Holland, zich als tegelijkertijd zóó sappig en frisch hebben
geopenbaard. En toch zijn deze prikkel-idyllen van onzen begaafden
spotter, in al hun heuglijke deugdelijkheid nog slechts een begin; een
begin, dat dan ook inderdaad noch het verrassende, noch het min of meer
jeugdig-kleine van bijna elken aanvang van iets zeer
beteekenisvol-nieuws mist. Dat beteekenisvolle, en voor ons land
nagenoeg nieuwe, is: de ontwikkeling van den artiest-criticus in diens
eigen lijn tot scheppend kunstenaar: den schrijver van den Conte en
marge--men kent immers de buitengemeen-fraaie, soms zelfs grootsche
kunstwerkjes van een Lemaitre in dit genre?--welke het air heeft van je
zou zoo zeggen géén critiek te zijn en dit toch, o zoo fijntjes, o zoo
stimuleerend en verheuglijk is.??--Toen ik indertijd, de aandacht mijner
Het Jonge Leven-lezers op de Prikkel-Idyllen vestigend, de parodie, om
hun haar wezen duidelijk te maken, vergeleek bij de sluipwesp, die, haar
eitjes in de rups leggend, ìn het lichaam van deze èn door vernietiging
daarvan, eigen geslacht doet geboren worden en gedijen, was, zoo dunkt
mij nog altijd, dit beeld niet onjuist, zelfs ook indien meer in 't
bijzonder in betrekking tot 's heeren Veth's werk beschouwd, voor zoover
dit er inderdaad nu en dan in slagen mocht, het schadelijk broedsel der
Schundlektur te knauwen, maar hoe onjuist daarentegen was 't in zijn
toepassing op dat werk, wanneer men er op let, hoe geheel zonder
boosheid en venijn het is, hoe gul de lach er in klinkt, hoe open en
luidruchtig het leeft. En juist nu [p.67] de coïncidentie dèzer feiten:
dat de parodie op een boek toch in zekeren zin een Conte en marge van
dat boek kan worden genoemd; dat de Prikkel-Idyllen wel ongetwijfeld
zeer geprononceerde parodieën zijn maar ook even zeker kiem-elementen
van de niet-parodiëerende Conte en marge in zich hebben, èn dat de heer
Veth criticus is, doet mij hopen en verwachten, dat 't hem gegeven moge
zijn, ook dezen schoonen uitlooper van den critischen geest in Holland
te stekken. Zulk een Conte kan van alles in zich bevatten: fijne ironie,
diep levensinzicht--wie zou er zich van kostbaarder gehalte wenschen,
dan er bijvoorbeeld in Lemaitre's En marge des fables de Fénelon (Le
joural du duc de Bourgogne) is--; sublieme verbeelding en
liefdevol-fijne critiek--als in dat prachtige En marge de Don Quichotte
(Dulcinée), om nu maar een paar te noemen. En het genre dezer verhalen
lijkt mij des te edeler, omdat zij bijna immer een moedigen wedkamp om
den prijs der hoogste schoonheid, met het "bekantteekende", meestal
wereldberoemde, werk bedoelen! Dat ook de verovering dezer
literatuursoort al evenzeer een diep ingrijpende veredeling van Veth's
werk als een uiterst beteekenisvolle aanwinst voor onze litteratuur zou
zijn, lijdt geen twijfel. Maar hetzij deze verwachting al dan niet in
vervulling moge gaan, reeds nu past het ons, hem voor deze zijne kunst,
al lijkt die slechts een aanvang vergeleken bij gene, den lof te
brengen, die zoo min den talentvollen kunstenaar als den schepper van
een nieuw genre in onze letterkunde vergeet.
Nov. '14.
