de sterkst-bezielde menschelijkheid in dit werk, epileptisch-plotseling
en -abrupt, met een vergrauwende uitputting bevangt, dat de gestalte als
levenloos inzinkt, de stralende oogen verglazigen, de jong-roode lippen
verbleeken, en dan, weer eensklaps wijkend, haar veroorlooft te
herrijzen, jong-bloeiend gelijk zij was, met oogen, die hun rijke,
innige glans, wangen en lippen die hun kleur hebben herwonnen. En zij
staat weer, krachtig, naast u en schijnt zelfs geen herinnering mee te
dragen aan haar tijdelijken dood.... Maar gij zijt stil en als schuw
geworden en denkt na. Want ge weet 't wel: wat in kunst-leven gelijkt op
het ziek-worden en sterven van Natuur-leven, komt voort uit een aanval
van veronechting alleen.... Maar ge vondt 't toch in zijn levende
geheelheid zoo innig, ge vondt het toch zoo pràchtig waar.... En het
onecht vinden van een deel, te midden van zóóveel overtuigende echtheid,
dat is iets zóó subjectiefs!... Hebt ge u misschien vergist? Wàs die
inzinking er wel?... En ge scheldt uzelf al een hallucinair fantast!
Maar terwijl ge dit denkt ... kijk, kijk! daar is 't weer, daar
verschrompelt 't, daar verbleekt 't weer!... Die veronechting, zij is
er, uw twijfel sproot daaruit voort, dat zij als oorzaak in verhouding
tot hare uitwerking en gevolgen iets zoo gerings lijkt ... zóó gering
... maar toch, het blijkt nu, ook zóó beteekenisvol als ... ja ... als
op het gelaat van een goed-gekenden en geliefden mensch, met schoone
daden en ware woorden, een onbeheerscht trekje, een vluchtig, maar
telkens zich herhalend, bewegen kunnen zijn, die voor ù, èven, dat
schoon- en waar-geachte veronechten. Ook dan voelt ge u bekneld tusschen
[p.51] twee tegenstrijdigheden: ge gelooft vast in uw eigen
doorvoelingsmacht en niet minder in de beteekenis van het kleine en
onbeheerschte, juist omdat het kleine en onbeheerschte is.... Maar: zijn
schoone daden en ware woorden, die ge toch, let wel, met datzelfde
doorvoelingsvermogen waar en echt hebt bevonden?... En ge gaat zoeken
naar een oplossing, een verklaring, want ge houdt van dien mensch. Gij
mòet u zekerheid verschaffen, gij mòet de juistheid of onjuistheid uwer
meening kunnen tasten. Zóó ook is het mij gegaan, bij het beschouwen van
dit boek, zóó zal 't ongetwijfeld ook u gaan, lezers van dit
maandschrift, die hier meer dan eens gelegenheid hadt, het hartige,
bloedrijke, zoo lustig en jong zich in het leven dompelende talent van
Goudsmit te waardeeren en lief te krijgen. Welnu, ik geloof u die
verklaring te kunnen geven. Maar vóór ik u daarvan vertellen ga, dient
ge u even te oriënteeren in den bundel: wat is het bloeiendste, het
sterkst bezielde leven daarin? Ongetwijfeld, meen ik, het joodsche. Zie
eens aan: Goudsmit is ongetwijfeld vooruitgegaan, óók in de beelding van
het niet-joodsche leven. De kleine en zeer goede novellen: De
Onverbeterlijke, De Hengelwedstrijd, Moeder Zijpe's Verjaardag, In de
Engte zijn daar treffende bewijzen van. Maar toch, het àllerbeste, het
àllerinnigst doorvoelt hij nog slechts Joden. Zijn Joden zijn
individuen, zijn Christenen vaak niet meer dan typen. De beste novellen
in dezen bundel acht ik dan ook: Hoe de kleine Sjimmie Neeter burger
werd en Kinderen (de meest geslaagde van die twee: de eerstgenoemde). En
juist in deze beide is het veronechtende element het sterkst aanwezig.
