XII.

De aanhoudende slagen van 't noodlot hadden gevaarlijk tante Olympe

aangetast en, in haar ouden geest, was ze een dwazen schrik aan 't

voederen. Al wat gebeurd was, al 't leelijke en 't onherroepelijke, vond

een oorzake in den onregelmatigen toestand van Romaan en Madeleen. Ze

schuddebolde en pruttelde al zuchtend:

--Onregelmatig--en zoo lastert gijlie God.

Romaan en hoorde 't meerendeels niet en Madeleen, die geen kwaad

bedreef, en geloofde niet dat ze gestraft moest worden. Tante Olympe's

klagen werd dan ook weinig in acht genomen en Madeleen beperkte zich met

een klein antwoordeken, berustende in de toekomst, die beter zijn zou.

--Ge moet trouwen, zei tante Olympe.

--Dat komt wel ... later, zei Madeleen.

Maar de dagen verliepen in grijs verdriet en tante Olympe broeide hare

angsten. Ze zat nu uren lang, binst den nanoen, te bidden en te peuteren

om de korrels van haren paternoster. Dat en stilde haar niet. Al dieper

en dieper knaagde de oolijke vrees en Ons-lieve-Heerken, dat zij zich

altijd zoete en medelijdend had voorgesteld, werd in hare hersens een

schrikkelijk figuur, een toornig gezichte met wegend verwijt. De oogen

van Ons-lieven-Heerken waren twee vurende karbonkels, zonder deernisse,

zonder barmhertigheid. Die oogen geboden voortdurend:

--Ze moeten trouwen!

En 't was voor tante Olympe een donderend gebod. Ze had schoon te bidden

heele reesems verduldige rozenkransen, ze had schoon de medehulp van

Onze-lieve-Vrouwe in te roepen en de tusschenkomst van den heiligen

Antoon, die in alle omstandigheden zoo braaf en genadig was

geweest--niets baatte. Onophoudelijk hoorde ze 't vreeslijke gebod.

's Nachts kon ze niet slapen. Ze draaide en herdraaide haar mager lijf

onder de sargie, ze dook haar benauwde wezen, ze krinkelde thoope tegen

den muur. Hare lippen prevelden de vele wees-gegroeten en hare vingeren

waren gestadig saam, in vrome houding. Ze had geerne een schoon gebed

verzonnen, zooals er met koude letters in haar kerkboek gedrukt lagen,

maar hare zinnen waren verward en ze zou nooit drij woorden te reke

kunnen dichten. 't Was een haastig wees-gegroet, dat over haren mond

dibberde.

Ze stond heel vroeg op en ging met roode oogen zitten in de keuken.

Wat ze dagelijks 't eerst hoorde, was 't leutig gezang van Mariëtte en

telkens maakte ze algauw een kruisken over haar gelaat en haar borste,

peinzende:

--De zonde is hier tallenkant in huis....

Zij en at bijkans niet meer en Madeleen moest halvelings kijven, om haar

's noenes aan tafel te te krijgen. Zoo werd ze uitermatig zwak en tenden

de Lente kon ze uit haar bedde niet meer.

Romaan, die dat pover bedrijf onachtzaam had bijgewoond, werd nu meteen

getroffen door al dat groote verdriet. Hij kwam op een morgen bij de

sponde staan en nam voorzichtig de beenderige handen van het wijveken.

Hij sprak met aandoening, bad dat ze beteren zou, zich niet laten

weghongeren alzoo en koeragie hebben.

--Koeragie, tante. Ze zuchtte. Ze vroeg:

--Koeragie?

De blosjes, die voortijds zoo liefelijk een verve legden op hare kaken,

waren weggezonken in de algemeene bleekte van heur aangezicht. Ze

stamelde:

--Ik kan niet ... ik kan niet, jongen....

Hij streelde hare vingeren. Hij beweerde dat ze wel kon, als ze zich nu

eens een beetje dwingen wou. Ze moest geen groot geweld doen en haar

eigen niet bezeeren. Alleen toegeven, en redelijk zijn....

--Niet waar, tante?

Ze glimlachte droeve. Ze wist wel dat hij goed was en deugdelijk--maar

ginder hooge spookte de vervaarlijke gramschap van Ons-lieven-Heerken.

