X.

Het was alles alzoo door de ziekelijke demoralisatie van de

omstandigheden gekomen, maar Goedele was daarvan niet bewust. Ze leefde

nu daarin, met onzeglijke drift opasemend het koortsige geluchte, en ze

wist niet dat er een andere weelde der zinnen kon zijn. Alles had ook

meegeholpen in 't kwade bedrijf--haar opgroei tusschen de muren van 't

massieve, leege huis, haar omgang met het onecht gedoe van moeder en

Sebastiaan, de nabijheid van Romaan's ongeluk en Wiezekens dood.

Ze klampte zich nu vast aan 't morbiede lijfgenot, niet meer vattende

dat een dieper ziel el even haar aandeel kon zijn. Als ze late in den

morgen hare oogen openstak en de dag zag uiteenkletsen tegen de witte

zoldering van hare slaapkamer, voelde ze zich breed en struisch geworden

in de lichtende vrijheid van een nieuw bestaan, wonderlijk en ongeraden.

Al zag ze eerst niet heel klaar in wat er gebeurd was, al vervaagde alle

detailleering in een grijze doezeling, die ganschelijk de vreemde

zekerheid van hare gedachten uitmaakte, het was heur àl zonnig, wat

optikkelde in hare hersens. Het zonderling gevoel, dat haar in een

gestadige duizeling bracht, was wel rijzekens omrild met de siddering

van lastige angstigheid, en ze moest soms hare vingeren op haar

voorhoofd leggen om er de subiete hitte te koelen. Ze vroeg zich niet

met bangheid af:

--Wat heb ik nu gedaan?

Ze was om de nieuwheid van haar voelen bang, en wat ze gedaan had, was

goed, was zoete. Ze was niet bij machte om uit de verveling van haar

verleden nu een spijt op te rakelen. Ze redeneerde bovendien niet.

Ze proefde langzaam hare versche emoties, en ze was zoo verre van de

overige doening verwijderd, dat ze de mogelijkheid van een anderen

toestand niet taken kon.

Als ze zich aankleedde, bleef ze vóor den spiegel een lange stonde de

malsche sierlijkheid van haren blooten hals en de ronde blankheid van

hare armen bewonderen. Het scheen haar dat ze in, der waarheid schoon

was, en een zondige fierheid lei zinnelijke stralen in hare oogen.

Het schoot dan als een schicht door haar memorie dat ze Johannes vandaag

nog een bijeenkomst beloofd had. Ze had het niet vergeten, maar nu,

binstdat ze haar naakte vleesch met het smeulende vuur van passie

verheerlijkte, kwam het haar brutaal-klaar te voorschijn....

Een aarzeling haperde in hare gepeinzen en een wijlken verwarde hare

aandoening. Dat ze gaan zou bij hem, en dus een leven beginnen waar ze

schoon-handelend in optreden zou, ze wist het. Maar ze schrikte, omdat

het oogenblik zoo dichte bij in de toekomst stond--'t was alsof het

aanzienlijke bedrijf nu reeds hare leden kwam raken. Ze dierf niet

denken aan wat er precies gebeuren zou; seffens roerden hare ideeën

thoope en ze was tewege weg te zinken in een bedwelmende zoetigheid.

Ze herpakte haarzelve. Haar boezem klopte geweldig en een blauwe ader

lijnde teer uit op hare slapen. Ze stamelde:

--Vandage niet--vandage niet....

Hij moest wachten, hij mocht niet verlangen dat ze zich ten geheele

subiet overgaf, en ze wilde niet dat hij zoo gauw hare zwakheid zou

kennen. Eene vrouwelijke oolijkheid schuilde onder de uiterlijke sterkte

van haar besluit.

--Vandage niet!

Eerst zou ze een ganschen dag 't genot herleven van den vorigen avond,

elke kleine gebeurtenis heropschudden in hare herinnering, en weer

genieten de eerste handeling van die zonderlinge liefde, die niet zonde

heette, omdat ze liefde was. Op een nieuw zou ze de eenzaamheid van de

nachtelijke strate voelen, den zwijgenden val van wiegewije sneeuwgevlok,

de warmte naast haar zijde van zijn arm, van zijn krachtig lijf, en 't

buigen van zijn zoenzware lippen....

