XIV.

Ursule was leelijk aangetast. Dagen na dagen bleef ze liggen in haar

bedde, zich opwerpend somtemets, naderhand afgemat en roerloos. Ze sprak

niet. Ze kon niet spreken, hoe ze ook geweld deed om een gedacht luide

te doen opklinken. Ze bracht onzinnig geratel uit, en ze lag dan weer

zwijgend te turen heel strak naar de zoldering. De dokter die haar

dagelijks bezoeken kwam zei dat ze groote rust noodig had en dat men

haar omtrent alles moest involgen. Hij merkte niet hoe woedend ze

telkens was, als hij verscheen, en hoe ze met hare oogen teeken deed dat

men hem wegjagen moest.

Met rust en groote zorgen zou ze stilaan genezen. Veel tijd was daartoe

noodzakelijk en veel voorzichtigheid.

Goedele zat gestadig aan de sponde en deed met effen verduldigheid al

wat haar de minste grillen van Ursule opdrongen. Uitermatelijk

dienstveerdig en welwillend, liep ze links en rechts, naar den wenk van

moeder's ziekelijke onstandvastigheid, de kamer rond. Geen weerzin

voelde ze en geen moeheid. Ze hield zich alzoo in drukke bezigheid en

het was voor haar in feite eene afleiding.

Want geen klaarte was nog in hare zinnen gekomen. Het schrikkelijke

voorval had haar verdraaid en in haar duizelig hoofd daverde gedurig een

onoplosbare harrewarrije. Ze beleed zonder uitkomste een knagend, dof

wee, en haar lijf was nu iets geworden dat ze pijnlijk tallenkant

meesleurde, achter de troebele zucht van haar strijdende gepeinzen. Ze

dacht niet aan Johannes: met éen schok was hij weggerukt geweest en heel

verre schemerde ievers zijn onzekere schaduw. Ze had geen behoefte te

denken aan hem, die zoo wijd bestond, teenemaal buiten 't bereik van

haar denken. Maar onophoudelijk dacht ze aan een bange gebeurtenis, aan

een groot geweld, dat volbracht was, iets zonder vaste vormen, zonder

kleur en preciese maten--een massa, opdonkerend zoo subiet, juist achter

haar. Verder was geen verleden: 't verleden en reikte niet verder,

geborgen door de donkerte van dezen opzuilenden paal. 't Was een nacht,

die alle dagen dook.

Een weke verliep, en nog altijd wist ze geen uitslag aan haar lijdelijk

gemijmer. Nog was ze werkzaam, in de duffe ziekekamer, en ging lijk

dronken gebogen onder de vracht van het volendigd ongeluk. Even verre en

ondoordringbaar bleef 't verleden, naar achteren en buiten zicht geduwd

door gindsche vervaarlijke somberheid.

Goedele luisterde naar moeders asem, als ze sliep, of beloerde haar

minste gebaar, als ze lastig te spartelen lag onder de sargie. Ze lonkte

alles na, bezorgd en ordelijk. Ze handelde niet ganschelijk bewust, maar

bevreesd voor nieuwe rampen, die ze niet bepalen kon en waar ze nievers

een opkomende oorzaak voor ontwaarde. Ze handelde heel bang--tevreden

dat ze handelen mocht en dus den zeerdoenden tijd opstoppen, die

tallenkant met benauwde leegten te gapen hing. Ze bedwelmde zich met

werken, met hergaan; ze maakte zich zwaar-dom in gestadige beweging om

niet, al rustend, achterwaarts te kijken naar de hooge schim van 't

verrichte noodlot.

Na de derde week kreeg Ursule heur sprake terug, maar ze was nog niet

losgeraakt uit eene luie verwikkeling van hare gedachten. Ze was lijk

eene die, verdwaasd na een harden slag, zich om alles verwondert en

niets met zekerheid benaderen durft. Bij Ursule echter ging dat

lanterfantig gedoe van hare hersens gepaard met de sprongen van hare

prikkelbare lastigheid. Ze lag altemets stille te kouten met Goedele.

--Zie eens hoe de zonne ringskens teekent over de ruiten.

--Ja, ringskens.

--En hoe ze sterrekens puntelt in het stof, de ruimte langs....

--Ja.

