XIII.

Ze was 's anderendaags vroeg te been. Ursule was nu teenemaal ziek

geworden en kon uit haar bedde niet. Ze deed Goedele bij haar komen en

vroeg zachte, of ze Romaan wou gaan opzoeken en hem uitdrukkelijk vragen

wat hij van zins was.

Goedele ging.

Ze was tevreden dat moeder zelve haar doorzond. Ze liep. Nog nooit had

ze den weg zoo spoedig afgeleid, en, als ze bij Romaan kwam en zijn

bevestigend antwoord ontvangen had, was ze weer gichtig om weg te zijn.

Wat dreef haar? Ze drilde gretig over strate, en haar bloed joeg forsig

ommedom.

Op de brugge bleef ze een wijlken in onzekerheid staan. Hare blikken

volgden 't zonnig geklots van het water, waarin donkerend wegkronkelde

de schaduw van een bootje. Hare kaken bloosden. Ze hoorde om haar 't

bedwelmend rumoer van de ijverige stad en voelde, van weerskanten haar

lijf, den haastigen gang der menschen. Even aarzelde ze nog....

Ze liep nu weeral. Ze smeet haar hoofd achterover in wild gebaar. Hare

voeten klepperden vluggelings over de kasseide, en tegen haar voorhoofd

sloeg gedurig 't schoone geweld van de zonne. Ze draafde voorwaarts,

kleintrippelend, steegjen in en steegjen uit. De warmte, die langs hare

leden opklom, deed haar deugd en ze glimlachte haast, al werend de zoete

straling af, die neerpletselde uit den ronden hemel.

Ze stond meteen vóór 't kleine huizeken. 't Was de gewone stonde.

Zou Johannes wachten op haar.

Ze had den sleutel niet bij! Zoo lange dagen had ze in folterende

angstigheid en koppig dwaas gedoe haar liefde verwaarloosd, en ze

vreesde dat Johannes, moe van wachten, 't opgegeven had. Ze klopte.

Subiet schoof 't deurken open en hij stond daar, met gulzige blijdschap

haar ontvangend. Hij leidde haar binnen, ontdeed haar van haar hoed en

drukte haar sterkelijk tegen zijn borste. Hij en had geen verwijt. Hij

bloosde van geluk. Hij en vroeg niet waar zij zoo al met een keer

verwijld had, zonder verwittigen, en zijn blik was klaar, open, vol van

zijne al-vergoedende liefde. Ze meende toch, beschaamd tegenover al

zijne kieschheid, dat ze hem een uitlegging schuldig was, en ze haperde

in ingewikkelde gezegden. Ze zette zich neer op zijnen schoot en omvatte

zijn hoofd. Ze fluisterde:

--Ik ben stout geweest....

Hij kuste op hare lippen de ongemakkelijke woorden weg. Hare vingeren

schoven streelend langs zijne slapen en sleerden door zijn haar. En ze

zei:

--Ja--stout, en ondankbaar.... Och, weet ik nog wat er gebeurd is?

Kijk me eens aan.... Ligt er ievers een leelijk speur in mijne oogen?

--Zwijg, lieve. Mij zie 'k dáar in een sterreken....

--Ge zijt goed. Wanneer was ik laatst bij u? Een eeuw is 't geleden.

--Een eeuw, ja....

--Herinnert ge u nog mij?

--Deugniet, die me lief zijt!

Hij lachte luid. Maar Goedele, in zwakke aandoening, voelde haar herte

week worden. Het docht haar dat ze nooit dieper hare liefde gewaar was

geworden dan nu. Ze zei, met bevende stemme, dat hij zekerlijk boos

geweest was op haar.

--En nu ziet ge mij minder geerne. Ik merke 't aan mijn eigen. Zoo

machtig woelde in mij uw beeld. Ik hebbe schuld, Johannes. Waarom zegt

ge niet dat ik schuld hebbe? 't Is dat kleiner mijne schuld is in uwe

gepeinzen, wijl kleiner uw liefde is geworden....

--Nu wordt ge schuldig, in waarheid.

