XVI.

Als ze thuis kwam, vertelde haar Justa dat Ursule in den valavond zieker

was geworden en aldoor maar vroeg waar hare dochter was. Goedele

herkende 't huis niet meer; al de kleuren hier waren haar vreemd en 't

was alsof ze voor 't eerst deze zaal zag, en deze stoelen, en deze

tafel. Gedreven door 't geweld van haar eenzijdig besluit, wilde ze

seffens Sebastiaan zien.

--Waar is Sebastiaan?

--Hij komt pas na den eten, juffrouw.

--Ha, zoo ... na den eten....

Ze wist niet of ze straks nog moed zou hebben. Ze wilde aan Sebastiaan

alleen bekentenisse doen, en 't was nu spijtig dat ze voor hem

aangekomen was. Sebastiaan moest de eerste het ongeluk vernemen.

Trage tort ze de trap op en duwde de deur open van moeders slaapkamer.

Ze keek niet zijwaarts. Ze merkte niet hoe plotseling Ursule zich

overend oprechte uit de bleeke sargiën. Ze stapte naar den hoogen

spiegel, en deed haar hoed af, en schikte peuterig, zonder aandacht,

heur haar. Ursule stamelde:

--Maar wat zijt ge van zin?

Ze keerde zich omme en knikte, naderhand zich bekommerend:

--Hebt ge meer zeer, moeder?

--Ja wel, in mijn beenen.... Kom hier!

--Ik kom.

Ze naderde. Ze lei hare hand op het kussen en Ursule vatte die subiet,

koortsig vragend wat er met de beurze gebeurd was.

--Met de beurze?

--Ja.... Ik hadde u niets moeten meegeven--of een kleinigheid. Heb ik u

waarachtig al dat schoone geld meegegeven?... Och Heere! ik weet niet

goed meer. Wat gaf ik u mee?

Goedele herinnerde zich maar halvelings en ze fronste hare wenkbrauwen,

zoekend in haren geest. Op een ende viel ze uit:

--Ha! de verlakte stove!

--Watte? Ik gaf u twalefhonderd....

--Zekerlijk. 'k Herinner me nu. Ze waren in een fluweelen beurzeken.

Weet ge niet of Sebastiaan nog lange zal wegblijven?

--Twalef honderd.... Wat brengt ge terug?

--Maar, moeder....

--Wat hebt ge gekocht?

--Wacht even.... Ik heb gezeid: Dàt is voor de verlakte stove.

--Ge wordt krankzinnig! Wat bleef er over?

--Niets.

Ursule viel in de witte lakens weg en sloot hare oogen. Ze hief hare

handen op en deed, heel droeve, teeken dat niemand meer naderen zou.

Terzelfdertijd roerde een snik in hare keel en voor de eerste maal zag

Goedele een traan van innig lijden tusschen hare beloken wimpers te

voorschijn dringen, stralend opzwellen en wegrollen over hare slapen.

Moeder weende. Goedele fluisterde:

--Moeder weent....

Het maakte een zonderlingen indruk op haar en ze verwijlde met vage

gepeinzen om het zeldzaam geval, terwijl ze heenging en in de eetplaats

stapte. Ze zei 't aan vader, die reeds bij de tafel heel rustig zat,

blij omdat Ursule hem niet beloeren zou onder 't eten. Ze klopte op

zijnen schouder en fluisterde:

--Moeder weent....

Ze wees met haren vinger naar de zoldering. Hij keek verwonderd op en

merkte de matte bleekte van haar gezicht, de blauwe holten onder hare

oogen. Hij wist niet wat te zeggen, en hij voelde nu heel sterkelijk dat

zijne dochter leed. Hij stond rechte en vatte hare armen, en over zijn

bolle gelaat grijnsde een bange onrust. Hij blikte strak en benauwd in

haar wezen en vroeg:

--Wat is er, mijn kind?... Wat gebeurt er, mijn kind?... mijn kind?

Hij werd zoo innig gewaar dat het zijn kind was, en bibberde van binnen,

aldoor zeggend het woord, dat zoo helder opklaarde in gansch zijn

vleesch.

--Mijn zoete kind....

Hij streelde haar en dwong haar neer te zitten, nevens hem, en gedurig

vroeg hij wat er scheelde. Goedele liet hem gewillig begaan en

geleidelijk kwam een zware melancholie over haar. Ze meende, al omdoende

haren vader met een liefderijken blik:

--Ik heb u miskend!