Met vreesachtige aarzelingen zei ze 't hem.

--Mag ik het u zeggen?

Hij kuste haar op haar voorhoofd, en ze zei 't hem, al weenend. Al 't

ongeluk dat gekomen was en al 't ongeluk dat nog komen zou, ze droegen

hier gedrijen de waarachtige schuld ervan.

--Gijlie hebt 't bedreven, en ikke, mijn jongen, hebbe 't geduld. Waarom

heeft Madeleen u dat allemaal niet uitgelegd? Hoor eens.... Waarom is uw

gang dweers tegen den wil van God? God is de sterkste.

Ze taterde zoo een heel en tijd, tot ze moe werd, tot haar asem te kort

schoot en ze dan midden een woord haperen bleef. Hare oogen vielen

langzaam toe. Ze fluisterde:

--Wilt ge mij niet begrijpen?

Hij drukte haar gewillige handen. Hij had zelf te veel geleden om leed

van anderen te stichten. Hij verwonderde zich dat tante Olympe in

waarheid leed droeg. Hij boog zich, hij knielde om dichte bij haar te

zijn. Hij streek lijze over haar slapen en bezag haar lange, zooals ze

daar klein-hijgend te rusten lag. Hij lispelde:

--Tante Olympe, slaapt ge?

Hare lippen roerden en een glimlach speelde erlangs. Hij zei:

--Tante Olympe, wij zien u allemaal geerne. Ja ja ... tante Olympe ...

we moeten wij u gehoorzaam zijn....

Hij voelde zelf de aandoening komen en kittelen in zijn neuze. 't Docht

hem dat al zijne theorieën tegenover het tastelijk dood-gaan van deze

goede vrouw nietig werden en zonder werkelijken uitslag. Wat was hier de

macht van eene utopische bespiegeling? Hij werd het in een slag van

zijne zenuwen gewaar: het zou een schoonheid zijn van zijn ziele, die

uitblinken zou, als hij nu tante Olympe, spijts de rhetoriek van een

bovenzinnelijk stelsel, wou helpen. Zijn gemoed brak, binst den troost,

dien hij in ontroerde gezegden haar gaf:

--We moeten wij doen wat gij zegt.... En het is zeer waar, al wat ge

zegt.... Bekijk me eens....

Ze was moe en trage hief ze hare wimpers op. Dankbaar keek ze naar hem

en hij taakte de teere liefde, die hare blikken omstraalde.

--Bekijk me..., ik ben immers uw zoon ... ik zal trouwen met Madeleen.

Zult ge spoedig weer genezen?

Ze knikte. Ze bleef hem bezien en ze grabbelde gretig met haar bevende

vingeren naar zijn hoofd. Ze zoende hem en hij voelde de snikken

opschokken in haar lijf. Ze kon niet spreken. Ze was danig gelukkig....

En ze genas ook. Ze liep lijk te voren ijverig en gedienstig de kamers

rond en, na een paar weken, ontbloeide de pleizierige blos op 't

tjoppeken van haar kaken. Het huis was nu vol van de nieuwe gebeurtenis

en Romaan was tevreden, omdat alles zoo vol geraakte. Hij was wel een

beetje verlegen als hij de zaak aan Johannes uitlegde, en daar kwam dan

een kleine koortse langs zijn woorden. Johannes beluisterde hem zonder

spreken, al spelend met zijn rietje langs de reetjes van den vloer. 't

Gesprek liep heel zonderling ten ende en een kilte bleef haperen in 't

geluchte.

Voor Goedele was 't eene ontzettende verwondering. Ze werd teenemaal

ongemakkelijk en, in haar boezem, schartte een onbekend gevoel.

--Trouwen!

Het woord weergalmde in haar hersens en 't deed meteen een heele doening

naderen, die--sinds wanneer?--och! al zoo lange verwijderd was. Als

hooge schaduwen togen de vroegere beelden voorbij, en de schrikkelijke

vaart van al die groote donkerten bracht een zware angst in haar hert.