Ze deed dan meteen een kwaad gebaar en riep:

--Wat een boel! De lucht is dikke van vuilnis.... Maar wie kuischt hier,

wie moet hier het huis opruimen en zuiver houden? Of wilt ge mij

allemaal den dieperik inhelpen met uwe wanorde.... Leêgaards! Leêgaards!

Ze was niet te stillen, en ze schreeuwde tot heel blauw haar hals werd

en ze nadien, al hijgend, roerloos wegzakte in de kussens.

Goedele baadde dan haar voorhoofd met ijswater en paaide haar heel

zoetig, belovend dat ze voor alles zorgen zou.

Andermaal waren ze getweeën precies aan het spelen met Seppie. Goedele

rolde een balletje papier en gooide 't over den vloer. Het hondje sprong

gretig er naar toe, trachtte het beweeglijk speelgoed vaste te vangen

tusschen zijne grabbelende voorpooten en wilde 't gek-vlugge vaneen

rukken tusschen zijne tanden. Zijn muilken snuffelde haastig hier en

daar, hapte vergeefs te dichte of te verre. De bal joepte kantewaarts,

rees langs zijne onervaren nagels weg en liep een endeken wijder. Seppie

bleef een wijle plattebuiks loeren en wachten tot dat levendig ding

stille zou blijven. Hij mat zijn wip, pootelde slibberend naar voren en

stiet dwaas tegen 't papier aan. Even ruischte het en rolde het te lore

onder de kasse. Nu lag hij te krabben om het her in 't bereik van zijn

neus te halen. Hij kantelde op zijn linkerflank omme en stiet hopeloos

met zijn achterpooten, binstdat zijn kodde koortsig overentwere te

vlaggelen begon.... Hij gaf de poging op, rechtte zijn vermoeid lijf en

stond zijlings heel dom naar Ursule te kijken. Ursule troetelde:

--He-wel, mijn floddereerken, gij zotte bobijne! Ze lachte met

luidelijke leutigheid, en Goedele moest Seppie oppakken en hem op 't

bedde zetten, waar hij seffens aan 't luierikken lag onderdefleerende

vingeren van zijn meesteresse.

Maar subiet kwam een nieuwe koortse Ursule aantasten en ze pruttelde:

--Nah ... nah ... de schoone sargie, de schoone lakens.... Kunt ge zijn

pooten niet proper maken, eer ge hem hier alles schenden laat. Och God,

och God! wanneer zal ik genezen zijn en dees huis bestieren, dat naar

zijn ondergang wil!

Goedele verdroeg hare buien, en zoo gingen de dagen om. Ze deed niets

liever dan moeders verlangen benaderen, en zij en had geen pijne, als

haar een ongegrond verwijt toegesnauwd werd.

Met dezelfde gewilligheid ontving ze de bezoeken van Sebastiaan. Ze deed

hem nu dikwijls komen en de jongen was aangedaan om den wille van hare

brave liefelijkheid. Ze was niet meer ruw met hem. Ze zocht zijne

nabijheid zonder den wrevel te vreezen, die opging langs 't vrome gebaar

van zijne handen. Ze zaten weer saam aan moeders voetende, en hij kon er

spreken van zijn vele werkzaamheid, van zijne toekomst. Als Goedele hem

bezig hoorde, zijn woorden volgend, die heerlijke plannen omschreven,

had ze aldoor eene zwijgende aandacht. Maar, al knikte ze en liet ze

geen minste gezegde onbeluisterd, ze taakte niet al wat hij vertelde

voor haar. Hij zat, lijk altijd, te zoeken naar schoone zinnen, trage en

zorgvuldig.

--Mij, Goedele, overvalt gedurig het prachtige zicht der toekomst, waar

gij almachtige godinne zijt. Ik schik dan alles en verander hier en daar

een beeld, en 'k zoeke vlijtig of 't nievers u bezeeren kan. Zoo scheppe

'k in mijne gepeinzen de zoetste zoetigheid om u, en--hoe zou daar

entwat haperen, als gij er lachend en stralend te midden staat...?

