Als ze thuis kwam, vertelde haar Justa dat Ursule in den valavond zieker
was geworden en aldoor maar vroeg waar hare dochter was. Goedele
herkende 't huis niet meer; al de kleuren hier waren haar vreemd en 't
was alsof ze voor 't eerst deze zaal zag, en deze stoelen, en deze
tafel. Gedreven door 't geweld van haar eenzijdig besluit, wilde ze
seffens Sebastiaan zien.
--Waar is Sebastiaan?
--Hij komt pas na den eten, juffrouw.
--Ha, zoo ... na den eten....
Ze wist niet of ze straks nog moed zou hebben. Ze wilde aan Sebastiaan
alleen bekentenisse doen, en 't was nu spijtig dat ze voor hem
aangekomen was. Sebastiaan moest de eerste het ongeluk vernemen.
Trage tort ze de trap op en duwde de deur open van moeders slaapkamer.
Ze keek niet zijwaarts. Ze merkte niet hoe plotseling Ursule zich
overend oprechte uit de bleeke sargiën. Ze stapte naar den hoogen
spiegel, en deed haar hoed af, en schikte peuterig, zonder aandacht,
heur haar. Ursule stamelde:
--Maar wat zijt ge van zin?
Ze keerde zich omme en knikte, naderhand zich bekommerend:
--Hebt ge meer zeer, moeder?
--Ja wel, in mijn beenen.... Kom hier!
--Ik kom.
Ze naderde. Ze lei hare hand op het kussen en Ursule vatte die subiet,
koortsig vragend wat er met de beurze gebeurd was.
--Met de beurze?
--Ja.... Ik hadde u niets moeten meegeven--of een kleinigheid. Heb ik u
waarachtig al dat schoone geld meegegeven?... Och Heere! ik weet niet
goed meer. Wat gaf ik u mee?
Goedele herinnerde zich maar halvelings en ze fronste hare wenkbrauwen,
zoekend in haren geest. Op een ende viel ze uit:
--Ha! de verlakte stove!
--Watte? Ik gaf u twalefhonderd....
--Zekerlijk. 'k Herinner me nu. Ze waren in een fluweelen beurzeken.
Weet ge niet of Sebastiaan nog lange zal wegblijven?
--Twalef honderd.... Wat brengt ge terug?
--Maar, moeder....
--Wat hebt ge gekocht?
--Wacht even.... Ik heb gezeid: Dàt is voor de verlakte stove.
--Ge wordt krankzinnig! Wat bleef er over?
--Niets.
Ursule viel in de witte lakens weg en sloot hare oogen. Ze hief hare
handen op en deed, heel droeve, teeken dat niemand meer naderen zou.
Terzelfdertijd roerde een snik in hare keel en voor de eerste maal zag
Goedele een traan van innig lijden tusschen hare beloken wimpers te
voorschijn dringen, stralend opzwellen en wegrollen over hare slapen.
Moeder weende. Goedele fluisterde:
--Moeder weent....
Het maakte een zonderlingen indruk op haar en ze verwijlde met vage
gepeinzen om het zeldzaam geval, terwijl ze heenging en in de eetplaats
stapte. Ze zei 't aan vader, die reeds bij de tafel heel rustig zat,
blij omdat Ursule hem niet beloeren zou onder 't eten. Ze klopte op
zijnen schouder en fluisterde:
--Moeder weent....
Ze wees met haren vinger naar de zoldering. Hij keek verwonderd op en
merkte de matte bleekte van haar gezicht, de blauwe holten onder hare
oogen. Hij wist niet wat te zeggen, en hij voelde nu heel sterkelijk dat
zijne dochter leed. Hij stond rechte en vatte hare armen, en over zijn
bolle gelaat grijnsde een bange onrust. Hij blikte strak en benauwd in
haar wezen en vroeg:
--Wat is er, mijn kind?... Wat gebeurt er, mijn kind?... mijn kind?
Hij werd zoo innig gewaar dat het zijn kind was, en bibberde van binnen,
aldoor zeggend het woord, dat zoo helder opklaarde in gansch zijn
vleesch.
--Mijn zoete kind....
Hij streelde haar en dwong haar neer te zitten, nevens hem, en gedurig
vroeg hij wat er scheelde. Goedele liet hem gewillig begaan en
geleidelijk kwam een zware melancholie over haar. Ze meende, al omdoende
haren vader met een liefderijken blik:
--Ik heb u miskend!