De vraag blijkt nu wel niet slechts meer te zijn: wat is het? maar ook:
hoe komt het juist daar het hevigst tot uiting? En dan ligt schijnbaar
het antwoord voor de hand: joodsche en socialistische tendenz. Maar dit
is niet zoo, men zou het mooie werkschreeuwend onrecht doen, door dit te
beweren; tendenz is er, maar zij is die van het Onbewuste en schaadt
daarom niet. Goudsmit's bewustheid redeneert niet: komaan, dien
socialist en dien jood, die ga ik een beetje opsieren, noch heeft zij de
gewóónte aangenomen dat werkje te doen, maar zijn ònbewuste scheppende
Vermogen, dat bij hem, gelijk bij ieder, [p.52] slechts schoonheid en
goedheid scheppen kan[1] is doordrongen en doordrenkt van liefde tot het
socialisme en het Jood-zijn! Ware deze arbeid er eene van bewuste
tendenz, ik zou haar schoon noch kunst kùnnen vinden. Neen, het is: een
onbeheerschte trek, het is een vluchtig bewegen van het taalgelaat, dat
telkens en telkens weer, woorden en daden, geheel het van leven
tintelende wezen, voor éven, veronecht. Goudsmit--om u dan eindelijk
mijn meening ter overweging te geven--vertaalt het zich verwoordende
denken zijner figuren uit hun denk-taal in zijn schrijf-taal! Gij voelt,
niet waar, de dùbbele fout van dit procédé, de dubbele veronechting? Gij
voelt, hoe onaangenaam een stemming en wreed een twijfel dit valsche
trekje op het frisch-open gelaat dezer kunst, bij machte is in den
aanschouwer te verwekken. Zeker, voor sommige beoordeelaars zal de
verleiding groot zijn te beweren: zulk een invalide, afgedankte,
socialistische sjouwers-knecht, die zóó wijs en breed denkt, als Chajim
Neeter bestaat niet, en die Japie in Kinderen is wel een
uitzonderlijk-hevig en dichterlijk-voelend jongske, gelijk de vader voor
zoo'n doorgaans sluw-genoeg voddenjoodje al bijster naïef en
onpractisch-fantastisch is; maar ik zeg, dat ik alle deze drie figuren
onweersprekelijk zeker als echte menschen voel te leven in Goudsmit's
Scheppende Onbewustheid gelijk óók--wat er feitelijk niets toe doet--in
de dagelijksche levenswerkelijkheid om ons heen. Maar dàt ik hun
echtheid voelen kan, dat wordt veroorzaakt door hun daden en woorden, de
dramatiek in den eigenlijken zin, en de dialoog dus. En tegen dat als
echt voelen botst dan telkens een als ònecht voelen. En dit wordt
veroorzaakt door de foutieve, niet-Chajem-achtige, niet-Japie-achtige,
maar pur et simple Goudsmit'sche uiting van Chajem's en Japie's
denk-voelen. Summa summarum dus: voel ik ze als gehéél-echt te bestaan
in des schrijvers Scheppend Vermogen, ik voel ze als slechts
gedeeltelijk echt in zijn boek. [p.53] En dit is jammer voor het
prachtig-doorvoelde werk. Het is vooral spijtig, omdat zeer zeker die
fout geheel vermeden had kunnen worden door dezen talentvollen
schrijver, die alleen nog meer zelfbeheersching wellicht en technische
discipline behoeft, om zich, geheel zijner waardig, te kunnen uiten.
Voelde hij de ondeugdelijkheid niet van zijn procédé--'t geen
ongetwijfeld het meest gewenschte ware geweest--hij had die toch zeer
gemakkelijk door nadenken kunnen inzien: Is niet een scheppend
kunstenaar ook, in zekeren zin, een interpreteerend? Is een
menschfiguur, gelijk zij verrijst en staat en leeft in de conceptie van
een schrijver, niet een wezen, dat buiten hem zijn eigen leven leeft,
ofschoon het, en dit toch slechts tijdelijk, uitsluitend in hèm leeft?