Hij liet eene korte stilte gewichte geven aan de golving van zijn stemme

en voegde er bij:

--Ik ben gelukkig dat ge mij aanhooren wilt. Hij verwijlde alzoo met

weeke profijtelijkheid in 't gespeel van welluidende zinnetjes. Het was

klaar te merken dat de vorige onverschilligheid van Goedele alras

vergeten was en dat hij, lijk eertijds, zijn precieuse doening herpakte.

Hij schreef de plotselijke veranderingen toe aan Goedele's grillige

jeugd.

En Goedele, tuk op vermoeiend bedrijf, deed ook al het mogelijke om hare

houding weg te vegen uit elkendeens herinnering. Heimelijk meende ze

daardoor haar eigen geweten effen te krijgen. Ze beantwoordde Sebastiaan

met ongeveinsde gretigheid. Ze wachtte zelfs ongeduldig naar het dalen

van zijn langzame gezegden, om subiet haar gulzige woorden te plaatsen.

Ze boog zich naar hem en praatte zoo, dronken van eigen stemgeruisch. Ze

interesseerde zich aan zijne studiën over Hieronymus Bos.

--Wat vind ik zoo'n man wonderlijk--zoo bezig gestadig met buitensporige

fantazeering, een hoofd vol wangedrochten, hanen met ezelsooren, kiekens

met snoeksmuilen en honderompen met klein-kinderbillen.... Als dat nu

altegare holderdebolder uit een nacht te voorschijn komt lijk uit een

grauwe spelonke....

Ursule opende rijzekens hare oogen en mompelde dat ze wat anders

vertellen moest. Ze glimlachte:

--Ik zie permintelijk al die dwaasheden!

En Sebastiaan omdeed dan met kunstige epitheten het leelijke zicht,

zoodat nog alleen de ontzaglijke kunst van Bos overblijven moest.

En omme gingen de dagen.

Ursule, alhoewel ze haar bedde nog niet verlaten mocht, was toch op

goede beterschap, en hare gedachten klaarden op. Ze herzag met

stiptelijke nauwkeurigheid al wat gebeurd was, en ze lag dan in versche

hope te beramen een nieuwe instelling. Ze stapte over 't gebeurde heen

om met sterke moedwilligheid de toekomst in te richten. Het ideaal, dat

ze zich al zoo langen tijd gesmeed had, kon ze niet ten geheele

loslaten: ze zou nu met Goedele alleene de schrikkelijke zaken herdoen.

En ze verzinde grootsche werkingen.

Op een dag, in den valavond--ze lag nu meerendeels alleen--liet ze

Goedele bij haar roepen.

--Zet u, mijn kind.

Ze was uitermatig zachte en glimlachte. Dadelijk voelde Goedele dat de

vroegere oolijkheid weergekomen was, maar niet als eertijds steeg in

haar boezem de verontweerdiging of de gramschap. Ze verdroeg lijdzaam

alle uitdrukkingen van moeders karakter. Ze verlangde zelfs dat ze

eronder lijden mocht. Ze wilde geerne gekastijd worden, en ze zou geen

minste beweging doen om den stoot van moeders slechte inzichten af te

weren. Ze wilde zeggen, seffens:

--Moeder, g'en moet geen omwegen maken. Ge moogt subiet eischen de volle

bevrediging van gansch uwen wil. Ik zal u gehoorzamen.

Ze vreesde echter dat moeder 't zou euvel opnemen, en ze moest moeder

alle leed of luttel verdriet besparen. Ursule sprak, fleemend:

--Morgen uchtend moet ge een brief sturen naar notaris Van Kalken. Ik

zal hem onderteekenen. Ge zegt daarin dat ik te Heysse die plezante

villa koop, waarvan hij me gesproken heeft. Ge zegt dat hij onverwijld

de noodige maatregelen nemen moet, en dat we om de maand nog alginder

willen wonen.

--Ja, moeder.

--Ik doe 't voor u, mijn kind, die bleek wordt en zekerlijk de groote

lucht noodig hebt. Ge hebt me zoo liefderijk verpleegd en ik ben nu ook

gelukkig, omdat ik u met zoo'n villa gelukkig maken kan.... Wat zal dat

ook heerlijk zijn, he? Zijn we al eens in Heysse geweest? Ik herinner me

niet....

--Ik herinner me niet, moeder.

--Ja, dat zal heerlijk zijn!

