Als ze vernam dat het huwelijk vast besloten was, bloosde Ursule van
ingetogen vreugde. Voor haar was dus de beslissende zegepraal nabij.
Ze zat in haren leunstoel te gichelen en ze voelde zich oogenblikkelijk
beter worden. Ze murmelde:
--Ik genees!
Ze kon echter nog uit haar zetel niet. Hare beenen bleven lam en haar
rugge was zonder sterkte.
De trouwdag werd bepaald. Elkendeen was haastig om de gebeurtenisse te
naderen. Maar Goedele werd nu door nieuwe angsten bekneld. Ze wilde niet
meer eten, en blauwe randen vielen diepe in, onder hare oogen. Ze was
altemets zoo bleek over gansch haar wezen, dat ze een zieke geleek, en
ze werd naderhand uitermatelijk zwak. Bijwijlen was 't alsof een
gewichte opschoof uit hare maag en hare keel kwam stoppen. Ze kon 't
door zwelgen niet doen neerzijgen en deed dan vergeefsch geweld om het
op te stooten langs haren mond.
Moeder omringde haar met ijverige bezorgdheid en vreesde dat ze zoo aan
't wegkwijnen zou geraken. Ze veinsde eene ál-omstreelende goedheid en
haar minste woord was van eenige liefde. Op een morgen, binstdat ze met
Goedele alleen zat in de lage voorkamer, wilde ze de getuigenis geven
van hare brave gevoelens. Ze reikte haar het sleutelken van hare
geldkist over en zei:
--In 't bovenste laagje ligt een kleine beurze met goudmunt. Neem die,
en breng me die.
Werktuigelijk ging Goedele en kwam met het beursje terug. Ursule liet de
rinkelende stukken overeen neerschuiven in haren schoot en begon ze
zorgelijk te tellen. Ze vingerde luierig erover, betastte met wegende
traagzaamheid elk geel schijveken, en fluisterde:
--Negenhonderd--duizend--twaalfhonderd, twaalfhonderd, twalef....
Ze keek op naar Goedele en een ongewone glinstering blikkerde onder hare
neergeduwde wenkbrauwen. Ze bedwong dees driftig geschitter en lijk te
voren verkregen hare oogen de straling van 't koude staal. Ze sprak,
fleemend:
--Wilt ge me nóg van dienste zijn, mijn kind? Het is zoete weer buiten.
Ge zijt bleek en ge zoudt moeten wandelen door 't bloote geluchte, ja,
ja.... Wilt ge in den nanoen tot binnen de stad eens loopen? Sebastiaan
komt niet vóor 't avondeten hier vandaag. Ge kunt terug zijn ...
gemakkelijk....
Ze wachtte een tijdeken en lager liet ze hare stemme zakken:
--Ik wou geerne dat ge eens ... ginder gingt ... bij Romaan....
Omdat Goedele met pijnlijke haastigheid haar gebogen hoofd ophief, deed
ze alweer vluggelings achtereen hare woorden drillen, dof en eentonig:
--Ge moet niets vertellen van mij--en mij achterna niets van hem
vertellen. Ik weet niet waarom ik u daar doe binnengaan. Ik heb geen
reden. Ik denk aan geen reden. 't Komt mij sinds een paar dagen zoo
geweldig op en ik kan 't nu niet meer weerhouden. Koop onderwege iets
met dees geld. Ge moogt niet zeggen dat het van mij komt. Ge moogt niet
spreken van mij aan ... mijn zoon.... Wilt ge?
Ze reikte 't geld over en Goedele nam het aan, ook gepakt door moeders
geveinsde aandoening. Ursule had eerst eene groote blijdschap en ze
jubelde in haar binnenste, al roerde geen vezel op haar gelaat:
--Ik hebbe mijn hardvochtigheid van vroeger weergekocht!
