Wie pastoors en dominees louter als novellistische figuren der

Hollandsche literatuur kent, heeft de dominees zelden anders leeren zien

dan, om 't vergoelijkend te zeggen, als een ras van saaie pieten, de

pastoors daarentegen als een groep bruyant-levenslustige menschen, die

om den hemelschen nectar een goed glas aardschen wijn niet versmaden en,

Gode den wierook gunnend, voor zich een edele Havana weten te

waardeeren; vaak ook als naïeve groote-kinderen, met een rotsvast,

primitief geloof in hun religie, soms daarbij tyrannieke autocraatjes,

tòch bijna immer beminnelijk en vóóral: menschelijk. De rollen schijnen

wel waarlijk omgekeerd: aan den eenen kant de dominee, de pater

familias, die nochtans met een gezicht rondloopt--wel te verstaan: in de

literatuur!--als zuchtte hij onder alle ascetische zelfkwellingen en

onthoudingen, die er in het brein van een Yogi zouden kunnen opkomen;

aan den anderen kant de pastoor, die, aan zijn kuischheidsgelofte

getrouw, wèrkelijk een zich hevig pijnend asceet mag heeten en nochtans

de blijmoedigheid en levenslust zelve is. En dìt is dan ook wel de

zuiver-mensehelijke charme der literaire pastoorsfiguur, dat zij zich

nooit op het heel bijzondere harer zelfoverwinning laat voorstaan, ja,

van de hooge waarde daarvan niet schijnt af te weten, en dit daarentegen

het afstootelijke der literaire domineesfiguur, dat zij zich een houding

van onzinnelijk en vergeestelijkt leven geeft, die haar heelemaal niet

toekomt.--De heer Raëskin heeft de dominees de dominees gelaten en zich

ertoe bepaald de pastoorsliteratuur met een zéér liefdevol en in elk

opzicht [p.81] uitnemend en zorgzaam geschreven werkje te verrijken. Het

behandelt de bekeering van een reeds oud en ouderwetsch priester, die

niets van volksbonden en kinderpatronaten moet hebben, tot een modern

herder, die, zelfs véél aan "sociaal werk" doet. Hoe die bekeering zich

langzamerhand onder den invloed van een jong kapelaan voltrekt en het

juist en ten slotte de zonde van dien kapelaan is--hij wordt er door den

pastoor op betrapt, dat hij een meisje omhelst--die de aarzelingen van

den ouden priester overwint en hem, die zijn ontslag reeds wilde vragen,

aan zijn ambt teruggeeft, het wordt door Raëskin met zuiver

psychologisch inzicht, met volkomen ontstentenis van alle mooidoenerij

en in een zeer fijngevoelig beeldende taal weergegeven. Deze laatste is

trouwens door het geheele boek heen zoo opmerkelijk, dat ik het niet

minder als een plicht dan als een genoegen voel er eenige voorbeelden

van te geven. Van een bisschop: "Hij ... boeide door de verrassing, in

zijn grootwaardigheidsbestaan menschengrapjes te willen kennen."--"Over

den ordelijken aanleg dwarste de zon eigen lichtperken, waarin gras en

grint te zaam bloeiden."--De huishoudster "vertilde 't verstelgoed van

haar schoot naar de avondschoone ruimte op de tafel."--En beluister eens

hoe Raëskin's verhaal-stijl mee-rhythmeert met den aard van het