Wat was er nu gaande? Ze had het gevoel dat men haar verliet. Ze had de

verschooning van haar handelen gevonden in Romaan's onregelmatigen

toestand. Nu liet Romaan haar in den steek. Ze was kwaad. Ze was nijdig

vooral op Madeleen. In de grondige demoralisatie, waarin ze zich had

laten meeslepen, meende ze dat Madeleen nu ophield te blijven wat

Goedele nog was, om iets te wezen dat Goedele niet meer vermocht te

worden. Ze had de wettige sensatie daarvan.

--Madeleen verheft zich!

't Rinkelde in haar hoofd en 't verlamde hare leden. De lieve geur van

gindsch zoete slaapkamer kwam redeloos opwalmen in haar neus en--was

daar iets viezelijks in, tegenwoordig? Ze verklaarde niets aan haar

eigen. Ze worstelde tegen een hardnekkig geknaag van puntige gepeinzen.

Ze worstelde tegen de massa van haar gansche verleden, dat opzuilde

tallenkant bovenmatig en bedreigend. En ze dierf niet Romaan

tegenspreken, hem toeroepen dat hij eene lafheid beging. 't Was wel een

teeken dat ze voelde hoe zwak en lage zijzelve was.... Ze merkte 't.

Veertien dagen bleef ze thuis. Ze wilde Johannes niet ontmoeten. Ze was

klein en leelijk.

--Madeleen verheft zich!

Daardoor was zij, Goedele, klein en leelijk. Ze bleef thuis. Ze verbood

aan Sebastiaan haar nog op te zoeken. Ze zei hem dat ze groote rust

noodig had. Ze leefde dan, nietsdoende en sprakeloos en lui. Ze zette

zich viermaal vóor haar schrijftafelken, te wege een langen brief voor

Ameye op te stellen. Ze ging traagzaam wandelen in den tuin, bezij de

rote leeljen en de hoopen bloedende rhododendrons. Vaak kwam vader

trippelbeenen nevens haar, al vertellend met blijde gebaren van een

nieuwe uitvindinge.

Andermaal ontmoette ze in schaduwrijke diepten het witte gezicht van

grootvader. Ze voelde telkens een wreveling in haren nekke en wees dat

hij van kant zou terten. Hij en vreesde haar niet meer; zij werd het

ganschelijk gewaar. Hij bleef haar grijnzend aanstaren en puntte

spotachtig zijn scherpen wijsvinger uit naar heur. Een oolijke

uitdrukking lag te kriebelen in zijn oogen en maakte haar lastig.

--Ga weg!

Hij bukte zich, rechtte zich daarna heel langzaam op, opende zijn diepen

mond en hief, gek-doende, zijne wenkbrauwen omhooge. Een ratelend

gerucht steeg uit zijne keel. Ze wilde hem zijwaarts duwen. Hij sprong

naar achteren en draaide om den stam van een boom, voortdurig zijn

lachend wezen wendend naar haar.

Ze stapte haastig voorbij en dacht:

--Hij weet entwat.

Zijn lach waggelde achter haar en dook wijder weg in het duistere

gebladerte.

Ze doolde aldus langs het zwijgende huis, dag aan dag, opvretend haar

heimelijke lastigheid. Ze kon op een ende niets meer verdragen, niets

van wat hier de dagelijksche doening was en de spokige eendelijkheid van

al deze sprakelooze gezichten. Ze wilde niet langer bedwingen den drang,

die haar opzweepte om het doodsche geluchte te breken, om de menschen

lijdelijk te maken, die daar nu ommegingen met ongezegde doelen, elk op

zijn eentje versteend in zijn zwijgen.

Ze wou Justa wegjagen. Ze botste aan tegen de bedaarde koppigheid van

moeder.

Ursule, sinds den dood van Wiezeken, gevoederd door herlevende hoop, was

haast geheel genezen. Ze zat in haren leunstoel hare toekomstige werking

te verzinnen: Romaan weer thuis en Goedele saam met Romaan aan 't

woelen, aan 't zwabberen met gretige vingeren, aan 't garen het

ontzaglijke geld. De fortuin van Sebastiaan zou erbij vloeien ... en

naderhand 't vele goud nog van een rijke schoondochter....

Uren zat ze zoo en niemand stoorde haar. Ze dichtte een grootsch plan.

