Ze was 's anderendaags vroeg te been. Ursule was nu teenemaal ziek
geworden en kon uit haar bedde niet. Ze deed Goedele bij haar komen en
vroeg zachte, of ze Romaan wou gaan opzoeken en hem uitdrukkelijk vragen
wat hij van zins was.
Goedele ging.
Ze was tevreden dat moeder zelve haar doorzond. Ze liep. Nog nooit had
ze den weg zoo spoedig afgeleid, en, als ze bij Romaan kwam en zijn
bevestigend antwoord ontvangen had, was ze weer gichtig om weg te zijn.
Wat dreef haar? Ze drilde gretig over strate, en haar bloed joeg forsig
ommedom.
Op de brugge bleef ze een wijlken in onzekerheid staan. Hare blikken
volgden 't zonnig geklots van het water, waarin donkerend wegkronkelde
de schaduw van een bootje. Hare kaken bloosden. Ze hoorde om haar 't
bedwelmend rumoer van de ijverige stad en voelde, van weerskanten haar
lijf, den haastigen gang der menschen. Even aarzelde ze nog....
Ze liep nu weeral. Ze smeet haar hoofd achterover in wild gebaar. Hare
voeten klepperden vluggelings over de kasseide, en tegen haar voorhoofd
sloeg gedurig 't schoone geweld van de zonne. Ze draafde voorwaarts,
kleintrippelend, steegjen in en steegjen uit. De warmte, die langs hare
leden opklom, deed haar deugd en ze glimlachte haast, al werend de zoete
straling af, die neerpletselde uit den ronden hemel.
Ze stond meteen vóór 't kleine huizeken. 't Was de gewone stonde.
Zou Johannes wachten op haar.
Ze had den sleutel niet bij! Zoo lange dagen had ze in folterende
angstigheid en koppig dwaas gedoe haar liefde verwaarloosd, en ze
vreesde dat Johannes, moe van wachten, 't opgegeven had. Ze klopte.
Subiet schoof 't deurken open en hij stond daar, met gulzige blijdschap
haar ontvangend. Hij leidde haar binnen, ontdeed haar van haar hoed en
drukte haar sterkelijk tegen zijn borste. Hij en had geen verwijt. Hij
bloosde van geluk. Hij en vroeg niet waar zij zoo al met een keer
verwijld had, zonder verwittigen, en zijn blik was klaar, open, vol van
zijne al-vergoedende liefde. Ze meende toch, beschaamd tegenover al
zijne kieschheid, dat ze hem een uitlegging schuldig was, en ze haperde
in ingewikkelde gezegden. Ze zette zich neer op zijnen schoot en omvatte
zijn hoofd. Ze fluisterde:
--Ik ben stout geweest....
Hij kuste op hare lippen de ongemakkelijke woorden weg. Hare vingeren
schoven streelend langs zijne slapen en sleerden door zijn haar. En ze
zei:
--Ja--stout, en ondankbaar.... Och, weet ik nog wat er gebeurd is?
Kijk me eens aan.... Ligt er ievers een leelijk speur in mijne oogen?
--Zwijg, lieve. Mij zie 'k dáar in een sterreken....
--Ge zijt goed. Wanneer was ik laatst bij u? Een eeuw is 't geleden.
--Een eeuw, ja....
--Herinnert ge u nog mij?
--Deugniet, die me lief zijt!
Hij lachte luid. Maar Goedele, in zwakke aandoening, voelde haar herte
week worden. Het docht haar dat ze nooit dieper hare liefde gewaar was
geworden dan nu. Ze zei, met bevende stemme, dat hij zekerlijk boos
geweest was op haar.
--En nu ziet ge mij minder geerne. Ik merke 't aan mijn eigen. Zoo
machtig woelde in mij uw beeld. Ik hebbe schuld, Johannes. Waarom zegt
ge niet dat ik schuld hebbe? 't Is dat kleiner mijne schuld is in uwe
gepeinzen, wijl kleiner uw liefde is geworden....
--Nu wordt ge schuldig, in waarheid.