Hij antwoordde heel ernstig, en ze bleven een langen tijd sprakeloos

turen in malkanders wezen, tot weer hunne lippen te gare zich vereenden,

trage en innig. Ze liet haar hoofd nadien neerzijgen op zijnen schouder,

en haar warme asem fleerde matelijk langs zijn blooten hals.

De zonne, van uit de vierkante vensterruitjes, stortte in lichtende

tichels op den vloer en zijpelde om hunne borsten, lager wegklaterend

over hunne knieën. Op de geheven tjoppekens van Goedele's schoenen,

tikkelde een leutige straal en spetste er veelvoudig uiteen.

Ze zwegen. Her geraakte hier de schoone peiselijkheid van vroeger, en

vertrouwelijk schoven allentwege de welriekende luchten. 't Was de

bedwelming van te voren, en ze voelden zich wegglijden, weerloos en

gedwee, binstdat korter hun boezem opzwol. 't Was terug de liefelijke,

al-beheerschende stilte, de gulden stilte, waarlangs hunne gevoelens

ommezweefden en nevenseen overentweere wiegden, beladen met de weelde

hunner passie.

Een logge wagen reed over de strate voorbij en traagzaam verwijderde

zijn rollende wielrammeling. Ze luisterden er naar, eerst teenemaal

omdaan door de zware geluiden, naderhand volgende met nauwkeurige

zorgelijkheid het verre lawaai, tot heel wijd het dooddoedelde--endelijk

dood.... Hunne gespannen aandacht was meegegaan, en nu waren ze precies

in een groote leegte alleen gebleven. Maar des te inniger voelden ze

seffens malkanders armen en malkanders lauwte. Te gare rokken zich hunne

spieren en de struische drift steeg in hunne leden, met den rapperen

klop van hun bloed. Goedele's lippen taakten zijne lippen en een warme

nattigheid baadde hare oogen. Ze stamelde:

--Hebt ge mij nog lief ... nog ganschelijk lief?

--Eeuwig....

Hunne wimpers trilden en vielen toe....

Dus was weergekomen, zonder genade, de heerschappij van hunne liefde.

In Goedele en haperde geen aarzeling meer. Ze geraakte in vroolijke

stemming, drevelde om de kamer, schikte entwat, dat van zijn plaatse was

verschoven, en toonde zich buitengewoon opgeruimd. Getweeën waren ze

nadien luid-lachend aan het spelen, malkander treiterend of kriebelend

of peensend.

Nabij den noene stond Goedele beteuterd naar 't horloge te kijken.

--'t Is tijd!...

Ze zuchtte 't bijkans. Johannes zei dat ook hij weg moest naar zijn

atelier, en verwonderde zich dat de voormiddag zoo ijlings verloopen

was. Goedele vroeg:

--Naar uw atelier?

--Ja.

--Ik ga mee!

't Was zoo een plotselijke gril, en ze had ook nooit aan dat atelier

gedacht. 't Was nu eene gelegenheid om eens alles af te zien en die

onbekende kunst te benaderen.

Ze merkte meteen hoe Johannes subiet heel bleek werd. Een groote angst

beknelde haar en ze wist niet meer wat zeggen. Hij bedwong zijne

aandoening en kwam haar zoetekens omarmen, fluisterend:

--Dat ware wel aardig. Maar hoe komt ge daarop, nu juist, ten vollen

noentijde? Saam dien grooten weg doen, in 't zicht misschien van bekende

menschen....

--Ge kunt vooraan loopen. Straks vind ik u ginder.

--Ja, zoo is 't goed....

Ze hervatte zich seffens. Haar voorstel kwam haar dom voor, omdat hij 't

zoo gul wilde aannemen. In hare hersens was, op dat éene oogenblik, de

foltering gedrongen van wantrouw en jaloerschheid, en zoo verzinde ze nu

een oolijke maniere om spijze te geven aan hare leelijke

nieuwsgierigheid. Ze viel hem in de rede:

--Neen!

--Wat nog, lieve? Wilt ge u blootstellen aan de kwaadwilligheid van een

praatzieke wereld? Zou 't niet onverstandig wezen, als we nu, na zoo

veel voorzorgen, bij klaren dage onvoorzichtig gingen te werk gaan?

