat ik zeg. Hij schreef:
Het "schmeichlen" van het Duitsch heb ik nooit kunnen verdragen,
evenmin als het zoetige woorden-gespuug van den Joodschen
marskramer.
en is zoo naïef er niet aan te denken, dat men hem zal toevoegen: maar
waarde heer, spreekt ge in 't huis van den gehangene niet wat àl te luid
over het touw? "Schmeichlen", "zoetig woorden-gespuug"! En dit dan:
... is het niet de bedroevende waarheid, dat Holland, zonder "De
Telegraaf" niet eenmaal aan die heftige oppositie der gansche
menschheid zou hebben deel gehad? Dat "De Telegraaf" voor een àl te
groot part het geweten van Holland heeft moeten zijn? Het is om die
reden ... dat de uitnoodiging van "De Telegraaf" tot medewerking,
wel zéér aantrekkelijk voor mij was.
[p.97] Het slachtoffer, Zionistische medestanders, van ùw
antisemietisme-beschuldiging vergeve mij: ik heb zelden van den meest
ruggebogen duitsch-joodschen commis-voyageur--dè vereeniging dus van
afgrijslijkheden!--een "schmeichlender" en "zoetiger" toon gehoord! Want
zelfs al ware "De Telegraaf" een zoo ideëel-geredigeerd dagblad als
Scharten 't geloofde--gelooft hij 't nog?!--welk eene "schmeichlende"
smakeloosheid blijft het dan niettemin, op den eigen oogenblik, dat men
een betaalde taak van iemand aanvaardt, dien werkgever--ja, want al
leven we ook in nog zoo'n rose Literatuur- en Kunst- en Ideaal-hemel,
eene andere aardsche verhouding is er hier toch niet--dien werkgever,
zeg ik, zoo uitermate-liefelijk te begroeten. Maar och, wellicht vergis
ik mij; wellicht is dat maar dwaze werkmans-trots van mij. Die baaien
rok komt wel vaker uit mijn literatuur-mantel kijken!--
Hij schreef:
Het is voor mij geen gemakkelijke zaak, te schrijven over twee
onzer meest bekende critici, Willem Kloos en Is. Querido. Zoo geel
ik sedert een tiental jaren de verzen, die ik schrijf, niet meer
uit, omdat ik ook over verzen schrijf, en de gedachte niet kan
verdragen, dat men daarnaast mijne eigene verzen voor de modellen
zou willen aanzien van hoe ik vond dat verzen moesten zijn.
Dat, waaràchtig, schreef hij en is zoo naïef er niet aan te denken, dat
men hem zal vragen: maar waarde heer, ge geeft ook immers novellen uit,
en zijt ge dàn plotseling weer nièt bang, dat men die voor door U
omhooggeheven modellen zal aanzien? Komaan, bedenk U eens goed: àls,
bijvoorbeeld, ùwen verzen eens de "lichte godentred" van die van Boutens
eigen was, zoùdt ge ze dan niet ... nee maar, zoudt ge ze dàn heusch ...
heùschelijk niet tòch maar uitgeven?... O, heilige onschuld, ongerepte
naïveteit van een dichter, die zegt, zijne verzen niet uit te geven
omdat hij verzen critiseert O, heilige onschuld, héérlijke naïveteit van
een dichter, die, opdat zijn [p.98] verzen niét gemeten zullen worden,
ze onder de koren-maat der critiek versteekt en daardoor natùùrlijk
bewerkt, dat men ze onmiddellijk--en nu "in één partij"!--meet. Neen,
dan nog maar liever ze in den "ivoren toren" van Verwey, dan nog maar
liever ze in de "schóóne vindbaarheid" van Boutens verborgen! Onder een
korenmaat!... waar een boertje als ik ze uit kan halen ... wel foei, dat
lijkt me toch de léélijke vindbaarheid van maar een grof
verstoppertjesspel....--En welnu, vrienden, hèb ik U nu niet gedwongen
te gelooven; hèb ik U nu niet getoond, waartoe zulke wáánvervulde
naïveteit soms voert? Maar o, ik zie 't al, ge twijfelt niet meer.
Komaan, dan kunnen we verder gaan.
