XI.

Binst de dagen, die volgden, was de droom, die Goedele zich, buiten de

tastbare werkelijkheid, omtrent al 't gebeurde had voorgesteld, tot eene

zonderlinge, onbewuste werkelijkheid opgewassen. 't En was geen droom

meer. Ze had het nieuwe sterke leven met het vorige en nog thuis-wezende

leven vereend, en altezamen was 't een dooreenwarrelend bestaan

geworden, waar boven klaterde de harde drift van hare liefde.

De nabijheid van moeder en de nuchtere vrijagie van Sebastiaan werden

haar onverschillig en ze beleed den last ervan met effene

verdraagzaamheid.

Hare eenige aandacht lag in 't verbergen van haar geheim bedrijf, en ze

wist met doorslepen oolijkheid de slimme beloeringen van Justa te

verweren.

Twee- en drijmaal te weke bracht ze een haastig bezoek bij Romaan en

liep dan, langs veranderlijke omwegen, de stad omme, endelijk in een

verlaten wijk een laag huizeken binnensluipend.... Niemand mocht

vermoeden dat ze hier kwam, en ze nam dan ook alle voorzorgen om te

beletten dat iemand 't vermoeden kon. Daar Ursule niemand bij Romaan

zenden kon, geraakte zij deze vreemde doening niet te wete. Ze deed

overigens maar af en toe hare dochter achtervolgen, en daar Justa haar

iedermaal zeggen kwam dat Goedele bij haar broer binnen was, had zij

geen verdere verdenkingen. Omdat Goedele ook thuis tot redelijke

handeling scheen teruggekeerd en nu teenemaal met Sebastiaan verzoend

bleek, had ze geen onrustigheid meer. Haar rheumatiek beterde er

schijnbaar door, en ze kon al ommentweer wandelen en tallenkant

inspectie doen.

Goedele had in hare oogen een goed gedrag. Alleen deed ze nu meer aan

toilet en had over haar een overdreven prontigheid. Maar in het idee van

Ursule, was 't allemaal om Sebastiaan te behagen, en zoo waren 't,

peinsde ze, goed-besteedde onkosten, die later wel dikken intrest zouden

afwerpen.

Goedele bekommerde zich om niets en liet alles gedwee gebeuren wat in

huis de gewone gang der dingen was. Altemets had ze een vlugge zwakheid,

meerendeels veroorzaakt door 't zachte blikken van Sebastiaan of 't

tijdelijk zuchten van Bella. Als ze echter alleen op strate kwam en

't groote gewoel der stad hoorde, was alles weer vergeten, en vuurde

slechts nog in haar ziele 't verlangen om geweldig te leven. Het

bezoekje bij Romaan was haar insgelijks een koortsaansporing: ze voelde

er 't ongezond bestaan van hare liefde, midden in 't weevolle geluchte,

en ze asemde er algauw 't bedwelmende gift, dat haar tot kwalijk

zinnenbedrijf uitermate stemde. En Romaan bovendien bracht een gestadige

duizeling in haar hoofd met de listige argumentatie van zijn vrije

theorieën. Binstdat tante Olympe stilaan wegkwijnde en kermde dat hij nu

toch met Madeleen trouwen zou, kwam hij dan met zijn hoogdravende

levensopvattingen te voorschijn, en Goedele voelde dat alles weer goed

was. In hare hersens wapperden de driftige woorden:

--Leven!... Leven!... Vrije leven en vrije liefde!...

En ze leefde aldus, en 't deed haar deugd dat ze 't onder Romaan's

invloed zoo schoone merkte. Ze was vrij. Geen banden knelden haar, geen

wil van moeder bezeerde haar, geen muren van 't vierkante huis alginds

wogen op haar. Ze was vrij levend en hare liefde, die sterkelijk uit

eigen zinlijke emotie en eigen gepeinzen was opgerezen, hare liefde was

vrij....

Met nieuwe gretigheid liep ze dan naar het huizeken, waar Johannes op

haar wachtte of waar zij op Johannes wachten zou.