De uchtend was schoon: de wolkenlage rolde uiteen en langs een

bleekblauwen hemel zilverde een liefelijk zonnegestraal. Op de ruiten

spikkelde daardoor een menig sterrenspel van witte vonkjes en Goedele

keek met pleizier ernaar, een zelfde leute voelend in haar herte.

Zoo tort ze de trap af, alles beminnelijk vindend wat ze ontmoette op

haar weg. Seppie stond bij een deure zijn koppeken op te heffen en te

kwispelen zeer gevoegelijk met zijn kodde.

--Dag, Seppie!

Vader zat in de eetkamer aan 't dubben over nieuwe uitvindingen en het

scheen haar dat hij zoo'n mooi-zoete hoofd had, zoo lijze haarkrullekens

om zijne ooren en zoo kinderlijke blikken. Ze was hem nu sterk genegen

en ze knikte hem toe. Hij glimlachte tegen.

Moeder rustte in haren zetel, bij 't stille gekraak van den heerd.

Ze draaide seffens haar wezen omme naar Goedele en een angstige

nieuwsgierigheid bibberde in hare oogen. Ze vroeg dadelijk:

--Hoe is 't met Romaan?

Goedele zei, met een vreemde verwondering:

--Romaan?

Ze had zelve nog niet aan Romaan gedacht en ze was nu heel verschrikt,

omdat de gansche gebeurtenis--de droefheid in gindsch gefolterd

huisgezin, de mee-uitgesnikte droefheid--zoo verre achterwaarts gelegen

was. De dag van gisteren was met leven gevuld en 't schoot haar

pijnelijk door de hersens dat Wiezeken dood was, dat Wiezeken begraven

was, dat men nog om Wiezeken weende. Ze legde moeielijk uit, geweld

doende om natuurlijke woorden te vinden:

--Goed ... hij is struisch gebleven ... hij maakt zich nu een reden ...

hij is in slaap gevallen ... vermoeid....

--Hoe late was 't als ge hem verlaten hebt?

Goedele voelde meteen de doordringende hardheid van moeders blik en ze

bloosde in zwijgende verontweerdiging. Ze keerde zich naar vader, en

boog over hem, en kuste zijn peiselijk voorhoofd. Ze ging naderhand

onverschillig neerzitten aan tafel en schoof een kommeken vóor zich en

schonk koffie. Vader reikte haar den suikerpot over.

Ursule sprak:

--Het was na twaalven als ge thuis zijt gekomen.

Goedele antwoordde met licht humeur dat het wel kon, dat zij 't

geloofde, dat zij 't zich niet meer herinnerde. Ze wist nu zeker dat

Justa op den loer was uitgegaan, en het krenkte haar diep. Ze vroeg met

een klein lachje:

--Heeft Justa mij op de bane niet ontmoet?

Ameye had haar langs omwegen naar huis gebracht en ze giechelde spottend

bij de gedachte dat ze aldus Justa ontloopen was. Ursule zei niets meer

en tuurde naar 't vuur.

Met den klank van moeders stem en de bijtende scherpheid van hare

woorden, was de koude vreemdte van dees huis her op Goedele's schouders

gezonken. Ze voelde alweer den wijden afstand van de hier-wonende

menschen en de schrikkelijke nauwte van het hier-kwijnende leven. Een

versche opstand woelde in haar en ze wilde zich wreken met algauw weg te

rukken van hier. Ze zou Johannes niet doen wachten....

* * * * *

Omtrent den avond, als langs de muren der straten de eerste donkerte

kroop, vertrok ze. Een hijgende jacht klopte met joepen en bonzen in

hare leden en ze drilde gichtig door. Ze werd den wind niet gewaar,

die nu heel bitsig ommevlaagde, aan hoeken van hooge huizen een wilde

wirreling dansend, die plat hare rokken tegen hare beenen sloeg.

Ze beluisterde ievers 't geklep van 't uur, dat van een prochietoren

neerwaarts rinkelde, altemets weggevlegeld door 't hevige gewaai. Ze

geraakte in onbekende wijken. Ze moest bijtijden aan een politieman

vragen, waar ze den weg inslaan zou, en dan keek dat roode mansgezichte

bedaard op naar heur, zonderling doende. Ze hoorde maar rijzekens wat

hij zei, en drevelde voort, en had straks weeral alles vergeten.

Ze vreesde bijkans dat ze te late zou aankomen en dat Johannes,

moe-gewacht, niet meer ter plaatse zijn kon. Ze vroeg dan haastig:

--Is 't nog verre?