Hij antwoordde heel ernstig, en ze bleven een langen tijd sprakeloos
turen in malkanders wezen, tot weer hunne lippen te gare zich vereenden,
trage en innig. Ze liet haar hoofd nadien neerzijgen op zijnen schouder,
en haar warme asem fleerde matelijk langs zijn blooten hals.
De zonne, van uit de vierkante vensterruitjes, stortte in lichtende
tichels op den vloer en zijpelde om hunne borsten, lager wegklaterend
over hunne knieën. Op de geheven tjoppekens van Goedele's schoenen,
tikkelde een leutige straal en spetste er veelvoudig uiteen.
Ze zwegen. Her geraakte hier de schoone peiselijkheid van vroeger, en
vertrouwelijk schoven allentwege de welriekende luchten. 't Was de
bedwelming van te voren, en ze voelden zich wegglijden, weerloos en
gedwee, binstdat korter hun boezem opzwol. 't Was terug de liefelijke,
al-beheerschende stilte, de gulden stilte, waarlangs hunne gevoelens
ommezweefden en nevenseen overentweere wiegden, beladen met de weelde
hunner passie.
Een logge wagen reed over de strate voorbij en traagzaam verwijderde
zijn rollende wielrammeling. Ze luisterden er naar, eerst teenemaal
omdaan door de zware geluiden, naderhand volgende met nauwkeurige
zorgelijkheid het verre lawaai, tot heel wijd het dooddoedelde--endelijk
dood.... Hunne gespannen aandacht was meegegaan, en nu waren ze precies
in een groote leegte alleen gebleven. Maar des te inniger voelden ze
seffens malkanders armen en malkanders lauwte. Te gare rokken zich hunne
spieren en de struische drift steeg in hunne leden, met den rapperen
klop van hun bloed. Goedele's lippen taakten zijne lippen en een warme
nattigheid baadde hare oogen. Ze stamelde:
--Hebt ge mij nog lief ... nog ganschelijk lief?
--Eeuwig....
Hunne wimpers trilden en vielen toe....
Dus was weergekomen, zonder genade, de heerschappij van hunne liefde.
In Goedele en haperde geen aarzeling meer. Ze geraakte in vroolijke
stemming, drevelde om de kamer, schikte entwat, dat van zijn plaatse was
verschoven, en toonde zich buitengewoon opgeruimd. Getweeën waren ze
nadien luid-lachend aan het spelen, malkander treiterend of kriebelend
of peensend.
Nabij den noene stond Goedele beteuterd naar 't horloge te kijken.
--'t Is tijd!...
Ze zuchtte 't bijkans. Johannes zei dat ook hij weg moest naar zijn
atelier, en verwonderde zich dat de voormiddag zoo ijlings verloopen
was. Goedele vroeg:
--Naar uw atelier?
--Ja.
--Ik ga mee!
't Was zoo een plotselijke gril, en ze had ook nooit aan dat atelier
gedacht. 't Was nu eene gelegenheid om eens alles af te zien en die
onbekende kunst te benaderen.
Ze merkte meteen hoe Johannes subiet heel bleek werd. Een groote angst
beknelde haar en ze wist niet meer wat zeggen. Hij bedwong zijne
aandoening en kwam haar zoetekens omarmen, fluisterend:
--Dat ware wel aardig. Maar hoe komt ge daarop, nu juist, ten vollen
noentijde? Saam dien grooten weg doen, in 't zicht misschien van bekende
menschen....
--Ge kunt vooraan loopen. Straks vind ik u ginder.
--Ja, zoo is 't goed....
Ze hervatte zich seffens. Haar voorstel kwam haar dom voor, omdat hij 't
zoo gul wilde aannemen. In hare hersens was, op dat éene oogenblik, de
foltering gedrongen van wantrouw en jaloerschheid, en zoo verzinde ze nu
een oolijke maniere om spijze te geven aan hare leelijke
nieuwsgierigheid. Ze viel hem in de rede:
--Neen!
--Wat nog, lieve? Wilt ge u blootstellen aan de kwaadwilligheid van een
praatzieke wereld? Zou 't niet onverstandig wezen, als we nu, na zoo
veel voorzorgen, bij klaren dage onvoorzichtig gingen te werk gaan?