* * * * *
"De Telegraaf" heeft, naast menig kwaads, ook onzen criticus goeds
gebracht. Tusschen Gids en het "Meestgelezen Dagblad" is wèl een
contrast, maar juist de felheid daarvan deed Scharten eenige der hem
bedreigende gevaren merken en hem die althans ontgaan. En ook: de
overgang van den een tot den ander heeft immers, in gòed-bekeken
werkelijkheid, veel vaker plaats dan men wellicht denkt: de
deftig-vrijzinnige kerk uìt en het luidruchtige marktplein òp, daar is
bij onzen stedenbouw immers elk kerkganger op verdacht! Scharten wist
zich dan ook onmiddellijk in 't rumoer te schikken, al tè makkelijk, àl
te nederig weliswaar, gelijk we helaas hebben gezien. Hij voelde er
losser te kunnen zijn en hij wèrd 't. Menig boerinnetje, die daar met 'r
mandje met niet-onberispelijke groentetjes stond, heeft-ie jolig berispt
en geprezen.... Die meerdere losheid was zijn winst; maar 'n
patertje-langs-den-kant met ze dansen, dàt deed hij toch nooit: daarvoor
zat de kerksche wijding hem nog te veel in 't bloed. Dat was het behoud
van zijn distinctie. Hij werd fleuriger dan óóit in De Gids. Hoe geestig
is dat vergelijk van de "zonderlinge geluiden" in Anema's poëzie, met
het "ontstellend gebrul van de bloemenmeid in Pygmalion". Hoe
aardig-beeldend weer dit (over het herdenkingsfeest van "De Maatschappij
der Nederlandsche Letterkunde") "wat er van zij, eene dubbel-en-dwarse
herdenking zal het worden, eene herdenking met een onderkin."[2] En zoo
zou ik wel voort kunnen gaan!...--Maar De Telegraaf bracht hem ook een
andere winst: zij gaf hem meer ruimte: in plaats van een vaak
krap-toegemeten Gids-overzicht over een menigte werken, beschikte hij nu
over een feuilleton-ruimte, zoo hij 't wilde voor één boek. Dat kwam
zijn lust tot de analyse, zijn sterkste zijde, ten goede. Zijne fijne
indringingsmacht verfijnde zich nog wellicht. Aanmerkt eens hoe dit
vermogen, ontwarend het diepste innerlijk in eene uiterste
uiterlijkheid, zich prachtig hier toont: (Over Geerten Gossaert) "Trots
is deze ziel als weinige--het is opmerkelijk, in hoevele dezer verzen
het statige of het steigerende paard verschijnt!"[3] En meer nog deed De
Telegraaf--gij zoudt het onmogelijk hebben geacht, en toch: zij schonk
hem den moed, ééns ten minste hartstochtelijk in zijn liefdesuiting te
zijn. Want Scharten was immer een allerkalmste puntje-op-de-i-zetter,
hij dàcht véél grooter dan hij voelde: hij dàcht stèrk en hij vòelde
maar: fijntjes. En als gij goed de waarheid dezer bewering wilt inzien,
dan moet ge eens de in dezen bundel voorkomende unieke gelegenheid
benuttigen, waarbij Scharten eene onbewuste nabootsing van Van Deyssel
heeft geschreven. Ik bedoel die passage, welke bovenaan blz. 56 begint,
waar onze criticus een boekje uit de kast haalt en dat spottend gaat
zitten bekijken. Dat is, buiten eenigen twijfel, eene reminiscentie van
het "snoezig kistje sigaren" uit: Over kunst, of eigenlijk over den Meer
Henri Borel, nog wel een van de koelste stukken van ons aller Meester,
den grooten Brandende-Voeler. En nu moet ge eens goed zien, hoe snel in
het laatstgenoemde stuk het zich in zijn eigen trèf-zekerheid
verknéuterende spèl tot den strak-ingehouden, staal-vlijmen haat-ernst
en verachting steigert, en daarentegen Scharten's spel, 't spel van een
lieven, guitigen plaaggeest blijft. Maar, constateerde ik, dat De
Telegraaf hem ten slotte den moed tot den hartstocht--waarvan ik u
aanstonds het blijk hoop te toonen--heeft geschonken, ik moet erbij
voegen, dat zij dit geschenk-om-over-te-juichen hem bracht op een
manier-om-van-te-huilen.
