IX.

Late in den avond kon Goedele naar huis gaan. De groote woonste was haar

gansch vreemd geworden, zooals die vóor haar in de donkerte, heel

massief, achter het hekken oprees. Binstdat ze de deurbelle deed

rinkelen en zich nog aan 't verwonderen was over den lang-vergeten klank

ervan, merkte ze achter zich, midden de strate, Justa. Justa beweerde

dat ze juffrouw was gaan opzoeken, om wille van de vroege donkerte, en

dat ze nu toch danig tevreden was dat juffrouw endelijk ongedeerd was

thuis geraakt.

--Mevrouw was zoo ongerust in den namiddag! fleemde ze zoeterig, terwijl

ze den groote sleutel in het klinkende slot duwde.

--Mevrouw wilde maar altijd nieuws weten. Juffrouw weet nu misschien wel

nieuws.

Goedele antwoordde niet en stapte gauw binnen. Terloops was haar idee

dat Justa haar gevolgd had en nageloerd langs den weg, maar ze dacht er

niet verder over na. Dat alles, meende zij, was ook nu zoo verre van

haar verwijderd, dat ze geen belang meer stellen kon in peuterige

leelijkheidjes.

Ze had de smart tot diepe in haar vleesch gevoeld; en wat hier ommeging,

de doening van moeder en de kinderachtigheid van vader, al dat suffe

bedrijf van elkendeen in de groote leege woonste, 't was rijzekens een

buitenmenschelijk gespeel. Ze zag even in haren geest het pieuze gebaar

van Sebastiaan zijn vingeren....

Ze stond vóor Ursule. Ze had het gevoel dat ze heel hoog stond. Ze zei

simpel:

--Het kind is dood.

Ursule en roerde niet. Ze keek naar Seppie, die zich had neergevleid om

hare voeten en nu lui zijn muilken snuivend opstak naar Goedele. Haar

blik was hard, gewoon-hard, en de lichtstreep, die de lampeklaarten op

heur gladgestreken haar leiden, en bewoog geen steke naar achteren noch

voren. Ze sprak:

--God hebbe zijn zielken. Het lieveken is gelukkig.

Na een stonde vroeg ze of Romaan sterk was, en als ze vernam dat hij

zeer afgemat en terneergeslagen het verlies van zijn dochterken beleden

had, viel van hare lippen een koud woord, dat vreemd tegen hare

gevoelerigheid van te-morgen afstak.

--De tijd zal 't uitwisschen, zei ze.

Goedele had meteen geschokt opgekeken. Ze bedaarde echter subiet, zich

peiselijk opheffend in de wijde golving van haar leed, en beaamde

stille:

--Ja, de tijd zal 't uitwisschen....

Ze verliet zonder groeten de eetplaats en tort langzaam de trap op.

Haar kamer, docht haar, had een zonderling uitzicht en met de roerende

keersevlamme klaarden de stoelen, de witte vlekken van 't bedde, en de

breede spiegel van de toilettafel, met onbekende vormen op. Het scheen

haar hier alles zoo oneigen en de reuk van de versche lakens tingel de

in haren neuze, lijk iets dat nooit bij deze lakens behoord had. Wat was

hier gebeurd? Ze schudde haar hoofd en mompelde lijdelijk:

--In mij is 't gebeurd....

Ze had het ganschelijke gevoel daarvan, maar verder kon ze in haar eigen

niet ingaan. Ze beleefde de vreemde veranderingen die haar ziele

ommegewenteld hadden en de oorzaken lagen te diepe. Daar was iets

gebeurd. Over al het onduidelijke wezen van haar machtige wee, reikte

die zekerheid.

