Het was alles alzoo door de ziekelijke demoralisatie van de
omstandigheden gekomen, maar Goedele was daarvan niet bewust. Ze leefde
nu daarin, met onzeglijke drift opasemend het koortsige geluchte, en ze
wist niet dat er een andere weelde der zinnen kon zijn. Alles had ook
meegeholpen in 't kwade bedrijf--haar opgroei tusschen de muren van 't
massieve, leege huis, haar omgang met het onecht gedoe van moeder en
Sebastiaan, de nabijheid van Romaan's ongeluk en Wiezekens dood.
Ze klampte zich nu vast aan 't morbiede lijfgenot, niet meer vattende
dat een dieper ziel el even haar aandeel kon zijn. Als ze late in den
morgen hare oogen openstak en de dag zag uiteenkletsen tegen de witte
zoldering van hare slaapkamer, voelde ze zich breed en struisch geworden
in de lichtende vrijheid van een nieuw bestaan, wonderlijk en ongeraden.
Al zag ze eerst niet heel klaar in wat er gebeurd was, al vervaagde alle
detailleering in een grijze doezeling, die ganschelijk de vreemde
zekerheid van hare gedachten uitmaakte, het was heur àl zonnig, wat
optikkelde in hare hersens. Het zonderling gevoel, dat haar in een
gestadige duizeling bracht, was wel rijzekens omrild met de siddering
van lastige angstigheid, en ze moest soms hare vingeren op haar
voorhoofd leggen om er de subiete hitte te koelen. Ze vroeg zich niet
met bangheid af:
--Wat heb ik nu gedaan?
Ze was om de nieuwheid van haar voelen bang, en wat ze gedaan had, was
goed, was zoete. Ze was niet bij machte om uit de verveling van haar
verleden nu een spijt op te rakelen. Ze redeneerde bovendien niet.
Ze proefde langzaam hare versche emoties, en ze was zoo verre van de
overige doening verwijderd, dat ze de mogelijkheid van een anderen
toestand niet taken kon.
Als ze zich aankleedde, bleef ze vóor den spiegel een lange stonde de
malsche sierlijkheid van haren blooten hals en de ronde blankheid van
hare armen bewonderen. Het scheen haar dat ze in, der waarheid schoon
was, en een zondige fierheid lei zinnelijke stralen in hare oogen.
Het schoot dan als een schicht door haar memorie dat ze Johannes vandaag
nog een bijeenkomst beloofd had. Ze had het niet vergeten, maar nu,
binstdat ze haar naakte vleesch met het smeulende vuur van passie
verheerlijkte, kwam het haar brutaal-klaar te voorschijn....
Een aarzeling haperde in hare gepeinzen en een wijlken verwarde hare
aandoening. Dat ze gaan zou bij hem, en dus een leven beginnen waar ze
schoon-handelend in optreden zou, ze wist het. Maar ze schrikte, omdat
het oogenblik zoo dichte bij in de toekomst stond--'t was alsof het
aanzienlijke bedrijf nu reeds hare leden kwam raken. Ze dierf niet
denken aan wat er precies gebeuren zou; seffens roerden hare ideeën
thoope en ze was tewege weg te zinken in een bedwelmende zoetigheid.
Ze herpakte haarzelve. Haar boezem klopte geweldig en een blauwe ader
lijnde teer uit op hare slapen. Ze stamelde:
--Vandage niet--vandage niet....
Hij moest wachten, hij mocht niet verlangen dat ze zich ten geheele
subiet overgaf, en ze wilde niet dat hij zoo gauw hare zwakheid zou
kennen. Eene vrouwelijke oolijkheid schuilde onder de uiterlijke sterkte
van haar besluit.
--Vandage niet!
Eerst zou ze een ganschen dag 't genot herleven van den vorigen avond,
elke kleine gebeurtenis heropschudden in hare herinnering, en weer
genieten de eerste handeling van die zonderlinge liefde, die niet zonde
heette, omdat ze liefde was. Op een nieuw zou ze de eenzaamheid van de
nachtelijke strate voelen, den zwijgenden val van wiegewije sneeuwgevlok,
de warmte naast haar zijde van zijn arm, van zijn krachtig lijf, en 't
buigen van zijn zoenzware lippen....