--Ik ga mee....
Ze was koppig, lijk ze thuis koppig was. Ze voelde dat hij haar niet
geerne meenam en dat een reden daarvoor bestond, die buiten haar zinnen
reikte. Had hij haar iets te verbergen? Zijn atelier lag eenzaam
kantewaarts de stad, een groot houten ding met populieren eromme. Wat
kon hij daar bergen, dat ze niet zien mocht? Hij was bleek geworden. Hij
kon nu zeggen alle mogelijke sluwheidjes, ze zou gaan met hem en met hem
den drempel beterten.
Hij kuste haar. Hij lispelde:
--Wat zijt ge koud!
Hij wreef over haar voorhoofd en streek trage heur haar zijlings weg.
Hij bad streelend dat ze eens deugdelijk lachen zou en den rimpel langs
haren mond doen wegzakken. Hij begreep niets van hare handelwijze,
beweerde hij, en hij deed alle mogelijk gevlei om haar op te wekken.
Hij vroeg endelijk:
--Maar wat meent ge?
Ze staarde heel diep in zijne oogen, tastte er naar gedoken gepeinzen,
en trage sprak ze:
--Wat meent ... gij?
Hij werd ongeduldig, duwde koortsig zijn hoed op zijn hoofd, tort lastig
over het tapijt, van end tot end, en bleef daarna stokkestijf
rechtestaan.
--Nu dan.... Kom!
Goedele bibberde van ongedurigheid, binstdat ze zich aanschikte. Ze
verlieten zwijgend het huizeken en stapten nevenseen, zwijgend, langs de
straat.
't Was ijverig noenbedrijf in de stad. Haastig te rote dretsten voorbij
de langhalzige fabriekwroeters. Matelijk scherrebeende hun beenderig
lijf naar voren, en erlangs wapperde in gelijke schokjes hun
blauw-katoenen veste. De meisjes taterden ondereen en een lach schaterde
altemets boven hun beweeglijk groepje, terwijl even opstraalde de
bleekte van die gezichten alteenegaar. Oude sukkeleers hinkepatjinkten
achterna, bezeerd door 't zware geweld van de zonne, en ze kromden hun
rugge om 't vuur van haar hevig gestraal te ontweren. Jonge guiten, met
witte kaakjes bevuild door den damp, joepten van links naar rechts, druk
bezig met rap gespeel. In hooger wijken was 't, bezij de eenvervige
huizen, de moede gang van beambten, verslonden in dagbladlectuur, of de
fiere prontigheid van anemieke winkeljuffertjes....
Goedele drilde daar midden in zonder spreken. Door hare hersens
slingerden verwarde gedachten, en ze liet ze seffens los om nieuwe vaste
te houden. Hoeverre was alweer de zoete vredigheid! Lijk gisteren, lijk
ten uchtend was ze aan pijnlijke onzekerheid overgelaten. Romaan had
zich verwijderd van haar. Ze vreesde het ergste, tegenwoordig. Maar, hoe
ze ook een vermoedelijk feit uit Johannes' zonderlinge manieren trachtte
af te leiden, ze stond altijd ten slotte vóor een vrage te weifelen, en
ze maakte haar geest uitermatelijk moe.
--Wat moet ik vreezen?
Ze vreesde het ergste. Johannes blikte bijwijlen zijlings naar haar, en
als hij hare oogen taakte, lachte hij stille. Ze voelde echter, al
leuterde dan seffens een versche rustigheid in haar, dat hij zijn wezen
tot een vriendelijk masker dwong. En seffens vreesde zij 't ergste.
Ze wist niet wat het ergste kon zijn. Holderdebolder wirrelden hare
angsten door mekaar, kleine en groote. Wat grondelijk het allergrootste
ongeluk zou zijn, wist ze zich niet voor te stellen. Alzoo was ze
gedurig haar bangheid aan 't overdrijven door zotte sprongen van hare
inbeelding.