* * * * *
[p.68] HERMAN ROBBERS: HELENE SERVAES
Misschien, neen zeker, ware het wel wijs èn betamelijker van mij
geweest, nièt over deze roman te schrijven. Want zoo ik het al immer als
iets prettigs heb ondervonden, in een beminnelijk "verzoekinkje" te
worden "geleid", 't zij om mij te mogen vermeien in mijn
weerstandskracht, 't zij om de lang niet verwerpelijke zoete heugenis
aan den ten slotte toch beganen péché mignon te kunnen wijden door het
herdenken van deugdzaam voorafgeganen tweestrijd--helaas! hier was geen
verzoeking en ik werd nergens in geleid, maar voelde mij onmiddellijk
vast besloten het misdrijf te plegen, toen ik inzag dat het te plegen
was.... Of ik dus wel later met een heimelijk-monkelend glimlachje zal
kunnen terugdenken aan dèze zonde? Of ik mij niet schamen zal?...
Komaan, laat me er maar niet verder over piekeren en mij aan het
noodlot, dat mijn ijdelheid nu eenmaal over mij heeft uitgesproken met
die bereidwilligheid en gemoedskalmte onderwerpen, die, verbeeld ik mij,
den meesten mijner geëerde collega's in zulk een geval wel niet héél
vreemd zullen zijn....--
Toen ik Helene Servaes had gelezen stond het vast bij mij, dat ik met
mijn kostbaar critisch inzicht zou gaan geuren--een zonde tegen den bon
ton? best! maar het niet te doen dan toch weer een beleediging van het
nieuwe heiligje, Il Santo Egoismo; en als ik dan toch tusschen twee
zonden kiezen mòet.... En ziedaar dus: het is nu precies vijf jaar
geleden, dat ik in mijn studie over Robbers hem "den dichter-prozaïst
der liefde bij uitnemendheid" onzer literatuur noemde, en, ei, ei! ik
voelde en voel het nog zoo duidelijk: hoevelen zullen [p.69] toen wel
niet binnenkamers om die "overdrevenheid" hebben geglimlacht: de Robbers
van De Roman van een Gezin was juist toen pas zoo een heel andere
gebleken dan die van Bernard Bandt, van Annie de Boogh; dat passievolle
kunnen-beelden van het liefdeleven scheen zoo mèt de eerste jeugd
verdwenen en plaats te hebben gemaakt voor het koeler vermogen van
minder romantischen en bezadigden realist, beelder van economisch en
familiaal groepsleven.... En intusschen! hoe heerlijk heb ik nu toch
maar gelijk gekregen.... Want Helene Servaes is een sterker beelding van
de alles-beheerschende liefde, dan Robbers tot nu toe geschreven had;
van een liefde machtiger dan die van Annie de Boogh, in eene figuur
grooter dan deze. Zoo ook de laatste wordt gedreven te doen wat zij
doet, door haar hartstocht voor den beminden man, zij voelt zeer wel dat
zij aldus slechts naar haar levensgeluk kan gaan en een rampzalig
toekomstleven onvlucht; zij verlangt dan ook niets liever dan haar
gevoel gehoorzaam te zijn. De eerste echter weet ten slotte zeer
bepaald, dat zij door haar liefde voor den getrouwden man Fokkema ia het
ongeluk wordt gestort en gretig verlangt zij, in volle overgave den
goeden en lieven Lucas van der Marel te mogen behooren, en desniettemin
... haar ontzaglijke liefde beheerscht haar en drijft haar naar wanhoop
en dood. Hier is een tragiek bereikt, die in dat andere passievolle werk
werd gemist: die van den tè zwakken mensch in wien een elementaire
natuurkracht opslaat als een vlam; de tragiek van een mensch, die nu
eenmaal voorbestemd is, een "levende toorts" op het Nero-wreed
natuurfeest te zijn.--Hoezeer dan ook Robbers, met het scheppen van dit
werk, tot de eigenlijke roeping zijner kunstenaarsnatuur is