Het stond in een nauw en stil straatje, en ze kon 't goed bereiken

zonder belonkt te worden. 't Was een laag ouderwetsch gedoe met éen

verdiep en een trap vóór de deure. Johannes had het binnenwaarts met

kunstigen smaak versierd. Er waren vlakvloers twee plaatsen en een

verandah. Hij had de verandah met allerhande groen en gebloemte bezet,

en een schuchter blauwig licht laten binnenzijpelen. Daarnevens had hij

een weelderige zitkamer gemaakt met open heerd, en alles was er in zoo

teere tinten aangebracht dat nievers een blik aanstooten kon tegen een

onbehendige verve. Dikke tapijten voerden den tert van voeten en 't

lichte geschuif van stoelen onhoorbaar over den vloer. Lage zetels

omdeden 't lekkere vuur, dat langs welriekende sperrescheiers opvlamde,

en pelsen matten legden onderaan een doezelige zoetigheid.

Deze plaats gaf met een dobbele deure toegang tot de slaapkamer. Hier

was met voorliefde het minste hoekje mooi-gezellig gemaakt en midden-in

stond de breede sponde, geheel en al met kanten spreien bedekt en

omhangen met doorzichtige voolen. Lichtgeel marmer lag op de waschtafel

en er rechtover, was een hooge psyché-spiegel ook met licht gewaad

omstrjkt. Langs de muren viel, in zwaar gevouw, het thee-rozig

behangsel.

Goedele ging zelden op het verdiep, waar Johannes twee liefelijke

leeskabinetten en een badkamerken aangelegd had. Het huizeken had

overigens 't karakter niet van een blijvende woonste en 't leek meer

op een verrukkelijk pied-à-terre, een donzig nest voor schuchtere en

angstige verliefden.

't Gebeurde zelden dat hij niet vóor haar binnen was. Ze had halvelings

de deur opengeduwd, als hij haar reeds in zijne armen ontving en haar,

onder driftig zoenen, telkens bedankte dat zij toch weer gekomen was.

Hij staarde diepe in hare oogen:

--Melieve!

--Johan!

Ze lachte hem gulzig tegen, en lei hare hand om zijnen schouder, en

leunde met haar voorhoofd op zijne borst. Stille nam hij haren hoed en

haren mantel, en ze moest seffens hare schoenen uitdoen en lederen

slofjes aansteken.

--Waar ge warme pootjes mee houdt....

Ze waren alzoo geheel thuis. Ze gingen zitten bij den heerd en Johannes

wakkerde 't vuur aan, zoodat de vlammen opkrulden en iedermaal een laaie

klaarte deden opgloeien in de schemergrijze kamer. Ze zaten naast

mekaar. Binst mijmerende stonden, wijl ze sprakeloos in de fonkeling der

scheiers staarden en enkel mekaar's vingeren lijze op den rand der

zetels dooreen hadden geleid, kwam in huis het verre lawaai van de stad.

Geleidelijk zeeg de langzame donkerte en wijder sprong het licht uit den

heerd. Ze voelden heel schoone den vredigen samengang van hunne

gedachten, lijk een vleugeling van pluimlichte winden.

Naderhand keken ze op naar mekaar en, in een opgaan van teugellooze

passie, vielen hunne lijven tegaar. Ze fluisterden vervoerd hunne heete

woorden van liefde en hun verlangen brandde hun borste vaneen, in dolle

jacht hun bloed opzweepend.

--Ziet ge mij geerne?

--Eeuwig ... eeuwig....

De avond somberde deugdelijk om hen henen, en de klaarte van 't vuur

sloeg al breeder uit en strengelde hun beider hoofd in éen laaien ring

van vlammen.

--Voele 'k u? Zijt gij 't, lieve?

--Hier zijn uwe lippen....

--Voele 'k u gansehelijk? Me dunkt, daar zullen geen dagen meer komen,

en dees is de laatste dag....

--'t Is eene eeuwigheid, die begint.

Goedele prangde hem op haren boezem en heerlijk gaf zich ten geheele

over aan 't schrikkelijke geweld van hare liefde.

Ze lag in late deemstering op het bedde, en alles wat om haar was

waterde in groene nattigheid weg. Ze hoorde den matelijken gang van

haren asem, tot ook dát wijder uit verzuchtte en ze dan overmand in

diepen slaap geraakte. 't En duurde niet lang. Verwilderd stak ze hare

oogen openen zat seffens overend. Johannes, aan 't voetende gezeten,

beloerde met liefderijken blik haar kinderlijke vrees en 't schoon

gebaar van haar ontwaken. Hij vatte haren blooten arm en kuste haren

schouder. Ze bloosde en glimlachte:

--Ik wist ... niet meer....