Want ze voelde dat Goedele haar nu insgelijks met al de snaren van haar
teer-trillend herte verbonden was. Nadien echter schoot door hare
hersens spijt--omdat die gulden somme zonder weerkomste zich
verwijderde. Ze loerde een tijdeken naar Goedele's vingeren die om de
beurze peuterden en hoorde de rinkeling daarbinnen van de dierbare
stukken. Ze beet al gauw heel woest op hare tanden om den wrevel, die
kroop langs hare leden, te bedwingen. Ze had, 't oogenblik daarna, alle
moeite om een lach om hare lippen te wringen, als Goedele met dankbare
oogen opkeek naar heur. En seffens, binstdat het meisje de kamer
verliet, herkwam over gansch haar wezen de steenen hardheid, die 't
waarlijke beeld was van hare dorre ziel.
Zoo, na den noene, vertrok Goedele.
Vader leidde haar tot aan 't station. Ze ging sprakeloos over den weg en
bereidde aldus haar geest tot de geleidelijke benadering van al hare
herinneringen. Albien trippelde nevens haar, vertellend van een
elektrisch tuig, dat hij in 'thooge van de stad gezien had. Hij legde
weer in juichende woorden bloot zijne kinderlijke verwondering en
vermoeide zich al schokkend met zijn kort-dik lijf of al zwaaiend met
zijne armen, bij maniere van treffende bewijsvoering. Als ze beiden 't
spoor bereikten, hield hij op met tateren en lengde zich uit op zijne
teenen om zijn dochter te kussen. Hij dacht niet aan zijn zoon. Hij
dacht nooit aan iets dat buiten zijn wondere uitvindingen lag of dat
niet direkt-tastbaar aanwezig was.
Hij riep van verre, wuivend met zijn neusdoek:
--Daág!... Daág!...
Tot de trein vertrok, bleef hij zoo, op den gelen weg, en Goedele, bij
't weggaan, zag hem staan, rond uitkomend boven een roodgouden
klaverpartije, bollig en zelve rood. Zijn kleine armen zwaaiden
ommentweere en 't witte gevlaggel daarboven smeet overhand een schaduw
over zijn glanzenden krullekop. Anders was tallenkant de machtige zonne.
Hij geraakte vlugge buiten zicht, en, in een hoek van 't coupé, zat nu
Goedele te mijmeren, omdaan van 't gelijke treingeratel. Een oude dame
zat rechtover haar, onverschillig turend het vensterruitje door, langs
de wegschuivende landouwen. Hare rimpelige handen, waarover 't geweld
gewoeld had van gansch een vermoeiend leven, rustten wijd van een, elk
op een knie. Een paar ringen, te groot voor de magere vingeren, hadden
een dooden schijn van doffe gesteenten. De minste waggeling der kussens
stiet deze vrouw naar links of rechts; maar, hoe zij ook overendweer
dommelde, hare blikken en roerden niet, aldoor starend over het
veranderlijke veld.
Niets had Goedele dichter bij 't jonge verleden gebracht en haar zoo
meteen het pijnlijk gevoel ervan doen hervoelen als deze reis. Ze zou
haar broeder wederzien. Maar tevens wist ze de nadering te tasten van al
wat gebeurd was, gebeurd en stilaan in zoete vergetelheid weggesust. 't
Schoot alteenegare wakker. Naarmate ze doorreed, werden duidelijker en
scherper de leelijke beelden van haar zondige liefde, en de onrust, die
toch gedurig dof-diepe in haar binnenste roezemoesde, klepperde heel
bange op, soms met stooten haar kele toestroppend.
En ze kon hare gedachten niet afwenden, langs een anderen vredigen kant.
Al keek ze met koppige aandacht naar 't verfrommeld wezen van de oude
dame, ze zag dat wezen niet--en sterk spookte in hare hersens 't zicht
van haar verloren vreugde.
Ze probeerde dan zich buiten 't bereik van hare foltering te helpen met
spreken. Ze wilde eene lichte conversatie beginnen en zei blozend entwat
over 't liefelijke weer.
--Een schoone oogst, niet waar, mevrouw?
--Ja.