teruggekeerd, blijkt, dunkt mij, overduidelijk uit het feit, dat hij nu,
ouder geworden, nà het schrijven van dat koeler boek De Roman van een
Gezin, niet alleen het geestelijk liefde-doorleven zijner jonge jaren
verdiept en verinnigd maar zelfs verhevigd herwonnen heeft. Dit valt
geen ten deel, wien niet, als kunstenaar, de liefde èn wortel èn vrucht
èn merg des levens is....--
Maar zoo mij een fijngevoelige nu zou vragen of ik, èindelijk en [p.70]
gelùkkig, hiermee aan het einde mijner zelfverheffing ben geraakt en
weer een leesbaar want bescheiden en ingetogen recensent wil worden, ik
zou hem antwoorden: ik denk er nog niet aan! Want vertoont dit werk ook
niet het begin der verwezenlijking eener andere destijds door mij
uitgesproken verwachting? De verwachting, dat eens Robbers' "mystieke
levensbegrijpen zijner jeugd weerkomen zal", dit levensbegrijpen, dat
zich zóó schoon in De Vreemde Plant had geopenbaard en daarna--uit zijn
werk verdwenen was.... Want wie die de beschrijving van Luuk's
gewaarwordingen en liefdevisioen op blz. 184 heeft gelezen, zou niet
merken, dat het dat mystiek doorvoelen was, waarheen des auteurs geest
weer schuchter streefde, of wie ontkennen, dat hij, toen hij zoo innig
dat moment beeldde, waarop Luuk Helene's afscheidsbrief ontvangt, éven
in een van de lagere ingangspoorten der mystiek stond: het sensitivisme?
Toch, die nu meenen zou, dat de pochende recensent te diep in het
glaasje der ijdelheid heeft gekeken, dan dat hij nog helder genoeg zou
zijn, om de fouten te zien, die hij--niet heeft voorspeld, kwame
bedrogen uit. Hij meent althans nog genoegzaam onbeneveld te zijn, om te
mogen beweren, dat ook uit dit werk weer blijkt, hoe het inbrengen van
een zwak pathologisch element in eene overigens niet pathologisch
getinte romanfiguur zelden een voordeel is. Althans ook hier vermindert
ongetwijfeld de hereditaire dispositie tot zelfmoord in Helene het
algemeen menschelijke in haar, leidt des lezers aandacht een weinig af
van haar innigste wezenheid-zelf en maakt zijn zien van haar als een
ziel, die absoluut door de lièfde beheerscht wordt, een weinig troebel
en onzeker--want nu is niet alleen de liefde Heiene's noodlot gebleken
maar die neiging tot zelfmoord heeft haar bestemming mee gedetermineerd;
men denke er zich eens in, hoe in dat wellicht innigste boek-van-liefde
dat onze literatuur bezit, Geertje, de imposante verschijning der liefde
ontzaglijk verzwakt zou zijn geworden, indien ook daar een dergelijk
element ware ingeslopen!--; en ten leste, daar de figuur van Helene--en
ik spreek ook nu niet van de beelding maar van den gebeelden
mensch--althans [p.71] in mijn geheugen immer als a thing of beauty zal
staan, wordt mijn joy for ever daaraan door dat pathologische
aanmerkelijk geschaad, want niet kan de schoonheid van de beelding eens
menschen daardoor lijden maar wel en maar al te zeer de schoonheid van
dien mensch-zelf. Want indien, zooals Helene Servaes, die mensch a thing
of beauty ìs--en als wèlk een aandoenlijk schoon, spiritueel figuurtje
zie ik haar niet!--dan is dat pathologische de barst daarin, de
verminking daarvan....--En voorts meent de recensent niet minder
duidelijk te zien, dat door de sterke concentratie van des kunstenaars
aandacht op de lichtende hoofdfiguur, hij niet gemerkt heeft, dat zijn
helper, de geroutineerde-schrijver, zich nu en dan al te veel met de
andere figuren bemoeide. Er is daardoor in de beelding dezer laatste