Ze was blij dat hij hier was dichtebij, en dat hare schaamte redeloos

over haren rugge rilde. De pracht van heur haar rees breed-golvend langs

haren naakten hals, en ze las in de wondere doening van zijne oogen, dat

ze aldus mooi was en begeerlijk. Ze was gelukkig. Ze was

onvoorwaardelijk aan hem en wou mooi zijn om aan hem te blijven. En zoo

boog ze over hem en merkte de siddering, die langs zijne leden opging,

terwijl ze hem taakte met haar lauwzoete vleesch.

--Zult ge me nooit verlaten?

Hij belook haren mond met een zoen en omsloot haar met versche

driftigheid in zijne armen. Ze was zeker, al vroeg ze 't met aaiende

stemme, dat hij haar niet verlaten zou. Ze wist wel haren onregelmatigen

toestand en 't deed haar dikwijls pijne, als ze bedacht wat er in zijn

ander leven lag, 'tgene hij niet met het hare beleefde. Maar dan zag ze

de vrome verwijfdheid van Sebastiaan, en ze kon Johannes vergeven wat

zij, bijkans in eendere mate, met Sebastiaan voorhad. Niets weerstond

overigens aan de sterkte van hare liefde, nog verschoond door het

treffend argumenteeren van Romaan. Ze had niettemin niets durven

bekennen aan haar broeder en dikwijls, wijl ze Madeleen bekeek, wutelde

ievers in een hoek van haar geweten een vreemdsoortige wroeging....

Ze wist dat Johannes haar niet verlaten zou. Al meer en meer kende ze

den machtigen invloed van hare struische schoonheid, en ze troetelde

haar lijf nu, bezorgd voor een vlekje, dat de matte blankheid ervan

breken kon. Ze mocht op Johannes vertrouwen.

--Wordt Madeleen door Romaan verlaten? vroeg hij soms.

Hij wettigde heel gemakkelijk hunnen toestand, en ze dacht er weldra

niet meer aan dat er grondelijke moeielijkheden ievers mochten oprijzen.

Langzaam, met sneeuw en vorst, nevelde de winter voorbij. 't Werd vuil

weere, en triestige regendagen trokken zich schreiend uit achter mekaar.

Ze zaten soms een heel en tijd te luisteren naar 't dropgetjokkel op de

vensterruiten of naar 't gewaai van de vlage, gelijk die bij stonden

forsig neersmeet in de schouw. Ze drongen tegeneen en rustten, slape aan

slape, in zwijgende aandacht. Eene endelooze droefenis woog daarbuiten

en alles, langs gevels en daken, was grauw en grijs. Op het glazen

gewelf der verandah spetterde de regen. 't Was er een wippen en dansen

van ruchtige druppels, haastig achtereen, naar de mate van den

wispelturigen wind. 't Hield altemets plotseling op, en Goedele blikte

kantewaarts naar Johannes.

--'t Gaat over....

--'t Herbegint.

Ze streelden mekaar's vingeren. Ze knikten in onzeggelijk geneuchte, en

't leelijke weer maakte het veilig huizeken gezellig en warm. Ze waren

hier goed. Ze hielden hier van mekaar. Hunne vingeren kriebelden lichte

over hunne vingeren....

De dagen verlengden aldoor en, na den regen, glom het eerste gelach der

zonne.

De Lente kwam precies zoo subiet, zonder overgang. Een teer blauw

geluchte welfde hooge en diepe boven de stad zijn fraaie bogen, en

daaronder speelde 't gestraal van den frisschen dag, even gebroken door

het tijdelijk verkeer van wattige wolkskens. 't Gebeurde in waarheid

zonder overgang. Ende Maarte keerden alhier de zwaluwen terug en in den

beginne van April schoten tallenkant langs warandewegen en beplante

lanen de sapvette knoppen. 't Getwijg wiegelde met tenger groen, eer de

maand ten halve was verloopen, en Mei was er rijzekens, als de kinderen

op strate reeds met kevers speelden.

In de stille steeg, waar ze nu met nieuw verlangen het huizeken vulde,

beluisterde Goedele het kleine stemgeluid der bengels:

Vliege--vliege--vleugeke,

Dat beesteke gaat naar 't meuleke,

Alover de zokken,

Alover de blokken.