De dame blikte even op naar heur, heel onverschillig, en draaide terug
naar 't verre landschap haar bleek gezicht. Goedele bleef in nog
pijnlijker alleenigheid zitten en voelde dichter zich door 't lijdelijk
verleden omringd. Dan gaf ze zich ten geheele over aan hare droeve
gepeinzen en herleefde achtereen al de dagen te reke, die hare liefde
hadden gevoed. Nooit had zij 't klaarder herdacht: de gebeurtenissen
lagen zonder nevel open vóor haar. Ze zag ze worden en kruipen in den
tijd en te zamen bouwen het schrikkelijke ongeluk. Niets was omdoken.
Ze zag heel bepaald Wiezeken's ziekte, en haar bezoek bij 't zieke kind.
Ze had een poesjenel gekocht en ze had Johannes ontmoet....
Ze had Johannes ontmoet.
En Wiezeken was bleeker geworden.--Hoe was 't gekomen? Wat had zij,
Goedele, daarbinst gedaan? Ze herinnerde zich goed dat ze Johannes
ontvlucht had....
Ze had Johannes ontvlucht.
Maar Wiezeken stierf. Ja. Boven 't kleine beddeken zag ze zijne handen,
en zijne handen toetsten hare handen. Waarom was dat allemaal gebeurd?
Waarom was naderhand, in de half-donkere kamer, die stilte, gekomen, die
haar zoo nauw naast Johannes bracht? Ze was buiten haar gezonde zinnen
geraakt, niet waar? En Johannes ook. Dat was de aandoening van het
noodlot. In haar was iets lafs gekomen, lijk bij zieke menschen. In haar
had een oolijke geest een groote werking begonnen en ze had zich niet
verdedigd. Maar wie zou haar ook geholpen hebben? Daarom had ze zich
niet verdedigd, misschien.... Haar vleesch was betingeld en almachtig
had over haar geheerscht de Kwade, met zijn leelijk bedrijf,--en ze had
zich weerloos overgegeven....
Ze had zich overgegeven aan Johannes.
Lange herdeed ze in gedachten heel 't onzeggelijk geneuchte van hare
liefde. Haar hoofd zakte lage op hare borste en dieper schoof haar rugge
langs de kussens van 't coupé. Ze werd de sjokkende rolling van den
trein niet meer gewaar. Hare vingeren sleurden willoos kantewaarts over
haren schoot en bleven zonder roeren van weerskanten, danig moe precies.
Het lederen taschje, dat aan haren arm hing, schokte tot tenden hare
voormouw en slibberde naast haar knie, waar 't stille wippelde bij elke
onregelmatigheid van de vluchtige vaart.
Ze zat zoo, zoete verdoold in herinneringen, tot ze meteen rilde en hare
schouders angstig opstak. 't Was dat ze 't atelier herzag, het duistere
kamertje, en dan, na 't zondige portret van Mariëtte, de smertelijke
moeder en het droomende kind. Ze herleed de plotselijke breuke van hare
liefde. Ze hervoelde den afgrond waar ze heel dien tijd van passie in
verzonken was. Den afgrond!...
De liefde!...
Aldus was hare liefde geweest. Hare oogen werden nat. Eene subiete
wanhoop greep haar over gansch haar trillend lijf. Ze wilde loopen,
loopen, zoeken tallenkante, het huizeken zoeken, en de zachte kamer en
het blauwe bedde. Hare lippen bewogen en ze lengde hare kinne opwaarts
om te roepen,
--Johannes! Johan!... Ho! Johan!...
Ze schrok, en haar gezicht werd koud, en een traan, omlage wiegelend,
brandde er een gloeiende strepe. Ze bracht hare hand aan haren mond,
en bleef zoo, zonder geluid, zonder gebaar....
De dame tuurde lijk te voren door 't lawaaierig vensterken, en buiten
schoven nu de zware huizen en sombere schouwen der stad voorbij.
* * * * *
't Was over. Langs de woelige straten ging Goedele en ze haastte zich
niet, soms kinderlijk aandachtig bij de uitstalling van een modewinkel
verwijlend. Ze vroeg zich niet af, hoe ginder bij Romaan en Madeleen nu
't leven was. Ze tort onverschillig door en 't was zonder weten dat ze
bij plaatsen haperen bleef. Even zoo trage en gewillig als ze in Heysse
rondzwerfde, tort ze hier door. Ze dacht niet aan 't geld, dat moeder
haar had meegegeven, en ook het uitzonderlijk gedoe van moeder had haar
geen oogenblik opgehouden. Alle feitjes, die gezamenlijk den morgen en
den noene uitmaakten, 't waren feitjes buiten haar en ze leefde langzaam
daartusschen. Ze kocht een pakje snuisteringen voor tante Olympe.