Als ginder, tenden de laatste straten, de populieren, met gulden licht
beklaterd, zichtbaar werden rondom 't atelier, vertraagde johannes
zijnen gang en kwam dichter nevens haar zijn stap meten op den haren.
Zonder opkijken vroeg hij of ze reeds een schildersatelier gezien had.
Ze schudde ontkennend haar hoofd. Ze vond het akelig dat hij nu een
lange beschrijving van 't kunstenaarsleven haar ontvouwde. Hij had daar
over nooit gesproken. Hij zei:
--Artiesten zijn wanordelijk.
Was hij zich aan 't verontschuldigen omtrent wanorde? Goedele kreeg
versch vertrouwen en minder hijgde ze, als hij de hooge poorte
opendraaide.
Ze stonden in een kleine kamer. Hij zette zich neer in een sofa en
bekeek haar lange, zonder spreken. Als een pale bleef ze rechte en haast
kleurloos waren hare lippen geworden. Hij wenkte dat ze naderen zou en
naast hem rusten een stondeken. Zij en roerde niet. Alles was haar hier
danig vreemd. Was deze plaats door dezelfde hand geschikt, die, ginds in
het huizeke, zoo brooze en subtiel te werke was gegaan. Hoe somber was
hier alles aangesteld. Bronzen beelden reikten tallenkant hopelooze
armen en de muren waren bespookt met nare gezichten. Ze kon zich niet
inbeelden dat tusschen al dees donkere schimmen, langs al die diepten
van kleuren en heimelijke lichten, Johannes verbleef. Maar ze zei niets.
Ze wachtte. Hij sprak:
--Zijt ge nu voldaan, lieve?
Ze wachtte tot hij haar de groote werkzaal zou toogen. Ze was veerdig
voor alle verwonderingen en ze bleef staan, roerloos en pal. In de halve
duisternisse klaarde sterkelijk op hare matte bleekte. Ameye boog
langzaam zijn hoofd en zonk weg in verre gepeins.
Geen minste gerucht bewoog. Op het schouwblad rustte een dood uurwerk.
Bezij de deur hing een hoop kleeren en, ernevens, op een hoog tafelken,
dorde een bloemtuil. Goedele voelde hier de moeheid van leven....
Johannes rechtte zich meteen en vatte hare hand. Hij bad:
--Geef me een zoen.
Ze lengde haren hals onsierlijk uit en kuste hem. Dan hief hij een
grauwe gordijn omhooge en leidde haar binnen.
Het atelier schaterde in 't volle noenevuur. Op den drempel aarzelde
Goedele bezeerd door 't felle licht, en de groote ruimte, die in deze
zaal zoo machtig was, beknelde haar een oogenblik. Ze asemde zwaar en
tort onvaste naar voren.
Van tallenkante keken de schilderijen naar heur. Ze schemerden vóor hare
oogen, landschappen en binnenhuizen, àl verven van veranderlijk
getintel, scherp omvat in gulden lijsten. 't Fonkelde onder mekaar. Ze
trachtte zachte te glimlachen, omdat nu hare angstigheid verdwenen was
en ze daar algelijk te rillen stond. Ze fluisterde, zich wendend naar
Johannes:
--Wat doe'k dwaas, he?
Maar seffens ontstelde ze en onwillekeurig wankte. Ze reikte hare hand
naar ginds, waar hoofdzakelijk een weelderig beeld opglansde, en stapte
meteen, stijf en precies automatisch, er naartoe. In een toeten van hare
ooren, hoorde ze Johannes, achter haar, zeggen:
--'t Is Mariëtte.... Ik had u dat portret beloofd.
Mariëtte! Ja, zoo was in waarheid Mariëtte! Mariëtte, half naakt in een
weelde van blauwe zijde en thee-rozig fluweel, een wulpsche Mariëtte met
natte lippen en min-zware oogleden. Ze murmelde:
--Mariëtte...?