Dàt was de waarheid, 't werd haar nu duidelijk. Het docht haar dat ze
hem te lieven begon op dees oogenblik--en dat op dees oogenblik ze hem
verlaten moest. Ze staarde naderhand een pooze naar de vlamme van de
lampe, waarlangs een lichtgierig pepelken rond en omme vleugelde. En ze
sprak droomend, langzaam haar zinnen drijvend op gelijke tonen:
--Het ware zoo zoete geweest--een huis met een spelend vuur, àl muren en
àl kamerkens, en daarover een veilig groot dak! Ik zou er allentwege
gemakkelijke stoelen geplaatst hebben, kussekens en donzige leuningen,
opdat niemand zich bezeeren mocht. Het zou een woonste zijn van eerbied
en genegenheid. Niets zou er storen de goesting van Sebastiaan, noch de
goesting van vader en moeder....
Albien beluisterde haar en seffens was hij weer vol begeesterend
geneuchte. En hij liet zijne oogen opflikkeren van leute en knikte:
--Dát zal een geluk zijn!
Goedele lachte treurig:
--Ja, een geluk en een vrede. Ik had het zóo gepeinsd en zóo was nog
mijn eenig verlangen. Ik deed het niet voor mij, maar het zou mijn
wroeging stillen. Zie! Samen zouden we spelen, en dat elektrisch ding
... al wat u begeerlijk is, 't zou 't onze zijn. Daar zijn zoo schoone
dingen in de wereld, vader!
--Zekerlijk, zekerlijk.
--Onze tuin is zoo schoon ... en al wat er te bloeien staat en te
fleuren ... en dat pepelken daar, pover dierken zoo wonderlijk ...
't bijst om ons klaarte....
Albien stak ook zijn hoofd ernaar en hij vond 't ook heerlijk, en zijne
kinderlijke rustigheid herkwam. Goedele sprak stiller:
--Zóo zou ons leven geweest zijn, allemaal in minzame eendracht vereend,
al onze handen te gare, en we zouden alles mooi vinden rond ons....
Ik had het zoo gedroomd, na de ervaring, die 'k beleden had.
--We zullen 't zóo doen....
--Doen! Doen! Ik heb gerekend zonder het noodlot. Ik heb gedacht dat
alles ophield--als ik ophield. Maar 't Kwade Bedrijf loopt door, loopt
verder. Ik kan 't niet meer tegenhouden, ikke, die de oorzake ben. Ik
val nu ook, getaakt door 't gevoelloos geweld, sterker dan ik, waaruit
het geboren werd.... Wat kijkt ge me zonderling aan, vader?
--Ik weet niet.... ik weet niet goed....
--Geef me een zoen.
Hij naderde haar en nam haar hoofd in alle bei zijne armen en kuste haar
op hare wangen. Hij begreep niet wat gebeurende was, hij werd alleen
gewaar de voorbereiding van een ongewone daad, en het deed hem deugd dat
hij zijne verlegenheid wegduiken kon in eene warme omhelzing. Goedele's
haar kriebelde om zijnen neuze en zijne wimpers werden nat. Hij zei
terwijl hij weer neerzat onder 't lampelicht en zijn traan wegpinkte,
lachend, verlegen:
--'t Is van de jeukte....
Ze lachte mee en ze vroeg nadien, of hij zijn schoon huisje nog eens
wilde uithalen en de popjes doen dansen. Hare stemme beefde:
--Om mij plezier te doen.
Hij liep seffens in de voorkamer en kwam met de dooze terug. Hij
scharrelde de tellooren aan kant, spreidde het ammelaken profijtelijk
open, en bracht zijn wonder speelgoed te voorschijn. Zijne oogen
fonkelden van vreugde en fierheid. Zijne vingeren waren koortsig te
werke, ijverig in overgedienstigheid, en zijn tonge puntelde eventjes
in 't hoekje van zijn mond.
Het Zwitsersch huizeken stond daar met zijn blauwe dak en zijn groene
luiken, zijn sierlijk portaal en de popjes. Hij stak den sleutel in de
mekaniek en draaide het ratelend tuig op tot de kleine klokke
binnenzijds klonk.
--Ha! zei hij.
Hij leunde achterover om goed 't effekt van het schouwspel op te nemen
in zijn aandachtigen kop, en het spektakel ving aan. Het wijveken
schokte eerst omhooge en seffens daarna joepte ook het manneken los.
De beiaard tikkelde met zijn luttel gespeel van bellen, en de stijve
dans begon.
--Hoe schoone!
--Hoe ... schoone!... zuchtte Goedele.
Ze zat in de halve donkerte, achter Albien, en ze beloerde hem. Haar
gemoed kwam vol en ze zou weer stille aan het weenen vallen, aldoor
kijkend naar haar vader. Hij jubelde van blijdschap.