Lang bleef ze eer ze inslapen kon, en 's uchtends als ze wakker werd,

was ze haar gekeerde nature nog niet gewend en waarde hetzelfde vreemd

geluchte rond de kamer. Binst den dag liep ze met Justa de stad op en

af en bestelde wat noodig was voor Wiezeken's begraving. Ze deed het

smertelijke werk zonder vermoeienis. Ze was sterk. Ameye had alles

opgeschreven wat ze te doen had. Ze deed het alzoo, stlptelijk zijn

zeggen nakomend, met groote zorgelijkheid. Al voorbijgaand, tort ze bij

Madeleen en Romaan eens binnen. Ze waren allebei zeer verslagen nog,

ofschoon Ameye hen niet verlaten had en hun gestadig zijn

zoet-sprekenden troost gaf. Ze kustte met vrome teerheid hun bleeke

voorhoofd en drukte de hand van haren moedigen vriend.

Weer drilde ze de straten door. Ze had maar weinig geld. Johannes had

haar opgeleid dat ze alle bestellingen in zijn naam doen zou. Ze

bestelde echter alles in name van moeder en ze schrikte niet bij 't idee

dat moeder vreeslijk opschieten zou. Ze vreesde moeder niet meer. Ze

dacht zelfs niet aan een vrees, die komen zou. Ze handelde heel

eenvoudig, praktisch. Moeder had geld.

Omtrent den vallenden avond was gansch het droevig gedoe in orde en

geraakte ze terug thuis. Ze sprak binst het soepee geen woord en ze deed

nadien Sebastiaan verwittigen, dat hij in de eerste acht dagen niet

komen moest. Hij had haar seffens met ommegaanden bode een langen brief

gestuurd, waarin hij de oorzaken van hare terughouding ten hoogste prees

en met lange zinnen toch hare deugdelijke opsluiting betreurde. Ze las

de eerste bladzijde en liet den brief dadelijk wegglijden tusschen hare

vingeren.

Als ze tewege was op te gaan naar heur slaapkamer, zag ze bij den heerd

vader zitten, lage gebukt en turende roerloos naar 't gespetter van het

open vuur. Hij had ook aldoor zwijgend door de koude stilte van het huis

gewandeld vandage, en hij voelde zich bovenmatelijk droeve worden in de

droefenis, die Goedele langs alle kamers neerzijgen liet van haar. Hij

vatte wel niet teenemaal het rechte begrip van wat er zoo geheimzinnig

in de leegte gebeurende was, maar zijn treurnisse was echt. Goedele kwam

nevens hem staan en merkte hoe over zijne ronde wangen de blinkende

tranen rolden en ze vroeg:

--Hebt ge groot verdriet?

Hij glimlachte binst zijn stille geween en keek op in haar aangezicht.

--Wel ja ik, zei hij.

--Romaan is diepe getroffen, vader. Het is goed dat ge dat meevoelt.

Hij stamelde, heel week wordend:

--Ja, het is goed ... het is goed....

Hij maakte ervan, zonder goed in te zien, een groot ongeluk, en zijn

herte was er vol mee. Hij probeerde aan het kindje te denken, dat hij

nooit gezien had, en aan Madeleen, die hij nooit gezien had. Hij dierf

dat nu doen, in de aanwezigheid van Goedele en buiten 't bereik van

zijne vrouw. Hij voelde Goedele's hand op zijnen schouder rusten en dat

deed hem zachte deugd.

Goedele en verwijlde niet lange bij hem. Al trof ze nu een

teer-lijdelijk herte, al trilde in het kille huif een snare van goede

aandoening, ze kon niet zoo seffens aansluiten met vader. Vader was, met

al de rest, verre verwijderd van haar innige leven en ze bekeek hem van

verre. Ze bleef koel, alhoewel een streelende zoetigheid om hare woorden

fluweelde. Ze zei:

--Goeienavond....

En met eene aaiende buiging golfde hare stem. Hij voelde hare vingeren

trage wegsleeren over zijn schouder en hij zat subiet heel alleene en

bangwordend in den naderenden nacht, te turen zonder weten naar 't

laaierig vuur, dat oplikte langs de vlammende scheiers.