Ze zweeg een stonde en de avond daalde daarbinst. De beweeglijke

deemstering speelde om de venstergordijnen, grauwe schaduwen leggend

langs de plooien, en ze kwam neerwaarts doezelen bezij de muren om haar

dikten op te stapelen in de hoeken, binnen de schouwe of onder de kasse.

Van daar reikte ze vreesachtig hare schuwe armen over den vloer, verder

en verder vingerend tot allerzijds een halve duisternisse waarde,

waaruit alleen opflikkerden nog de witte beddelakens en de klatering van

de vensterruiten.

Ursule wist den gemoedelijken invloed van den avond. Ze nam stille

Goedele's vingeren, fluisterend:

--Kom dichterbij, mijn kind....

Ze streelde hare armen en liet heel trage hare woorden beelden worden in

de wattige donkerte.

--Mijn kind, uw grootvader was een arme visscher. Jaren en jaren zwoegde

hij en wist, door zijn schrandere kunde en zijn hardnekkigen moed, zijn

sterke werk tot bloeiende uitslagen te brengen. Maar als zijn geest aan

't verzwakken ging, heb ik 't beleid van zijn zaken op mij genomen en de

doening doorgezet. Wij zijn geslaagd. 't En was niet, mijn kind, te

danken aan een gelukkige saamkomste van meevallende omstandigheden. Wij

hebben ons goed met aanhoudend geweld gerukt uit den klauw van het

noodlot. Wij hebben gezwoegd. Gelooft ge, Goedele, dat al wat hier u

omringt en zachte uw niets-doen steunen komt, door ons al schattend en

nagelend, stukje bij stukje werd binnengebracht? Het moet u moeielijk te

denken zijn, hoe pijnlijk uw welzijn is tot stand gekomen. Gij hebt geen

sreke daarvoor gedaan, en gij kunt dus niet weten hoe wij die weelde

bereikt hebben,--die weelde voor u. Maar wat is deze weelde? Wat is een

leven, dat niet werkzaam is--en dat geld, al dat geld? Zoo insgelijks

moet geld werkzaam zijn, mijn kind....

Goedele luisterde met aandacht, en, binst de donzige schemering, klonk

moeders stem met endelooze goedheid om. Ze liet de klanken zacht

aankloppen tegen hare hersens en de beelden werden zichtbaar overhand.

Geen aandoening wekte in haar de trage gezegden, maar ze hielden haar

geest bezig, zoodat geen ander gepeins er folteren kwam. Ze leunde tegen

't bedde, en ze voelde gestadig 't gekriebel van moeders vingeren over

hare hand. Ursule zei:

--Als grootvaders geest aan 't verzwakken ging, heb ik 't beleid van

zijn zaken op mij genomen, ja. Naderhand ben ikzelve verzwakt en niemand

was daar om de vruchtbare doening door te zetten. Nu zijn we langen tijd

gebleven zonder nuttig bedrijf, en dàt is zonde. Wat wij door werken

gewonnen hebben, moet verder door werken oogsten dragen. Ja, oogsten

dragen. Meent ge niet, mijn kind, dat we hier lam en schuldig de dagen

langshenen slenteren? Meent ge niet dat we schadelijk zijn?

Ze zweeg een wijlken.

--We zijn schadelijk, omdat we de leêgheid van onze handen

bevoordeeligen. En, ziet ge, ik had gedacht eertijds: later wordt mijn

jongen groot en struisch, later schiet mijne dochter krachtig op, en dan

werp ik den last van mijnen rugge en dan zie 'k mijn kinderen met nieuwe

sterkte het schoone gewicht dragen ... later.... Toen heb ik den tijd

afgewacht, maar de tijd is niet gekomen.... Toen heb ik geweld willen

doen.... Toen is mijn jongen vergaan, verre van mij, te lore, te lore.

Dikker stapelde de duisternis zich tallenkante thoope. Goedele zag

rijzekens in 't witte gelaat van Ursule de donkere schaduw van den mond,

die roerde. De oogen echter, weggeveegd door den dompigen nacht, zag ze

ziet.

--En zal ik nu alle hoop moeten verlaten, mijn kind? Zal ik, na alle

verlies, de laatste toevlucht, die nu rest, verliezen? Ik vrage u dat.