--Die goeie tante Olympe!
Ze glimlachte; maar seffens waren hare gedachten anderzijds en ze stond
vol zorgen naar een keuze van kanten en borduursels te staren. Ze zei
bij haar eigen:
--'t Wordt allengs tijd dat ik wat voor mijn huwelijk schik....
Ze kon zonder aandoening heel lang onderwege peinzen, al gaande, over
haar huwelijk. 't En was haar geen zeerdoend beeld. 't Zou een gewoon
voorval worden, lijk alle voorval geworden was om haar.
Ze geraakte in de zwijgende steeg, waar Romaan woonde. Als de reuk van
den ellegoedwinkel nijpend in haar neus opschoot, voelde ze wel een
subiete leegte in haar herte, en ze moest een wijlken rusten op de trap.
Binnen huis was nievers geruchte.
Ze klopte aan de deur en draaide zelve daarna de klinke open. Madeleen
zat in de keuken en Romaan stond bij 't venster een dagblad te
overkijken. Ze blikten alle twee te gelijk op en hun gezichte ontvouwde
zich tot een vriendelijken groet:
--Kijk! wie daar toch endelijk is!
--Dat is wel zusje....
Ze kwamen af naar Goedele en kusten haar warm, en ze bloosde al lachend.
Ze voelde de taking van de zachte deugdelijkheid, die hier huisde, waar
niets koud of vreemd haar toescheen. Ze liet zich gedwee van haar hoed
ontdoen en seffens zaten ze gedrijen rond de tafel, gemoedelijk elk zijn
nieuws vertellend.
Romaan was, lijk vroeger, opgeruimd en leutig. Niets van het droeve
verleden was op zijn blij gezichte nog te bespeuren, dan enkel een
kleine groeve midden zijn voorhoofd. Hij was weer kloek geworden en zijn
blikken weer zoo diep-verstandig, zoo vlug-schitterend. Hij bukte zich
over het tafelberd al sprekend, en tikkelde met zijne vingeren op
Goedele's hand. Hij merkte wel de moede treurnisse, die zij mee had
gebracht. Hij merkte hoe ze vermagerd was en hoe hare wangen, mat van
verve, de donkerte van hare oogen nog versomberden. Hij had medelijden.
Een blauwe ader sloeg uit op hare slapen. Hij wilde 't allemaal
wegbabbelen met plezierig getater.
--Er is nieuws, hoor!
Hij vertelde dat tante Olympe ganschelijk genezen was, sinds zijn
huwelijk, en dat ook hier het geluk teruggekomen was. Tante Olympe had
geen zorgen meer. 's Uchtends was ze de eerste uit het bedde, maar na
den noene moest zij er binst éen uurken weer in.
--Ze ligt nu haar uiltje te vangen.
Tante Olympe had maar éen verlangen meer: uit dees huis gaan en in
zonniger wijken wonen en een schoon keuken hebben met een verlakte
stove.
--Djeezes, ja, die verlakte stoven! schaterde Madeleen.
Tante Olympe sprak alle dagen daarvan. Ook had Romaan besloten dat hij
verhuizen zou. De woonste was hier anders zoo onuitstaanbaar niet.
Mariëtte zong niet meer, maar nu was Madeleen den ganschen dag door aan
het zingen. Goedele vroeg:
--Mariëtte?
--Ze is vertrokken daags na Paschen, niemand weet waarheen. Haar vader
is hier gebleven en alle veertien dagen krijgt hij geld. De bazin van
den ellegoedwinkel maakt zijn teele eten en snijdt zijne boterhammen.
Hij sukkelt zoo. Hij en sakkert noch en grommelt niet meer. 't Is
daarboven heel rustig, heel droeve geworden, maar Madeleen maakt
tegenwoordig leutig lawaai....