Zoo moest Mariëtte zijn--een lijf van rijke blankheid, ongedekt en
onverlegen, schoon en krachtig. Hare handen waren lijk de streeling
zelve van de liefde en zoo djentelijk en lichte lagen daar hare
vingeren, alsof ze alleen den last van zoenen zouden dragen. Haar hals
verhief zich, ten-halve gebogen, en de blauwe schaduw van de kinne
teekende nog vaster de heerlijke golving ervan. Daaronder praalde de
onbevlekte effenheid van haren boezem, opbultend zonder geweld, en
donzig als perzikrijpte. Bedwelmend was haar gansche aangezicht,
verlicht, boven den blos der wangen, door 't geheimzinnig gestraal van
wonderbare blikken.
Zoo was Mariëtte wel.... Maar wat somberde ommendom de donkere glimming
van bruine haren? Mariëtte moest blond zijn. Goedele kreeg hoofdpijn en
ze bracht haar zakdoek over hare oogen. Weer keek ze naar het tooverig
beeld.
--Is dat ... Mariëtte...?
Ze merkte boven de lijst een rankje droog hulstgroen en ze meende dat ze
nu weenen zou. Al luider tuitten hare ooren. Ze voelde in deze Mariëtte
de weergave van heur eigen wezen. Dat waren _hare_ leden, dat was _haar_
gelaat, bedorven en verschoond in bovenmatigen minnehandel. Dat was
_haar_ portret, de realiteit van haar verzonken bestaan, iets, dat zij
had gedaan in gedachten en gebaren, en dat door Johannes ten geheele
tastelijk was gemaakt. Ze raakte er de volledige voorstelling van haren
val, en 't zicht ervan begon haar te walgen, al leefde nog zoo schoone
daar, in doorslepen kunst van kleuren en schakeeringen, gansch hare
liefde. Was 't dan die liefde zelve, die haar walgen deed?
Ze haperde met bevende blikken langs het takje hulstgroen en vluchtig
zag ze in haren geest den drempel, waar 't eens was neergevallen.
Duidelijk herklonk om haar het verre lied:
Ah! mosieu le capucin,
T'as d'la veine,
T'as d'la veine!...
't Was Mariëtte! En hier was nu Mariëtte in onveranderlijke afbeelding
aanwezig, met alles, wat zij, Goedele, nadien geworden was....
Ze dorst zich niet ommewenden naar Ameye. 't Docht haar dat ze walgelijk
deed, en een zeerdoende schaamte neep om hare slapen. Ze woonde aldus
bij, zonder hulp, de pijnlijke verbrokkeling van al wat zoo geweldig
haar verlangen en hare passie uitmaakte. Ze voelde 't heel duidelijk,
vermits al meer en meer haar geest vergrijsde in de algemeene
harrewarrije van tinten en klaarten. Ze beet dan op hare lippen om niet
te lore in hopeloos gesnik los te bersten. Dat was nog de kracht van
hare eigenliefde.
Hij toetste haar en ze huiverde.
--Ge zijt zoo bleek....
Hij wilde haar omarmen en de emotie wegkussen, die zichtbaar was op haar
gelaat. Zachte weerde ze zijne handen af, die haar niet liefderijk meer
waren en wier streeling een smertelijke foltering geworden was. Ze
voelde wel dat ze bedaren zou, en in versche geuten schoot naar heur
hoofd de bedwelmende zekerheid dat ze door dwaze gevoelerigheid
aangetast was. Ze had willen in een diepe donkerte gansch alleene zijn
en stille.
Hij sprak niet meer en droeve volgde met angstige oogen haar minste
gebaren. Als hij zag dat ze bevend haar arm uitreikte, midden de
plaatse, naar een besluierde schilderij, zakte moedeloos zijn hoofd op
zijne borste. Zonder roeren stond ze, haar vinger gestadig naar 't
geheimzinnige doek gericht. Hij tort langzaam vooruit en deed de zwarte
vool vallen.