--Ik ga mee....

Ze was koppig, lijk ze thuis koppig was. Ze voelde dat hij haar niet

geerne meenam en dat een reden daarvoor bestond, die buiten haar zinnen

reikte. Had hij haar iets te verbergen? Zijn atelier lag eenzaam

kantewaarts de stad, een groot houten ding met populieren eromme. Wat

kon hij daar bergen, dat ze niet zien mocht? Hij was bleek geworden. Hij

kon nu zeggen alle mogelijke sluwheidjes, ze zou gaan met hem en met hem

den drempel beterten.

Hij kuste haar. Hij lispelde:

--Wat zijt ge koud!

Hij wreef over haar voorhoofd en streek trage heur haar zijlings weg.

Hij bad streelend dat ze eens deugdelijk lachen zou en den rimpel langs

haren mond doen wegzakken. Hij begreep niets van hare handelwijze,

beweerde hij, en hij deed alle mogelijk gevlei om haar op te wekken.

Hij vroeg endelijk:

--Maar wat meent ge?

Ze staarde heel diep in zijne oogen, tastte er naar gedoken gepeinzen,

en trage sprak ze:

--Wat meent ... gij?

Hij werd ongeduldig, duwde koortsig zijn hoed op zijn hoofd, tort lastig

over het tapijt, van end tot end, en bleef daarna stokkestijf

rechtestaan.

--Nu dan.... Kom!

Goedele bibberde van ongedurigheid, binstdat ze zich aanschikte. Ze

verlieten zwijgend het huizeken en stapten nevenseen, zwijgend, langs de

straat.

't Was ijverig noenbedrijf in de stad. Haastig te rote dretsten voorbij

de langhalzige fabriekwroeters. Matelijk scherrebeende hun beenderig

lijf naar voren, en erlangs wapperde in gelijke schokjes hun

blauw-katoenen veste. De meisjes taterden ondereen en een lach schaterde

altemets boven hun beweeglijk groepje, terwijl even opstraalde de

bleekte van die gezichten alteenegaar. Oude sukkeleers hinkepatjinkten

achterna, bezeerd door 't zware geweld van de zonne, en ze kromden hun

rugge om 't vuur van haar hevig gestraal te ontweren. Jonge guiten, met

witte kaakjes bevuild door den damp, joepten van links naar rechts, druk

bezig met rap gespeel. In hooger wijken was 't, bezij de eenvervige

huizen, de moede gang van beambten, verslonden in dagbladlectuur, of de

fiere prontigheid van anemieke winkeljuffertjes....

Goedele drilde daar midden in zonder spreken. Door hare hersens

slingerden verwarde gedachten, en ze liet ze seffens los om nieuwe vaste

te houden. Hoeverre was alweer de zoete vredigheid! Lijk gisteren, lijk

ten uchtend was ze aan pijnlijke onzekerheid overgelaten. Romaan had

zich verwijderd van haar. Ze vreesde het ergste, tegenwoordig. Maar, hoe

ze ook een vermoedelijk feit uit Johannes' zonderlinge manieren trachtte

af te leiden, ze stond altijd ten slotte vóor een vrage te weifelen, en

ze maakte haar geest uitermatelijk moe.

--Wat moet ik vreezen?

Ze vreesde het ergste. Johannes blikte bijwijlen zijlings naar haar, en

als hij hare oogen taakte, lachte hij stille. Ze voelde echter, al

leuterde dan seffens een versche rustigheid in haar, dat hij zijn wezen

tot een vriendelijk masker dwong. En seffens vreesde zij 't ergste.

Ze wist niet wat het ergste kon zijn. Holderdebolder wirrelden hare

angsten door mekaar, kleine en groote. Wat grondelijk het allergrootste

ongeluk zou zijn, wist ze zich niet voor te stellen. Alzoo was ze

gedurig haar bangheid aan 't overdrijven door zotte sprongen van hare

inbeelding.

Als ginder, tenden de laatste straten, de populieren, met gulden licht

beklaterd, zichtbaar werden rondom 't atelier, vertraagde johannes

zijnen gang en kwam dichter nevens haar zijn stap meten op den haren.