Madeleen was verlegen en boog haar hoofd, en, onder zotte
haarkrullekens, werden kriekerood hare ooren. Romaan begon luidop te
lachen. Hij stoop zich naar heur toe en fluisterde plagend:
--Mag ik 't zeggen?...
Ze schudde pruilend haren kop en pinkte een twijndraadje weg, dat over
hare mouw hing. Hij kittelde haar in haar nekke en lispelde zonder
genade:
--Hee?... mag ik? Zal ik 't maar uitbellen?... Hij blikte schalks op
naar Goedele en pinkoogde snel. Dan rechtte hij zich en leunde
gemakkelijk met zijne ellebogen op de tafel. Hij likte lui zijne lippen
af, om Madeleen's lastigheid uit te lengen, en smakte trage.
--Luister, Goedele....
Hij sprak dan lage, alsof 't een groot geheim gold, en een stralend
geluk verlichtte zijn gansch gelaat:
--Madeleen zal.... weer moeder worden....
Hij schaterde 't seffens daarop uit, 't kamerken vervullend met vroolijk
rumoer.
--Zoo word ik vader meteenent! Wat bloost ge, vrouwken? We hermaken ons
geluk, en daar we volgens alle regels getrouwd zijn, zal ons geen kwade
hand overvallen. Vraag 't maar aan tante Olympe!
Tante Olympe kwam juist binnen en stond in 't deurgat te knikken. De
lange oorbellen bijsden tegen haar krage en de tjopkens van haar kaken
droegen den sterken blos van vroeger.
Ze zette zich in de ronde neer en 't werd nu een gezellig samenzijn.
Madeleen schonk de koffie en spreidde 't hagelwitte ammelaken. De
kommekens rinkelden en dampten geurig, en elkendeen wist met leutig
gekout de gaande uren genoeglijk te sieren. Hoe ras vloog omme de blijde
tijd! Niemand zag de ruiten verbleeken en noescher zich uitrekken de
schaduw tallenkant! Tante Olympe vooral had danig werk met vertellen,
en ze gooide zoo aardig alle voorvallen harrewarrig dooreen, nievers een
leemte latend, waar de stilte kon binnenkruipen en rusten.
--En mijnheer Johannes, waar zou die nu zitten?
Goedele beet gauw op hare lippen om hare ongedurigheid te bemeesteren,
en ze liet zwijgend Romaan uitleggen hoe Ameye sinds de mededeeling van
zijn huwelijk met Madeleen het huis verlaten had, en hoe hij kort daarop
vertrokken was naar Duitschland. Goedele viel hem gejaagd in de rede:
--Voor ... hoelang?
--Hij is weg. Hij heeft mij geschreven dat het kunstenaarsleven in
België onmogelijk was en dat hij zijn vaderland verliet om meer
dankbaarheid in den vreemde te vinden. Hij doet wel. Ons landje is in
waarheid voor artisten een streke zonder uitkomste. We zijn te arm of we
zijn te dom. In Duitschland zal Ameye zijn weg banen, en dan hooren wij
nog wel spreken van hem. Hij was goed voor ons. Hij was een warme
vriend.
--Hij blijft ... ginder?
--Ja.
Madeleen bracht een schotel met snuisteringen op tafel, en Goedele
herinnerde zich meteen dat ze wat suikergoed voor tante Olympe in haar
taschje gestoken had. Hare handen beefden rijzekens, binstdat ze het
blauw-gestrikt pak overreikte en ze lachte zonder de heete natheid weg
te krijgen uit hare oogen. Wat scheelde haar Ameye's heengaan? 't Was
zoo best. Ze overtuigde haarzelve en dwong haar eigen 't geluid van
onverschillige woorden op. Ze dacht:
--Het is zóo best.
Maar, al had ze Johannes sinds lange vaarwel toegezegd in alle haar
gepeinzen en al was ze hem niet dankbaar, hem, die haar gegeven had wat
ze niet kon behouden, toch was haar zijn verre aftocht een onverweerbare
emotie. Het was haar als de plechtige onherroepelijke staving van haar
gebroken liefde. Ze had wel geen liefde meer, en het kon haar dan ook
niet deren dat hij, de liefde en de schuld, zich voor altijd verwijderd
had.... Spijts alles, deed haar deze verwijdering zeer. Het was lijk een
graf, dat men ommedelft en vernielt.