--Dat zijn dingen! Dat zijn dingen! Hoe maken ze 't? Hoe komen ze aan
't idee?
En de beiaard rinkelde zoo aangenaam, lijk dropkens in een welluidend
water--en de popjes huppelden snokkig en op mate--en heel die doening
was zoo djentelijk....
--Hoe brengen ze 't aan mekaar?
Goedele voelde gestadig de heete groevekens van hare tranen en staarde
met wijd-open oogen naar hem, die daar te leuteren zat, zonder
kommernisse, zonder zicht op 't huiselijk ongeluk. Een hopelooze smert
wrong haar herte thoope, en ze deed haar eigen zeer om stille te
blijven, stille bij vaders jubelend plezier.
Zoo stille bleef ze. Als de pijn haar asem forsig wegstiet door haar
kele, versmachtte ze het eendelijk geluid onder de helle klatering van
een hikkend lachen. Dan was vader uitermatelijk voldaan. Hij wipte op
zijn stoel, een prettig gezichte zettend:
--Ai! 't valt dood!
De klokskens klepten tegare uit op een grondelijk akkoord en dan was er
een groote stilte. Rijzekens flodderde hoorbaar in 't geluchte het
werkzaam gedoe van het zotte pepelken.
Sebastiaan stond wachtend in het deurgat en vroeg oolijk, een ongewonen
klank leggend hier, waar 't zoo innig trilde van gezelligheid:
--Mag ik nu binnen?
Goedele schrok en rechtte zich. 't Kwam her klaar en sterk in hare
hersens dat ze tegenwoordig handelen moest. Ze ging op hem af, en hij
reikte zijne hand naar heur. Ze schudde haar hoofd en deed teeken dat
hij haar volgen zou. Ze stapte stokkestijf. Hare knieën plooiden haast
niet en hard klopten hare hielen tegen den vloer. Ze sprak niet. Haar
hals lengde zich paalrechte boven hare schouders. Hare armen hingen
roerloos langs haar lijf, dat matelijk voorwaarts schoof.
Sebastiaan zag haar zwijgend over den drempel terten, bijkans zijn veste
raken en voorbijgaan, zonder een blik. Hij volgde haar. Hij begreep dat
ze hem over ernstige zaken te spreken had. Hij gooide zijn hoed op een
stoel en volgde haar. Hij had een wrevelig gevoel. Goedele's breede
rugge, zonder een buiging voortschokkend, werd hem lijk de
ondoordringbare effenheid van een gevaarlijk geheim.
Ze stegen langs de trap en, moeders kamer voorbijgaande, fluisterde
Goedele:
--Zoetekens....
Ze bereikte hare eigen kamer, stak algauw 't licht aan, bad met een
korten wenk dat hij zou binnen komen en wees hem een stoel. De klaarte
pletste tallenkante rond en, langs de spleet van de deure, viel in een
lange strepe over den drempel op den donkeren vloer van den gang.
Ze zetten zich neer. Ze waren precies verlegen en 't was alsof ze meteen
wijd verwijderd waren van malkander, beschaamd voor hun samenzijn.
Sebastiaan ried dat geen luttele woorden in deze schrikkelijke stilte
zouden vallen, en hij dierf niet zeggen:
--Wat is er? Wat maakt u zoo bleek en lijdelijk?
Hij merkte dat ze bleek en lijdelijk was, maar hij was halvelings bang
voor de reden. Hij wilde de nadering van die reden niet verhaasten,
omdat zijn benauwd gemoed er al de pijnlijke gevolgen van vreesde. Heel
vaag zag hij entwaar de schaduw van een ongeluk. Hij zweeg. Zijn magere
handen lei hij op het tafelberd en hij wachtte zoo.
--Bastiaan, zei Goedele, Bastiaan, ik had u al lange moeten bekennen ...
al lange, daar niets te bergen is en alle kwaad in voortdurige werking
doorwoelt ... al lange, ja, bekennen, bekennen....
Ze had besloten heel simpellijk bekentenisse doen; ze kon echter niet.
Ze had den moed niet daartoe: zoo onwetend en buiten alle leelijke
verdenkingen zat daar Sebastiaan, en zijn gelaat had seffens zoo angstig
een uitdrukking, dat ze een brutale uitlegging niet te boven kon. Ze
wilde schipperen en toch tot een eigen direkte beschuldiging en geraakte
ze niet. Ze zweeg een oogenblik. De woorden wisten niet tot eene
oprechte verklaring saam te smelten. Ze werd dan heel klein en laf. Het
speet haar dat ze nog hier levend was, dat ze niet de aanlokking van het
glinsterende water beantwoord had, ginder, ginder.... Alles ware nu
volbracht: men hadde 't een ongeval genoemd. Ze stamelde, week wordend:
--Och Heere! hoe moet ik dat uitbrengen!...