's Anderendaags was 't weer een ijverig en verward bedrijf. Na een

loopken in de stad, waar ze nog haastig 't een en ander te verrichten

had, kwam Goedele bij Romaan. Ze vond hem in de keuken. Hij keek

rijzekens op, als ze binnenkwam, en nauw hoorbaar groette haar. Ze kon

door licht en menig getater hem niet uit zijn somber gemijmer krijgen en

ze moest het endelijk opgeven, met een zucht. Ook Madeleen en liet zich

door geen troosting roeren en zat in zwijgende neerslachtigheid precies

te voelen over haar den stillen gang van den tijd. Niemand sprak over

het kind. Tante Olympe was lijk een automaat den vloer aan 't

affledderen en stond bijwijlen zonder kijken te roefelen over een zelfde

plekke.

--Ge moet ulie struisch houden, zei Goedele.

't Geluid van haar stemme wuifde uiteen en viel dadelijk plat neere,

versmoord tusschen de muren, en zonder uitslag. Het huis was vol van

Wiezeken, en niemand sprak van Wiezeken.

Een tijdeken vóor den noene tort Ameye binnen. 't En deed Goedele geen

emotie aan, hem op een nieuw dichte bij haar te voelen. Ze was 't alzoo,

zonder overgang, reeds gewend, en lei hare hand met rustigheid in de

zijne. Ze was wel tevreden dat hij haar helpen kwam om de stilte te

bestrijden, waar zij hopeloos in alleene bleef. Hij voelde met meer

gemak de doode leegte, en zijne gebaren, 't vergaan van zijn wezen en

't gedoe van zijne armen, waren min gemaakt. Het gelukte hem, met gewone

gezegden, 't getik van 't horloge te bemeesteren, dat zoo pijnlijk het

ongeluk hier in zeerdoende stondekens tjokte. Hij sprak van 't weer--'t

geluchte was vochtiger en lager de hemel, en 't zou wel sneeuwen eer 't

avond werd....

--Sneeuwen? vroeg Romaan, verschrikt.

Ze voelden 't plots allemaal tegare waaraan hij dacht en zagen hoe de

sneeuw, binst de deemstering, zou neerwaarts vlagen en ommevlokkelen,

langs het eendelijke graf.... Want het huis was vol van Wiezeken, en

niemand sprak van Wiezeken.

En, in der waarheid, de sneeuw viel. 't Was eerst een opwirrelend gewaai

van kleine witte dingetjes--endelijk, als de mannen kwamen en 't

kisteken wegdroegen en 't wegschoven onder een schoon floers met

franjen, op den zwarten wagen--endelijk een regelmatige val van dikke

trossels, licht-dalend bij buien en stille lijk een groot, blank geheim.

Romaan had geëischt dat niemand op de begrafenis zou uitgenoodigd

worden. De strate was leeg. Gevieren--tante Olympe was thuis gebleven

om alles weg te ruimen wat tot een pijnlijke herinnering aanleiding kon

geven--gevieren volgden ze te voete de koetse en ze zagen even, in hun

voortdurend geween, de menschen van weerskanten groeten en verwonderd

blijven staan, al kijkend naar dien rijkemans wagen rijzekens begeleid.

Na de zegening in de kerke, stapten ze in een groote sjeeze en reden

achteraan, nu geschokt in dees groote huurkasse met versleten kussens.

Madeleen voelde hoe alleenig ze hier zaten en hoe alleenig ginder

Wiezeken lag, en ze stamelde:

--Me dunkt dat wij er nu zoo verre van af zijn....

--Ja, zei Romaan, heel laag.