gebeuren. De pastoor heeft besloten zijn ontslag te vragen en neemt een

aanloopje, om dit zijn huishoudster, die hem twintig jaar trouw heeft

gediend, mede te deelen. De vrouw begrijpt hem onmiddellijk. "Ze

verstond uit zijn woorden, dat hij zijn jaren opgeteld had en weg

wilde..." zoo vertelt 't onze schrijver en is er aldus in geslaagd, in

die weinige door mij gecursiveerde woorden van bijbel-plechtige wijding

heel de ontroering dier twee oude menschen op dit voor hen zoo

gewichtige oogenblik te geven--te geven zonder met een woord van die

ontroering-zelve te hebben gerept.--En niettemin, naast zoovele deugden

heeft dit boek deze groote tekortkoming, dat het te ondiep blijft, het

hart-innige leven niet raakt. Dat het sexueele gevoelsleven der

waarlijk-geloovige en kuische priesters--en zulk een is Pastoor

Horsman--een geweldig, schoon soms meer latent, maar dan toch straks

weer [p.82] te heviger oplaaiend, element in hun psychisch complex moet

vormen, wie kan het betwijfelen? En ook: wie langer nadenkt over den

levenslust en de blijmoedigheid dezer, zij 't eenzijdige, asceten, zal

allicht inzien, als ik, dat die levenslust niet slechts niet-strijdig is

met dat ascetisme, maar er zelfs uit voortvloeit. Het wil mij namelijk

toeschijnen, dat zij voortkomt uit de zelf gerustheid, de diep-stille

tevredenheid van den zelfoverwinnaar. Vandaar dan ook deze, ook in dit

boek zoo uitstekend gebeelde, losheid en snaakschheid in den onderlingen

omgang dezer geestelijken: het groote offer hunner machtigste

hartstochten heft hen van zelf boven het pueriel gedoe en den door dat

werkelijke offer overtollig geworden schijn van

"geestelijkheids"-uiterlijkheden uit. En welnu, dit geheele

gevoelsleven, het sexueele complex van worsteling en overwinning of

nederlaag, wordt in dit boek helaas niet aangeraakt--het voorvalletje

met den kapelaan heeft louter compositorische, geen psychologische

waarde--en daardoor wellicht, dunkt mij, niet slechts deze, maar ook

elke andere wellicht mogelijke verklaring van gene blijmoedigheid

gemist.--Vroeg men mij echter wat, naast die groote tekortkoming, wel de

hóógste deugd van dit werk is, ik zou zeggen, dat het trots en in zijn

beperking toch zóó' lééft, dat het bijna de literatuur voor het leven

doet vergeten.... Het doet den lezer droomen naar het leven toe, en al

diens met het boekonderwerp verwante herinneringen roept het op.... O,

die tegenstelling tusschen de hakkelende Pastoor Jansen's niet

alleen--herinner U dien groot-goeden, kinderlijk-zuiveren vriend van

lieven Woutertje!--en de rhetorische Dominee Doelaeker's, maar ook

tusschen de laatsten en de kleiner-menschelijke Pastoor Horsman's--en nu

maar in 's hemels naam: wèl te verstaan: in het leven!--... Hoe jeuken

mij de vingers dáárop door te gaan ... Maar zoo ik 't deed, ik viel uit

mijn literair-critische rol, en het geëerde publiek flóót mij het

tooneel af--terecht!--

Oct. '16.