hier en daar iets cliché-achtigs gekomen. De vakman Robbers schrijft tè
gemakkelijk, diens stijl is té gul-joviaal en ontaardt soms in diezelfde
routine-gulheid en jovialiteit, die men bijv. ook vaak in het optreden
van populaire volksleiders kan aantreffen. En mede hieraan is het ook te
wijten, dat soms de dialoog te weinig individueel-genuanceerd, naar den
aard der sprekende persoon, is Luuk is menigmaal heelemaal
Croes-achtig--de lezer herinnert zich die prachtige vaderfiguur in De
Roman van een Gezin?--en ook zijn vrienden hebben soms dat zelfde
bruyante, haha'ërige en handtastelijk lawaaiende als deze. Máár dat
minder goede blijft nooit lang. Zooals, dunkt mij, een meester-schilder,
die zich plotseling herinnert, dat daar in den anderen hoek van zijn
atelier, zijn leerling misschien iets god-weet-hoe staat te bederven,
haastig naar deze toeloopt en met een enkelen toets een fout verbetert
en iets kunst-lévends in het werk brengt, zóó springt dan gauw de
kunstenaar Robbers den vakman terzijde, duwt dien even weg, en ... kijk
nou ereis ... hoe aardig en mooi in eenen ... door dat ènkele kleine
trekje.... We genieten weer ...--Dit alles nader te argumenteeren valt
natuurlijk buiten het bestek dezer critiek en trouwens hoe weinig belang
heeft het, vergeleken bij het heuglijke feit, dat de schrijver van dit
boek er het schoonste en meest eigenlijke van zijn kunstenaarsschap,
zooals dat uit zijn jeugdwerken bleek, nu op verder [p.72] gevorderden
leeftijd, versterkt en verinnigd in mocht uiten. En ik zou hier dan ook
gevoeglijk kunnen eindigen, zoo het schrijven over Robbers' herontwaakte
mystieke neigingen en over De Vreemde Plant mij niet een mijner
literaire ergernissen te hevig had doen voelen, dan dat ik haar niet
luchten zou. Dat die prachtige ook door van Deyssel zoozeer geprezen
novelle maar in den, naar ik meen vrijwel vergeten, bundel van Phocius
blijft opgeborgen, ik vind het zonde en jammer. Want de twee andere
verhalen daarin,... vooral Een Kalverliefde.... Het geval doet mij
altijd denken aan dat ongelukkige meisje, dat niet gescheiden werd van
het lijk van het met haar saamgegroeide zusje en daardoor zelf sterven
moest. Waarom ook hier niet resoluut het chirurgisch mes genomen en het
levende, mooie kind van 'r dooie familie bevrijd?... "Ho, ho, dàt gaat
toch te ver, toch zeker te weinig nuchter voor een medisch advies!" hoor
ik hier plotseling en heftig mijn voorzichtige en fijngevoelige
roepen.... Maar och kom, wat zou dat! Is dan in vino--zelfs dien der
ijdelheid--geen veritas?...
Mei '15.
* * * * *
[p.73] H. VAN LOON: TROUWELOOZEN
Een caleidoscopisch boek. Een wemeling van figuren, gebeurtenissen en
analysen vermoeit des lezers aandacht en doet hem zich afvragen, of 't
niet te veel gevergd zou zijn, van dezen jongen, schoon zeker
talentvollen auteur reeds te verlangen, dat àl zijn figuren zouden
werkelijk leven, àl zijn gebeurtenissen in duidelijk zichtbaar causaal
verband zouen staan, van àl zijn analysen niet soms de een de ander zou
logenstraffen. En inderdaad, hoe klaarder onze kijk wordt op dit werk,
des te duidelijker blijkt ons, dat we dit alles maar niet moeten
eischen. Want zouden wij dit wel doen, schipperden we niet wat met onze
overtuiging, dat wij feitelijk èlken schrijver zoodanigen eisch mogen
stellen, onze teleurstelling over de afwijzing ervan, bracht er ons
allicht toe, uit gemelijkheid den auteur de lof te onthouden, waarop hij