Uit een duisteren achtergrond drong vlak naar voren, met intense
uitdrukking, 't gezichte van een vrouw en 't blonde koppeken van een
kindje. De vrouw en bezag het kindje niet, en ook het kindje keek niet
op naar zijne moeder. Ze stegen uit de grauwe duisternis, die schemerde
achteraan, en ze staarden, over de gulden lijst, rechte vooruit. Niets
was hier bestaande dan deze gezichten: hunne lijven, somber bekleed,
vielen weg in de schaduwen ommendom, maar geweldig sprongen uitwaarts de
bleekheid van de vrouw en de zoetige blondheid van het kindje. Eene
groot-menschelijke schoonheid lag droomend om 't gelaat van de moeder:
rijzekens ingevallen waren hare wangen en een kleine diepte blauwde
onder de slapen, maar sierlijk was de vorm van haar gansche wezen. De
effene blankheid van haar voorhoofd straalde hevig onder de warme verve
van heur vaste haar en een klaarte omlijnde de regelmatige buiging van
haar neuze. Lichtelijk beschaduwd was haar bovenlip, binstdat de ronde
kinne onderaan in halve helderheid optinkelde, en te midden rijp-rozig
praalde, in strengen neergang, haar fijne mond.
Deze vrouw was niet schoon door uiterlijke schoonheid, maar
diep-menschelijk was ze, en schoon daardoor. Een onzeggelijke droefenis
verzwaarde hare blikken en ook niet leutig staarde het kindje nevens
haar. 't Was alsof in de grauwte achteraan een onzichtbare
noodlottigheid deze twee tot lijdelijke bezorgdheid doemde, alsof
gedurig een kwaaddoende hand tallenkant over hun hert de smert van leven
deed voelen. Een geheim zweefde om hunne oogen en ze waren lijk
gezichten, die men uit klare vensters meteen verre in den nacht ziet
turen, alwaar ze niets ontwaren kunnen en waar schuilt de komende
gebeurtenis van hun ongeluk.
Een doffe kreet was pijnlijk uit Goedele's keel geroteld. Met éen slag
stortte alles neer, wat haar opjoeg tot zinnelijk leven, en ze was nu
een gebroken wezen, kapot door hem, dien ze boven alles had geliefd. Een
uiterste oproer verwrong hare spieren en ze sprong voorwaarts, naar
Johannes. Ze vatte hem bij zijn arm en al hare krachten hoopte ze opeen
om met hatelijke oogen zijn droeven blik te weerstaan. Ze hijgde en deed
schrikkelijk geweld om haar reutelende woorden over haar tonge te
stooten. Ze hakkelde:
--De moeder van dees kind?... Van dees kind?...
Ze schudde hem en prentte hare nagels in zijn kleeren. Ze wou 't hem
doen uitspreken, uit zijn mond vernemen de waarheid, die ze nooit had
durven aanzien en die nu oprees, vreeslijker dan ze had kunnen
vermoeden. Ze riep:
--Spreek ... maar spreek!
En hij sprak niet. De tijd, die verliep, rukte precies haar vleesch
vaneen.
--Zijt ge niet laf?... De moeder van dees kind.... Ik verzink, ik
verzink, o mijn God!
Ze verlamde meteen en hare vingeren sleerden ontspannen langs zijnen
arm. Met doffer stemme, na een stilte, die in gansch hare lengte de
kracht van het volbracht gevaar begeleidde, sprak ze, schijnbaar
bedaard:
--Zeg me wie deze vrouw is, Johannes.
Hij boog zijn hoofd en zuchtte. Hij vond geen gezegde om haar te
stillen, om haar te troosten, om weer op te wekken in versche
minneweelde haar vernederd hert. Hij zweeg.
--Zeg me--wie, Johannes.
Ze wist het. De droomende treurnisse, die gansch het beeld omlichtte,
die 't kenbaar miek voor haar, Goedele, de gedoken oorzaak van de
treurnisse zelve--'t was allemaal een laaie openbaring. Hare lippen
beefden en rappe stralen fonkelden noesch weg uit hare oogen. Hij zei,
voelend dat haar niets te verbergen meer overbleef:
--Mijne vrouw.
Ze ontving zonder wijken de harde bekentenis. 't Was haar alsof ze
midden puinen stond en allentwege om haar kwam de wijde droefenis, die
nievers een ende zou krijgen. Langzaam keerde ze zich omme en tort,
schokkend bij elken stap, naar de deur. Ze hoorde in 't gezoef, dat haar
hoofd vulde, nog Johannes' gebroken stemme:
--Goedele!... Goedele!...