Romaan wist nog meer. Hij was vertrokken heel alleene, en zijne vrouw
was bij hare ouders in Engeland, met haar zoontje teruggekeerd. Goedele
had een droeven uitroep:
--Ha! het was een zoontje....
En Romaan keek subiet verwonderd op, plots zwijgend en nadien gretig
zijn koffie opslurpend.
--Weet ge wanneer hij vertrokken is? vroeg Goedele.
Hij zette onvoorzichtig zijn kommeken neer en zei kort, in schijn geen
acht gevend op zijn woorden:
--Daags na Paschen.
--Daags na Paschen?
Zij schrok en zag in haar geest het zotte gezicht van Mariëtte. Waar was
Mariëtte naar toe?
Romaan merkte dat ze schrok en dat hare vingeren over het tafeldoek
koortsig aan 't peuteren gingen. Hij keek dan strak en hard in hare
oogen, speurde er de vergeefs bedwongen aandoening, en zijne hand
grabbelde met een reik naar heure hand.
--Goedele!
Ze blikten altegelijk op naar hem. Zijne wenkbrauwen schoven angstig
omhooge, alsof hem iets heel wreeds trof, iets dat niet te gelooven was
en zich zonder waarschuwing had vastgeankerd in zijne hersenen. Maar
Goedele stond rechte meteen en schokte weg in een luidelijk geschater.
Ze ging leunen tegen 't raam om beter haar koortsigen lach te verdragen
en ze bukte zich bijwijlen, neergeduwd door onverklaard pleizier. Ze
giechelde:
--Neen! dat is een lol, broer!--Nu wordt ge--grappig! Zeg eens--zeg eens
wat ge denkt.... Nu zult ge leute hebben, menschen.... Ferm!
Tante Olympe had reeds pleizier op voorhand en lachte mee. Romaan zat
beteuterd rond te zien en Madeleen krulde, halvelings glimmend, haar
lippen omme. Goedele merkte dat ieder begrepen had, en grijnsde:
--Gek, hee! Maar hoe komt hij eraan!...
--Ja, hoe komt hij daaraan!
En niemand zei in woorden wat hij dacht, omdat de zake zoo gevoelig zich
voordeed, en ... ja, omdat 't allemaal toch zottigheid was. 't Geval
hing echter tegenwoordig in 't geluchte aan het groeien en, al sprak men
verder over kleine dingetjes, 't bleef daar hangen en alle gepeinzen
kwamen 't gedurig taken binst zijn groei.
Als later Goedele veerdig stond om huiswaarts te keeren, klonken de
groeten hard en menig, zonder de lieve innigheid, waarmee ze bij haar
komste omwonden waren. Ze ging de trap af en zag de drij gezichten in de
donkerte van 't deurgat knikken op haar. Ze bepeinsde zich een wijlken,
wenkte dat tante Olympe meegaan zou naar beneden en stopte haar moeders
geldbeurze in de hand, fluisterend:
--Dat is voor de verlakte stove!
Ze liep de strate langs, die in den voor-avond heel rustig en geluidloos
was, en ze geraakte gauw binnen de ruchtige stad. Ze zou zich haasten om
nog den vroegsten trein te treffen en dan vóor Sebastiaan thuis te zijn.
In haar hoofd kruisten, ondereen in woelige wanorde, hare nieuwe
gedachten. Ze beredeneerde haar minste gewaarwording en wist endelijk,
buiten alle angstigheid of driften, een uitlegging te vinden voor elk
gevoel. Johannes was vertrokken, en zijn vrouw, zijn kind waren
vertrokken. Ze zou ze nievers onverwachts ontmoeten en ze kon nu stille,
zonder stoornisse, de zoete vergetelheid laten zinken over alles. Wat
baatte het verder te treuren? Alles was goed. Kwam niet, na zooveel
ongeluk, de heilzame vrede in Romaan's huisgezin weer? Wiezeken was
dood. Wat baatte het verder te treuren? Daar zou een nieuw kind komen.