Zonder opkijken vroeg hij of ze reeds een schildersatelier gezien had.

Ze schudde ontkennend haar hoofd. Ze vond het akelig dat hij nu een

lange beschrijving van 't kunstenaarsleven haar ontvouwde. Hij had daar

over nooit gesproken. Hij zei:

--Artiesten zijn wanordelijk.

Was hij zich aan 't verontschuldigen omtrent wanorde? Goedele kreeg

versch vertrouwen en minder hijgde ze, als hij de hooge poorte

opendraaide.

Ze stonden in een kleine kamer. Hij zette zich neer in een sofa en

bekeek haar lange, zonder spreken. Als een pale bleef ze rechte en haast

kleurloos waren hare lippen geworden. Hij wenkte dat ze naderen zou en

naast hem rusten een stondeken. Zij en roerde niet. Alles was haar hier

danig vreemd. Was deze plaats door dezelfde hand geschikt, die, ginds in

het huizeke, zoo brooze en subtiel te werke was gegaan. Hoe somber was

hier alles aangesteld. Bronzen beelden reikten tallenkant hopelooze

armen en de muren waren bespookt met nare gezichten. Ze kon zich niet

inbeelden dat tusschen al dees donkere schimmen, langs al die diepten

van kleuren en heimelijke lichten, Johannes verbleef. Maar ze zei niets.

Ze wachtte. Hij sprak:

--Zijt ge nu voldaan, lieve?

Ze wachtte tot hij haar de groote werkzaal zou toogen. Ze was veerdig

voor alle verwonderingen en ze bleef staan, roerloos en pal. In de halve

duisternisse klaarde sterkelijk op hare matte bleekte. Ameye boog

langzaam zijn hoofd en zonk weg in verre gepeins.

Geen minste gerucht bewoog. Op het schouwblad rustte een dood uurwerk.

Bezij de deur hing een hoop kleeren en, ernevens, op een hoog tafelken,

dorde een bloemtuil. Goedele voelde hier de moeheid van leven....

Johannes rechtte zich meteen en vatte hare hand. Hij bad:

--Geef me een zoen.

Ze lengde haren hals onsierlijk uit en kuste hem. Dan hief hij een

grauwe gordijn omhooge en leidde haar binnen.

Het atelier schaterde in 't volle noenevuur. Op den drempel aarzelde

Goedele bezeerd door 't felle licht, en de groote ruimte, die in deze

zaal zoo machtig was, beknelde haar een oogenblik. Ze asemde zwaar en

tort onvaste naar voren.

Van tallenkante keken de schilderijen naar heur. Ze schemerden vóor hare

oogen, landschappen en binnenhuizen, àl verven van veranderlijk

getintel, scherp omvat in gulden lijsten. 't Fonkelde onder mekaar. Ze

trachtte zachte te glimlachen, omdat nu hare angstigheid verdwenen was

en ze daar algelijk te rillen stond. Ze fluisterde, zich wendend naar

Johannes:

--Wat doe'k dwaas, he?

Maar seffens ontstelde ze en onwillekeurig wankte. Ze reikte hare hand

naar ginds, waar hoofdzakelijk een weelderig beeld opglansde, en stapte

meteen, stijf en precies automatisch, er naartoe. In een toeten van hare

ooren, hoorde ze Johannes, achter haar, zeggen:

--'t Is Mariëtte.... Ik had u dat portret beloofd.

Mariëtte! Ja, zoo was in waarheid Mariëtte! Mariëtte, half naakt in een

weelde van blauwe zijde en thee-rozig fluweel, een wulpsche Mariëtte met

natte lippen en min-zware oogleden. Ze murmelde:

--Mariëtte...?