Ik dwing u niet. We moeten discuteeren.

Naarmate ze dichter haar doel naderde, deed ze zoeter fluisteren haar

wiegende stem, en ze trachtte na te gaan op Goedele's wezen, dat vlak

onder de schuinsche klaarte van 't venster nog opbleekte, hoe hare

woorden een doordringenden invloed kregen. Goedele's wezen bleef stille

en aandachtig. 't En was geen moedeloosheid, die er over lag; 't was een

geduldige ondergeschiktheid, alsof ze nu op voorhand alles aannemen en

verdragen zou. En, in waarheid, ze verdroeg op voorhand alles zonder

onderzoek, gewillig en gedwee. Ze meenden erdoor stilaan haar zondig

gedrag te vereffenen. Ursule vroeg: Zoudt ge mij gehoorzamen ... in

alles?

--Ja.... Ja....

--In alles wat mijn wil mag zijn? Want, ziet ge, mijn laatste hoop is in

u. Mag ik op u berusten?

--Ja, moeder.

Ze zei 't trage en vastberaden. Een plotselijke emotie schoot op in

Ursule, en op hare lippen kwam roeren de kleine krulling van een

heimelijken lach. Ze bleef een wijle in de voordeelige donkerte alreeds

genieten van de zegepraal, die naderend was. Ze vatte nadien Goedele's

arm en deed haar dochter buigen, tot ze haar asem voelde in heur haar.

Ze lispelde:

--Ik dank u, ik dank u, ik hebbe u lief.

Ze rechtte zich dan, zat bijkans overend op de kussens en hare handen

kwamen roerloos liggen nevenseen, profijtelijk op de sargie. Het was bij

haar een gewone houding, als ze een gewichtige zake aantasten moest.

Hare duimen taakten mekaar. Ze sprak:

--Nu zullen we geld gaan winnen. Weet ge wat dat is? Het geld komt

binnen, uit al die menschenvingeren, die schuiven en plakken viezelijk

eromme. Het heeft een plezanten klank. We maken er hoopkens van. We doen

het werken, 't holt en 't schaveelt ijverig tallenkant, waar ik weet dat

het veilig is ... en 't komt hier aanrinkelen, verdobbeld,

vertiendobbeld. We maken er weer hoopkens van. Ja, ja, mijn kind, het is

een liefelijkgespeel.... Endelijk tellen we de hoopkens te gare.

Ze likte met hare tonge trage over hare lippen, maar hare handen bleven

onbeweeglijk liggen. Op denzelfden toon, bijna zonder overgang in de

daling van hare stem, zei ze:

--Trouw nu ... trouw nu gauw met Sebastiaan ... ons basis is sterker,

als ge getrouwd zijt met hem.... Waarom schrikt ge, Goedele?

Goedele had geschrikt. Al was haar inzicht tegenwoordig toch met Vrebos

te trouwen, ze wist niet dat de daad zoo dichte bij haar was, gereed om

te gebeuren. Ze meende wel dat niets restte van haar vroeger leven en

dat haar geweten bedaren zou in eene opoffering ... in dees huwelijk,

dat elkendeens wensch omsloot. Ze meende 't zoo allemaal wel. Maar dat

de dag alreeds dreigend opduiken zou, haast tastbaar, was een gedachte

waaraan ze zich geerne hadde langzaam gewend. De leelijke wezenlijkheid

moest voorbereid worden en ginder achterwaarts zou dan de schrikkelijke

massa wegschemeren, die er voortdurend aan 't spoken was. Ze stamelde:

--Ik schrik niet.... Ik zou willen denken, een beetje. Ik zou willen

alles bezien, eerst, en de toekomst doen opklaren. Ik zie niet goed

daarin....

Ursules mond viel in gramschap open:

--Hein?

--Ge moogt u niet opjagen, moeder. Ik zal u gehoorzamen. Laat me eens

stille overwegen....

Ursule zakte thoope in den konk van de witte lakens. Ze deed hare oogen

toe en hare vingeren krulden te zamen, stuipachtig geweld doende onder

de sargie.