* * * * *

[p.83] LOUIS COUPERUS: DE KOMEDIANTEN

Het is nu al 'n vijf jaar geleden, dat ik mij 'n weinig vroolijk mocht

maken om het Antiek Tourisme des heeren Couperus, sindsdien volgde ik

zijne productie slechts zeer accidenteel ... ontmoette ik 'm eens in

zijn tijdschrift, het was mij genoeg: ik zòcht hem niet, hij boezemde

mij geen belangstelling meer in.... Wat mij interesseert in een eens

gróót gebleken kunstenaar, dat is het, zij 't dalend-en-stijgend,

bewegen van zijn genie, en daar nu de heer Couperus van zijner

jeugdjaren genie voorgoed verlaten scheen en een "vruchtbaar talent" was

geworden, een talent met precieuse stijl-versteeninkjes, trucjes,

maniertjes en routine, werd dit mij weldra een quantité négligeable, al

had ook die quantité een zoo geweldigen omvang dat zij alle

letterkundige bourgeois épateerde tot bezwijmens toe. Deze literaire

zeeslang, die zoo langzamerhand alle de landen "rondom de oude

wereldzee" met hare kronkels omvatte, mocht voor mij zoo dik en lang

zijn als ze maar wou en kon, ze mocht heele scheepsvrachten ouë

Romeinen, Grieken en Aziaten vreten--sinds ik meende zeker te zijn, dat

zij toch nooit meer op 't strand mijner verwachting één wèrkelijken

mènsch zou werpen, één naakten mensch, een Jona, maar louter homunculi,

als uit Dr. Wagner's fleschje, zag ik niet meer naar haar om. Tot plots

... daar wordt me nu dit boek toegezonden: een werk wéér over de antieke

wereld, ditmaal hare comedianten; een werk wéér met maniertjes, trucjes

en zeer kunstmatige verkwijningen en verfijningen, maar tevens een met

eenige figuren van waarlijk-diepe, ruw-teedere menschelijkheid: de

dominus-gregis en de gladiator Carpoforus [p.84] vooral. En gaarne erken

ik ook, dat het boek vol fijne stemmingen is, stemmingen vaak verweven

in den dan zeer zuiver en schoon gestileerden dialoog. Doch het is

jammer, schoon niet dan zeer natuurlijk, dat Couperus, sinds hij een

niet meer door het genie gepossedeerd schrijver is, zich te zeer bewùst

is van wat hij doet, en derhalve als hij merkt iets aardigs te hebben

gedaan, dit met alle geweld nòg mooier wil maken, welke bedoeling dan

natuurlijk steevast de haar tegengestelde uitwerking heeft. Zoo beeldt

hij heel bevallig en soms aandoenlijk de tweeling-comediantjes in dit

boek, 'n beetje perverse jongetjes en tevens de begaafdste

tooneelspelers van hun troep, in al hun verhoudingen van jaloezie en

liefde tot de anderen en ook in hun diepe aanhankelijkheid tot elkaar,

in hun onscheidbaar-één zich voelen: ze worden ziek als ze van elkaar

gescheiden zijn. En nu is één van des auteurs manieren, om deze eenheid

den lezer duidelijk te maken, de beide jongens voortdurend hetzelfde te

laten zeggen, denken, en den een telkens den zin te laten afmaken, dien

de ander heeft begonnen. Een aardig vondstje.

Maar helaas, dit dient hij ons nu zóó vaak en zonder erbarmen toe, dat

je wel wee moèt worden van dit dooreengekakel: dat je de nervositeit

krijgt van iemand in een benauwend gedrang, doordat het is alsof die

jongetjes elkaar aldoor op de hielen trappen.

Een andere maal, bij die uitstekend-gebeelde openingsscène in Nilus'

taveerne, laat hij te midden het vertienvoudigde Jan Steen-rumoer

telkens een ezelskop door een luik komen kijken en zijn I-ha balken.

Máár eilaci, Couperus-zelf heeft weer eens gezien hoè aardig dit is, en

nu wordt hij klaarblijkelijk door zoo een Midsummernight's

Dream-Titania-verliefdheid op dien ezelskop bevangen, dat hij dien ter

eere niets beters weet te doen dan bij deze gelegenheid, van zijn proza

--let maar op:"... om de volte, de veelte, de vaalte van het vage"--een

v-stal te maken. In trouwe: wie begaat nu zóó een alliteratie-trùcje èn

meent, dat-ie iets moois heeft gedaan, behalve een veertienjarig

gymnasiast?! Zoo wisselt voortdurend het kinderlijkst--vaak

kinderachtigst--spel met den diep-menschelijken ernst af. Hoe uitstekend

[p.85] bijv. zijn met weinig trekjes de edele figuren van Plinius den

Jongeren en Tacitus, de geestige van Martialis gebeeld; hoe

zuiver-idyllisch van toon is hun tafelend samenzijn. En zoo dan kon 't

gebeuren, dat ik in mijzelf, al lezend, èn fel spotte, èn genietend

prees.... Ja, laat mij naar waarheid hier boekstaven, dat ik ééns zóó

ontroerde, dat deze mij oude en vertrouwde gedachte jong-heftig uit haar

sluimer zich hief: hoe schoon is het leven naar alle zijden, de ruwe

kracht van het volk èn de decadentie der verfijnden; wanneer zal ik toch

den Eeuwigen Grond benaderen, waaruit heel die wereld van

onafzienbaar-ver fonkelende en elkaar vijandige verscheidenheden

ééndràchtig en diepgevoed geboren wordt.