Maar Ameye was weer aan 't vertellen en trachtte met diepe woorden 't

zachte vergaan van dees tijdelijke leed te doen voelen. Ze luisterden

wel naar hem, zagen wel een wijlken lang de troostvolle beelden

opflikkeren, die hij ontstak in hun gepeinzen. 't Matelijk gewiel van de

sjeeze echter en de kloppende draf van de peerden, de almachtige sneeuw,

die achter de ruitjes in wijde vlagen neerwoei en 't hoorbaar gerol van

den rouwwagen, vooraan, den schrikkelijken wagen, al 't gedruisch

dreunde zoo sterkelijk aan tegen hunne hersenen, dat ze seffens hun

hoofd lieten zakken en op hunne vingeren 't heete gespets van hunne

tranen gewaar werden.

Het kerkhof was heel en al een wit veld door zijschaduwen van zerken en

zuilen gebroken. De mannen, die waren meegekomen en waar de wind ook

omme wit gewinterd had, maakten het kistje bloot en bonden er twee

koorden rond.

Het was een akelige stonde. De sneeuw smeet in Romaan zijn gezicht, lijk

hij daar van voren stond, dichtebij. Hij ging alles nauwkeurig na en 't

zicht van dat houten ding, waar Wiezeken in beloken lag, spijkerde zich

met zeerdoend hamergestamp vaste in zijnen geest. Hij hoorde 't

hopelooze gesnik van Madeleen, als Wiezeken in 't volle weer verdragen

werd en zoo eendelijk wegzakte, diepe, in de eendelijke holte. Hij

merkte nog hoe de mannen bedaard en onverschillig te werke gingen....

Daar kwam een groote moeheid over hem en zijne knieën knikten thoope.

Hij wist meteen niet meer duidelijk wat er gebeurende was en liet zich

door Johannes meeleiden. Hij trutselde, wilde een klaarte krijgen in

zijn gedachten en mummelde gestadig:

--Maar ... maar ... sapristi! Zijn we nu allemaal tegare?...

Hij werd opgeheven en zat op een nieuw in het rijtuig. Hij zag Madeleen

weer uitbersten in een wee zonder ende en kreeg meteen 't idee dat hij

ze troosten moest.

--Toe-de, mijn kind ... ge moet op iets anders peinzen....

Ze waren allemaal bang van hem. Hij zei:

--'t Is hier plezant, zoo te rijden....

Hij klopte op Madeleens schouder en bukte zich om te blikken in haar

betraand gezichte. Hij streelde nadien hare handen en peuterde zoetekens

over hare vingeren en begon ook te weenen. Hij liet zijn hoofd

neerzijgen tegen hare borste en sloot zijne oogen.

Ze geraakten thuis. Ze moesten hem wakker maken en hij keek heel

verwilderd toe, zonder begrijpen. Hij ging de trap op en vond in de

keuken tante Olympe aan 't jeremieeren met Mariëtte. Mariëtte wilde

subiet wegloopen, verlegen omdat ze midden in al deze droefenis betrapt

werd. Ameye vroeg dat ze arets blijven zou en ze groette elkendeen

minzaam. Het was eene afleiding en de kamers, waar Wiezeken nu voor

altijd uit was, en gaapten zoo akelig niet.

Goedele bracht de hoeden en mantels weg en toonde zich uitermate

gedienstig. Ze schikte de koffiekommekens, had beste koekskens veerdig,

vulde met djente bewegingen de leegte, die tallenkante herkomen wou.

En Ameye hielp dapper mee, aldoor de conversatie rechthoudend en de

aandacht op allerlei zaken verstrooiend. Mariëtte begreep seffens dat

ze ook van hulp zijn kon en haar klaar stemmeken deed ze sierlijk

oprinkelen. Ze was alzoo waarachtig een hupsche deerne en hare handen

waren zoo klein en zoo blank, en ze vingerde zoo prontelijk ermee, om

haar gezegde uit te teekenen. Ze merkte dat uit de hoeken van de kamer

allengs de deemsteringe naar voren kroop en ze voelde dat, al

duisterend, 't geluchte vol zou geraken met een nieuwe angstigheid.

--Wil ik de lampe aansteken?