Johannes was weg. Daar zou een versche genegenheid haar herte van alle
wanhoop verwijderd houden. Zij moest meehelpen, meebouwen hare toekomst
en niet machteloos wegzakken in 't onveranderlijk verleden. Sebastiaan
was braaf en edelmoedig. Hij zou haar omringen met zijne gewillige
dienstveerdigheid. En de heerd zou warm worden. Ze glimlachte en
peinsde:
--Wat ben ik dwaas!
Ze besloot hare zwakheid te overwinnen en hare oogen voorgoed van hare
herinneringen af te wenden. Ze zou zich met koppigheid losrukken en
niets meer betreuren, wat toch niet te verbeteren viel.
--'t Wordt eene onuitstaanbare dwingelandij! Ja, zekerlijk. Ze zou dien
last afwerpen van hare schouders en aandachtig alles schikken voor 't
nieuwe leven, dat aanving. Ze moest alle dingen bekijken langs den
voordeeligen kant en niet gedurig de afwezigheid beweenen van wat ze
eens, toevallig en buiten recht, bezeten had. Ze moest Sebastiaan leeren
kennen. Ze kende hem niet: hij was haar onverdraagbaar geweest, omdat
hij Johannes niet was. Nu echter zou ze hem van dichtebij beschouwen en
zijne schoone deugden bewonderen. En hij had haar lief. Hij zou haar
vele doen vergeven, dat hij niet laten kon. Te gare zouden ze endelijk
brave geneuchten beleven en hun huizeken voelen teenemaal lauw worden
van eender geluk. Saam zouden ze Romaan bezoeken, en Romaan zou met
Madeleen ook bezoek brengen. En later zou ze aan haar broer teruggeven,
wat moeder hem ontnomen had....
--Moeder geeft 't hem misschien vanzelf.... Ja, zekerlijk. En vader zou
insgelijks inniger een figuur worden in haar leven. Ze beloofde, met een
zacht medelijden, dat ze hem het wonder elektrisch tuig zou aankoopen,
waar hij met zoo sterk een begeerte van gesproken had. Den ouden Rik
moest ze tevens genegen zijn. Ze zou hem zijn zotte grillen laten
bewaren en al eens heimelijk een blinkenden knop in zijn bereik gooien.
Ze zou hem niet naloeren, als hij 's nachts zijn povere rijkdommen ging
bewonderen en bepootelen. Hij zou gerust sterven, zonder gestoord te
worden.
--We doen wij allemaal dwaas, en we moeten genadig zijn....
Ja, zekerlijk. En ze zou ook moeder onvoorwaardelijk involgen.
Ze voelde dat tegenover moeder haar grootste ongelijk was. Ze had moeder
verraden en ze moest in de toekomst alles boetveerdig weer goed maken.
Ze zou moeder gehoorzaam zijn en maar doen wat ze soms zoo wild
verlangde. 't Zou altemets lastig zijn, dat stekelig cijferen en hoekig
handelen met geld. Maar moeder zou 't op een ende zelf opgeven. 't En
was niet meer dan een tijdelijke grilligheid, en later zou ze ook de
vlakke vrede benaderen, met Sebastiaan en Romaan, altegare onder de
zoetige lampe.
Goedele liep even nog een pasteibakkerij binnen en bestelde met de
gauwte een potje chocolade en een rhumkoekje. Het was in leutige
opgeruimdheid dat ze hier was ingedreveld, en ze zette zich neer, met
kinderlijke gretigheid wachtend. Ze at gulzig en de reuk van den drank
speelde aangenaam in haren kop. Ze had zich, peinsde ze, zonder
weerkomste uit het leelijk verleden geworsteld. Ze jubelde binnenzijds.
--Wat ben ik blij!
Al kriebelde nog ievers een bijzondere angstigheid ... Want een gevaar
kon opdoemen binst de dagen, die over haar versche leven varen moesten.
Ze had een vagen schrik, zonder dees onzeker gevoel te kunnen uitleggen.