De nacht was teenemaal aanwezig, en rijzekens haperde nog een schuchtere

blauwigheid langs de ruiten van het venster. Goedele stak dan het

gaslicht aan, en de vlamme sprong laaierig omhooge, waarachtig de stilte

brekend, die lastig in de kamer was gedrongen.

* * * * *

De villa werd aangekocht, opgeschikt en seffens bewoond. 't Was voor

Goedele in den beginne een versch leven, en ze vond hare gansche

bezigheid in den tuin, waar 't alles zoo gezellig was aangelegd. Kleine

wegelkens kruisten er dweers en door, en diverse borduren van rozen en

geraniums en ander gebloemte kleurden sierlijk erlangs. Vooral de wijdte

van den grooten hemel was haar eene deugddoende nieuwigheid. Ze volgde

met emotie de langzame vaart der wolken, daar bollend pluimlichte in de

zonnige diepten....

Maar naderhand was de grootsche doening der natuur een kwalijke

aanstoot, en 't driftige verleden, met al zijne gulzige levendigheid en

zijne onstuimige passies, doemde opwaarts allentwege. De opzuilende

duisternis viel in reten open en, omvoold arets door azurig geschemer,

stegen de verschillige beelden van hare liefde.

Ze zag Johannes.

Hij en wekte geen afkeer bij haar. Hij was geworden een droom, niet te

genaken, en ze kon, zonder wroeging, in gepeinzen herleven het zoete

bedrijf van hunne jeugd. En alles was verre, verre....

Tot somtijden haar boezem te hijgen begon en ze sterkelijk versche

roerselen gewaar werd in haar lijf. De ruimte om haar was haar nog te

nauw. Haar vleesch tingelde en gloeide.... Ze liep dan in huis en

babbelde onzinnig met vader, of ging neerzitten nevens Sebastiaan,

leunen tegen zijn schouder en strak beloeren het vrome gepeuter van

zijne vingeren. Zoo kwam de rustigheid stilaan terug, en terwijl ze weer

opkeek naar 't verleden, was alles verder nog dan te voren, heel verre,

heel verre.

Als 't were schoon was en de volle zomerzonne neerklaterde in gouden

fonkeling overal, wandelde ze alleene met Sebastiaan het wijde veld

omme. Sebastiaan kwam kort na den noene, en zoo wandelden ze samen tot

den avond. Ze overdreef hare vriendelijkheid en hij, overgelukkig,

pronkte in 't genot van zijn man-zijn, zijn meester-zijn. De plotselijke

omdraai van Goedele's handelwijze was bij hem gauw begrijpelijk geworden

en, in naïeven overmoed, schreef hij nu de verandering toe aan zijn

eigen geduld en karaktervastheid. Hij stapte nevens haar en voelde zich

groot en sterk. Geerne tastte hij 't gewicht van haar lijf op zijnen

arm.

Eens--de avond was al dichtebij en westewaarts vuurde de late zonne in

een draaiing van gloeiend licht--waren ze, langs een pijnboschje, buiten

hun weg geraakt. Op de akkers, die verder zich uitbreidden, naar het dal

toe, waar schuilde het kleine dorp, zwoegden de oogstwroeters, lage

gebukt en traag-wordend onder den last van het machtige werk. De winden

waren stille gevallen, en altemets klonk in 't zwijgend geluchte de roep

van een boever of 't krijschend gewet van een zeis. De boomen legden

lange schaduwen over de baan, en de barmen ook hieven zich donkerend op

tegen den purperen hemel.

Voor de eerste maal welde in Sebastiaan de aandoening van zijne liefde

brandend op. Hij werd zenuwachtig en de taking van Goedele's handen deed

heete lochten walmen naar zijn hoofd. Hij antwoordde kort en verlegen op

wat ze hem heel lichtelijk aan 't vertellen was, en zijne slapen werden

soms danig koud. 't Lag gedurig op zijne lippen ... nu eens krachtig

vooruit te komen met een innig woord, nu eens uit te spreken al wat hij

zoo meteen in zich bruischen voelde. Maar hij was schuchter. Waarom

kwamen de zinnen nu niet sierlijk te reke, lijk altijd? Hij had er nooit

aan gedacht dat hij eens de zotte begeerte zou hebben deze vrouw wild op

zijne borste te drukken. 't Verlangen dorde zijn kele, en hij zweeg. Hij

werd gewaar dat hij hakkelen zou, en hij vreesde er heel deerlijk en

belachelijk uit te zien.