Ze geraakte er niet toe te denken dat misschien Romaan niet thuis zou

komen en dat Goedele tegenstribbelen mocht. Ze had hare gansche

heerschappije weer in handen en geen wil zou weerstaan aan haar wil. Ze

bouwde in hare hersens de machtige machinatie die zou endelijk

ommedraaien, naar heur volle goesting, met geweldig raderwerk.

Als ze hoorde dat Goedele tegen Justa opschoot, neep een strakke

strengheid hare lippen te gare tot een bleek streepken en stond ze

verontweerdigd rechte. Seffens moest Goedele vóor haar verschijnen. Ze

beet haar toe:

--Wat is 't?

Goedele zette zich, onverschillig, zonder ommezien, neer vóor 't

klavier. Korter hakte het stekkig gezegde:

--Wat is 't?

Goedele glimlachte. De hardheid, die zoo puntig in Ursule's oogen kon

opflitsen, blikkerde nu ook in hare oogen op. Trage, al rilde even hare

hand, duwde ze met haren wijsvinger een klinkende toetse neer. Ze zei,

lage, onverkennelijk:

--Niets.

Hare wimpers vielen toe om naderhand met een rappen wip, weer wijd open

de witte straling van haar blikken te toogen. Ursule ging nevens haar

staan en smeet koortsig het klavier dichte. 't Gaf een luidelijken slag,

en ze bleven allebei daarna een tijdeken roerloos.

Goedele voelde haar wezen heet worden. Ze richtte zich met geveinsde

onverschilligheid op en tort stille over het tapijt, niet opziende naar

heur moeder. Al gaande liet ze hare hand lui sleeren langs het

tafelberd, ten teeken van onbekommerde rustigheid. Ursule vroeg:

--Ge hebt Justa doorgezonden?

--Dat jong walgt me.

--Ge hebt ze doorgezonden?

--Ja....

Ursule stoop zich naar heur en naderde. Ze riep ineens:

--Maar wat meent ge? En ben _ik_, hier niet? Mij wordt voortaan, en mij

alleen, en zonder tegenwoord gehoorzaamd! Gij hebt mij noodig, gij en

Romaan. En ik heb ulie noodig, alle twee. Het is nu de tijd dat de

sterke samenwerking eene werkelijkheid moet worden. Het hoofd van dat

alles, dat ben ik.

--Ik begrijp u niet.

--Gehoorzaam zonder begrijpen. Ik ben het hoofd zeg ik u. Justa blijft.

Romaan....

--Maar hoe wordt Romaan hierin gemengd?

--Eens staat hij daar, nevens u.

--En Madeleen?

Goedele merkte hoe subiet op dees woord de groote woede van moeder

wegschokte in een flauw ophalen van schouders. Ze zag plots wat moeder

zich inbeeldde, wat, na Wiezeken's dood, stilaan een zekerheid was

geworden in haar geest, en waarover ze zoo lange aan 't mijmeren zat,

alleene, in haren zetel. Ze zag 't, en ze had nu een leelijk geneuchte,

omdat ze 't gansche gestel omverre kon werpen, omdat ze moeder's

oppersten hoogmoed kapot kon slaan. In deze mate was hare ontzenuwing

gevorderd dat ze behagen vinden zou, op dit oogenblik, in moeder's leed.

Ze zei:

--Laat Romaan met Madeleen....

--Ik weet wat ik laten mag.

Ze herzei, met stiller stemme, buigend in gemanierde woordklanken:

--Laat Romaan met Madeleen.... Het is nu een feit, dat ze trouwen

zullen.

Ze had zich niet voorgesteld dat zoo geweldig moeder's smert zou zijn.

Ursule wankte en haar schrikkelijk lijf schokte kantewaarts. Ze neep

haren mond krampachtig toe en liet hem nadien vierkantig openvallen, al

stootend en stotterend om een klaar woord uit haar kele te krijgen.

--Trouwen ... trouwen....

Ze wrong de ratelende geluiden thoope, en daar siste een snijdenden

klank tusschen hare tanden. Ze wilde alles uitzeggen te gelijk wat zoo

herre-kaderre in hare hersens klabetterde en ze vond geen zin. Ze

steunde tegen 't klavier en de losse pateelkens van de keershouders

rinkelden bij haar minste gebaar. Ze was bleek als een doek, en hare

lippen werden blauw en droog. Een onzeglijke haat vuurde in haar oogen.