Is zij niet een compositie, die vertolkt worden moet, met de meeste
piëteit en zóó dat het eigen wezen der compositie, de "bedoelingen" van
den componist, d.i. het Scheppend Onbewuste, tot de volmaaktst mogelijke
uiting komen? Wat zoudt gij zeggen van een interpreteerend musicus, die
in een door hem gespeelde compositie van een waarachtig en meesterlijk
artist, geheele brokken verving door andere tonenreeksen, wijl die naar
zijn meening dragers van dezelfde gevoelswaarden zijn en het voordeel
hebben, lichter-begrijpelijk, of uiterlijk-bevalliger, of korter van
duur te zijn?! Hetzelfde zoudt gij dan wellicht zeggen, niet waar,
als--van een schrijver, die het denk-voelen zijner figuren door zijn
lyrische paraphrase vertolkt, in stede van dat denk-voelen-zelf, in de
taal-zelf daarvan, zij 't resumeerend-gestyleerd, te geven.--Het deere
Goudsmit niet, dat ik uitweide over het foutieve in zijn werk, hij voele
er mijn achting voor zijn gaven, mijn innige waardeering in, en zoo hij
er de bedoeling in proeve, hem als 't ware theoretisch te onderrichten,
dan--heeft hij gelijk. Maar is het doel van ons àller leven niet,
elkander te onderrichten en geest-verhelderend te steunen, en houd ik
mij niet overtuigd, dat hij mij evenzeer iets zou kunnen leeren, wat ik
niet weet of inzie, gelijk ik het hem nu denk en hoop te doen. Want ik
wensch zoo innig, dat zijn volgend werk niet meer met die fout behept
zij. Zij geeft, zelfs aan het geheel, den schijn van het
niet-geacheveerde, het onrijpe.
[p.54] Die erin gewerkte Goudsmit'sche lyriek, ook in de beschrijvingen,
zij vloekt tegen het armelijk bestaan der gebeelde volksmenschen. Het
werk verliest daardoor zijn eigen-tonige, warm-toedekkende,
levenverwekkende en -behoudende atmosfeer. Het staat dan koud en naakt,
het bezwijmt en dreigt te sterven.
En behalve dat: dit lyrisch proza is vaak op zich-zelf van zeer
twijfelachtige qualiteit. De zéér talrijke fijnheden in dit werk, de
soms waarlijk prachtige vondsten van verwoording, zij zijn te vinden in
de psychologiek van het momentaneele geestbewegen der figuren, niet in
de resumeerende psychologiek van hun algemeene voel- en denk-wijze. En
dáár treedt de Goudsmid'sche lyriek op! Zij zijn te vinden in de
zuiver-plastische beelding der dingen, niet in de metaforische weergave
van hun aanzien. En dáár treedt de Goudsmidsche lyriek op. Zij, die
onrijpe lyriek veroorzaakt, dat naast kostbare fijnheidjes zich telkens
valsche beeldspraak en slordigheid vertoonen. Dat zij in de joodsche
schetsen het meest op den voorgrond treedt--ik was u nog een verklaring
daarvan schuldig--ligt m.i. onbetwijfelbaar daaraan, dat 't
joodsche-leven-in-dezen-bundel, het warme, innige, hartstochtelijke,
veel meer met Goudsmit's eigen aard overeenkomt dan 't koelere, grovere
leven-der-Christenen-in-dit-boek en dus veel eerder dan dit laatste een
uitstorting van des schrijvers eigen gevoel kon te weeg brengen.
Ik kan, met het oog op de beschikbare ruimte, geen bewijzen geven, noch
van de gegrondheid mijner bewondering noch van die mijner blaam.
Analysen en citaten, ik moet ze achterwege laten. Maar één schoonheid
wil ik met name noemen, een schoonheid, die altijd in mijn geest als een
kostbaar bezit zal staan: de verrukkelijke--ik zeg het met nadruk--de
verrukkelijke beelding van Chajem en Sjimmie's tocht naar de fabriek,
van Sjimmie's zielontroerend afscheid van Vader, pràchtig van echtheid,
héérlijk van de innigste doorvoeling. Hadde Goudsmit nooit zijn mooie
Zoekenden geschreven, bestond er niets anders van hem dan de beelding
van dit smartelijk gebeuren, zij maakte het tot plicht hem een groot
talent te roemen.
[p.55] En dan ... ja dan is er toch nòg iets, waarover ik even mòet
spreken. De humor in dit werk, de lagere èn de hoogere. De lagere:
goedmoedig-fijne en ingehouden làch alléén, gij vindt hem in De
Hengelwedstrijd. De hoogere: lach èn deernis, tot één zachtkleurige
schoonheid verteederd, hij leeft in de joodsche schetsen op meer dan
ééne plaats, maar het diepst, het rijkst in de paar laatste woorden van
den laatsten zin van Kinderen.