Dec. '17.

* * * * *

[p.86] FELIX TIMMERMANS: HET KINDEKEN JEZUS IN VLAANDEREN

Was het Timmermans' benijdbare bestemming in zijn verrukkelijk Pallieter

een menschenkind tot een god te doen worden, een genieter en god van het

blijde leven--want in waarheid: wie zou in zulk een volkomen-leedlooze

een mensch kunnen herkennen?--In Het Kindeken Jezus, dat wonderlijke,

droom-vage èn droom-felle boek, verhaalt hij het begin der oude en

eeuwig-jonge geschiedenis van den God, die mensch werd, eene

geschiedenis zoo oud als de wereld, doch die in de evangeliën eens haar

onze westersche wereld meest beïnvloedenden vorm vond. Onze schrijver

zou ongetwijfeld de tegenstelling-zelve tusschen deze zijne beide

boeken, tot een magistrale grootheid hebben gevoerd, indien hij na den

Man der Vreugde nu den Man der Smarte hadde gebeeld. Zóó ver en hoog

echter reikte, reeds blijkens den titel van zijn werk, zijn bedoelen

niet. De Christus-tragedie heeft een idyllischen aanvang, en tot dien

aanvang nagenoeg heeft Timmermans zich bepaald: waar zich ook dáármede

reeds het gewèldig-tragische vermengde, waagde hij-zelf, gelijk we

zullen zien, zich aan de beelding nièt. Moeten wij dit alles betreuren?

Ik betwijfel het. Het vermaarde boek van Buber Die Legende des

Baalschem, schoon vòl van het diep-schouwend geestelijk-zien en de

exquis-kunstige beeldende-en verhaal-macht, onverbiddelijk van noode

voor de herschepping van zulk een God-Menschelijk leven, geeft nog

slechts een vermoeden van de dramatische kracht, voor de herschepping

der Christus-figuur vereischt. Zou Timmermans dit alles hebben bezeten?