toch onbetwijfelbaar recht heeft. Overigens, die lof--zoo beteekenisvol
hij ook moge zijn--is spoedig genoeg gezegd: de menschelijkheid van dit
werk en zijn schrijver is een veel-omvattende en innerlijk-rijke, èn: de
uitbeelding is nergens zoo mislukt, dat wij niet overal de aanwezigheid
dier menschelijkheid zouden kunnen voelen. Máár: die voelend ziet men
ook onbetwijfelbaar tegelijkertijd in, dat, hadde de auteur nog wat
gewacht, gewacht namelijk tot hij als kunstenaar de behandelde stof
volkòmen meester was, het werk aan deugdelijkheid véél zou hebben
gewonnen, want nu hij dat niet heeft gedaan, nu hij al te haastig, heel
z'n mooie bouwdoos bij elkaar gegrist, de literatuurtrap komt opgehold,
nu ziet moeder Critiek helaas, dat hij de mooie blokjes en beeldjes
leelijk heeft door elkaar [p.74] gerammeld: daar is een hoekje afgebotst
en hier een spijltje verbrokkeld en de boel past niet meer precies op
elkaar....--En niet alleen dat de logiek van het gebeuren in dit werk en
de logische continuïteit der analysen wel eens zoek zijn, maar er is ook
iets in dezen roman, dat men misschien het best den epischen esprit de
l'escalier zou kunnen noemen: nog hebben wij sommige figuren niet goed
aangekeken of daar staan plotseling weer een paar spiksplinternieuwe
voor ons, en, eindelijk, nadat we die dan een paar bladzijden lang
hulpeloos en vervreemd hebben aangestaard, komt op z'n elf-en-dertigst
en in 'n "naschuitje" pas de verklaring aangewiebeld, wat ze daar nu
eigenlijk te maken hadden.--Verliest dit boek nu en dan voor een wijle
zijn karakter van psychologischen roman, geeft het 't leven in handeling
en dialoog van zijne figuren-zelf, hoe dikwijls, zèker, achten wij 't
ook dàn zéér gelukt, maar ai! welk een onmacht grijnst ons ook somtijds
aan. Men behoeft maar in 't begin die scène te lezen, waarin Lotte Geert
haar ontrouw bekent, om voor een mislukking te staan, die moeielijk als
zoodanig kan worden overtroffen. Ook de dialoog is, door het geheele
werk heen, moge zij slechts zelden slecht kunnen heeten, bijna even
zelden zoo van leven fonkelend, als men het recht heeft te verlangen. En
wat toch in den psychologischen roman, wil hij voortreffelijk heeten,
onontbeerlijk is: een analyse van fijne, diepe vondsten èn een
beeldend-analyseerende taal--zij zijn grootendeels afwezig. Maar in
weerwil van dit alles, al wàre niets anders geslaagd dan die ruige,
tintel-levende figuur van Geert, dan nog zou deze ons duidelijk maken,
dat wij hier met een schrijversaanleg te doen hebben, die zóóveel in
zich bergt, dat ze zich de wat grootscheepsche weelde mag veroorloven,
een omvangrijk en gedeeltelijk minder gelukt werk als dit, ons als zeer
betrouwbare belofte van vele toekomstige volkomen-gelukte en rijpe te
geven. Bezit en hoop dus ... ten slotte blijkt het niet weinig wat de
heer Van Loon ons schenkt.
Febr. 1916.
* * * * *
[p.75] CYRIEL BUYSSE: OORLOGSVISIOENEN
Een zeer vermakelijk èn diep-aandoenlijk boek. Ziehier in weinig woorden
de twee ver uiteenloopende eigenschappen van dezen bundel gekenschetst,
eigenschappen, die maar al te zelden beide in het levenswerk van één
auteur worden gevonden, nòg zeldzamer in één boèk voorhanden zijn. Men
moet dan ook al een rasepicus, een volbloed romancier als deze groote
Vlaming zijn, om ze beide in zóó kort bestek, verweven in figuren zóó
vol leven en tevens zóó luchtig èn geacheveerd gebeeld, te kunnen geven.