Een ander rood gezichte blikte in haar wezen en maakte haar met langzame

uitleggingen wrevelig.

--Nee-ë, als ge doorstapt, juffrouw, en geen omwegen begint....

Ze liep verder eer 't laatste woord tot haar geraakte.

Al dichter zeeg de donkerte. Een klein oud manneken stak met een perse

de lanteernbekken aan en elk licht werd subiet een waggelend leven,

opwippend in den avond, die daardoor precies doezeliger spookte. De

klaarten vielen in de liggende vlakjes gesmolten sneeuw en trilden er

een oogenblik, naarmate Goedele huppelend voorbijtort.

Ze stapte endelijk trager. Ze gebaarde dat ze hier heel onverschillig

aankwam en verjoeg op haar gelaat de spanning, die haar wenkbrauwen

fronste. Ze had Ameye gezien.

Maar in haar binnenste schokte eene geweldige benauwdheid, en ze wist

niet met welk gezegde ze hem begroeten zou. Zou ze schijnbaar verwonderd

naar hem opkijken en haar woorden kiezen naar den klank van zijn woord?

Ze blikte zijwaarts. Ze voelde dat hij haar herkend had en rap op haar

afkwam.

--Goedele!

Het was haar een onzeglijk geneuchte en over gansch haar lijf kwam zijn

stemme streelen met de zoete galming van haren naam. Ze wendde zich omme

naar hem, verlegen, blozend, en ze schoof hare hand uit haar pelsen

mofje, hem reikende in ganschelijke overwinning hare witte vingeren.

Ze taakte dan den warmen toets van zijn lijf en ging moe hangen aan

zijnen arm. Het docht haar dat de voorbijgaande menschen haar aankeken.

Het docht haar dat elkendeen beloerde hare overgroote aandoening en dat

haar herte openlag, bloot vóor elkendeen's oogen. Ze dacht verder aan

niets meer dat achterzijds volbracht was in 't verleden, en alles werd

een helle nieuwigheid. Ze vroeg, ontroerd:

--Waar gaan we?

Ze kon niet verzinnen entwat dat nog verscholen lag, halvelings te

raden, in de toekomst. Ze leefde ten volle en eeniglijk midden in haar

huidig geluk.

En hij wist zoo wonderbaar te vertellen van nietigheden, die altegare

met blij gefluister omrankten deze heilzame stonde. Hij lachte en

tooverde een prettig gewiegel van luttele beeldekens in hare hersens.

Ze zag de beeldekens wiegelen en lachte mee. Nu was er geen tastbare tijd

meer en niets van wat den samengang van hun bestaan uitmaakte, scheen

haar vergankelijk te zijn. Overal was licht het gewone gerucht van de

stad en haar hoofd was vol zacht-ruischende geluiden. Ze blikte altemets

op in zijn gelaat en ze vond hem schoon als de zonne. Dan waren hare

oogen met gulden licht beladen en 't gedoe van de loopende menschen was

haar een dooreenvarende vaagheid. Hij vroeg:

--Zijt ge moe?

Het was zoo zoete dat hij een minste trilling van haar handen opmerkte

en zich dan dadelijk om de oorzake bekommerde. Ze glimlachte even, omdat

haar zijn vrage heel gek in de zinnen klonk en ze was zeker dat ze, lijk

nu, gaan zou mijlen en mijlen te reke zonder moeheid, zonder den last

van haar lijf gewaar te worden. En nooit zou zijn liefderijke stemme

hare aandacht verzadigen en een wreveling worden in hare ooren. Hij zei:

--Uwe vingeren zijn warm....

Aardig dat hij zoo innig om haar bezorgd was en haar minste

gewaarwording omstreelde met de aaiing van zijne stemme. Ze voelde

echter niets meer--noch 't slaan van hare voeten tegen de steenen, noch

't woelig gewentel van den wind, lijk hij somtemets met vervaarlijk

geweld omzwirrelde, al pletsend op de vlakke muren zijn matelooze jacht.

Ze gingen ook een tijdeken zonder spreken, en dan was 't alsof hunne

gepeinzen, hooge boven het zot lawaai der strate, ievers in

buitenzinnelijke vredigheid tegare kwamen, éen-wordend en bij parende

rijen rondbijzend als een vlucht van gekoppelde tortelduiven. Ze zouden

zoo zwijgend geerne gebleven zijn, maar dan merkten ze algauw dat ze

onbetamelijk deden, en ze schuilden onder een pluimlichte conversatie

hunne diepe zaligheid.