"In een paar woorden, in één zin!" roept ge geringschattend uit, "der
moeite waard." Maar, lezer, ik vrage u, als die humor, zóó broos een
schepsel van zon en tranen met zijn teere kleuren onze levenslanden
overboogt, zouden wij dan niet dankbaar zijn voor die stralende omvaming
van het verspreide, hoe kort zij dure?...
Juni '13.
Noot:
[Footnote 1: Deze bewering ziet er uit als een phrase. Ik mòet daarom
wel de onbescheidenheid hebben, den lezer te verwijzen naar mijn opstel
in De Ploeg van Juli--Aug., 1911: "Over Literaire Kritiek en Is.
Querido's studiën", waarin ik die bewering gemotiveerd heb. (Herdrukt in
mijne Schetsen en CritUcht Opstellen.)]
*
* * * *
[p.56] MR. J. DERMOÛT: SINGKEP TIN
Mozes verkondt den stamhoofden van Israël, dat zoo hun de beoordeeling
van 't een of ander verwikkeld geval te zwaar mocht vallen, dit voor hem
moet worden gebracht, opdat hij 't berechte. De Heer, wien dit trotsche
woord mishaagt, doet daarop de Tselafgadiaansche moeilijkheden rijzen,
en ook Mozes weet niet.... De literaire critiek hoogmoedigt sinds jaar
en dag tot de kunstlievende en beschaafde gemeente--medici, ingenieurs,
juristen, enz. enz.--"Zoo gij met de beoordeeling van eenig literair
werk geen weg weet, kom tot Mij--met een hoofdletter--en Ik zal het
richten, en," zoo voegt ze er allicht op haar betweterige manier aan
toe, "als Ik u raden mag, beproef zelfs niet een oordeel te geven, breng
het Mij, den Eenig-bevoegde", maar ziedaar ... het lot dat de
hoovaardigen vernedert, doet den heer Dermoût en zijn Oorspronkelijke
Indische Roman verschijnen, en--de critiek staat paf en met haar grooten
mond vol--tijgerlijke--tanden. Welk een onverwachte vernedering! Een
hengelaar, die door zijn prooi te water wordt getrokken, een beul, die
door de veroordeelden wordt geëxecuteerd! En bleef 't daar nog maar bij,
maar o, die gelegenheid tot wraak en Schadenfreude, die ik der
kunstlievende en beschaafde gemeente niet gun. Want helaas, dit weet gij
nog niet en nu zal ik 't wel blozend en lip-bebijtend moeten erkennen:
de residenten, de controleurs, de radjahs, de planters, de
koeliedrijvers en de indologen en met hen de smeden, de timmerlui, de
geologen, de geographen, de zeevaarders, de water-, de scheeps- en de
mijnbouwkundigen, de medici, de machinisten en de smokkelaars, benevens
[p.57] de ... och, ik raak buiten adem, laat me maar zeggen, al de
medewerkers van Meyers Grosses Konversations-Lexicon, àllen, zeg ik u,
en nog meer, nog véél méér, zouden de schitterendste, de diepzinnigste,
de geestdriftigste, de meest eloquente recensies over dezen roman kunnen
schrijven, alleen--de letterkundige niet! Want de heer Dermoût en zijn
hoofdfiguur Bob zijn van àlle markten thuis en dit prettige werk is een
handboek voor àlle ambachten en àlle wetenschappen, maar alleen dàt
iets, dat nietige dingsigheidje waarover een kunstcriticus een oordeel
zou kunnen geven, dat schijnt onze auteur, al schreef hij dan ook een
roman, toevallig of wellicht met de wijze bedoeling, de goden door de
volmaaktheid zijns werks niet te tarten, te hebben overgeslagen. Neen,
zooiets staat er niet in. En toch ... àls ik eens ... die paar
psychologische trekjes ... maar nee, och nee, daarover kan ik waarachtig
toch geen boom gaan opzetten.... Komaan, geen onwaardig geschipper, dan
maar liever deze gulle bekentenis van onmacht, onmacht, m'n hemel, van
hem, wiens taak en plicht het is hier te spreken, om één woord te zeggen
van een boek, waarover de heele wereld wat zeggen kan! Maar mocht dan
ook deze duldzaam aanvaarde vernedering tot boete voor ons àller
hoogmoed strekken, o, mijne broeders in de critiek, en het vertoornde
lot, behagen scheppend in de verbrijzeling onzer harten en neigend tot
genade, den heer Dermoût nog vele, vele handboeken laten
schrijven--ikzelf, o dànk, dànk! heb nu reeds een nieuwe methode van
diamantkeuring van hem geleerd!--maar nimmer, o, nimmermeer een
roman....