En toch, algelijk, ze had vertrouwen en ze slurpte met plezierige
slokjes de welriekende chocolade op. De oude dame, die ze op den trein
gezien had, tort den winkel binnen. Goedele had een dwazen afkeer en
werd onpasselijk precies. De rhum wipte opwaarts in haren neus, en het
docht haar dat hier subiet 't geluchte bevangen werd.
Ze stond recht en wilde heengaan. Maar eene loome zwakte verlamde hare
beenen en ze wankte, tewege voorover neer te storten. Ze geraakte buiten
en de volle lucht verkwikte haar niet. 't Was alsof de lauwe geur der
pasteien standvastig ommewolkte en misselijke walmen opjoeg uit hare
maag. De menschen, die voorbijgingen, grauwden te saam weg tot
schuivende nevelen en bijwijlen flitste, daar te midden door, de groene
verven van een tramwagen. De lanteerens werden aangestoken en ook uit de
ruiten der winkels viel een geel-rood licht, dat met de blauwe klaarte
der hemelen te strijden begon. Alles klaterde ineen en streepte te lore
met den gang van het woelende volk. Ze wist niet wat haar overviel. Ze
was lijk verslagen en een onzeglijke foltering snoerde haar kele vaste.
Ze stamelde:
--O God! Hó-ó-ó!...
Ze kwam onder de boomen van een square en moest zich haasten om een bank
te bereiken. Ze zakte thoope en hare knieën bibberden, rijzekens
kluppelend tegen mekaar. Ze voelde dat ze uitermatig bleek was: haar
gezichte was hevig gespannen en iets smertelijks duwde de hoeken van
haren mond neerwaarts. Hare gedachten strengelden dooreen en haar hoofd
ronkte lijk een leege kasse....
Nu voelde ze meteen de bepaalde pijn.... Ze bukte zich om haar leed weg
te wringen en joepte dan gejaagd op. Hare oogen blikten verwilderd rond
en hinkend drilde ze vooruit, dronken van overgroot verdriet. Ze beukte
tegen de menschen en, zonder ommezien, zwengelde verder door. Op de
brugge, vóor 't zacht-klotsende water, bleef ze staan. Ze lei hare
handen nevenseen op de ijzeren leuning en tuurde zinneloos naar den
glinster-grauwen vloed. Wat was dat daar diepe en zoete! Ze voelde zich
meegetrokken, gelokt door de streelende vrede, die hier beneden lag.
Ze krampte zich aan de leuning vaste. Ze knikte, alsof ze den roep van
verre wenken beantwoordde, en ze hoorde boven 't rumoer van de stad,
de aaiing van een liefelijk geluid:
--Voort!... voort!... voort!...
En ze knikte. Wat was dat daar diepe! En boven, langs de straten, wat
een ongeduur en wat een martelie! Haar asem hikte in haar boezem en hare
vingeren begonnen te voelen 't geweld, dat haar lijf boven de balie zou
heffen. Ze prevelde onduidelijke woorden, nadien drijmaal ja zeggend,
mee met het besluit, dat hare hersens bemeesterde.... En voller klonk al
ginds, en dichte, en allentwege, het liefelijk geluid:
--Voort! voort!
Maar ze liet plots de leuning los en vluchtte tusschen de veilige muren
der huizen, nu snikkend en stotterend:
--'k En mag niet! 'k En mag niet!
Hare tranen rolden onophoudend over haar gelaat, en haar borste schokte
zeerdoende omhooge. Ze zag niets meer. Ze hoorde niets meer. Ze wilde
zich alle oogenblikken laten neervallen. 't Kwam haar dan voor dat de
menschen haar mochten taken, en ze was beschaamd dat men haar taken zou.
Ze stond meteen vóor 't station.
Een tijdeken bleef ze nog aarzelen en ze wist geen wil om haar doening
te leiden. Endelijk stapte ze binnen, terwijl ze hare oogen met haar
zakdoek droog wreef. Ze zou niet laf zijn. Ze zou heel simpel lijk
zeggen:
--Bastiaan, ga weg. Ik ben verdomd.... Ik heb een kind.
En ze meende daarbij:
--Hij zal me vermoorden....
Die gedachte deed haar deugd.
* * * * *