Zoo moest Mariëtte zijn--een lijf van rijke blankheid, ongedekt en

onverlegen, schoon en krachtig. Hare handen waren lijk de streeling

zelve van de liefde en zoo djentelijk en lichte lagen daar hare

vingeren, alsof ze alleen den last van zoenen zouden dragen. Haar hals

verhief zich, ten-halve gebogen, en de blauwe schaduw van de kinne

teekende nog vaster de heerlijke golving ervan. Daaronder praalde de

onbevlekte effenheid van haren boezem, opbultend zonder geweld, en

donzig als perzikrijpte. Bedwelmend was haar gansche aangezicht,

verlicht, boven den blos der wangen, door 't geheimzinnig gestraal van

wonderbare blikken.

Zoo was Mariëtte wel.... Maar wat somberde ommendom de donkere glimming

van bruine haren? Mariëtte moest blond zijn. Goedele kreeg hoofdpijn en

ze bracht haar zakdoek over hare oogen. Weer keek ze naar het tooverig

beeld.

--Is dat ... Mariëtte...?

Ze merkte boven de lijst een rankje droog hulstgroen en ze meende dat ze

nu weenen zou. Al luider tuitten hare ooren. Ze voelde in deze Mariëtte

de weergave van heur eigen wezen. Dat waren _hare_ leden, dat was _haar_

gelaat, bedorven en verschoond in bovenmatigen minnehandel. Dat was

_haar_ portret, de realiteit van haar verzonken bestaan, iets, dat zij

had gedaan in gedachten en gebaren, en dat door Johannes ten geheele

tastelijk was gemaakt. Ze raakte er de volledige voorstelling van haren

val, en 't zicht ervan begon haar te walgen, al leefde nog zoo schoone

daar, in doorslepen kunst van kleuren en schakeeringen, gansch hare

liefde. Was 't dan die liefde zelve, die haar walgen deed?

Ze haperde met bevende blikken langs het takje hulstgroen en vluchtig

zag ze in haren geest den drempel, waar 't eens was neergevallen.

Duidelijk herklonk om haar het verre lied:

Ah! mosieu le capucin,

T'as d'la veine,

T'as d'la veine!...

't Was Mariëtte! En hier was nu Mariëtte in onveranderlijke afbeelding

aanwezig, met alles, wat zij, Goedele, nadien geworden was....

Ze dorst zich niet ommewenden naar Ameye. 't Docht haar dat ze walgelijk

deed, en een zeerdoende schaamte neep om hare slapen. Ze woonde aldus

bij, zonder hulp, de pijnlijke verbrokkeling van al wat zoo geweldig

haar verlangen en hare passie uitmaakte. Ze voelde 't heel duidelijk,

vermits al meer en meer haar geest vergrijsde in de algemeene

harrewarrije van tinten en klaarten. Ze beet dan op hare lippen om niet

te lore in hopeloos gesnik los te bersten. Dat was nog de kracht van

hare eigenliefde.

Hij toetste haar en ze huiverde.

--Ge zijt zoo bleek....

Hij wilde haar omarmen en de emotie wegkussen, die zichtbaar was op haar

gelaat. Zachte weerde ze zijne handen af, die haar niet liefderijk meer

waren en wier streeling een smertelijke foltering geworden was. Ze

voelde wel dat ze bedaren zou, en in versche geuten schoot naar heur

hoofd de bedwelmende zekerheid dat ze door dwaze gevoelerigheid

aangetast was. Ze had willen in een diepe donkerte gansch alleene zijn

en stille.

Hij sprak niet meer en droeve volgde met angstige oogen haar minste

gebaren. Als hij zag dat ze bevend haar arm uitreikte, midden de

plaatse, naar een besluierde schilderij, zakte moedeloos zijn hoofd op

zijne borste. Zonder roeren stond ze, haar vinger gestadig naar 't

geheimzinnige doek gericht. Hij tort langzaam vooruit en deed de zwarte

vool vallen.