Juli '13.
* * * * *
[p.58] WALLY MOES: GOOISCHE DORPSVERTELLINGEN
Alle wezenlijke kunstenaars hebben dit gemeen--gelijk ook zij, die de
wetenschap om der wille van haar zelve dienen--dat zij nimmer moede
worden des Levens Gelaat te beschouwen, en hun geen geluk zoo groot,
geen arbeid zoo gewichtig is, als die arbeid, die een geluk, dat geluk,
dat een arbeid is. Zij beschouwen dit Gelaat dan ook niet, òm van zijn
lijnenspel en schoonheid te verhalen, maar, omgekeerd, verhalen zij
ervan, omdat hun contemplatie hen te vol heeft gemaakt van gevoel, dan
dat zij dat langer alleen zouden kunnen dragen. En daarentegen vertoonen
alle pseudo-kunstenaars dèze overeenkomst, dat zij wel telkens èven zien
naar dat Gelaat, maar op de wijze van iemand, die een nu eenmaal
noodzakelijk maar vervelend werk heeft te verrichten, dat hem maar zoo
weinig mogelijk van zijn kostbaren tijd moet kosten. Zoo spoedig
doenlijk wenden zij zich dan ook af en gaan met den rug er naar toe
zitten, en om het weinige heen, dat zij werkelijk gezien hebben,
borduren ze dan veel bedàchte leugentjes en vertellen van dat weinige
zoo veel mogelijk: daarom was 't hun immers alleen te doen. Onder de
eersten behoort ook deze zeer echte kunstenares Wally Moes en het zal
zeer gemakkelijk zijn, ook haar rang te midden van hen te bepalen,
indien wij het volgende hebben opgemerkt. Er zijn artisten--en van de
grootsten--wien de blik uit het Levensgelaat, voortdurend brandend in
hun oogen, als hypnotiseert, zoodat zij als in een droom en onder een
dwang, hun hand de lijnen van het hun geworden beeld voelen trekken;
[p.59] hun bewegen faalt niet; hun schepping trilt en beeft van 't
innigste leven-zelf;--Jozef Israëls, om een schitterend voorbeeld te
noemen, heeft zich een van hen geweten. Er zijn er anderen, die ziènde
èn geboeid door het zien, dàn toch niet verstaan wat zij aanschouwen, en
de schoonheid en beteekenis ervan pas in het herinneringsbeeld
doorvoelen. Dier werkwijze is meestal moeielijk en zwaar; het leven
staat uit een diepe bezonkenheid in hen op, het heeft al zijn
schoonheid, tinten en geuren, behouden, maar gedempt; doch zoo het al
aan blijmoedigheid en losse bevalligheid verloor, het heeft aan zuivere
klaarheid en zachten ernst gewonnen, zooals huizen en boomen aan een
spiegelend grachtje in 'n stad, waar, tegen den avond, een onweer met
veel regen alles in een gewasschen helderte heeft gezet. Ook tot hen
behooren Grooten.--En dan zijn er nog, die ziende onmiddellijk
begrijpen, al te nùchter vaak begrijpen, en al ziende haastig hun
notities neerschrijven. Dat zijn de wel zeer echte, maar vaak als
nonchalant werkende kunstenaars. Zij zien te véél naar het Levensgelaat
en te wèinig naar wat zij schrijven. Onder hen bevindt zich onze Wally
Moes. Mag het haar gebeuren, dat door een gelukkig toeval het
essentieele alleen binnen haar gezichtsveld komt, dan beeldt zij slechts
dat--zoo bijv. Harpje, waarmede haar bundel opent: een meesterstukje!--;
gevalt het daarentegen, dat ze ook het bijkomstige ziet, dan schrijft ze
zonder genade voor zich-zelf of den lezer ook al dat bijkomstige neer,
zooals in Het Wondervrouwtje. Niet zelden verlaagt zij dan haar werk tot
een bijna zakelijke folkloristische essai of een bonte collectie
anecdoten--zoo is bijvoorbeeld de zwijgende figuur Leendert in Getjilp
onverklaard, geen kunst, anecdotisch gebleven, terwijl Donker Laren maar
al te vaak niet boven het zuiver-folkloristische uitkomt--maar is zij
dan tot zoo diep gedaald, dan komt ze plots tot bezinning en stijgt
weer: in een paar gelukkige zinnetjes bewijst zij dan nog, ook veel van
het essentieele te hebben doorvoeld--zie het slot van datzelfde Het
Wondervrouwtje.--Rasschrijfster als zij is, deinst ze voor niets terug,