Onze-lieve-Vrouwe van het kerrekhofken....

De zang was haar een liefelijk pleizier. Ze tastte erlangs de blijheid

van het versche getij en de zilveren wappering van de zonne. Ze

glimlachte. Johannes zat bij 't raam aan 't schetsen. Ze staarde naar

hem en ging na de struische lijn van zijn rugge, het somber schouwspel

van zijn hoofd en dieper, vlak boven de witheid van zijn teekenboek, de

schoone sterkte van zijn aangezicht. Ze taakte permintelijk den forschen

bouw zijner schouders en verwijlde naderhand om 't behendig bedrijf

zijner vingeren. Ze was vol bewondering voor hem, omdat hij pront was en

krachtig en groot. Een djentelijk vuur van den dag trilde tusschen 't

menig geplooi van de venstergordijn en viel helstralend op zijn

rechterhand. En daarmee hoorde ze klaar bijzend, ginderbuiten, het

luttel gerinkel van 't lied:

Vliege--vliege--vleugeken,

Dat beesteke gaat naar 't meuleken....

Ze zag in hare gepeinzen, 't profijtelijk gepeuter van teere

kinderpollekens om 't langzame lijf van de kevers, de ongedurige

flikkering van hun loerende oogen, en 't kraken van hun broekskens,

terwijl ze op hun knieën voortklefferden. Ze verzinde dat de meidiertjes

endelijk opvlogen, en 't was dan seffens een juichend handgeklap, een

zot jubelen van al die keelkens.... Ze tuurde naar de zonnevlek langs

Johannes zijn werkzame vingeren, en ze glimlachte vergenoegd.

Zoo omleuterde de jonge Lente haar herte. Ze zei:

--Johan!

Hij keek op, en zijn donkere oogen hadden elk een sterreken van het

goede voorjaarslicht. Ze wenkte zoetekens met haar hoofd en hij kwam

over haar buigen. Ze blikte in zijn wezen en vroeg:

--Waarom zijt ge bezig, zoo ijverig ... en zoo verre van mij?

--Ik maak entwat--'k en wete niet klaar.... Ik heb overal bloemen in

mijn hoofd en ik zie overal gulden plantsoen. Ik peinsde dat ik 't zoo

neerleggen kon, in lijnen....

--Niet waar? Allemaal te gare een groot perk van diverse kleuren?...

Kom bij me. Ik heb in mijn hersens een ringende vlucht van vogels, en ze

kwinkeleeren dooreen. Luister eens naar uw eigen....

't Steeg daarbuiten heel zacht en deugddoende, soms lijk een bimmeling

van klokskens:

Alover de zokken,

Alover de blokken,

Onze-lieve-Vrouwe van het kerrekhofken....

Goedele's haar kriebelde om zijn neuze en lager bukte hij, fluisterend:

--'t Is 't nieuwe seizoen, melieve.... Nu juicht tallenkant de liefde

die hier vóor maanden te juichen begon, hier eeniglijk. Nu klatert het

zonnevuur en laait op met den vlammigen brand van ons lijven. Zijt ge

gelukkig?

--Bemint ge mij?

Ze lachten alle twee en brachten hun gretige lippen samen. De

zonnestraal, die noesch door de reten van de witte gordijn was

binnengedrongen, bleef nog een wijlken langs de sporten van Johannes'

leegen stoel lanterfanten en duisterde geleidelijk weg.

Zoo leuterde de jonge Lente.

Andermaal was de nanoen overheerlijk. Ze besloten dan dat ze de stad

zouden verlaten en vermeien in de opgroenende velden aan den rand van

het aloude Zeuniërwoud. Ze vertrokken met den trein en vonden het

prettig, zoo te gare zitten in het zoevende coupé, tegeneengedrongen,

matelijk geschokt op de wippende kussens en kijkend, met kinderlijke

achtzaamheid, naar 't voorbijjagende landschap. 't Was eerst het sombere

zicht van de buitenwijken der stad, de zwartdampige fabrieksschouwen en

de grauwbesmookte daken, de vuile muren beplakt met hel-schreeuwende

reclames of beschilderd met namen van ruchtige firma's. Stilaan, na de

rote lage werkmanshuizekens, rees een olmenlaan en lag verder een

malsche weide open.

--Waar zijn we hier?

--Heelemaal buiten de poorten ... de vesten over ... en Brabant in....