Dàt was de waarheid, 't werd haar nu duidelijk. Het docht haar dat ze

hem te lieven begon op dees oogenblik--en dat op dees oogenblik ze hem

verlaten moest. Ze staarde naderhand een pooze naar de vlamme van de

lampe, waarlangs een lichtgierig pepelken rond en omme vleugelde. En ze

sprak droomend, langzaam haar zinnen drijvend op gelijke tonen:

--Het ware zoo zoete geweest--een huis met een spelend vuur, àl muren en

àl kamerkens, en daarover een veilig groot dak! Ik zou er allentwege

gemakkelijke stoelen geplaatst hebben, kussekens en donzige leuningen,

opdat niemand zich bezeeren mocht. Het zou een woonste zijn van eerbied

en genegenheid. Niets zou er storen de goesting van Sebastiaan, noch de

goesting van vader en moeder....

Albien beluisterde haar en seffens was hij weer vol begeesterend

geneuchte. En hij liet zijne oogen opflikkeren van leute en knikte:

--Dát zal een geluk zijn!

Goedele lachte treurig:

--Ja, een geluk en een vrede. Ik had het zóo gepeinsd en zóo was nog

mijn eenig verlangen. Ik deed het niet voor mij, maar het zou mijn

wroeging stillen. Zie! Samen zouden we spelen, en dat elektrisch ding

... al wat u begeerlijk is, 't zou 't onze zijn. Daar zijn zoo schoone

dingen in de wereld, vader!

--Zekerlijk, zekerlijk.

--Onze tuin is zoo schoon ... en al wat er te bloeien staat en te

fleuren ... en dat pepelken daar, pover dierken zoo wonderlijk ...

't bijst om ons klaarte....

Albien stak ook zijn hoofd ernaar en hij vond 't ook heerlijk, en zijne

kinderlijke rustigheid herkwam. Goedele sprak stiller:

--Zóo zou ons leven geweest zijn, allemaal in minzame eendracht vereend,

al onze handen te gare, en we zouden alles mooi vinden rond ons....

Ik had het zoo gedroomd, na de ervaring, die 'k beleden had.

--We zullen 't zóo doen....

--Doen! Doen! Ik heb gerekend zonder het noodlot. Ik heb gedacht dat

alles ophield--als ik ophield. Maar 't Kwade Bedrijf loopt door, loopt

verder. Ik kan 't niet meer tegenhouden, ikke, die de oorzake ben. Ik

val nu ook, getaakt door 't gevoelloos geweld, sterker dan ik, waaruit

het geboren werd.... Wat kijkt ge me zonderling aan, vader?

--Ik weet niet.... ik weet niet goed....

--Geef me een zoen.

Hij naderde haar en nam haar hoofd in alle bei zijne armen en kuste haar

op hare wangen. Hij begreep niet wat gebeurende was, hij werd alleen

gewaar de voorbereiding van een ongewone daad, en het deed hem deugd dat

hij zijne verlegenheid wegduiken kon in eene warme omhelzing. Goedele's

haar kriebelde om zijnen neuze en zijne wimpers werden nat. Hij zei

terwijl hij weer neerzat onder 't lampelicht en zijn traan wegpinkte,

lachend, verlegen:

--'t Is van de jeukte....

Ze lachte mee en ze vroeg nadien, of hij zijn schoon huisje nog eens

wilde uithalen en de popjes doen dansen. Hare stemme beefde:

--Om mij plezier te doen.

Hij liep seffens in de voorkamer en kwam met de dooze terug. Hij

scharrelde de tellooren aan kant, spreidde het ammelaken profijtelijk

open, en bracht zijn wonder speelgoed te voorschijn. Zijne oogen

fonkelden van vreugde en fierheid. Zijne vingeren waren koortsig te

werke, ijverig in overgedienstigheid, en zijn tonge puntelde eventjes

in 't hoekje van zijn mond.

Het Zwitsersch huizeken stond daar met zijn blauwe dak en zijn groene

luiken, zijn sierlijk portaal en de popjes. Hij stak den sleutel in de

mekaniek en draaide het ratelend tuig op tot de kleine klokke

binnenzijds klonk.

--Ha! zei hij.

Hij leunde achterover om goed 't effekt van het schouwspel op te nemen

in zijn aandachtigen kop, en het spektakel ving aan. Het wijveken

schokte eerst omhooge en seffens daarna joepte ook het manneken los.

De beiaard tikkelde met zijn luttel gespeel van bellen, en de stijve

dans begon.

--Hoe schoone!

--Hoe ... schoone!... zuchtte Goedele.

Ze zat in de halve donkerte, achter Albien, en ze beloerde hem. Haar

gemoed kwam vol en ze zou weer stille aan het weenen vallen, aldoor

kijkend naar haar vader. Hij jubelde van blijdschap.