overwint zij alle moeilijkheden tot volle bevrediging van den lezer en
als spelenderwijs; men behoeft slechts de bedreiging met [p.60] moord
door den teleurgestelden minnaar en den gevaarvollen tocht der beide
spieringvisschers op het Zuiderzee-ijs te lezen--beide in het prachtige
Harpje--om er eens voor al diep van overtuigd te worden. In haar puren
eenvoud, als zonder het te weten, dat zij zoo veelsoortig kostelijks in
haar werk bergt, is zij zoowel romanticus als realist, vol humor als vol
weemoed, beeldt zij even voortreffelijk synthetisch als ze prachtig
psychologisch analyseert--lees eens, om dat laatste vooral te
bewonderen, het mooie Zalige Sien, het slotstukje van den bundel!...
Zoo schijnt ons dan slechts betrekkelijk weinig te wenschen over
gebleven, en toch--is dat weinige wel zóó luttel als het schijnt? Een
wèinig meer rustige aandacht bij de schrijfster, en des lezers genieten
van het essentieele wordt niet meer zoo vaak door het bijkomstige
verlet. Een wèinig meer eerbied bij de kunstenares voor eigen vermogens
en voor het eigen wordende werk, en de taal wint aan die liefelijke
waardigheid, zonder welke een feest van den geest nooit stoorloos
verloopt....
Heeft Wally Moes zich dàt éigen gemaakt, ik ben er zeker van, dat zij
van een goede, een voorname schrijfster zal zijn geworden.
April '14.
* * * * *
[p.61] G.F. HASPELS: WISSELEND UITZICHT
Het kwam niet, geloof ik, door het zeeïg-zilte, ruig-stoere en
hel-doorwaaide van Haspels' wijd-open geest, dat ik zoo vaak moest
denken aan die stedekens rond de Zuiderzee, als ik zijn werk las, want
mijn verbeelding meende immers hen dan juist zóó te zien, gelijk zij
zijn zullen wanneer eens ons machtigste binnenwater zal zijn gedempt en
over het nieuwe land nieuw en sterk leven hun doode pleinen en straten,
hun oude huizen binnentrekken zal. En evenmin kwam het, gelijk menig
lezer allicht zou denken, door de onderwerpen, welke onze schrijver bij
voorkeur behandelt. Het onderwerp-an-sich pleegt mij niet zoo te
obsedeeren, dat het boek mij aan iets frisch doet denken als het
onderwerp frisch is of ik het bij iets bedompts zou vergelijken, wanneer
het onderwerp bedompt is. Neen, mij althans doet dit alleen de
behandeling....--Maar het werd veroorzaakt, dunkt mij, door de
half-onbewuste overweging, dat ook de heer Haspels tegelijkertijd zóó
ouwerwetsch èn modern is als zulk een stadje vermoedelijk in de toekomst
zijn zal; het wemelt soms van moderne sentimenten en levensaanvoelingen
bij hem en die wemeling trekt maar, zoo gewoon-weg als hoorde 't niet
anders, door Potgieteriaansche straten--nou ja, natuurlijk: d'r zijn ook
nieuwe buurtjes bijgebouwd!--en Hildebrandsche geveltjes voorbij. Niet
dat hij de hoog-aristocratische zwier, de gesoigneerde wellevendheid of
het onvergelijkelijk stijl-vermogen des eersten bezitten zou--vèrre van
dien! Maar z'n dialogen vooral, natuurlijk niet in zijn schetsen van
volks- en zeemansleven, doch in zijn meer novellistich gecomponeerde
verhalen der "betere" standen [p.62]--verreweg zijn slechtste werk: te
zeer verstandelijk in elkaar gezet, met allerlei bedoelinkjes en
toevalligheidjes, zooals het zéér nàre Vriendschap in dezen
bundel--vertoonen van die Potgieteriaansche speelsche en andere
wendinkjes. En zijn zij al meest van zulk een goedkoope gevatheid als
dien Groote nooit uit de pen hadde gewild en missen zij immer diens
hooge voornaamheid, toch laten zij niet den geringsten twijfel over de
herkomst van den onbewust of bewust onderganen invloed, die in 't
algemeen hun wording heeft beheerscht. En niet, dat hij den droog-fijnen
humor van Hildebrand zou bezitten, neen, daar is hij te robust, te
sterk-, ja laat mij maar gerust zeggen, te groot-levend voor, maar