--Ei? Kijk daar!

't Was, bezij de baan, een groote kudde schapen, die schuchter tegen

den barm verdrongen, roerloos te wachten stond, tot de vervaarlijke

stoomvaart voorbij zou daveren. Goedele behield een liefelijk beeld

ervan, lijk de beestjes daar in 't zilveren zonnegeweld wit opwolden,

hun stokkepootjes vreesachtig te gare en hun koppen bovenuit, al te

zamen gerokken naar 't veilig beschut van den barm. Het was alsof

zijzelve met eendere angstigheid een duurbaar leven had te bergen, en ze

roerde haren arm om zekerlijk het buigend lijf van Johannes te voelen.

De zonne spetterde lustig tegen de ruiten....

Als ze kort daarop moest afstappen en de statie doorging, meende ze dat

de treinbediende haar met zonderlinge aandacht bekeek en blikte ze bang

ommentweere, verveerd dat ievers een vijandig oog haar betrappen mocht.

In 't open veld, heinde en wijd bespikkeld met springjeugdig plantsoen,

lag voor haar een onendige peiselijkheid en algauw vergat ze de wereld

van koude muren en valsche verhoudingen om mee te leven met de sappige

natuur. Hier vooral meende ze de waarheid te tasten van Romaan's

vrijzinnige theorieën en ze werd dronken van de hevige lucht.

Ze hing aan Johannes' arm. Ze roken allebei zwijgend den sterken geur

van het hoog-wassend gers, en het tokkelig sterregedoe van de menige

meerschbloemen draaide zot en grappig in hunne hersens. Ze verlieten de

wegels en torten in de dichte beemden, en 't was een versche leute

iedermaal ze struikelden in 't harrewarrig gewas of plots vóor hun

voeten een jonge puit opjoepen deden.

--Aai-Heere! wat hebbe 'k geschrokken!

--Jrsst!... wipte de puit.

En een rilde weikerse bibberde even tenden haren slanken steel,

waarlangs hij te lore was gesprongen....

Ze liepen een beekje over en stonden hijgend te lachen aan den anderen

kant. Goedele bloosde tot achter hare ooren. Ze drilden met het waterken

mee en bleven altemets neerhurken, waar de oevers breeder werden en een

schoone partije lischriet heen en omme waaide onder de aaiing van een

heimelijken wind.

--Wordt ge moe, lieve?

--Wat zou ik!

Ze staarden naar het spel van de zonne langs de klein-klotsende golfjes

en hoe daarover meteen een spinnekobbe langebeende, patjinkel-patjokkel,

op al haar grootste gemak.

--Ze blijft stille....

--Ze peinst.

Een koppel waternaalden zegen bibbervleugelend neerwaarts en zetten zich

nevenseen op een drijvende blare. Alles was voor Goedele ongezien en

wonderbaar. Ze wist geen weg met hare gulzige nieuwsgierigheid en ze

lengde haren hals naar het ruchtlooze water, waar zoo verschillig een

intense leven aan 't roeren was. Onder de klare vlakte deed een

salamander lui waggelen haren kronkel-krommen steert....

Ze stonden naderhand recht en, hand in hand, huppelden verder, zat van

't schoone licht en bedwelmd door den struischen reuk der meerschen.

Hunne vingeren waren ineengehaakt en ze blikten benedenwaarts in 't

diepe gers, waaruit, bij elken stap, een zwerm gevleugelde dierkens

opwolkte en uit mekaar stoof. Ze vertrapten de zaadzware hoofden der

halmkens.

Uit een laag korenveld rees in noesche vlucht een leeuwerik omhooge. Zij

stonden seffens te luisteren naar zijn heerlijk getater en keken op, hem

navolgend tot tegen den schitterenden hemel. Hij kwetterde maar gedurig

en steeg met stage verduldigheid.

--Ziet ge 'm nog?

--Wacht ... ja ... ja....

--Langs die luttele watte ginds....

--Ik zie hem!

Hij was een klein zwart puntje geworden en nog warrelde in blijde

schatering zijn juichende lied. Hij ging òp. Al bewoog hij naar rechts

noch anderzijds, al bleef hij ginder donker-puntelen tegen het stralende

gewelf, al was hij nu bijkans een stofken, zonder gedaante en

levenloos--òp, hooger en hooger, kleiner en kleiner, òp ging hij! Ze

voelden 't allebei. Hunne oogen kittelden van 't staren en droog was

hunne keel. Ze hielden haast hun asem in en fluisterden:

--Nog...?