De uchtend was schoon: de wolkenlage rolde uiteen en langs een
bleekblauwen hemel zilverde een liefelijk zonnegestraal. Op de ruiten
spikkelde daardoor een menig sterrenspel van witte vonkjes en Goedele
keek met pleizier ernaar, een zelfde leute voelend in haar herte.
Zoo tort ze de trap af, alles beminnelijk vindend wat ze ontmoette op
haar weg. Seppie stond bij een deure zijn koppeken op te heffen en te
kwispelen zeer gevoegelijk met zijn kodde.
--Dag, Seppie!
Vader zat in de eetkamer aan 't dubben over nieuwe uitvindingen en het
scheen haar dat hij zoo'n mooi-zoete hoofd had, zoo lijze haarkrullekens
om zijne ooren en zoo kinderlijke blikken. Ze was hem nu sterk genegen
en ze knikte hem toe. Hij glimlachte tegen.
Moeder rustte in haren zetel, bij 't stille gekraak van den heerd.
Ze draaide seffens haar wezen omme naar Goedele en een angstige
nieuwsgierigheid bibberde in hare oogen. Ze vroeg dadelijk:
--Hoe is 't met Romaan?
Goedele zei, met een vreemde verwondering:
--Romaan?
Ze had zelve nog niet aan Romaan gedacht en ze was nu heel verschrikt,
omdat de gansche gebeurtenis--de droefheid in gindsch gefolterd
huisgezin, de mee-uitgesnikte droefheid--zoo verre achterwaarts gelegen
was. De dag van gisteren was met leven gevuld en 't schoot haar
pijnelijk door de hersens dat Wiezeken dood was, dat Wiezeken begraven
was, dat men nog om Wiezeken weende. Ze legde moeielijk uit, geweld
doende om natuurlijke woorden te vinden:
--Goed ... hij is struisch gebleven ... hij maakt zich nu een reden ...
hij is in slaap gevallen ... vermoeid....
--Hoe late was 't als ge hem verlaten hebt?
Goedele voelde meteen de doordringende hardheid van moeders blik en ze
bloosde in zwijgende verontweerdiging. Ze keerde zich naar vader, en
boog over hem, en kuste zijn peiselijk voorhoofd. Ze ging naderhand
onverschillig neerzitten aan tafel en schoof een kommeken vóor zich en
schonk koffie. Vader reikte haar den suikerpot over.
Ursule sprak:
--Het was na twaalven als ge thuis zijt gekomen.
Goedele antwoordde met licht humeur dat het wel kon, dat zij 't
geloofde, dat zij 't zich niet meer herinnerde. Ze wist nu zeker dat
Justa op den loer was uitgegaan, en het krenkte haar diep. Ze vroeg met
een klein lachje:
--Heeft Justa mij op de bane niet ontmoet?
Ameye had haar langs omwegen naar huis gebracht en ze giechelde spottend
bij de gedachte dat ze aldus Justa ontloopen was. Ursule zei niets meer
en tuurde naar 't vuur.
Met den klank van moeders stem en de bijtende scherpheid van hare
woorden, was de koude vreemdte van dees huis her op Goedele's schouders
gezonken. Ze voelde alweer den wijden afstand van de hier-wonende
menschen en de schrikkelijke nauwte van het hier-kwijnende leven. Een
versche opstand woelde in haar en ze wilde zich wreken met algauw weg te
rukken van hier. Ze zou Johannes niet doen wachten....
* * * * *
Omtrent den avond, als langs de muren der straten de eerste donkerte
kroop, vertrok ze. Een hijgende jacht klopte met joepen en bonzen in
hare leden en ze drilde gichtig door. Ze werd den wind niet gewaar,
die nu heel bitsig ommevlaagde, aan hoeken van hooge huizen een wilde
wirreling dansend, die plat hare rokken tegen hare beenen sloeg.
Ze beluisterde ievers 't geklep van 't uur, dat van een prochietoren
neerwaarts rinkelde, altemets weggevlegeld door 't hevige gewaai. Ze
geraakte in onbekende wijken. Ze moest bijtijden aan een politieman
vragen, waar ze den weg inslaan zou, en dan keek dat roode mansgezichte
bedaard op naar heur, zonderling doende. Ze hoorde maar rijzekens wat
hij zei, en drevelde voort, en had straks weeral alles vergeten.
Ze vreesde bijkans dat ze te late zou aankomen en dat Johannes,
moe-gewacht, niet meer ter plaatse zijn kon. Ze vroeg dan haastig:
--Is 't nog verre?