De satyriek-humoristische verhalen: De heeren Bollekens in oorlogstijd,
Het oorlogshuwelijk van meneer Calkoen en Rikiki vullen meer dan twee
derden van den bundel. De uit hun evenwicht geslagen, smulpapige
rijkaards met "de mooie meid" in de eerste novelle; in de tweede de oude
scharrelaar, die elke twee jaar een andere dienstmeid neemt, en nu tegen
't einde van zijn leven dan toch waarlijk door de toevallen van den
krijg wordt gedwongen met de laatst bij hem in dienst getredene te
trouwen; de generaalsfamilie, die door het kleine schoothondje
getyranniseerd wordt in het derde verhaal--zij alle vermaken, terwijl in
Rikiki, in de boeven-scène, zelfs een Decamerone-achtige atmosfeer wordt
gevoeld. Ook deze verhalen zijn vol van de inwerkingen en 't gebeuren
van den tragischen oorlogstijd, maar toch, het eigenlijk bij zulk een
tijd behoorend groote sentiment liet zich niet dan onderwaardig aan
hunne half-comische figuren verbinden. Het filtert maar zoo'n beetje
door de novellen heen. Maar dan doorleven we in drie vlot geschreven,
anecdotische "niemendalletjes"--waarvan nochtans het middelste, [p.76]
In de vuurlinie, een hooger waarde allicht mag hebben als rake beelding
van den grondvasten Vlaamschen boer--de overgang naar het
diep-aandoenlijke. Dit laatste openbaart zich voor 't eerst zeer sterk
in De Vrijwilliger, den man, die met een bajonetsteek een "vijand"
doodt, en als hij onder zich in de loopgraaf diens brekende oogen ziet,
"pardon" stamelt. Vooral hierin is wel de volle en ònmiddellijk zich
uitende tragiek van den krijg bereikt, terwijl weer eene prachtig
visionnair-beeldende kracht het treffendst in De Vlucht is. Zie eens dit
kleine stukje: "... het scheurde hun door 't hart, maar 't moest, het
moèst, er was geen oogenblik meer te verliezen, zij hoorden de
vernieling in de verte aanloeien, en zij werden meegenomen in den wilden
stroom der vluchtelingen, terwijl daar in de diepte de eerste huizen van
het dorp reeds brandden....
"In volle vaart renden zij het roode westen in. Wat zag het vreeselijk
bloedrood dien avond! De zon was onder, maar hoog en wijd over de kim
had zij haar langzaam-tanend bloedlicht nagelaten, 't Was als een
tafereel der wreede, oude tijden. Somber, voorovergebogen in hun vlucht,
holden, in roodachtige stofwolk, die duizenden en duizenden daar wild op
in...."
En dan bij de lezing van De Moeder, van Singen ... Singen ...! van De
Terugkeer--welke criticus, die geen critiek-machine is geworden, zou
niet zijn wijde aandoeningen van mede-lijden en mede-genieten de volle
heerschappij over zich hebben gelaten.... Het is dan ook mede daaraan,
dat de lezer het heeft te wijten, zoo hij hier het sausje missen moet,
zonder 't welk het gerecht van een Buysse-bespreking door een kok van
dèzen tijd, die op z'n goeden naam gesteld is, niet mag worden
opgediend, het sausje, welks ingrediënten bestaan uit 'n paar lepels
vaderlandsliefde van Buysse, liefst opgewogen tegen en goed vermengd met
die van Streuvels benevens wat droppeltjes gòeie Hòllandsche azijn
erover been....--Helaas, ik arme, ik kan er hem niet aan helpen. Maar
niettemin verwaardige hij zich dit zeer bescheiden schoteltje te
proeven.... Het smaakt alleen naar Buyssensche menschheids<i/>liefde? Ik
ontken 't niet, maar zou dat ook niet voldoende kunnen [p.77] zijn? ...
En komaan, wèg nu maar met deze keukenmeiden-beeldspraak. Ik zegge hem
slechts nog kort en goed tot besluit, dat als in toekomende tijden naar
de qualiteit der vaderlandsliefde van deze twee geniale artisten zelfs
geen vurigste Coq Gaulois meer kraaien zal, nog duizenden hen lievende
en in hun werken verdiepte lezers zullen getuigen: "Hoe hebben deze twee
de memchheid liefgehad." En is het niet deze liefde, waarop het voor de
literatuurcritiek op aankomt? Is het niet deze in tegenstelling met de
andere, die eene der maatstaven van haar oordeel moet zijn?