--Een zierken....

--Hij is weg!

--Neen!

--'k Hebbe hem weere....

--Ho!... Ho!... Ja....

Een verraste kreet ontviel hun meteen. De leeuwerik

daalde--daalde--plots zwijgend, plots grooter wordend, een doode massa,

die straks zou neerpletsen, met een akeligen stoot, op den harden

grond.... Maar kijk! hij streek, al met een keer levend opnieuw, dicht

bij de eerde zijlings weg en dook zachtekens in het groene koren.

Goedele wendde hare oogen naar Johannes en een tijdeken lachtten ze

malkander tegen. Dan liepen ze weer door en hun hoofd was nog vol van de

hevige straling, die ze langs den diepen hemel hadden opgenomen.

Bij valavond bereikten ze een groote hoeve en daar konnen ze een schel

hespe krijgen met roggebrood. Ze waren waarachtig uitgehongerd en nooit

hadden ze meer smaak in 't eten. De zware boerenkost was hun licht en ze

hadden danig pleizier, de eene om de aardige gulzigheid van den anderen.

't Was hier een lage kamer met zwart-eiken zoldering en twee

groen-geruite vensters. De roode glans van de zonne hing gulden ranken

erlangs, zoodat in huis een vreemd purperen licht schemerde, hier en

daar opschietend langs de bolle bulten van het koperen kookgerief. Onder

't blauwachtige schouwkleed zat ten halve in de donkerte de oude

pachteresse, grijs-geschort en gebukt in de vouwen van haren gelen

borstdoek. Ze was daar een beeld van eenzaamheid en stilte, van eendere

verve als de doodgaande dag en zwijgend als de nacht, die zou komen. Ze

had ook in deze kamer die albeheerschende beteekenisse, zoodat Goedele

noch Johannes de zoetigheid van 't geluchte haast niet storen dierven en

zich spoedden om weer vrij te zijn in den open buiten.

Maar buiten was nu de wonderlijke avond aan gang en ze geraakten seffens

in de stemming van de droomerige stonde. Ze gingen stille arm aan arm,

langs verlaten wegels woudewaarts, en keken mijmerend naar hunne dobble

schaduw, die schuins tegen de barms oprees of verder in gedoken grachten

wegzakte. Heel wijd, waar 't endelooze geboomte somberde, klonk de

matelijke roep van een boschuil.

De avond weefde allerzijds een doorzichtig gewaad van goudgele en oranje

en warm-roode tinten, en de hooge populieren stonden rekewijs aan den

rand der beemden, met bronzen stam in 't zachte licht. Rijzekens

streuvelde een blood gewaai erlangs, en een hoogste blaadje wiegelde

tenden het roerloos getwijg, daarboven danig zwart tegen 't groen-blauwe

deemsteren van den hemel.

Ten oosten nevelde de grauwte al dikker en dikker en, als ze zich

ommekeerden, zagen ze 't donkere schaliedak van de hoeve mee vergaan met

de duisternis, die ginder trage werd opgestapeld. Even riemde omhooge

langs de schouw een lintje witten damp, en 't begon heel subtiel rond te

ringelen, wispelturig en speelsch, tot het openpluimde en uiteendonsde

en dood was.

Goedele drong dichter bij Johannes aan. In haar rustte al 't geweld van

den schoonen dag en ze had nu een zachte behoefte om 't niet in

gichtigheid weer op te jagen. Ze wilde rustig zijn. Ze voelde zich

meegroeien tot eene effene vrede, met den peiselijken avond, en ze zou

niets hier breken, noch door onsierlijk gebaar noch door kwetterend

gezegde. Ze leefde even sterk als in den nanoen, maar 't was

tegenwoordig een bewustvolle, rijpe leven, de moutere uitslag van 't

schaterend rumoer over dag.

Sprakeloos gingen ze en drongen binnen 't nachtlijke woud.

Hij vroeg of ze entwat vreesde. Het docht hem dat hare hand beefde en ze

meteen de bangheid taakte, die onder 't somber gewelf der beuken varende

was. Hij omvatte hare leen en drukte haar lijf zoetekens tegen het

zijne. Ze blikte naar hem dankbaar op en hij zag een vluchtige straling

opflikkeren in hare oogen.