Een ander rood gezichte blikte in haar wezen en maakte haar met langzame
uitleggingen wrevelig.
--Nee-ë, als ge doorstapt, juffrouw, en geen omwegen begint....
Ze liep verder eer 't laatste woord tot haar geraakte.
Al dichter zeeg de donkerte. Een klein oud manneken stak met een perse
de lanteernbekken aan en elk licht werd subiet een waggelend leven,
opwippend in den avond, die daardoor precies doezeliger spookte. De
klaarten vielen in de liggende vlakjes gesmolten sneeuw en trilden er
een oogenblik, naarmate Goedele huppelend voorbijtort.
Ze stapte endelijk trager. Ze gebaarde dat ze hier heel onverschillig
aankwam en verjoeg op haar gelaat de spanning, die haar wenkbrauwen
fronste. Ze had Ameye gezien.
Maar in haar binnenste schokte eene geweldige benauwdheid, en ze wist
niet met welk gezegde ze hem begroeten zou. Zou ze schijnbaar verwonderd
naar hem opkijken en haar woorden kiezen naar den klank van zijn woord?
Ze blikte zijwaarts. Ze voelde dat hij haar herkend had en rap op haar
afkwam.
--Goedele!
Het was haar een onzeglijk geneuchte en over gansch haar lijf kwam zijn
stemme streelen met de zoete galming van haren naam. Ze wendde zich omme
naar hem, verlegen, blozend, en ze schoof hare hand uit haar pelsen
mofje, hem reikende in ganschelijke overwinning hare witte vingeren.
Ze taakte dan den warmen toets van zijn lijf en ging moe hangen aan
zijnen arm. Het docht haar dat de voorbijgaande menschen haar aankeken.
Het docht haar dat elkendeen beloerde hare overgroote aandoening en dat
haar herte openlag, bloot vóor elkendeen's oogen. Ze dacht verder aan
niets meer dat achterzijds volbracht was in 't verleden, en alles werd
een helle nieuwigheid. Ze vroeg, ontroerd:
--Waar gaan we?
Ze kon niet verzinnen entwat dat nog verscholen lag, halvelings te
raden, in de toekomst. Ze leefde ten volle en eeniglijk midden in haar
huidig geluk.
En hij wist zoo wonderbaar te vertellen van nietigheden, die altegare
met blij gefluister omrankten deze heilzame stonde. Hij lachte en
tooverde een prettig gewiegel van luttele beeldekens in hare hersens.
Ze zag de beeldekens wiegelen en lachte mee. Nu was er geen tastbare tijd
meer en niets van wat den samengang van hun bestaan uitmaakte, scheen
haar vergankelijk te zijn. Overal was licht het gewone gerucht van de
stad en haar hoofd was vol zacht-ruischende geluiden. Ze blikte altemets
op in zijn gelaat en ze vond hem schoon als de zonne. Dan waren hare
oogen met gulden licht beladen en 't gedoe van de loopende menschen was
haar een dooreenvarende vaagheid. Hij vroeg:
--Zijt ge moe?
Het was zoo zoete dat hij een minste trilling van haar handen opmerkte
en zich dan dadelijk om de oorzake bekommerde. Ze glimlachte even, omdat
haar zijn vrage heel gek in de zinnen klonk en ze was zeker dat ze, lijk
nu, gaan zou mijlen en mijlen te reke zonder moeheid, zonder den last
van haar lijf gewaar te worden. En nooit zou zijn liefderijke stemme
hare aandacht verzadigen en een wreveling worden in hare ooren. Hij zei:
--Uwe vingeren zijn warm....
Aardig dat hij zoo innig om haar bezorgd was en haar minste
gewaarwording omstreelde met de aaiing van zijne stemme. Ze voelde
echter niets meer--noch 't slaan van hare voeten tegen de steenen, noch
't woelig gewentel van den wind, lijk hij somtemets met vervaarlijk
geweld omzwirrelde, al pletsend op de vlakke muren zijn matelooze jacht.
Ze gingen ook een tijdeken zonder spreken, en dan was 't alsof hunne
gepeinzen, hooge boven het zot lawaai der strate, ievers in
buitenzinnelijke vredigheid tegare kwamen, éen-wordend en bij parende
rijen rondbijzend als een vlucht van gekoppelde tortelduiven. Ze zouden
zoo zwijgend geerne gebleven zijn, maar dan merkten ze algauw dat ze
onbetamelijk deden, en ze schuilden onder een pluimlichte conversatie
hunne diepe zaligheid.