--Dat zijn dingen! Dat zijn dingen! Hoe maken ze 't? Hoe komen ze aan

't idee?

En de beiaard rinkelde zoo aangenaam, lijk dropkens in een welluidend

water--en de popjes huppelden snokkig en op mate--en heel die doening

was zoo djentelijk....

--Hoe brengen ze 't aan mekaar?

Goedele voelde gestadig de heete groevekens van hare tranen en staarde

met wijd-open oogen naar hem, die daar te leuteren zat, zonder

kommernisse, zonder zicht op 't huiselijk ongeluk. Een hopelooze smert

wrong haar herte thoope, en ze deed haar eigen zeer om stille te

blijven, stille bij vaders jubelend plezier.

Zoo stille bleef ze. Als de pijn haar asem forsig wegstiet door haar

kele, versmachtte ze het eendelijk geluid onder de helle klatering van

een hikkend lachen. Dan was vader uitermatelijk voldaan. Hij wipte op

zijn stoel, een prettig gezichte zettend:

--Ai! 't valt dood!

De klokskens klepten tegare uit op een grondelijk akkoord en dan was er

een groote stilte. Rijzekens flodderde hoorbaar in 't geluchte het

werkzaam gedoe van het zotte pepelken.

Sebastiaan stond wachtend in het deurgat en vroeg oolijk, een ongewonen

klank leggend hier, waar 't zoo innig trilde van gezelligheid:

--Mag ik nu binnen?

Goedele schrok en rechtte zich. 't Kwam her klaar en sterk in hare

hersens dat ze tegenwoordig handelen moest. Ze ging op hem af, en hij

reikte zijne hand naar heur. Ze schudde haar hoofd en deed teeken dat

hij haar volgen zou. Ze stapte stokkestijf. Hare knieën plooiden haast

niet en hard klopten hare hielen tegen den vloer. Ze sprak niet. Haar

hals lengde zich paalrechte boven hare schouders. Hare armen hingen

roerloos langs haar lijf, dat matelijk voorwaarts schoof.

Sebastiaan zag haar zwijgend over den drempel terten, bijkans zijn veste

raken en voorbijgaan, zonder een blik. Hij volgde haar. Hij begreep dat

ze hem over ernstige zaken te spreken had. Hij gooide zijn hoed op een

stoel en volgde haar. Hij had een wrevelig gevoel. Goedele's breede

rugge, zonder een buiging voortschokkend, werd hem lijk de

ondoordringbare effenheid van een gevaarlijk geheim.

Ze stegen langs de trap en, moeders kamer voorbijgaande, fluisterde

Goedele:

--Zoetekens....

Ze bereikte hare eigen kamer, stak algauw 't licht aan, bad met een

korten wenk dat hij zou binnen komen en wees hem een stoel. De klaarte

pletste tallenkante rond en, langs de spleet van de deure, viel in een

lange strepe over den drempel op den donkeren vloer van den gang.

Ze zetten zich neer. Ze waren precies verlegen en 't was alsof ze meteen

wijd verwijderd waren van malkander, beschaamd voor hun samenzijn.

Sebastiaan ried dat geen luttele woorden in deze schrikkelijke stilte

zouden vallen, en hij dierf niet zeggen:

--Wat is er? Wat maakt u zoo bleek en lijdelijk?

Hij merkte dat ze bleek en lijdelijk was, maar hij was halvelings bang

voor de reden. Hij wilde de nadering van die reden niet verhaasten,

omdat zijn benauwd gemoed er al de pijnlijke gevolgen van vreesde. Heel

vaag zag hij entwaar de schaduw van een ongeluk. Hij zweeg. Zijn magere

handen lei hij op het tafelberd en hij wachtte zoo.

--Bastiaan, zei Goedele, Bastiaan, ik had u al lange moeten bekennen ...

al lange, daar niets te bergen is en alle kwaad in voortdurige werking

doorwoelt ... al lange, ja, bekennen, bekennen....

Ze had besloten heel simpellijk bekentenisse doen; ze kon echter niet.

Ze had den moed niet daartoe: zoo onwetend en buiten alle leelijke

verdenkingen zat daar Sebastiaan, en zijn gelaat had seffens zoo angstig

een uitdrukking, dat ze een brutale uitlegging niet te boven kon. Ze

wilde schipperen en toch tot een eigen direkte beschuldiging en geraakte

ze niet. Ze zweeg een oogenblik. De woorden wisten niet tot eene

oprechte verklaring saam te smelten. Ze werd dan heel klein en laf. Het

speet haar dat ze nog hier levend was, dat ze niet de aanlokking van het

glinsterende water beantwoord had, ginder, ginder.... Alles ware nu

volbracht: men hadde 't een ongeval genoemd. Ze stamelde, week wordend:

--Och Heere! hoe moet ik dat uitbrengen!...