Uit een duisteren achtergrond drong vlak naar voren, met intense

uitdrukking, 't gezichte van een vrouw en 't blonde koppeken van een

kindje. De vrouw en bezag het kindje niet, en ook het kindje keek niet

op naar zijne moeder. Ze stegen uit de grauwe duisternis, die schemerde

achteraan, en ze staarden, over de gulden lijst, rechte vooruit. Niets

was hier bestaande dan deze gezichten: hunne lijven, somber bekleed,

vielen weg in de schaduwen ommendom, maar geweldig sprongen uitwaarts de

bleekheid van de vrouw en de zoetige blondheid van het kindje. Eene

groot-menschelijke schoonheid lag droomend om 't gelaat van de moeder:

rijzekens ingevallen waren hare wangen en een kleine diepte blauwde

onder de slapen, maar sierlijk was de vorm van haar gansche wezen. De

effene blankheid van haar voorhoofd straalde hevig onder de warme verve

van heur vaste haar en een klaarte omlijnde de regelmatige buiging van

haar neuze. Lichtelijk beschaduwd was haar bovenlip, binstdat de ronde

kinne onderaan in halve helderheid optinkelde, en te midden rijp-rozig

praalde, in strengen neergang, haar fijne mond.

Deze vrouw was niet schoon door uiterlijke schoonheid, maar

diep-menschelijk was ze, en schoon daardoor. Een onzeggelijke droefenis

verzwaarde hare blikken en ook niet leutig staarde het kindje nevens

haar. 't Was alsof in de grauwte achteraan een onzichtbare

noodlottigheid deze twee tot lijdelijke bezorgdheid doemde, alsof

gedurig een kwaaddoende hand tallenkant over hun hert de smert van leven

deed voelen. Een geheim zweefde om hunne oogen en ze waren lijk

gezichten, die men uit klare vensters meteen verre in den nacht ziet

turen, alwaar ze niets ontwaren kunnen en waar schuilt de komende

gebeurtenis van hun ongeluk.

Een doffe kreet was pijnlijk uit Goedele's keel geroteld. Met éen slag

stortte alles neer, wat haar opjoeg tot zinnelijk leven, en ze was nu

een gebroken wezen, kapot door hem, dien ze boven alles had geliefd. Een

uiterste oproer verwrong hare spieren en ze sprong voorwaarts, naar

Johannes. Ze vatte hem bij zijn arm en al hare krachten hoopte ze opeen

om met hatelijke oogen zijn droeven blik te weerstaan. Ze hijgde en deed

schrikkelijk geweld om haar reutelende woorden over haar tonge te

stooten. Ze hakkelde:

--De moeder van dees kind?... Van dees kind?...

Ze schudde hem en prentte hare nagels in zijn kleeren. Ze wou 't hem

doen uitspreken, uit zijn mond vernemen de waarheid, die ze nooit had

durven aanzien en die nu oprees, vreeslijker dan ze had kunnen

vermoeden. Ze riep:

--Spreek ... maar spreek!

En hij sprak niet. De tijd, die verliep, rukte precies haar vleesch

vaneen.

--Zijt ge niet laf?... De moeder van dees kind.... Ik verzink, ik

verzink, o mijn God!

Ze verlamde meteen en hare vingeren sleerden ontspannen langs zijnen

arm. Met doffer stemme, na een stilte, die in gansch hare lengte de

kracht van het volbracht gevaar begeleidde, sprak ze, schijnbaar

bedaard:

--Zeg me wie deze vrouw is, Johannes.

Hij boog zijn hoofd en zuchtte. Hij vond geen gezegde om haar te

stillen, om haar te troosten, om weer op te wekken in versche

minneweelde haar vernederd hert. Hij zweeg.

--Zeg me--wie, Johannes.

Ze wist het. De droomende treurnisse, die gansch het beeld omlichtte,

die 't kenbaar miek voor haar, Goedele, de gedoken oorzaak van de

treurnisse zelve--'t was allemaal een laaie openbaring. Hare lippen

beefden en rappe stralen fonkelden noesch weg uit hare oogen. Hij zei,

voelend dat haar niets te verbergen meer overbleef:

--Mijne vrouw.

Ze ontving zonder wijken de harde bekentenis. 't Was haar alsof ze

midden puinen stond en allentwege om haar kwam de wijde droefenis, die

nievers een ende zou krijgen. Langzaam keerde ze zich omme en tort,

schokkend bij elken stap, naar de deur. Ze hoorde in 't gezoef, dat haar

hoofd vulde, nog Johannes' gebroken stemme:

--Goedele!... Goedele!...