vooral en vaak bij het beëindigen van zijn novellen en schetsen doet hij
mij aan dien denken ... dan heeft hij iets van zijn manier, dan hoor ik
zijn geluid.... Och ja, ik geloof eigenlijk dat bijna héél dat oude
Holland van de middenjaren der vorige eeuw weer in hem tot nieuw leven
is gekomen, soms tot een ruimer natuurlijker leven, dan het wellicht
ooit bezat; zich in en door hem aan het moderne heeft verbonden. Zijn
hecht aan de "onbewuste" natuur, het aarde-, water- en luchtleven
verknochte aard, neen diè is allerminst van dièn tijd, noch specifiek
van den onze; die, zijn kostbaarste kern, is iets van àlle tijden,
waarin nog vrije en zuiver blijmoedige menschen kunnen bestaan; maar
alles wat in engeren zin tot de litteraire uiting zijner ikheid behoort,
dat is bijna immer beïnvloed door die periode en bijna nooit door die
van '80 of de onze. Tot een visie--ge herinnert u Onder den
Brandaris?--als die der "vier goudgehelmde, goudgepantserde reuzen", die
van Rembrandtiek licht omgloorde "wandstaanders", kwam men niet in
Hildebrand's tijd, nog veel minder tot een bijna sensitivistische
aanvoeling als, terzelfder plaatse, van de "nacht, wind en zee (die)
stonden daar met groote doode oogen verbaasd rond die lichtbron," op het
"zwalkend, in eenzame duisternis verloren scheepje". Dàt komt voort uit
het moderne in Haspels, gelijk ook de zéér ontroerende, pràchtig zonder
één kreukje in één stemming gehouden Zaterdagavond-Herinnering, in dézen
bundel. Maar wèl uit dien verleden tijd, wellicht uit iets van het beste
daarvan, is het [p.63] gedistingeerde, savant-samengestelde In den
Staringskoepel op Visite, eene allerliefste causerie, vol van een
luchtige, elegante eruditie; een gelukkige vervlechting van waarheid en
droomen--godlof allerminst Jonathan'sche!--van natuurbeschrijving en
mensch-typeering, fijntjes-effleureerende letterkundige appreciatie en
prettig-aandoende zelfspot. Kom nou eens om zóó'n stuk bij den pur sang
moderne!... Maar De Medeplichtige, dat toch ook een hartig en goed
stukje is, laat dan weer het zwàk-ouderwetsche kantje zien. Hier als bij
Augusta de Wit's Nellis, een strooper, een boer, die der "wrekende
gerechtigheid" ontvlucht, door een dominee wordt geholpen en in
veiligheid gebracht, maar hoeveel sterker is hier Augusta de Wit, omdat
zij modern-koeler voor het geval staat; omdat zij in een speciaal
moderne onverschilligheid voor het verháál, geen behoefte heeft gevoeld,
dit met ouwerwetsche toevalligheidjes op te sieren tot het van een
schetsje, een tranche de vie, een complete, gecomponeerde novelle zou
geworden zijn. Overigens is er niet véél meer van dezen bundel te
zeggen. De Gouverneur-Generaalsche: een aardig stukje. De Maas voor
Rotterdam en Op Holland's Breede Wateren, nou ja, dat zijn van die
goeiige toast-achtige dingetjes, waarvan je, als je in dezelfde
enthousiaste after-dinner-stemming bent als de spreker,
méé-wijntraan-in-'t-oog-lacht, en anders maar 'n beetje verlegen je lip
bebijt. Terwijl Zwakke Kracht en Vriendschap ... over het laatste heb ik
al even gesproken en welnu: zoo is het eerste ook: beide onbeteekenende,
door geen enkele qualiteit den schrijver waardige verhaaltjes, al opent
Vriendschap dan ook met de bijzonder fraaie en lieve beelding van een
meesje, dat op een zwiependen tak een tuinkamer in en uitwiegt. Maar in
Een Mensch, daar is de schrijver weer op zijn sympathiekst, zijn sterkst
en zijn best; daar is hij weer de wijd-opene, zoowel voor het klein- als
groot-menschlijke zoo diep-ontvankelijke begrijper, zoo heelemaal niets
in elkaar knutselend, zoo gansch niet zich verheven voelend boven zijn
klein-menschelijk onderwerp en daardoor juist zoo prachtig erboven; zoo
ontvangend en gevend het leven in éénen tocht.