Febr. 1916.
* * * * *
[p.78] VICTOR IDO: DE PAUPERS
Roman uit de Indo-Europeesche samenleving
Het Realisme, eindelijk beu van de kosjere keuken, heeft zich breeduit
aan de Indische rijsttafel gezet. Anders gezeid: het Realisme--we
moesten eigenlijk van 'n soort Naturalisme spreken, maar dat tooverwoord
roept zóó machtige geesten op ...--na jarenlang het leergraag Hollandsch
publiek onderricht te hebben in wat 'n chochem, 'n sjlemiel, 'n souger,
enz. enz. is, heeft nu een cursus geopend in Totok en Indo, mata glap,
ronggèng, etc. Ons leeren is spelen, en loopt 't een beetje mee, dan
kunnen we zonder eenigen twijfel, zooals we vroeger in 'n wip de
moreinoe hebben gehaald, 't volgend jaar het Indisch
groot-ambtenaarsexamen doen. De Paupers althans behoort zeer zeker tot
de buitengemeen prettige leermeesters in al deze wetenswaardigheden,
want een gewoon-goed boek, een boek van gezonde middelmatigheid is het
óók. De schrijver slaagde erin, zoowel uitzonderlijk-nobele figuren,
Tjang Sina en Grootvader Sam Portalis, als die van een zeer zinnelijken
geweldenaar gelijk Boong Portalis, levenswaar te beelden. Natuurlijk
ontbreekt ook in dit Indisch boek het occulte element niet. Maar daarmee
heeft de auteur een beetje geschipperd. Hij heeft de aarzelingen gekend
wier afwezigheid een stuk als De Vader van Augusta de Wit in de
gelegenheid stelde zoo sterk-eerlijk te zijn, zoo volledig te slagen. En
zooals de afwezigheid van dergelijke weifelingen--gelijk ik destijds
uiteenzette[1]--soms de [p.79] visionnaire kracht eens kunstenaars
bewijst, zoo toont de aanwezigheid een zekere visionnaire zwakte aan. En
dit gebrek aan kracht openbaart zich dan ook niet alleen daarin, maar
tevens, zij het slechts een enkel maal, in een verzwakkende herhaling
van het reeds gezegde of in een onverwachte vernuchtering, als ware er
een plotse breuk in het sensitive en visionnaire leven van den auteur
gekomen en of hij, vreemd, vergeten hadde wat hij pas zoo nadrukkelijk
zei. Maar ik herhaal het: dit gebeurt slechts uiterst zelden. Overigens:
niets dan goeds; er leven een paar lieve, jonge vrouwen-figuurtjes in
het verhaal, Daï en Nini. Mr. van Vierzen Pel, de president-rechter, is
in zijn hartstocht voor Daï zoowel als in zijn immer indachtig-zijn aan
zijn positie, zeer raak gebeeld, en dat zonder eenig valsch pathos, of
de geringste mooimakerij. Kortom, om nu maar niet al de welgeslaagde
figuren gedetailleerd te bespreken, de doorschouwingsinnigheid van den
schrijver reikt overal diep genoeg, om ons duidelijk te doen gevoelen,
dat ook deze Indo-Europeesche samen-leving precies als al hare zusteren
van ons tijdvak, eigenlijk een apart-leving is van in dwaasheid en wanen
bevangen, elkaar hatende en minachtende coterie'tjes en individuen.
Juni '16.
Noot:
[1] Zie De Gids van Juni 1915. Blz. 489 e.v., of mijne Nederlandsche
Romancières van onzen Tijd, dat in 1920 bij de Uitgeefster van dit boek
zal verschijnen.
* * * * *
[p.80] P. RAËSKIN: PASTOOR HORSMAN