Ze wilde wegloopen, de velden over, tot ze neerstorten zou, in
doodelijke alleenigheid, den veiligen dood nabij. Ze hervatte zich met
groote moeite en bedwong hare zwakheid. Ze smeet hare zoekende gezegden
ondereen, soms gebroken door ongelijk gehijg:
--Laat me zeggen.... Ik heb u hier ontvangen, ik heb al gedaan wat in
mijn machte was om u toe te lachen, om u genegen te zijn en uwe liefde
niet van mij af te wijzen.... Helaas! ik was uwe liefde niet weerdig.
Ik had een verdorven ziel en mijne zinnen verlangden de woeste streeling
van zondigen minnehandel.... Schrik niet! Maak me niet benauwd. Ik ben
schuldig, maar medelijden heb ik noodig.... Ik heb u ontvangen, en
bedrogen heb ik u naderhand!
Hij stond recht, heel bleek, en vroeg:
--Wilt ge openhertig spreken?
Maar ze zocht uitvluchtsels om hem de waarheid minder hard te maken:
--Ge moogt me niet stooten en bezeeren. Ik wil tot het ende alles
zeggen. Ik wil dat ge van zelf, doch zonder haat, weggaat van hier.
--Ik begrijp u niet.
--Peins dan niet meer op mij. Ik heb u nooit geerne gezien, en Bella
alleen ziet u geerne ... ja, Bella, het arme kind.... Waarom moest ik u
mij onttrekken en u verwijderen van haar? Ik was laf. Bekijk me zoo
droef niet. Zeg niets. Laat mij doorzeggen. Zeg niets, Sebastiaan....
Ze deed een trage gebaar met hare hand, precies om hem zachte af te
weren, en sloot hare oogen. Nu was 't haar meer duidelijk geworden en ze
kon in de donkerte beter hare gedachten nagaan. Haar stemme daalde:
--Ik heb gedurende weken en weken durven spreken met u, durven antwoord
geven op uwe woorden van liefde. Ik heb zwijgend en misdadig uwe
genegenheid gevoed. Ik heb zwijgend uwe droomen spijze gegeven. Dat heb
ik zwijgend gedaan. De blik, dien ik u toewierp, was schijnbaar rein....
Rein! Rein! O kon ik nu verzinken!
Ze opende fluks hare oogen, boog zich en joeg seffens gichtig hare
woorden achter mekaar:
--Luister. Ik heb Sebastiaan beleedigd. Ik heb gespot met Sebastiaan.
's Avonds zat ik schuchter nevens u, en over dag lag ik in andermans armen!
--Goedele!
Ze viel neer op haren stoel en bracht hare handen over haar wezen. Een
zware stilte hing in de kamer en de vlamme kraakte daarin heel gewichtig
op, boven de lampe.
--Goedele!
Hij kon de zwijgende stonde met zijn heeschen kreet niet overwinnen. Een
ongenadige zwaarte woog op zijne borst en hij voelde zijn longen eronder
vernauwen. Hij snakte naar zijn asem. Toorn en smert scheurden zijne
hersens vaneen en hij wist geen daad aan te vangen: een straffe of een
afkeer.... Hij wilde dan verder weten.
't Schorde in zijn keel:
--Met wien?... Zeg me met wien?...
Ze antwoordde niet. Het licht begon te schemeren vóor zijne oogen,
te waggelen ommentweer en donkere wolken rolden opwaarts uit purperen
kuilen. Hij deed een stap, en vatte woest haren arm, en smeet haar
geweldig tegen het tafel berd. Zijn mond viel in een grijns open om
't leelijke woord neer te spuwen, dat brandde op zijn tonge.
Ze keek heel zoet op naar hem. Ze had een blik vol dankbaarheid. Ze
wachtte gedwee de slagen van zijne gramschap. Dan week hij tot tegen den
muur, rukte zijn halsboordje los en hijgde vrijer. Hij stond moedeloos,
verplet, verloren. Hij vroeg:
--Is 't waar?
Ze knikte en hij liet zijn kinne neerstooten op zijn borst. Hij draaide
zich kantewaarts naar de deur en tort trage erheen. Hij zei en de klank
van zijn woord was onherkennelijk geworden:
--Vaar-wel....