[p.64] Naar de taal in engeren zin, als kùnsttaal, als plastisch
materiaal, als rijkdom van éénig-juist beeldende woorden, dáár moet ge
bij dezen ouwerwetsch-modeme eigenlijk heelemaal niet naar kijken. Want
o ho! dan ziet ge wel héél duidelijk dat toen ten jare '80 dat lustige
stormzeetje van De Nieuwe Gids Holland zooveel nieuwen rijkdom
binnenbracht, de stad Haspels aan een léélijk-verzande haven moet hebben
gelegen....--
Sept. '14.
* * * * *
[p.65] CORNELIS VETH: GIDS VOOR PADVINDERS, PRIKKEL-IDYLLEN VI
De heer Veth heeft door het schrijven zijner Prikkel-Idyllen onze
literatuur met een bezit verrijkt, waarmede deze deftig-ernstige, dunkt
mij, wel nimmer zal gedroomd hebben nog eens in haar rechtlijnige,
streng-gebeeldhouwde hollandsche-kast te mogen pronken.--Zeker, wij
hebben meer goedlachsche spotters gehad, maar hoe vaak was, in den
nieuweren tijd, dan niet alleen het genre, maar ook de geest
geïmporteerd! De heer Veth deed beter: het uitheemsche genre ter
verrijking van eigen literatuurschat aanvaardend, begreep hij, dat er
van eenige werkelijke en blijvende winste geen sprake zou kunnen zijn,
zoo hij het niet herschiep door en in eigen geest. Het geluk begunstigt
vaak den moedige. Zou het hemzelf niet meegevallen zijn, dat die geest,
eens aan het werk getogen, zóó kostelijk òn-hollandsch bleek in zijn
schaterend-mal fantastisch doorslaan, zoo gelukkig in-hollandsch bleek
in zijn niet aandikken van de geestigheid, in zijn telkens als kleine
fonkellichtjes de écrituur èven overschijnenden en dan weer bescheiden
plots henen glimlach? Zoo ik u een bewijs moest geven van de
aanwezigheid dier uitbundige fantasie, ik zou mij allicht verplicht
achten u dezen geheelen "Gids voor Padvinders" af te schrijven, want zij
komt uitteraard slechts bij het beschouwen van het geheel tot haar volle
recht en is in een klein citaat niet dan zwak en verminkt te geven; maar
zoo ge dien stillen, nauwelijks merkbaren glimlach mocht wenschen te
zien, dat èven trekken der mondhoeken van den verteller, dat èven
schalk-schuin [p.66] kijken zijner oogen, dan is daaraan gemakkelijk te
voldoen. Ziehier: "Jammer, dat wij niet kunnen genieten van het
prachtige uitzicht, dat door gindsche dichte haag pijnboomen aan ons oog
wordt onttrokken.... Maar hoe wisselvallig hier het climaat is, bewijst
de ontzettende cycloon die daar plotseling opkomt en op enkele meters
afstand van ons alles vernielt, eeuwenoude eiken met wortel en al uit
den grond rukt, de planten mijlen ver wegslingert.... Ons uitzicht is nu
meteen vrij gekomen en wij vervolgen dankbaar en vol natuurgenot onzen
weg."