Ze wilde wegloopen, de velden over, tot ze neerstorten zou, in

doodelijke alleenigheid, den veiligen dood nabij. Ze hervatte zich met

groote moeite en bedwong hare zwakheid. Ze smeet hare zoekende gezegden

ondereen, soms gebroken door ongelijk gehijg:

--Laat me zeggen.... Ik heb u hier ontvangen, ik heb al gedaan wat in

mijn machte was om u toe te lachen, om u genegen te zijn en uwe liefde

niet van mij af te wijzen.... Helaas! ik was uwe liefde niet weerdig.

Ik had een verdorven ziel en mijne zinnen verlangden de woeste streeling

van zondigen minnehandel.... Schrik niet! Maak me niet benauwd. Ik ben

schuldig, maar medelijden heb ik noodig.... Ik heb u ontvangen, en

bedrogen heb ik u naderhand!

Hij stond recht, heel bleek, en vroeg:

--Wilt ge openhertig spreken?

Maar ze zocht uitvluchtsels om hem de waarheid minder hard te maken:

--Ge moogt me niet stooten en bezeeren. Ik wil tot het ende alles

zeggen. Ik wil dat ge van zelf, doch zonder haat, weggaat van hier.

--Ik begrijp u niet.

--Peins dan niet meer op mij. Ik heb u nooit geerne gezien, en Bella

alleen ziet u geerne ... ja, Bella, het arme kind.... Waarom moest ik u

mij onttrekken en u verwijderen van haar? Ik was laf. Bekijk me zoo

droef niet. Zeg niets. Laat mij doorzeggen. Zeg niets, Sebastiaan....

Ze deed een trage gebaar met hare hand, precies om hem zachte af te

weren, en sloot hare oogen. Nu was 't haar meer duidelijk geworden en ze

kon in de donkerte beter hare gedachten nagaan. Haar stemme daalde:

--Ik heb gedurende weken en weken durven spreken met u, durven antwoord

geven op uwe woorden van liefde. Ik heb zwijgend en misdadig uwe

genegenheid gevoed. Ik heb zwijgend uwe droomen spijze gegeven. Dat heb

ik zwijgend gedaan. De blik, dien ik u toewierp, was schijnbaar rein....

Rein! Rein! O kon ik nu verzinken!

Ze opende fluks hare oogen, boog zich en joeg seffens gichtig hare

woorden achter mekaar:

--Luister. Ik heb Sebastiaan beleedigd. Ik heb gespot met Sebastiaan.

's Avonds zat ik schuchter nevens u, en over dag lag ik in andermans armen!

--Goedele!

Ze viel neer op haren stoel en bracht hare handen over haar wezen. Een

zware stilte hing in de kamer en de vlamme kraakte daarin heel gewichtig

op, boven de lampe.

--Goedele!

Hij kon de zwijgende stonde met zijn heeschen kreet niet overwinnen. Een

ongenadige zwaarte woog op zijne borst en hij voelde zijn longen eronder

vernauwen. Hij snakte naar zijn asem. Toorn en smert scheurden zijne

hersens vaneen en hij wist geen daad aan te vangen: een straffe of een

afkeer.... Hij wilde dan verder weten.

't Schorde in zijn keel:

--Met wien?... Zeg me met wien?...

Ze antwoordde niet. Het licht begon te schemeren vóor zijne oogen,

te waggelen ommentweer en donkere wolken rolden opwaarts uit purperen

kuilen. Hij deed een stap, en vatte woest haren arm, en smeet haar

geweldig tegen het tafel berd. Zijn mond viel in een grijns open om

't leelijke woord neer te spuwen, dat brandde op zijn tonge.

Ze keek heel zoet op naar hem. Ze had een blik vol dankbaarheid. Ze

wachtte gedwee de slagen van zijne gramschap. Dan week hij tot tegen den

muur, rukte zijn halsboordje los en hijgde vrijer. Hij stond moedeloos,

verplet, verloren. Hij vroeg:

--Is 't waar?

Ze knikte en hij liet zijn kinne neerstooten op zijn borst. Hij draaide

zich kantewaarts naar de deur en tort trage erheen. Hij zei en de klank

van zijn woord was onherkennelijk geworden:

--Vaar-wel....