[p.100] En dat is aldus in zijn werk gegaan. Nauwelijks in de
Telegraaf-sfeer van maniakale anti-Duitschigheid en pro-Ententerigheid
opgenomen--in welker gedachtencomplex Nederland precies zooveel meetelt
als zijn waarde van mògelijk trekpaard voor den Entente-oorlogswagen
bedraagt--werd Scharten's wezen tot in zijn diepste gronden bevrucht,
ontwaakte het tot zijn vurigste kracht. Het wezen van dien Scharten,
die, schoon van duitsche afstamming, in Nederland geboren, een
latijnsch-geaard cosmopoliet is met een niet al te warme liefde--waarvan
de onbewuste plichtmatigheid hem wellicht tot dan bleef verholen--voor
zijn vaderland. Al die gevoelens, welke de Gids-atmosfeer verhinderd
had, in hem tot bewustzijn zelfs te komen, werden hem nu als het
uiterst-prijzenswaardige, als het onschatbaarste dat in hem was,
onthuld. Geringschatting van Holland's volkseigen--prachtig Scharten!
juicht De Telegraaf, dáár motte we weze.--Gesputter tegen die overal in
Holland opstijgende "lamme lauwheid: de Neutraliteit ... die bóvenal
beducht bleek voor het mògelijk uitdagend-schijnen eener ridderlijke
houding".... O, snikt De Telegraaf, da'k dat heb magge beleve ... gauw!
ma lodderein-boîte francaise, beste Alexander, mijn vieux brave,elle zit
dans je linker poche....--"Hoe langer en hoe gruwelijker die waanzin
duurt, hoe onverwoestbaarder dat Bewijs in het bewustzijn der menschheid
zal komen te staan. Wie het dus goed met het menschdom meent,--verlangt
niet naar een ontijdigen vrede. Stelp niet de koorts, doch laat haar
uitwoeden." Bravo! Bravo! gilt De Telegraaf, noù ben je eerst mijn
salontijgertje, noù ben je eerst net zoo'n held-achter-de-sohrijftafel
geworden als ik-zelf!--En dan steken we van wal, hoor, we geven 'm van
katoen. De Hollanders zijn "lauwe Laodicenzen", en wat "een slááfsche
indruk" maakt dat, "al die Duitsche uniformen en petten" op de
Hollandsche soldatenhoofden, alsof ze zoo bij "het
driehonderd-zooveelste Pruisische regiment (moesten) worden ingelijfd."
Tot zelfs eene novelle van een onzer schrijfsters is--let op het
maniakale--Pruisisch-systematisch[4] afgewerkt!--Maar dan--[p.101]bòven
zijn nederigheid jegens De Telegraaf, bòven zijn blijdschap ùit, aan dat
ideëele blad te mogen medewerken, stijgt als een leeuwerik uit een
drenzig, vies burgertuintje zijn zingende ziel den hemel der liefde in.
Bij al dat léélijke heeft hij nu ook van diezelfde Telegraaf--en ziehier
nu de vervulling mijner straks gegeven belofte--het schóóne geschenk van
den moed tot den hartstocht ontvangen. Het geheele innige, van zoete
liefde innige stuk Een avond in Florence is niets anders dan het
heerlijk-schoon gelaat zijner liefde tot Italië, maar kenden wij dit tot
heden als een edel, duurzaam marmer, koel als zijns beeldhouwers
sentimenten, nù is 't overbloosd door die nieuwe, die pas ontstoken vlam
van den hartstocht. Welk een jammer--voor mij--dat mijn genot alweer
niet onvermengd mocht blijven. Want ziehier de storende gedachte, die in
mij rees: o naïeve Scharten, zijt gij de man, die den Jood zóó smadend
zijn vreemdelingschap voor de voeten mocht werpen, gij die zóó over
Holland en zóó over Italië kùnt spreken; die u gebonden voelt "aan dat
heerlijke land, waar gij (u) meer dan érgens elders thuis ging(t)
gevoelen"; gij dien, thans hier in Holland levend, nochtans in
betrekking tot Italië het spraakbeeld naar de lippen dringt van "het in
twee jaren niet terug geziene ouderlijke huis"?! Onderzoek u-zélf, máár:
uw diépste ziel, èn: hoed u ervoor, die onbewust te
vereenzelvigen--schoon-scheppende éénheid als gij beiden vaak zijt--met
de psyche uwer wel cosmopolitisch-beeldend-geniale, maar naar haar
grònd-aard en -wezen stoer-hollandsche vrouw ... en nà dat onderzoek zég
mij: wéét gij u-zèlf geen "eeuwige vreemdeling" in Holland?... De ziel
van Scharten en de ziel van De Telegraaf.... Hier Raemaekers! daar is
een nieuw motief voor een nieuwe prent Soeurs Latines.