In 't voorbijgaan viel om hen een subiete vlage van orkestgeluiden met,
uit groote ruiten en breede deuren, 't geklater van sterk-stralend
licht. Hij lispelde, haar zijwaarts meetrekkend:
--Willen we hier eens binnen?
Ze knikte. Het was haar alles eender, als 't maar een gezamenlijke
doening was. Ze wipte nu de marmeren trapzuilen over en geraakte in de
groote drinkzaal. 't Was haar een vlugge duizeling, de storting van al
de withelle klaarte en, rekewijs langs 't verblindend geflikker van
blanke tafelborden en ster-vonkend glasgerief, de sombere krioeling van
menschen. Het docht haar, naarmate ze doortort zoekend daar binst naar
een plaatse, dat al deze gezichten overhand opkeken naar heur en ze
ried, in een zijblik, de blankheid van hun wendende voorhoofden. Ze
voelde zich dan opgroeien, groot en struisch als ze was, grooter nog,
en fier-schoone in hare grootheid.
Als ze neerzat, verwarde meer en meer, in traag bedrijf, een gestadige
bedwelming hare opgejaagde zinnen. Ze taterde. Ze voldeed met dol
gepraat haar lastig ongeduur, en ze staarde gedurig vlak in Johannes
zijn gelaat, er lavend de gulzigheid van hare gretige blikken.
De muziek vervulde onderwijl met diverse golving van tonen het razende
geluchte. Goedele liet zich wegdrijven erlangs. Nooit was ze zoo dronken
geweest van vage geneuchten, die ze haast werkelijk taken kon, al
smeulden ze nog, met onzeker vuur, daar vóor haar, heel dichte, in de
toekomst. Hij zei:
--Drink eens.
--Ik spreek liever. Luistert ge niet?
--Laat uwe lippen koelen.
Ze liet haren mond raken den ijskouden drank, en rilde bij de kilte,
haar gansche lijf door. Hij merkte dat ze rijzekens schrok, en bood haar
lauwer water en 't suikerbordje. Ze zei:
--Ik wou wel koffie.
--Koffie moogt ge niet hebben.
Ze lachte koortsig:
--Wat belieft?
Hij bestelde melk, en ze vond naderhand dat melk te heet en te dikke
was. Ze bloosde endelijk en boog zich al zuchtend:
--Och! ik weet niet--ik heb geen smaak ... ge moogt mij zoo scherp niet
aankijken.
Hij schaterde met geveinsde leute, en ze maakte even een pruilend
moezeken, zich ten halve kantewaarts wendend:
--Ik zal u niets meer vragen.
--Doe dat.
Ze moest dan meelachen.
Als ze weer met hem op strate was, en plots het wiegelend
orkestgedruisch wegroezelde achter haar, stond ze lijk dronken in den
kouden avond. Ze drukte Ameye's arm en probeerde haar stappen te passen
op de mate van zijn tragen gang. Ze boog haar hoofd en keek naar de
tjoppen van hare schoenen, die overhand van onder haren mantel te
voorschijn kwamen om seffens weg te duiken op een nieuw. Ameye brak
schuchter de stilte, die neergeraakt was over hen:
--Willen we naar 'n schouwburg?
Ze beweerde dat ze niet aangekleed was daarvoor en liet een nieuwe
stilte heerschen. Ze voelde dat hij zocht om samen alleen met haar
te zitten en ze verwachtte met eene angstige aandoening wat hij nog
voorstellen zou. Ze had er niet aan gedacht dat de avond zoo in
trippelgang niet afloopen kón. Ze was niet bang voor hem. Ze wist dat
hij hier de woorden niet vermocht te zeggen, welke hij zeggen moest.
En hoe zou zijzelve ze hier aanhooren?
--Willen we ... hebt ge geen trek in iets? was zijn verlegen vrage.
Ze wist niet hoe hem te helpen. Ze zei dat alles haar goed was en dat
hij zich maar niet moest lastig maken. Ze staarde in zijne oogen en
fluisterde:
--Ik ben gelukkig!
Dan was 't weer een wandelen, straat in, straat uit, zonder ende.