Ze reutelde:

--Ge liegt!

Hare tonge lag precies vaste achter hare tanden. Omdat ze niet spreken

kon, niet uitschreeuwen al wat in haar kop zich ophoopte, schoot plots

een vreeselijke woede op naar heur hoofd en begon daar te gloeien. Hare

handen grabbelden naar een stoel, vatte dien, als ware hij pluimlichte,

bij de sporten en, in blinde gramschap, hief hem omhooge om met

lawaaierig geweld hem tegen den vloer te werpen. Hij stortte met een

sterken slag neere en brak.

Ursule stond nu ontzet, zonder machte, en keek smeekend op naar Goedele.

Ze vond de woorden terug, die zoolange teugelloos en onvatbaar zich

hadden verwijderd, en ze bad hare dochter, dat ze de waarheid zeggen

zou.

--Ge moet de waarheid zeggen.... Ge moogt mij niet folteren. O-God! zoo

foltert ge me. Waarom? Wat zijn uwe inzichten, mijn kind? Als ik u ruw

aanspreek, moet ge me telkens vergeven, seffens. Ik ben zoo dikwijls

vernederd door u, en dat maakt me uitzinnig. We zullen Justa wegzenden.

We zullen een schoon huizeken gaan bewonen, buiten, in 't loof. Niet

waar?... Zeg dat ge me bedrogen hebt.... Hoe hebbe 'k dat toch kunnen

gelooven!

Goedele antwoordde niet. Ze had zich bij 't venster neergezet en tuurde

in den tuin, die daar zoo wonderlijk met noesche zonne lag beklad. En

Ursule en hield niet op.

--Mijn kind, nooit begrijpt ge de wilde smert, die ge mij hebt

aangedaan. Ik heb gedacht dat ik zinneloos werd te wege. Maar alles is

maar spel. Waarom spreekt ge niet? Waarom blikt ge zijwaarts? Zie me

hier wachten naar een woord. We zullen wegloopen uit deze leelijke

woonste en in 't blijde groen gaan schuilen. Ik zal u vertellen van de

heerlijke toekomst ... hoe prachtig die eendracht--gij en Romaan....

--Romaan trouwt.

--Hoe wreed zijt ge, mijn Goedele! Wordt de jongen krankzinnig?

--Hij heeft me gezeid dat hij trouwde.

--Maar Wiezeken is immers dood!

--Laat ons zwijgen--moeder....

Ursule tort vooruit.

--Nu zwijgen!... Spijts alles, heb ik hope gehad. Spijts alles, wat me

tot wanhoop neerdrukte. Ik heb me vastgeklampt aan een groot werk, dat

in de toekomst liggen zou. Ho! ho! hebbe 'k niet gezwegen, jaren en

jaren? Is niet van zwijgen mijn leven een lange calvarie? Spijts alles

hebbe 'k mijn droom behouden. Mijne kinderen zijn in opstand gekomen.

Ik had nóg hoop, tóch hoop.

Ze liet haar hoofd zinken op hare borst en bracht hare beide handen

bedrukt over haar aangezicht.

--Nu is Romaan voor goed ... gestorven.

Langzaam verliet ze de kamer. Haar breede rugge schokte opwaarts, alsof

sterkelijk klopte in haar lijf een geweldig gesnik.

Een zonderling gevoel kwam Goedele bewegen. Alle kwaadaardigheid was uit

haar gedachten geweken, en ze zat nu heel beteuterd te herdenken moeders

overweldigend wee. Om wille van Romaans nieuw besluit, hield ze op nog

vertrouwen te hebben in de theoretische en uitsluitelijke bespiegelingen

van haar broeder. Wat bleef er in waarheid nog over van heel dien kamp

om vrije, onafhankelijke liefde? Hij trouwde. Hij deed heel kleintjes,

heel gewoon mee met de dikke burgertjes. Hij werd "redelijk". Hij zou

ook op strate loopen met Madeleen aan zijn arm, kreeftewijs, hij

blikkend naar uitgestalde boeken, zij naar hoeden en nieuw-modegoed.