* * * * *
In dezen bundel van een makkelijk leesbare en zuivere écriture, welke de
grondigheid niet tekort doet; in dezen bundel, puur-eerlijk en
subjectief-juist in wat hij zegt, waar hij zich maar niet tot een
volmaakt onbevoegd gebeunhaas in rassen-theorie, politieke tinnegieterij
en ridicuul-oudbakken, quasi-religieus pseudo-fanatisme verdwaast
[p.102]--in deze opstellen is nog al wat veranderd! Tegelijk met de
verdwijning uit Twee Critici van de prachtig-openhartige, warme
waardeering voor mijn Gids-studie Oude en Nieuwe Joodsche Dichtkunst,
verzonk ook de belofte "daarop terug te komen" in 't niet. Dat begrijp
ik.... Oók mijn "Oostersche kleverigheid" verdween--helaas welk eene
bohémien-artistieke verspilling in dezen duren en gomloozen tijd! Het
zij zoo.... Maar wat had behóóren te verdwijnen: al die dwaasheden,
waarover ik 't had, diè zijn gebleven. Hadt ge ze toch, o Scharten,
geëlimineerd, hoe anders van toon en inhoud ware dit opstel geworden,
ook al hadt ge, o gelóóf me, mijn "Oostersche kleverigheid" dan niet
afgewischt. Dán zou ik niet noodig gehad hebben te bewijzen, dat gij
geen antisemiet waart, gij zelf zoudt 't hebben bewezen. Wie van zich
afwerpt den ontvreemden mantel en liever onder de barre kou des hemels
gaat, dàt is een moedig man; niet hij die zégt: "die mantel behoort een
ander", maar hem tòch dráágt. Wie zélf van zich afwascht den zij 't
léélijken, maar hém toch beschérmend-maskeerenden grime-smeur staat
dichter bij Christus en Zijn Jóódsche Liefde, dan wie Zijn door de
eeuwen verminkte beeld de voeten wascht, o Scharten....--Destijds zweeg
ik--ik voelde mij tot dit zwijgen zedelijk verplicht--ik wachtte op een
latere openlichting van inzicht bij je, op eene ruiterlijke erkenning
van dwaling. Zij zijn niet gekomen. Thans moest ik spreken. Ook tot U
Zionistische vrienden, aan wie ik, naar mij dunkt, wel iets goed te
maken heb! Want ik liet u--ik móest u laten--door mijn zwijgen in den
waan, dat gij voor het aangevallen Jodendom streedt, en och, ge ziet 't
nu betreurend: ge verdedigdet slechts twee menschen--van wel zeer
ongelijke beteekenis, maar beiden slechts: ménschen; ik liet u door mijn
zwijgen in den waan, dat ge tegen 't antisemitisme streedt, helaas, het
was tegen: alweer een ménsch, wiens impressionabele kunstenaarsnatuur
mijns inziens door verongelijking tot bezinninglooze onbillijkheid werd
gedreven. En echter, het valle u licht mij te vergeven. Zulk
schijn-antisemietisme heeft maar al te vaak het meest echte gekweekt,
zooals de comedie-dief op de film veel echte [p.103] diefjes in de zaal.
En was het daarom reeds niet geboden er tegen op te treden? Mijn zwijgen
heeft dan ook niets en niemand geschaad. Het deerde mijn vriend den
aanvaller niet, want het gáf hem integendeel tot inkeer en herroeping
den tijd, en de geringste straf, die hem kon treffen, was toch wel in
een vergroote gedaante voor de menschen te staan. Het schaadde ù niet:
want wat deerde het de vlam van uw edelmoed, wie of wat haar ontstak, nu
zij brandde...?--
Jan. '18
Noten:
[1] Carel Scharten: Kroniek der Nederlandsche Letteren 1916.
[2] Cursiveering van mij.
[3] ibid.
[4] Cursiveering van mij.
* * * *
[p.104] C.J.A. VAN BRUGGEN: ALS GE NIET ... DAN! EEN VER-BEELDING