Ze hief zonder haaste de fluweel en gordijn op, ging het duistere
kamerken door en geraakte op straat. Dan liep ze, recht vóor zich uit,
en zij en dierf niet ommezien. De gezichten der menschen, die haar
voorbijsleerden, waren lijk bleeke vlakten, geruchtloos schuivend in
nattig geluchte. Waar was de zonne? 't Was al grijs en nevelig wat haar
omdeed, en de gezichten doken spokig daarin op, werden groot en spoedden
zich achterwaarts. 't Herklonk een tijdeken als een ver geween:
--Goe-öe-dele!
't Klabetterde tegen de luidelijke beenderen van haren schedel, die als
een holle kasse aan 't ratelen ging....
Moe, afgemat kwam ze thuis aan. Het ijzeren hekken krijschte trage open
en ze viel bijkans voorover. Ze zag Justa en vroeg, verwilderd:
--Zijde gij hier nog?
Ze lei haren hoed op een stoel, en, als ze de gewone dingen hier gewaar
werd, die tafel en die kasse en 't gezellige klavier, stortte hopeloos
haar wee over haar. Vader zat bij 't venster met een kaartspel aan 't
tellen. Zijn grijze krullekop zilverde aardig in 't zijgende licht. Ze
had hem willen kussen.
Hij keek op en verwonderde zich, lachend:
--Ha!... gij....
Hij zette seffens een bedrukt gelaat, lijk iemand die zich meteen
herinnert dat hij treurig moet zijn, en vertelde dat moeder in den
voornoene onder een leelijke geraaktheid was gevallen en dat ze nu zeer
ziek te bedde lag. Goedele liep uitzinnig de trap op.
Voor de eerste maal sinds lange vreesde ze dat moeder lijden mocht, en
in haar verward gemoed klopte 't verwijt--dat ze schuld had aan moeders
lijden. Ze beukte struikelend tegen de deur aan. Ze stapte binnen
paalrechte, gewelddoende om niet omverre te stuiken, en naderde zoo de
sponde. De witte lakens werden een duizelige beweging in hare oogen en
moeders hoofd, dat haast vierkantig op de klare kussens rustte,
beschaduwd door diepe oogholten, schemerde aleens stille weg, om subiet
weer ruw en hard op te bulten.
De aandoening ging uitjagen in Goedele's borst en hare wimpers werden
heet.
Ze stamelde:
--Moeder....
De klank van haar eigen stemme kwam hare emotie overdrijven. Ursule
vroeg:
--Zal hij trouwen?
Trouwen? Goedele zag subiet het povere kamerken van Romaan, waar ze
gedrieën een nieuw geluk bewerkten in liefelijke eendracht. Ze knikte,
niet goed meer wetend wat eigenlijk hare boodschap geweest was.
--Ja.
Ursule in een uiterste poging rechtte zich en zat overend. Haar wezen
werd grauw van ingetogen woede. Ze duwde hare vuisten in haar
hoofdkussen en hare nagels krabden hoorbaar over het gespannen laken.
Ze vroeg op een nieuw, binstdat ze hare lippen, in vreeselijke gramschap,
uitlengde naar Goedele:
--Zal hij--trouwen?
--Ja, moeder.
--Hein?
Ze hijgde en een reuteling rochelde nattig in haar keel. Ze wachtte naar
't herhaalde antwoord en 't was alsof ze tóch hoopte dat het niet zou
herhaald worden.
--Ja....
Een snok rukte haar kinne naar omhooge en terwijl ze achterover
neerzakte, stiet ze met een worp al haar haat, haar wilden, grenzeloozen
haat uit haar boezem--een walg en een grijnzen:
--De hoere!
Haar mond bleef halvelings open.
't Was voor Goedele een verschrikkelijke slag en 't woord hing een
stonde te daveren in 't geluchte. Ze viel op hare knieën, vatte moeders
hand en begon te snikken en te roepen, geen andere uiting meer wetend
voor haar wanhoop, geen hulpe meer vindend in niemand, noch steun in
geen toekomst.
* * * * *