Ze vermocht uit haar gansche macht niet hem antwoord te geven. Hare

lippen werden wit en mat. Ze lispelde onhoorbaar:

--Vaar-wel....

Hij hoorde 't algelijk, en zijn bloed deed een schrikkelijken ommezwaai

door zijne leden. Hij reikte zijne hand naar de koperen klinke en

grabbelde ernaar. Eene koude rilling kroop over zijn rugge en zijne

beenen zakten tegeneen. Hij kon niet weg. Hij kwam terug en viel

snikkend aan hare voeten. Hij prangde haar vast en bad:

--Jaag me niet hieruit, jaag me niet buiten u!... Niet waar? Het zijn

kwalijke verzinsels.... Ge overdrijft immers! Ge zijt niet slecht!

Ge zijt schoon, ge zijt schoon!

Ze weerde zich zachte los en had een hopeloos gebaar. Zou ze alles

móeten zeggen en haar ten geheele bloot werpen aan zijnen afkeer?

Hij smeekte:

--Ik geloof u niet! Maak me niet zinneloos, Goedele! Zeg me dat ge weer

braaf zijt. Hebt ge geleden? Alles zal ik u doen vergeten. Daar is tegen

ons geen weerstand, die we niet breken zullen. Ik zie u geerne. Ik zal u

altijd geerne, geerne zien....

Ze hief zich uit gansch hare lengte op en fronste hare wenkbrauwen. Ze

zou spreken. Ze zou den laatsten slag hem toebrengen en zonder deernisse

slaan. Ze voelde dat ze 't alaam geworden was van het noodlot. Ze zei:

--Ik mag niet.... Ge moet weg, weg ... weg.... Ik ben bezoedeld....

Ik,--ikke.--

Hare oogen bleven plots wijdopen en verwilderd staren naar de deur, en

haar kinne begon subiet te beven, zodat hare tanden klopten over mekaar:

op den drempel stond Ursule. Ursule, als eene doode zoo bleek, stak hare

armen vooruit. Haar witte nachtrok plooide in rechte vouwen omlage en ze

was aldus grooter, vreeslijker dan ooit. Vierkantig spookte boven hare

breede schouders haar schrikkelijk aangezicht. Ze riep:

--Hee-la!

Ze naderde, en dof dreunde elke stap op het vloertapijt. Ze leunde tegen

den muur, vatte overhand de stoelen en geraakte tot aan de tafel. Ze rok

haren groven hals uit naar heur kind, en een bovenmatelijke haat omdeed

haar ganschelijk. Ze reikte stuipachtig hare handen en vingerde koortsig

in de leegte, reutelend:

--Hier! Hier, prije--en zwijgen!

Ze bekeek vluggelings Sebastiaan en riep hem:

--Ze liegt!

En weer scharrelde ze voorwaarts, grijpend naar Goedele, te wege neer te

stuiken over haar. Ze kreet:

--Zwijg!... Há-á-á! ik zal u leeren, ik zal u beteren, ik zal uw tonge

wegduwen in uw rompe....

Ze zag dat Goedele week en geweld deed om te spreken; gedurig tastte ze

gretig ernaar om haar vaste te pakken en te temmen. Ze was buiten zinnen

en sleurde haar lamme beenen of stekte ze stokkestijf naar voren. En

niets zou haar tegenhouden: ze wilde haar dochter de kele toenijpen om

haar het spreken te beletten, en driftig, kwaad om hare eigen

traagzaamheid, volgde ze dien wil.

Als Goedele tegen de kasse aanstiet en niet verder meer wijken kon, brak

meteen haar benauwde angst. Tegenover moeder en tegenover Sebastiaan, ze

móest spreken en ze zou. Ze hakkelde:

--Laat me....

Ze drong thoope, veerdig voor alle straf, stiet haar hoofd achterover en

zei:

--Ik ben zwanger.

Ze zag het lijf van Sebastiaan pijnlijk opschokken en het witte kleed

van moeder een grooten armzwaai uitbreiden in 't geluchte. Zonder een

woord, met een luidelijken slag, stortte Ursule neer op den vloer.

Albien stiet de deur open, kwam binnen gelopen en begon seffens te

huilen. Goedele dacht niets, voelde niet en stond halstarrig te

bibberen. De lampe had een eendelijk licht, het licht dat bijwijlen

's winters uit de mane zijgt. Tenden den donkeren gang beloerde Rik de

booze gebeurtenis en vulde, oolijk glimlachend, zijn pijpe.

Ursule was dood.

'T ENDE

't Bedrijf van den kwade · 第 18 / 19 题