Ze herinnerde zich goed dat ze zoo'n paar nagekeken had, eens op een

dag--met Ameye.

Ameye!

Ze fronste hare wenkbrauwen, 't werd harrewarrig in haar hoofd. Ze dacht

weer aan moeder. Ware alles niet beter, indien ze gehoorzaam ware

geweest?

--Romaan is nu voor goed gestorven.

En zij, Goedele? Wat zou 't zijn, als moeder haar zondig bedrijf met

Ameye te wete geraakte? In een vaag zicht, schemerde 't opwaarts in haar

hoofd,--dat elkendeen binnen dees huis zijn eigen ongeluk, met

verborgen, heimelijke gebaren bevorderde. En zij ook, door haar wilde

overgave aan Ameye, had heur eigen ongeluk beraamd.

Al vroeg in den avond ging ze zich opsluiten in hare kamer. En op een

nieuw herschudde ze hare onvaste gepeinzen. Ze ging langs 't venster na,

hoe in den tuin de blauwe nacht lager en lager woog en hoe ginds het

dichte loof der boomen langs de donkerte danig massief opduisterde.

En dieper drongen hare gedachten, naar een verlangde oplossing.

't Moest opklaren om haar. Wat was er gebeurd dat ze zoo lichtzinnig

weggevallen was in poelen van zonde? Ze kon 't zich niet uitleggen.

Ze kon niet bespieden in 't jonge verleden den geleidelijken gang der

omstandigheden en, erlangs, hare toenemende, onweerbare machteloosheid.

Koppig wilde ze nu dat 't moest opklaren.

Een onschadelijke wind roefelde met zotte wippen door 't geluchte en het

schaduwrijke bosschage roerde stillekens zijn zwart-doezelige randen.

Naderhand heerschtte groote rustigheid tallenkant. Goedele staarde

gestadig naar buiten, en ze vond in de verre duisternisse een gewillig

plein voor den tocht van haar loopende ideeën. Ze bukte zich en leunde

met hare kin in beide hare handen. De stad alginder zweeg. Rijzekens

daverde nauw hoorbaar een dof rumoer. In huis was elkendeen te bedde.

Ze stond recht. Ze voelde haar eigen een groote schim zijn in de donkere

kamer. Ze neep hardnekkig hare lippen te gare en hare oogen vielen toe.

Ze had de harrewarrije in haren geest ontknoopt en stond met haar

machtig lijf, vastberaden, tegenover de oplossing, die zich opdrong.

Ze was besloten. Ze beet, sissend, haar eigen toe:

--Niet meer gaan!

Niet meer gaan. Ze zou bij Ameye niet meer gaan. Ze zou moeder helpen.

Het was toch _moeder_. Ze zou haar, met haar overige leven, gedienstig

zijn. Ze kruiste hare armen over hare borst, en 't was, een tijdeken

lang, alsof ze de toekomst tartte, alsof ze heel diepe eene aarzeling

voelde en haar eigen in de toekomst tartte.

Rap stak ze een keerse aan en kleedde zich uit--maar, als ze haar witte

lijf in den spiegel heel weelderig zag opbleeken, rilde ze. Ze vreesde

haar onmachtig vleesch en 't klaterde daar in de schuinsche vlam van de

keerse zoo rijkelijk....

Ze spoedde zich. Ze kroop in haar bedde, blies 't licht uit en bracht

huiverig de frissche lakens over hare schouders. Nog neep ze koppig hare

tanden saam en stiet:

--Niet meer gaan!

Ze hikte nadien, begon te beven over al hare leden, en 't werd een

stotteren, een pijnlijke hakkelinge:

--Niet--meer--gaan....

Ze barstte uit in luid gejammer, weenend en snikkend hopeloos, en, al

stortte thoope gansch haar sterk besluit, al sleerde ze weg, met lijf en

ziele, in 't vorig slameur van passie en gevoelerigheid, ze stamelde,

benauwd, verloren:

--Niet ... niet meer gaan ... niet meer ... niet-meer....

Ze drukte koortsig haar hoofdkussen in hare armen.

* * * * *

't Bedrijf van den kwade · 第 14 / 19 题