[p.87] Zouden wij meer hebben gekregen dan de schoonheid, zij het een

rijke of sober-diepe--en ik denk hier aan van Schendel's De Mensch van

Nazareth en óók aan zijn Shakespeare--eener uiterste subjectivatie van

het verheven Object, welke tevens diens transpositie naar een zooveel

lager plan beteekent?... Neen. Want dit boek is niet alleen Ernst, het

is ook een Spel, en ik geloof niet, dat dè beelder van Jezus' leven tot

een dergelijk, zij 't edel, spel nog begeerte zou hebben. Reeds in den

compositorischen opzet van het werk treedt dit ernstig-spelen, deze

spelende ernst aan den dag. De Jood is een Vlaming, Palestina Vlaanderen

geworden, Bethlehem een Vlaamsch dorpje, Nazareth ligt aan de Nethe en

Gent heet flamingantisch-snedig het Vlaamsch Jerusalem, terwijl zelfs de

rabbijnen tot pastoors verontbesnijdenist en vercelibataird zijn! Spel,

nietwaar? Maar de ernst is die der groote liefde, welke den Beminde

dicht bij zich, in eigen land wilde zien leven. En: dat aanschouwelijk

wordt gemaakt als zelden te voren, hoe men den kern van een zelfde

diep-menschelijk gebeuren gelijkelijk beleven kan in het eene land als

in 't andere, in de eene eeuw als de aêr. De eeuwen en de landen zien

wij heengedragen als een licht-vervangbaar décor--het

Goddelijk-menschelijke blijkt het eenige dat is en blijft....--En ernst

in de behàndeling van het gegeven--het boek is er vol van, de

kinderlijk-reinste en die eener religieuse overgave.--Met welk een

kracht is Maria's verrukking, als haar de hemelsche verkondiging

gewordt, gebeeld; met welk eene innigheid haar moederliefde, hare zorgen

en angsten en Jozef's toegewijde nederigheid. Spel, schoon

onvermijdelijk, daarentegen weer: de primitieve levenshonger van het

oersterke boeren-Vlaanderen walmt als een rook-vlammende-en-duisterende

toorts er door heen; zijn oude, verkreupelde venten met hun

kou-verweerde bakkesen dwalen over de wegen; men ruikt den geur van

kermissen en poffertjeskramen. Maar, helaas óók een spel, en ditmaal een

zeer overbodig en zeer de stemming brekend, is bijna de geheele

Herodes-episode: dit is geen beelding van Herodes, maar die van een

poesjenellenkelder-vertooning zijner figuur! En niettemin ook dáárin,

schoon slechts één oogenblik, fel en echt des konings wanhoop; [p.88]

toch óók daarin dit psychologisch fijnheidje, dat Herodes "de schuld

schudde op zijne vrouw": hadde zij hem kinderen geschonken, hij zou den

moord van Bethlehem niet hebben bevolen. Terwijl in ditzelfde deel van

het boek ons evenzeer treft de weldoende zelfkennis van den auteur,

die--ik zinspeelde er reeds op--zich niet wagend aan eene beschrijving

van dien moord, en die toch ook niet willende missen, haar liet geven

door een Kronijkschrijver van Herodes, die wreed-onverschillig het

gebeuren beziet, en van wien men dus noch de epische kracht noch het

meegevoel verlangt, die men van onzen schrijver zou hebben

geëischt!--Vlaanderen, mogen wij met zekerheid na Pallieter en dit werk

zeggen, is een hoogbegaafd schrijver rijker geworden.--Ook nu staat

boven het vertrapte land een ster, die 's volks onverwelkte kracht en

daarmede zijn Verlosser verkondigt ... zijn literatuur.... Zij heeft ook

Timmermans' ziel zegen en macht gegeven, en doe daartoe....--

Dec. '17.

* * * * *

[p.89] M.J. BRUSSE: EEN WORSTELAAR

Wonderlijk! Dat zelfde leven, tegen welks stalen rusting gij, moedige

lezer, èn zelfs ik, zoowel in de eerste élan der jeugd als in onze

bedachtzamer jaren, ons zoo menige wonde hebben be-loopen, dat

ònvermurwbaar-harde leven is óók--zóó zacht, zóó plastisch als was. Die

stugge tyran schijnt dan wel de meest slaafsche slaaf geworden, die er

aan zijn hof te vinden is, een slaaf bovendien der oude tijden, die over

meer geheimen van kunst en Wetenschap beschikte dan alle meesters te

zamen, en dier begeerten met één magisch gebaar te stillen wist. Maar

slechts op één voorwaarde metamorphoseert zich het harde Leven aldus.

Bùigt het zich zelfs niet onder den druk van uw wil--een sneeuwworp

gelijk tegen graniet!--het laat zich daarentegen geheel vervòrmen door

uw àlbeheerschende, ingeboren neiging, zooveel sterker dan uw wil!...

Wees een geboren-koopman, en 't Leven wordt u een beurs, een kantoor,

een boekhouder en een brandkast. Wees een geboren wijze: het wordt u een

staâg zich ontvouwend en weer verhullend geheim. Wees een

geboren-ingenieur en het verkeert niet slechts voor u in zijn tegendeel:

een machine, maar laat zich zelfs, u ten pleziere, in telkens weer

nieuwen mechanischen vorm "uitvinden" door u. Dit alles echter, niet

waar, geëerde lezer, weten wij reeds lang; we hebben, zoo niet

Salomo-gelijk, dan toch gelijk Salomo, genoeg jaartjes onder de zon

geleefd, om dat alles te hebben gezien, máár--zooals 't Leven zich

jegens Brusse houdt, dàt hebben gij noch ik óóit aanschouwd. Dàt is een

houding van--ja, het is maar door [p.90] één woord te

kenschetsen--àllerschàndelijkste vertroeteling....--Er zijn 'n paar--ik

heb het meer gezegd--gebòren-kunstenaars in ons land, die tevens

gebòren-journalisten zijn; derhalve dient hen 't Leven, twéévoudig door

hen bedwongen, zoowel tot te doorspeuren jachtveld, als tot een heilig

Brahmanen-woud, naar contemplatie en innerlijkheids-herschepping

noodend. Maar nooit tegelijkertijd wordt het hun die beide. Het zegt:

"Lieven, vóór ge mijn geheim-bloeiende bosschages der

kunstenaarsbezinning intreedt, legt uw jachtwapenen af: dáár wordt niet

gespèurd en vermìnkt, daar wordt aanschòuwd en gelìefd." Dit nu begreep

ik als wijsheid; maar helaas! waar het zijn zoon Brusse betrof, heeft

deze aller partijdige aartsvaders partijdigste Vader het zoo beschikt,

dat Hij hem boven zijne andere kinderen bevoorrechten kon. Tot hèm sprak

hij aldus: "Zoon, véél zij u toegestaan.... Zie, Ik word een mijn voor

u; breek links en rechts zonder erbarmen of verpoozen, mijn duurzaamste

gesteenten uit, en waar de anderen, met éen van de véle die gij delft

tevreden, dat slijpen tot een juweel van licht, en er gouden sieradiën

omheen ciseleeren, wèrp gij die schàtten als kolen op uw wagen, dat de

menschen zullen zeggen: wie dolf zóóveel-en-zóó-achteloos als hij!... En

nòg is Mijn genade niet uitgeput: Sta nu stil in uw werkdrift, zoon....

Zie! Ik plaats mijn scheppende wondermacht in u ... open uw zwarte

mijnwerkershand.... Wàt ziet ge? Wàt fonkelt daarin ... is het niet een

licht-juweel, omzet van gouden spangen?... Welnu, wèrp het mede op uw

wagen, en het deere u niet. Want weet: het is Mijn wil de menschen te

doen vragen: wáár sleep hij dien steen, wáár dreef hij dit goud? In de

onderaardsche schachten, waar hij doorhaast, door de gruismist van

aard-afval; bij het beuken der houweelen en den donder der

diepte-ontploffingen.... Een vluchtende schim, die ademloos grijpt en

breekt en voortijlt en werpt.... Wáár kòn hij dit slijpen, dit

drijven?--Want, zoon, zij weten het nog immer niet, dat Ik hetzelfde op

oneindig vele wijzen maak, Ik, die het omzichtig werk der

fijnst-geslepen beitels doe mislukken, en zoo Mij dit behaagt, met een

houweel mijn teerste beelden drijf.... Gij, [p.91] zoon, zult mijn

kunstenaar èn mijnwerker, mijn scherpzichtige jager èn in u zelf

gekeerde droomer tegelijkertijd zijn...."

Oordeelt nu, lezer, mijne woorden: laat de rommelige levensvolheid van

dit Een Worstelaar langs u been rumoeren: het ploffende storten der

brokken levenserts verdooft u.... Dan plots ... ge zièt iets ... ge

grijpt iets van tusschen de ruwe gevaarten.... Een bééld is 't!

brééd-visionnair gehouwen, màchtig in zijn kleinheid.... En dit, en

dit?... Die fonkeldingen.... Ongelooflijk! psychologisch filigrein....

En dit ... òndoorzichtige zielskristallen, doorzichtig-geslepen....

Hiervan dus luid, en nu ten dùidelijkste formuleerend, beschuldig ik 't

Leven: dat Het dezen nieuwen Jozef een voorraadmaker, een

magazijnmeester èn een ontraadselaar en koninklijk verwerkelijker van

vreemde droomen, in éénen, veroorlooft te zijn.... En zoo ik 't kon, ik

zou deze bevoorrechting verhinderen. Maar ach, wat vermag een menschje

tegen 't Leven, en dan nog wel een armzalig recensent....

Jan. '18.

* * * * *

[p.92] EEN ANTISEMITISCH CRITICUS?[1]

Over literatuur Critisch en didactisch, tweede bundel · 第 6 / 22 段