In 't voorbijgaan viel om hen een subiete vlage van orkestgeluiden met,

uit groote ruiten en breede deuren, 't geklater van sterk-stralend

licht. Hij lispelde, haar zijwaarts meetrekkend:

--Willen we hier eens binnen?

Ze knikte. Het was haar alles eender, als 't maar een gezamenlijke

doening was. Ze wipte nu de marmeren trapzuilen over en geraakte in de

groote drinkzaal. 't Was haar een vlugge duizeling, de storting van al

de withelle klaarte en, rekewijs langs 't verblindend geflikker van

blanke tafelborden en ster-vonkend glasgerief, de sombere krioeling van

menschen. Het docht haar, naarmate ze doortort zoekend daar binst naar

een plaatse, dat al deze gezichten overhand opkeken naar heur en ze

ried, in een zijblik, de blankheid van hun wendende voorhoofden. Ze

voelde zich dan opgroeien, groot en struisch als ze was, grooter nog,

en fier-schoone in hare grootheid.

Als ze neerzat, verwarde meer en meer, in traag bedrijf, een gestadige

bedwelming hare opgejaagde zinnen. Ze taterde. Ze voldeed met dol

gepraat haar lastig ongeduur, en ze staarde gedurig vlak in Johannes

zijn gelaat, er lavend de gulzigheid van hare gretige blikken.

De muziek vervulde onderwijl met diverse golving van tonen het razende

geluchte. Goedele liet zich wegdrijven erlangs. Nooit was ze zoo dronken

geweest van vage geneuchten, die ze haast werkelijk taken kon, al

smeulden ze nog, met onzeker vuur, daar vóor haar, heel dichte, in de

toekomst. Hij zei:

--Drink eens.

--Ik spreek liever. Luistert ge niet?

--Laat uwe lippen koelen.

Ze liet haren mond raken den ijskouden drank, en rilde bij de kilte,

haar gansche lijf door. Hij merkte dat ze rijzekens schrok, en bood haar

lauwer water en 't suikerbordje. Ze zei:

--Ik wou wel koffie.

--Koffie moogt ge niet hebben.

Ze lachte koortsig:

--Wat belieft?

Hij bestelde melk, en ze vond naderhand dat melk te heet en te dikke

was. Ze bloosde endelijk en boog zich al zuchtend:

--Och! ik weet niet--ik heb geen smaak ... ge moogt mij zoo scherp niet

aankijken.

Hij schaterde met geveinsde leute, en ze maakte even een pruilend

moezeken, zich ten halve kantewaarts wendend:

--Ik zal u niets meer vragen.

--Doe dat.

Ze moest dan meelachen.

Als ze weer met hem op strate was, en plots het wiegelend

orkestgedruisch wegroezelde achter haar, stond ze lijk dronken in den

kouden avond. Ze drukte Ameye's arm en probeerde haar stappen te passen

op de mate van zijn tragen gang. Ze boog haar hoofd en keek naar de

tjoppen van hare schoenen, die overhand van onder haren mantel te

voorschijn kwamen om seffens weg te duiken op een nieuw. Ameye brak

schuchter de stilte, die neergeraakt was over hen:

--Willen we naar 'n schouwburg?

Ze beweerde dat ze niet aangekleed was daarvoor en liet een nieuwe

stilte heerschen. Ze voelde dat hij zocht om samen alleen met haar

te zitten en ze verwachtte met eene angstige aandoening wat hij nog

voorstellen zou. Ze had er niet aan gedacht dat de avond zoo in

trippelgang niet afloopen kón. Ze was niet bang voor hem. Ze wist dat

hij hier de woorden niet vermocht te zeggen, welke hij zeggen moest.

En hoe zou zijzelve ze hier aanhooren?

--Willen we ... hebt ge geen trek in iets? was zijn verlegen vrage.

Ze wist niet hoe hem te helpen. Ze zei dat alles haar goed was en dat

hij zich maar niet moest lastig maken. Ze staarde in zijne oogen en

fluisterde:

--Ik ben gelukkig!

Dan was 't weer een wandelen, straat in, straat uit, zonder ende.