Ze hief zonder haaste de fluweel en gordijn op, ging het duistere

kamerken door en geraakte op straat. Dan liep ze, recht vóor zich uit,

en zij en dierf niet ommezien. De gezichten der menschen, die haar

voorbijsleerden, waren lijk bleeke vlakten, geruchtloos schuivend in

nattig geluchte. Waar was de zonne? 't Was al grijs en nevelig wat haar

omdeed, en de gezichten doken spokig daarin op, werden groot en spoedden

zich achterwaarts. 't Herklonk een tijdeken als een ver geween:

--Goe-öe-dele!

't Klabetterde tegen de luidelijke beenderen van haren schedel, die als

een holle kasse aan 't ratelen ging....

Moe, afgemat kwam ze thuis aan. Het ijzeren hekken krijschte trage open

en ze viel bijkans voorover. Ze zag Justa en vroeg, verwilderd:

--Zijde gij hier nog?

Ze lei haren hoed op een stoel, en, als ze de gewone dingen hier gewaar

werd, die tafel en die kasse en 't gezellige klavier, stortte hopeloos

haar wee over haar. Vader zat bij 't venster met een kaartspel aan 't

tellen. Zijn grijze krullekop zilverde aardig in 't zijgende licht. Ze

had hem willen kussen.

Hij keek op en verwonderde zich, lachend:

--Ha!... gij....

Hij zette seffens een bedrukt gelaat, lijk iemand die zich meteen

herinnert dat hij treurig moet zijn, en vertelde dat moeder in den

voornoene onder een leelijke geraaktheid was gevallen en dat ze nu zeer

ziek te bedde lag. Goedele liep uitzinnig de trap op.

Voor de eerste maal sinds lange vreesde ze dat moeder lijden mocht, en

in haar verward gemoed klopte 't verwijt--dat ze schuld had aan moeders

lijden. Ze beukte struikelend tegen de deur aan. Ze stapte binnen

paalrechte, gewelddoende om niet omverre te stuiken, en naderde zoo de

sponde. De witte lakens werden een duizelige beweging in hare oogen en

moeders hoofd, dat haast vierkantig op de klare kussens rustte,

beschaduwd door diepe oogholten, schemerde aleens stille weg, om subiet

weer ruw en hard op te bulten.

De aandoening ging uitjagen in Goedele's borst en hare wimpers werden

heet.

Ze stamelde:

--Moeder....

De klank van haar eigen stemme kwam hare emotie overdrijven. Ursule

vroeg:

--Zal hij trouwen?

Trouwen? Goedele zag subiet het povere kamerken van Romaan, waar ze

gedrieën een nieuw geluk bewerkten in liefelijke eendracht. Ze knikte,

niet goed meer wetend wat eigenlijk hare boodschap geweest was.

--Ja.

Ursule in een uiterste poging rechtte zich en zat overend. Haar wezen

werd grauw van ingetogen woede. Ze duwde hare vuisten in haar

hoofdkussen en hare nagels krabden hoorbaar over het gespannen laken.

Ze vroeg op een nieuw, binstdat ze hare lippen, in vreeselijke gramschap,

uitlengde naar Goedele:

--Zal hij--trouwen?

--Ja, moeder.

--Hein?

Ze hijgde en een reuteling rochelde nattig in haar keel. Ze wachtte naar

't herhaalde antwoord en 't was alsof ze tóch hoopte dat het niet zou

herhaald worden.

--Ja....

Een snok rukte haar kinne naar omhooge en terwijl ze achterover

neerzakte, stiet ze met een worp al haar haat, haar wilden, grenzeloozen

haat uit haar boezem--een walg en een grijnzen:

--De hoere!

Haar mond bleef halvelings open.

't Was voor Goedele een verschrikkelijke slag en 't woord hing een

stonde te daveren in 't geluchte. Ze viel op hare knieën, vatte moeders

hand en begon te snikken en te roepen, geen andere uiting meer wetend

voor haar wanhoop, geen hulpe meer vindend in niemand, noch steun in

geen toekomst.

* * * * *

't Bedrijf van den kwade · 第 15 / 19 题