Johannes had niet meer dezelfde zwierigheid in het gesprek en zijne
gedachten, gestadig in spanning, volgden moeielijk de woorden van
Goedele. Hij vroeg dan meteen, heel rap, alsof hij in een geute al zijn
moed daar neersmeet met éen gezegde:
--We gaan soupeeren....
Hij voelde dat hare hand een tijdeken op zijn arm bibberde, en hoorde
dat ze precies struikelde. Ze kon niet goed een klank uit haar kele
stooten en ze hief zijwaarts hare oogen naar hem. Hij las een groot
vertrouwen in hare strakke blikken, een vertrouwen, dat alle aanvallen
tarten kon.... Ze zei:
--'t Is me eender ... als ge wilt....
Ze zei 't ultermatelijk stille, en het was te merken dat haar antwoord
haperde over hare tong. Hij voelde dat ze zich overgaf en dat haar
aarzelende bede was: wees zachte, en doe niet hard, en krenk me niet....
Hij stapte rapper door en 't jubelde al in hem, wat zingend opgalmde uit
zijn herte. Vóor 't portaal van eene groote restauratie bukte hij zich
en lachte:
--Hier?
Ze had, starende in een zonderling gemijmer, een droeven lach. Ze knikte
en bracht dieper over haar aangezicht de licht-bruine vool, die om haren
hoed was vastgestrikt.
Hij duwde de witte deur open, die naar de eenzame salons leidde en
bracht haar in een mooi versierd kabinet binnen, kleurig verlicht met
elektrische bloemlampen. Hij was opgeruimd en sprak met ingetogen
haastigheid. Hij vond dat ze zoo onpleizierig was.
--Nu geen leute bederven, hoor!
Hij nam haar mofje en hielp haar mantel uittrekken, en gaf alles rap
over aan een kelner, die zwijgend in het deurgat kwam staan. Ze zette
zich neer en zuchtte. Ze zag haar eigen gelaat rechtover zich in een
spiegel en had een vlugge gebaar om even nog een haarkrulle weg te
strijken, die buiten plaatse geraakt was.
Johannes bestelde het eten, alles koud om alles in eens te kunnen
krijgen en binstdat de geluidlooze lijven der kelners in druk bedrijf
om de tafel werkzaam waren, verhaalde hij met kinderlijke gretigheid
aardige avonturen.
Goedele kwam al dadelijk onder den invloed van zijn driftig praten en
kon hem endelijk met juichende blijheid antwoorden. Het kwam haar voor
dat ze droomde, dat alles fluks weer neerstorten zou in dagelijksche
werkelijkheid. Hoe was alles ontstaan? Ze wist niets meer. 't Was te rap
gebeurd. Ze voelde Johannes dichtebij haar en al wat hier in verven en
tonen aanwezig was, kwam heel zoete haar leden omstreden.
De deure werd dichtegedraaid. Ze waren nu alleen. Ze hoorden den gang
der kelners geleidelijk wegstappen op de doffe tapijten en teenemaal
uitsterven, langs dalende trappen. Johannes bracht haar bij de tafel,
en 't was alsof hij in waarheid niet merken wou de eenzaamheid van die
muren, de beloken geluidloosheid van deze deur.... Het klepperde in hare
hersens:
--We zijn alleene....
Maar Johannes werd schijnbaar niets gewaar, en zette zich rechtover haar
en was dadelijk bezig met snijden en deelen en schinken. Goedele hoorde,
midden in de zangerige doening van zijne stem, 't gerinkel der teere
roemers en de harde klabettering van vorken en messen op gladde
tellooren. 't Verwarde allemaal schielijk ondereen en haar hoofd was vol
van 't eenvormig gedruisch;
--Alleene ... alleene....
Ze keek bedwelmd op. Ze nam zonder weten aldoor aan, wat hij haar
overreikte en ze lachte lijze mee als hij schaterend te lachen begon.
Somtemets schoten heete walmen naar heure slapen en dan doopte ze hare
lippen in de deugddoende frischheid van den wijn. Ze verwonderde zich
dat Johannes zoo zorgelijk zich bezighield met het luttele bedrijf van
het eten, dat hij al den ijver van zijne vingeren daaromtrent in gulzige
werking bracht, en dat hij daar zat, vóor haar, aan 't spinnen een
aardige webbe van kleine vertellingen, zonder aandacht precies voor hare
aanwezigheid, zonder herinnering precies aan hunne verleden
verwachtingen....