Johannes had niet meer dezelfde zwierigheid in het gesprek en zijne

gedachten, gestadig in spanning, volgden moeielijk de woorden van

Goedele. Hij vroeg dan meteen, heel rap, alsof hij in een geute al zijn

moed daar neersmeet met éen gezegde:

--We gaan soupeeren....

Hij voelde dat hare hand een tijdeken op zijn arm bibberde, en hoorde

dat ze precies struikelde. Ze kon niet goed een klank uit haar kele

stooten en ze hief zijwaarts hare oogen naar hem. Hij las een groot

vertrouwen in hare strakke blikken, een vertrouwen, dat alle aanvallen

tarten kon.... Ze zei:

--'t Is me eender ... als ge wilt....

Ze zei 't ultermatelijk stille, en het was te merken dat haar antwoord

haperde over hare tong. Hij voelde dat ze zich overgaf en dat haar

aarzelende bede was: wees zachte, en doe niet hard, en krenk me niet....

Hij stapte rapper door en 't jubelde al in hem, wat zingend opgalmde uit

zijn herte. Vóor 't portaal van eene groote restauratie bukte hij zich

en lachte:

--Hier?

Ze had, starende in een zonderling gemijmer, een droeven lach. Ze knikte

en bracht dieper over haar aangezicht de licht-bruine vool, die om haren

hoed was vastgestrikt.

Hij duwde de witte deur open, die naar de eenzame salons leidde en

bracht haar in een mooi versierd kabinet binnen, kleurig verlicht met

elektrische bloemlampen. Hij was opgeruimd en sprak met ingetogen

haastigheid. Hij vond dat ze zoo onpleizierig was.

--Nu geen leute bederven, hoor!

Hij nam haar mofje en hielp haar mantel uittrekken, en gaf alles rap

over aan een kelner, die zwijgend in het deurgat kwam staan. Ze zette

zich neer en zuchtte. Ze zag haar eigen gelaat rechtover zich in een

spiegel en had een vlugge gebaar om even nog een haarkrulle weg te

strijken, die buiten plaatse geraakt was.

Johannes bestelde het eten, alles koud om alles in eens te kunnen

krijgen en binstdat de geluidlooze lijven der kelners in druk bedrijf

om de tafel werkzaam waren, verhaalde hij met kinderlijke gretigheid

aardige avonturen.

Goedele kwam al dadelijk onder den invloed van zijn driftig praten en

kon hem endelijk met juichende blijheid antwoorden. Het kwam haar voor

dat ze droomde, dat alles fluks weer neerstorten zou in dagelijksche

werkelijkheid. Hoe was alles ontstaan? Ze wist niets meer. 't Was te rap

gebeurd. Ze voelde Johannes dichtebij haar en al wat hier in verven en

tonen aanwezig was, kwam heel zoete haar leden omstreden.

De deure werd dichtegedraaid. Ze waren nu alleen. Ze hoorden den gang

der kelners geleidelijk wegstappen op de doffe tapijten en teenemaal

uitsterven, langs dalende trappen. Johannes bracht haar bij de tafel,

en 't was alsof hij in waarheid niet merken wou de eenzaamheid van die

muren, de beloken geluidloosheid van deze deur.... Het klepperde in hare

hersens:

--We zijn alleene....

Maar Johannes werd schijnbaar niets gewaar, en zette zich rechtover haar

en was dadelijk bezig met snijden en deelen en schinken. Goedele hoorde,

midden in de zangerige doening van zijne stem, 't gerinkel der teere

roemers en de harde klabettering van vorken en messen op gladde

tellooren. 't Verwarde allemaal schielijk ondereen en haar hoofd was vol

van 't eenvormig gedruisch;

--Alleene ... alleene....

Ze keek bedwelmd op. Ze nam zonder weten aldoor aan, wat hij haar

overreikte en ze lachte lijze mee als hij schaterend te lachen begon.

Somtemets schoten heete walmen naar heure slapen en dan doopte ze hare

lippen in de deugddoende frischheid van den wijn. Ze verwonderde zich

dat Johannes zoo zorgelijk zich bezighield met het luttele bedrijf van

het eten, dat hij al den ijver van zijne vingeren daaromtrent in gulzige

werking bracht, en dat hij daar zat, vóor haar, aan 't spinnen een

aardige webbe van kleine vertellingen, zonder aandacht precies voor hare

aanwezigheid, zonder herinnering precies aan hunne verleden

verwachtingen....