--Weent ge?

Ze boog haar hoofd diepe aangedaan en schudde 't nadien ontkennend.

Ze stamelde:

--Het is hier alles zoo plechtig, zoo heerlijk....

Hij zei dat het de endeloosheid was van hunne liefde en, trage wandelend

liet ze zich geheel aanleunen tegen hem. Ze waren alzoo, te gare, éen

schuivende schimme, éen wezen, en hun asem joeg opwaarts, bijeenwaaiend

langs hun voorhoofd tot een streelende lauwte. Ze gingen door. Ze wisten

niet waar de weg hen leidde en hoe dees gaan zou ophouden; maar zij en

hadden geen zicht voor toekomstig gedoe, zoo ganschelijk waren door

huidig geluk vervuld hunne begeesterde zielen. Hij vroeg:

--Zijt ge nu weer rustig?

Ze knikte en drukte innig haar hoofd op zijnen schouder.

Nievers hadden ze ooit in zoo zwijgend en vredig een nacht gewandeld en

hunne liefde heerschte hier in almachtige meesterschap. Goedele wendde

altemets hare blikken achterwaarts: waar, alginds, tenden een klare

holte het stille woud begon, zag ze nog een vlekje van den hemel,

donkerrood geverfd en smeulend in schuchtere asschevonken. Ze was uit de

klaarte gekomen, uit het wijde dal, dat zonder leven wegdeemsterde, en

ze tort nu in het zwarte bosch, zich veilig voelend, heel lijze, aan

Johannes' arm. Ze spraken weinig. De plechtigheid van deze eenzame

donkerte drong binnen hunne ziel en ze wisten dat geen woord

tegenwoordig welsprekend kon zijn. Bijwijlen keken ze op naar mekaar en

schouwden, trager stappend, in mekaar's gezichte, en de endelooze

teerheid, die in hunne oogen straalde, was een vrucht van de heilige

stilte.

Zoo was de stilte.

Alleen hun voeten ruischten over het mulle stof en raakten soms een

doode takje, een springende kei, een teurfel graseerde.... Van

weerszijde reikten het ondoordringbare heestergedoe en 't sterke

geboomte en, tallenkante, als een ontastbare muur, de éenige duisternis.

Heel verre steeg even 't geraas van een stoomwagen of 't rollen, altijd

door, van daverende wielen. Maar 't was een doezelinge wijd op den

achtergrond, en 't en taakte bijkans de stilte niet, de heerlijke

stilte, 't schoone bedrijf van dezen rustigen nacht.

Ze drukten malkanders hand. Ze waren aaneengestrengeld en hunne vingeren

sleerden langs hun staag-gaande lijf. Johannes drong bij stonden dicht

aan tegen Goedele, en, alsof hij een vrage had gedaan, antwoordde ze

fluisterend:

--Ik ben gelukkig....

Dus was hare stem geenszins een stoornisse van de stilte, maar een deel

van de stilte zelve, een schakel van het gulden nachtgeheim. Want hun

minste gebaar weefde mee in 't gebouw van de àl-zoete harmonije en

spinde een draad van het broze gewaad der stilte. De stilte bleef omdoen

de mooie werking van den schuivenden tijd en van hun stralende liefde.

En zoo gebeurde 't dat Goedele sprak, alsof Johannes een vrage had

gedaan.

De weg verbreedde meteen. De boomen, die boven de bane hunne takken tot

een dicht gewelf hadden vereend, gingen vaneen en stonden in ronde rote.

Uit den hemel viel een aarzelend licht en kwam onderaan bibberen

langsheen het roerloos getwijg.

Ze torten niet verder. Ze blikten daarboven en tuurden in 't

zwart-blauwe geluchte, naar ginds, waar duizenden sterren optikkelden,

in wonderbare krioelinge. Hunne lippen krulden rijzekens omme en ze

beloerden verrukt 't gefonkel van den ontzaglijken hemel, die over hen,

in zilverig gedrup, zijne wijdsche blijheid uitstortte. Overal zijpelde

het zachte licht en 't wielde menig de tinteling ommentweere langs de

bolle diepte, allerzijds raderkens draaiend van kostbare juweelen. 't

Was een kleurgedaver zonder ruste, al kransen en roerende ranken, al

weelde en djentige rijkelijkheid, holderdebolder dooreen, hel en

prillevend en speelsch. 't Vulde alom de ruimte, 't daalde precies,

't omvatte hunne slapen en 't fleerde langs hunne vingeren. Johannes

murmelde, dichter komend:

--Verwijder u niet....