En 't ging alweer hamerend op in haar vleesch, stijgend in dreunende
slagen, tot hare gedachten maar éen gedacht meer vormden, een gedacht
van zonderlinge angst:
--Alleene....
Hij hief zijn glas op en 't licht bibberde veranderlijk in den roerenden
drank. Hij sprak van levenslust en kommerlooze leute, en over zijn wezen
kwam een stil-lachend pleizier, een natten gloed leggend in zijn
diep-zwarte oogen. Ze taakte 't groote geneuchte, dat hij met woorden
boven de tafel leven deed, en ze duizelde bij stonden, geen uitweg meer
wetend voor 't overweldigend geluk, dat opgloeide in haar. En haar glas
reikte ze naar 't zijne uit....
Al meer vervaagde stilaan het zicht der dingen. Een trossel druiven
praalde, purper-schijnend, midden tusschen de blankheid van porseleinen
schalen. Ze zag niets anders meer ommedom. 't Overige gekleur fonkelde
uit in schemerende lichtvlakten, altemets gestriemd met vluchtige
strepen. Johannes was opgestaan....
Ze voelde nu zijn warme nabijheid. Ze voelde zijn arm, die om haar leen
kwam fleeren en haar dichter aansloot tegen hem. En zijn asem kittelde
over haar gezichte.
--Melieve....
Haar emotie sloeg in forsche klopping door hare leden. Zijn stemme
brandde en smeet in laaie golving om haar. Hij fluisterde met hijgende
gichtigheid:
--Laat me u voelen ... zoo dichtbij ... tasten uw werkelijk lijf en den
blik, die optoovert uit uwe oogen. Zóo zijn we in sterke zaligheid te
gare--te gare, lijk het zijn moest naar de wetten van ons beider lot.
Weet ge ooit hoe diep ik u lieve!
Zijn mond toetste bijkans haren mond en zijn woorden stieten aan tegen
hare lippen. Hij lispelde, begeesterd:
--Kijk òp--kijk òp ... en dring in mij.... Weet ge ooit hoe ganschelijk
mijn leven is vastgeketend aan uw leven! Kijk òp.... De toekomst is me
een blijde straling geworden.
Hij sprak van de toekomst. Hij kuste haar op haar voorhoofd en in heur
haar. Hij sprak van de toekomst, vervoerd, verrukt, en lang beeldde hij
't haar vóor, hoe ze saam, buiten aller wete, jaloersch voor eigen
geluk, hun genot in een klein huizeken zouden bergen, hoe ze daar trage
avonden zouden slijten, aldoor in 't gulden wonder van hun liefde. Hij
verzinde een sierlijke detailleering daaromme, zoodat 't opstraalde in
menig geflikker, vlammekens alhier en alginder--altegare een groot
minnevuur. Hij joeg zijn woorden achter mekaar en zoende haar driftig en
aaide hare vingeren, vragend:
--Wilt ge?... wilt ge?
Ze stamelde, heel week wordend:
--Ik ... wil....
Hare borste golfde geweldig, hare wimpers waren heet en zij voelde de
tranen niet, die stille over hare wangen rolden. Ze snikte endelijk en
vatte in plotselijke drift zijn hoofd in hare handen en drukte 't met
ongemeene kracht tegen haren zwellenden boezem. Ze hakkelde:
--Ja ... ja ... ik wil ... ik zie u zóo ... machtig geerne ... u ...
u....
Hare natte lippen sleerden, lang-zoenend over zijnen hals.
Het was alzoo een stonde van overmatige aandoening en al wat rond haar
bestond, al wat ze nog in beweeglijke grijsheid herkende, de witte
spetsing van roemers en teelen, de purpere gloeiing van druiven, het
tinteleerende gesternte van bloemlampen--al wat ze zonder aandacht nog
opnam in haren geest, 't vloeide uiteen, 't verwijderde zich en 't
roerde een ende ginder, heinde en verre.
Ze was hier met Johannes, en niets leefde buiten 't leven, dat ze met
Johannes uitasemde. De wereld lag in de wijdte, waar ze niets meer raken
kon, waar ze met een stoot van heur herte de wereld verdreven had. En ze
groeide op ten hemel, in bovenzinnelijke verrukking....
Met hem ... met Johannes ... eeniglijk....
Alleene.
* * * * *