En 't ging alweer hamerend op in haar vleesch, stijgend in dreunende

slagen, tot hare gedachten maar éen gedacht meer vormden, een gedacht

van zonderlinge angst:

--Alleene....

Hij hief zijn glas op en 't licht bibberde veranderlijk in den roerenden

drank. Hij sprak van levenslust en kommerlooze leute, en over zijn wezen

kwam een stil-lachend pleizier, een natten gloed leggend in zijn

diep-zwarte oogen. Ze taakte 't groote geneuchte, dat hij met woorden

boven de tafel leven deed, en ze duizelde bij stonden, geen uitweg meer

wetend voor 't overweldigend geluk, dat opgloeide in haar. En haar glas

reikte ze naar 't zijne uit....

Al meer vervaagde stilaan het zicht der dingen. Een trossel druiven

praalde, purper-schijnend, midden tusschen de blankheid van porseleinen

schalen. Ze zag niets anders meer ommedom. 't Overige gekleur fonkelde

uit in schemerende lichtvlakten, altemets gestriemd met vluchtige

strepen. Johannes was opgestaan....

Ze voelde nu zijn warme nabijheid. Ze voelde zijn arm, die om haar leen

kwam fleeren en haar dichter aansloot tegen hem. En zijn asem kittelde

over haar gezichte.

--Melieve....

Haar emotie sloeg in forsche klopping door hare leden. Zijn stemme

brandde en smeet in laaie golving om haar. Hij fluisterde met hijgende

gichtigheid:

--Laat me u voelen ... zoo dichtbij ... tasten uw werkelijk lijf en den

blik, die optoovert uit uwe oogen. Zóo zijn we in sterke zaligheid te

gare--te gare, lijk het zijn moest naar de wetten van ons beider lot.

Weet ge ooit hoe diep ik u lieve!

Zijn mond toetste bijkans haren mond en zijn woorden stieten aan tegen

hare lippen. Hij lispelde, begeesterd:

--Kijk òp--kijk òp ... en dring in mij.... Weet ge ooit hoe ganschelijk

mijn leven is vastgeketend aan uw leven! Kijk òp.... De toekomst is me

een blijde straling geworden.

Hij sprak van de toekomst. Hij kuste haar op haar voorhoofd en in heur

haar. Hij sprak van de toekomst, vervoerd, verrukt, en lang beeldde hij

't haar vóor, hoe ze saam, buiten aller wete, jaloersch voor eigen

geluk, hun genot in een klein huizeken zouden bergen, hoe ze daar trage

avonden zouden slijten, aldoor in 't gulden wonder van hun liefde. Hij

verzinde een sierlijke detailleering daaromme, zoodat 't opstraalde in

menig geflikker, vlammekens alhier en alginder--altegare een groot

minnevuur. Hij joeg zijn woorden achter mekaar en zoende haar driftig en

aaide hare vingeren, vragend:

--Wilt ge?... wilt ge?

Ze stamelde, heel week wordend:

--Ik ... wil....

Hare borste golfde geweldig, hare wimpers waren heet en zij voelde de

tranen niet, die stille over hare wangen rolden. Ze snikte endelijk en

vatte in plotselijke drift zijn hoofd in hare handen en drukte 't met

ongemeene kracht tegen haren zwellenden boezem. Ze hakkelde:

--Ja ... ja ... ik wil ... ik zie u zóo ... machtig geerne ... u ...

u....

Hare natte lippen sleerden, lang-zoenend over zijnen hals.

Het was alzoo een stonde van overmatige aandoening en al wat rond haar

bestond, al wat ze nog in beweeglijke grijsheid herkende, de witte

spetsing van roemers en teelen, de purpere gloeiing van druiven, het

tinteleerende gesternte van bloemlampen--al wat ze zonder aandacht nog

opnam in haren geest, 't vloeide uiteen, 't verwijderde zich en 't

roerde een ende ginder, heinde en verre.

Ze was hier met Johannes, en niets leefde buiten 't leven, dat ze met

Johannes uitasemde. De wereld lag in de wijdte, waar ze niets meer raken

kon, waar ze met een stoot van heur herte de wereld verdreven had. En ze

groeide op ten hemel, in bovenzinnelijke verrukking....

Met hem ... met Johannes ... eeniglijk....

Alleene.

* * * * *

't Bedrijf van den kwade · 第 12 / 19 题