Goedele zei, begeesterd, ontrukt aan de hardheid van de eerde:

--Stil.... Ik sta in het licht.

Op dees oogenblik was geen minste leegte meer tusschen hunne lijven, en

tegare sloten zich hunne gepeinzen aan. Hooger dreven ze, waar geen

gevaar hun machtig leven kon bedreigen en geen verwijt bezeeren het

lieve bedrijf van hun ziel.

't En was geen duizeling, die rapper hun bloed door hunne leden joeg.

Ze waren vervoerd, zwevend in 't onmetelijk geluchte, waar duizendvoud

ringelde 't beweeglijk gesternte. Ze hadden geen verlangen. Ze beleefden

in trage stonden de gebeurende voldoening van al hunne lusten. Hij

omarmde haar, smeekend:

--Verwijder u niet....

Ze stotterde, nauw hoorbaar, haar hals uitlengend en pinkend met hare

wimpers:

--Ik ... ikke ... ikke....

Ze vond niet het woord--daar was geen woord.... Daar was de zalige

stilte, de stilte vol van 't zilvertjokkend geluid der sterren....

Toch de stilte, die niet te storen was.

--Houde'k u? Hebbe'k u? U ... u...? vroeg hij, en 't was lijk een verre

gedruisch, waarlangs belde het lichte sterrenspel. Ze voelde hem

tallenkant. Hij was niet buiten haar. Waar ze al tastte, hij was

aanwezig en ze voelde dat hij aanwezig was. Hare oogen werden nat en het

tikkelende vuur van den hemel begon te wemelen en weg te doezelen in

nartige vlakten. 't Deemsterde haast ten volle en ze sloot hare oogen.

Geleidelijk keek ze zijlings naar Johannes en liet haar hoofd zinken op

zijnen schouder. Ze verging precies, binstdat hij zonder gretigheid, mee

met de peiselijke doening van den nacht, zijne lippen op hare lippen

drukte.

Als ze tot bezinning geraakten werden ze ongedurig. 't Was nu het

gebiedende vleesch, dat gulzig werd, en ze stapten haastig door, ten

geheele overgeleverd aan de foltering van hunne driften. Daar hing geen

geheimzinnigheid meer onder het roerlooze lover en hunne voeten

roefelden onvoorzichtig in 't opwippende zand.

Ze verlieten 't woud. Ze troffen verder den trein en zaten in 't coupé

dicht naast mekaar, met zondige gepeinzen. Heel de onstuimige sterkte

van hunne passie rilde door hunne leden en ze taakten malkanders handen,

om de lauwe matheid van 't bloote vel te voelen. Ze spraken weinig. Hun

asem was heet.

--Waar zijn we hier?

--Bijna binnen de stad.

Ze legden een geveinsde onverschilligheid in hunne woorden, maar al hun

gedachten vloeiden saam tot éen gichtig, woelig, zinnelijk beeld. Ze

gaven zich over, zonder strijd, aan hun brandende koortse. Ze deden

niets om de brutale tempteeringe uit hun lijf te krijgen. Alleen

veinsden ze een oppervlakkige vreedzaamheid, beschaamd voor malkanders

brandende blikken.

't Gedruisch van de stad en 't geharrewar van menschen en sjeezen, de

klaterende straling der lichten en 't zware geluchte, dat hier te wegen

hing tusschen de hooge muren, 't hitste allemaal meer en meer de hevige

jeukte hunner lusten--Ze drilden nevenseen, geen onwegen zoekend om

ongemerkt te worden, zonder geduld en zonder mate. Ze keken niet op naar

mekaar....

Als ze op een ende 't kleine huizeken binnen waren en nu seffens weer

ganschelijk alleen in de welriekende nachtkamer stonden, wilden ze zich

niet langer meer bedwingen. Hunne armen strengelden woest om hun leen en

hun hijgende monden vielen, met een schok van hun gansche lijf, te gare.

't Was hier donker. De straatlanteeren speelde heel stillekens met

vierkante lichtjes langs de beloken venstergordijn.

* * * * *

't Bedrijf van den kwade · 第 13 / 19 题