De avond was aan 't weven zijn doorzichtig floers, en ginder, matelijk

vooruit-tertend, bukten de maaiers in geweldig bedrijf. Een puiken wipte

in de gracht en niets roerde weer daarna. Goedele verheerlijkte de

mooiheid van alle kleuren, die zacht ineenvloeiden, neventinten

vlechtend daartusschen, menig en wonderbaar. Een wijde vredigheid was,

lijk een effen vijver, spiegelzoete in haar.

Sebastiaan bleef meteen staan en vatte hare hand. Zijn gezicht was

onverkennelijk, zoo diepe had een koortsige emotie er over gewoeld.

--Goedele, wacht....

Ze keek op naar hem en verwonderde zich over zijn zonderling gebaar.

Hij sprak dan, schokkend, jagend de woorden de eene na de andere, in éen

asem zijn liefde zeggend.

Het was een andere precies. Goedele had gemeend dat hij altijd maar

vertijen zou in een welsprekenden, kouden minnehandel, en ze had althans

lichter 't gedacht van een huwelijk met hem aangenomen. Ze merkte nu in

zijne oogen iets dat haar Johannes herdenken deed. Haar bloed schoot in

plotselingen afkeer opwaarts. Hij sprak:

--Daar foltert mij een pijnlijke knaging. Daar is nievers een

peiselijkheid. Daar is nievers een deugdelijke kilte. Daar is overal,

overal--u! Wat moet ik doen met al mijn gelijke dagen? Hertel de vele

maanden, die reeds verloren zijn achter ons. Ik kan niet meer verdragen

't idee van langer wachten en meer verlies. Maar kijk! wat zult ge

beslissen? Ik ben onmachtig. Ge zijt zeer lief met me. We moesten saam

wegvluchten uit gindsch groote huis van de stad. En alhier zijt ge

gevlucht--en gij hebt het gansche huis meegenomen! Herbegint dan hier

een leven, dat ik gindsch reeds beleefd heb? En zal ik u van dichtebij

verlangen en nooit u hebben? En ben ik in waarheid niet dichtebij?

Het was, bij Goedele, afkeer. Ze was te wege hem van haar weg te

stooten. Ze wilde niet dat hij haar gedurig krenken zou met de

bekentenis van eene liefde, die haar walgde. Ze huiverde als ze bedacht,

dat hij die liefde opketste om ze bij haar te komen stillen.

Ze wilde niet. Hard staalde hare koppigheid dien wil. Ze wrong zich los

met een korten ruk en zag hoe plots zijn wezen hopeloos werd. Hare

verhouding tot dezen man kwam haar klaarder te voorschijn en ze boog

haar hoofd. Ze was niets. Ze had gezondigd buiten alle mate, en 't

woord, dat moeder ten opzichte van Madeleen uitgespuwd had, ratelde

opnieuw in hare ooren. Ze was niets. Met gretigheid moest ze alle boeten

aanvaarden, want geen boete was groot genoeg. In een haastig zicht

schemerden vóor haar op het droeve gezicht van de vrouw en het blonde

kopje van het kind, uit Johannes' atelier. Die beiden staarden naar heur

en de vreemde blik, die in hun oogen lag, weende er van zoo endeloos een

smette....

Ze boog haar hoofd. Ze zou trouwen. Ze zou alle opoffering aannemen, en

geen toekomst was nog in te winnen. Twee tranen biggelden een endeken

aan den tjop van hare wimpers en vielen, zonder hare wangen te taken, in

den avond. Ze fluisterde:

--Ik doe ... wat ge wilt....

Hij naderde en omarmde haar, en zijne lippen kwamen gulzig rusten op

haren mond. Ze dacht aan moeder, die nu zeer tevreden zou zijn, en dan

zonk precies de wereld weg om haar. Ze neep hare oogen dichte en zakte,

zonder hope, te lore in haar overgroote leed....

De maaiers torten ook moe en zwaar, langs de gele wegen, alhier en

alginder, sprakeloos, naar huis.

* * * * *

't Bedrijf van den kwade · 第 16 / 19 题