Ze vermocht uit haar gansche macht niet hem antwoord te geven. Hare
lippen werden wit en mat. Ze lispelde onhoorbaar:
--Vaar-wel....
Hij hoorde 't algelijk, en zijn bloed deed een schrikkelijken ommezwaai
door zijne leden. Hij reikte zijne hand naar de koperen klinke en
grabbelde ernaar. Eene koude rilling kroop over zijn rugge en zijne
beenen zakten tegeneen. Hij kon niet weg. Hij kwam terug en viel
snikkend aan hare voeten. Hij prangde haar vast en bad:
--Jaag me niet hieruit, jaag me niet buiten u!... Niet waar? Het zijn
kwalijke verzinsels.... Ge overdrijft immers! Ge zijt niet slecht!
Ge zijt schoon, ge zijt schoon!
Ze weerde zich zachte los en had een hopeloos gebaar. Zou ze alles
móeten zeggen en haar ten geheele bloot werpen aan zijnen afkeer?
Hij smeekte:
--Ik geloof u niet! Maak me niet zinneloos, Goedele! Zeg me dat ge weer
braaf zijt. Hebt ge geleden? Alles zal ik u doen vergeten. Daar is tegen
ons geen weerstand, die we niet breken zullen. Ik zie u geerne. Ik zal u
altijd geerne, geerne zien....
Ze hief zich uit gansch hare lengte op en fronste hare wenkbrauwen. Ze
zou spreken. Ze zou den laatsten slag hem toebrengen en zonder deernisse
slaan. Ze voelde dat ze 't alaam geworden was van het noodlot. Ze zei:
--Ik mag niet.... Ge moet weg, weg ... weg.... Ik ben bezoedeld....
Ik,--ikke.--
Hare oogen bleven plots wijdopen en verwilderd staren naar de deur, en
haar kinne begon subiet te beven, zodat hare tanden klopten over mekaar:
op den drempel stond Ursule. Ursule, als eene doode zoo bleek, stak hare
armen vooruit. Haar witte nachtrok plooide in rechte vouwen omlage en ze
was aldus grooter, vreeslijker dan ooit. Vierkantig spookte boven hare
breede schouders haar schrikkelijk aangezicht. Ze riep:
--Hee-la!
Ze naderde, en dof dreunde elke stap op het vloertapijt. Ze leunde tegen
den muur, vatte overhand de stoelen en geraakte tot aan de tafel. Ze rok
haren groven hals uit naar heur kind, en een bovenmatelijke haat omdeed
haar ganschelijk. Ze reikte stuipachtig hare handen en vingerde koortsig
in de leegte, reutelend:
--Hier! Hier, prije--en zwijgen!
Ze bekeek vluggelings Sebastiaan en riep hem:
--Ze liegt!
En weer scharrelde ze voorwaarts, grijpend naar Goedele, te wege neer te
stuiken over haar. Ze kreet:
--Zwijg!... Há-á-á! ik zal u leeren, ik zal u beteren, ik zal uw tonge
wegduwen in uw rompe....
Ze zag dat Goedele week en geweld deed om te spreken; gedurig tastte ze
gretig ernaar om haar vaste te pakken en te temmen. Ze was buiten zinnen
en sleurde haar lamme beenen of stekte ze stokkestijf naar voren. En
niets zou haar tegenhouden: ze wilde haar dochter de kele toenijpen om
haar het spreken te beletten, en driftig, kwaad om hare eigen
traagzaamheid, volgde ze dien wil.
Als Goedele tegen de kasse aanstiet en niet verder meer wijken kon, brak
meteen haar benauwde angst. Tegenover moeder en tegenover Sebastiaan, ze
móest spreken en ze zou. Ze hakkelde:
--Laat me....
Ze drong thoope, veerdig voor alle straf, stiet haar hoofd achterover en
zei:
--Ik ben zwanger.
Ze zag het lijf van Sebastiaan pijnlijk opschokken en het witte kleed
van moeder een grooten armzwaai uitbreiden in 't geluchte. Zonder een
woord, met een luidelijken slag, stortte Ursule neer op den vloer.
Albien stiet de deur open, kwam binnen gelopen en begon seffens te
huilen. Goedele dacht niets, voelde niet en stond halstarrig te
bibberen. De lampe had een eendelijk licht, het licht dat bijwijlen
's winters uit de mane zijgt. Tenden den donkeren gang beloerde Rik de
booze gebeurtenis en vulde, oolijk glimlachend, zijn pijpe.
Ursule was dood.
'T ENDE