Elkendeen keek naar 't venster, waar de dag nog lichtend bezig was. De

sneeuw bijsde er onophoudend naar 't westen toe, waarheen de wind zijn

joependen asem joeg, en de vlokken kletsten altemets met een klein

getjok tegen de ruiten of maakten, precies dansend, een sprongsken en

een ronde. Als de lampe brandde, was alles in de kamer beverfd met een

warm-gele klaarte, en dan werd de dalende dag buiten een kille

blauwigheid. Mariëtte schoof de gordijntjes dichte. De kamer was meteen

heel gezellig van de wijde vreemdte afgezonderd.

--Zie-zoo, lachte Mariëtte, nu zitten we lekker.

Ze lachte halvelings, en zij en schond niemands gevoelen met hare lichte

pleizierigheid. Ze ging het vuur in de stove opkoteren, zoodat het

poefend te zoeven begon. Ze schonk de koffie in en naderhand een

druppelken cognac, en ze dwong elkendeen mee te doen en te drinken.

Johannes kon ook wonderlijk alle droefenis wegtingelen met 't gevleugel

van zijne aardige woorden. Getweeën droegen ze behendig hun moeielijke

take, en endelijk scheen alle groot verdriet verdwenen. Madeleen

glimlachte en knikte weleens. Romaan bleef sprakeloos, maar effen was

zijn witte voorhoofd. Het schartend getik van 't horloge en was niet

hoorbaar meer, en tante Olympe deed haar duimen spelenderwijs overeen

draaien.

Mariëtte werd dan ten geheele leutig en zette zich aan 't verhalen.

Ze had al wat zonderlinge tijdekens beleefd, en in haar memorie had ze

alles opgestapeld. Ze vertelde met gemoedelijke geestigheid, en ze wist

zoo naïef aaneen te knoopen een historie van hare kanarievogels en een

avonture van de lage strate. En, al zei ze bijwijlen een opgelicht

zinnetje, ze kon 't allemaal zoo vermakelijk op een blozend lachje doen

afloopen, dat zelfs Ameye ook dadelijk onder den peisvollen indruk van

hare tooverige bevalligheid geraakte. Hij klopte op Romaans knie en zei:

--Hoort ge?

Romaan was daar met zinnen onderstboven in de war. Door al 't gepraat

heen bleef hij onveranderlijk rondstaren en zweeg. Hij had geen

gedachten meer. Hij zat thuis. Hij voelde wel dat iets haperde ievers

... ievers ... maar 't vervaagde alginds, verre van hier. Hij zat goed

thuis en vóor hem zat Madeleen, en hij zag Goedele en Johannes en de

anderen, een warmen kring van roerende lijven. En deugdelijk was hem 't

gedruisch. Lijk men soms op steile bergen de endelooze rustigheid der

hemelen met rustigheid bewonderen kan en weet dat men niet blikken mag

naar onder, waar duizelende diepten het hoofd verdraaien--zoo zat hij

en keek naar elkendeen, en dierf niet kijken alginds, ievers waar 't

smokkel weerde, verre van hier.... En gedurig voelde hij den

vriendelijken stoot van Johannes' elleboog of 't gewrijf van zijn

vingeren, zachte.

--Ziet ge?

Hij knikte verlegen en zijn gelaat en bewoog niet.

--Hoort ge?

't Was alweer Mariëtte, die plezant was. Hij knikte. Zijne oogen zochten

naar Madeleen, die knikte. Hij dronk een zeupken koffie en proefde dat

er geen suiker genoeg in was. Hij roerde genoeglijk met het

bel-tjinkelende lepelken....

Binstdien, al meer en meer, omdoezelde een lijze moeheid zijne leden.

Zijne handen hingen langs de sporten van zijn stoel arets te wiegen, en

lager zonk zijn kinne. Het docht hem dat hij wel danig zwaar zat en dat

de leuning hem in zijn rugge bezeerde. De woorden om hem en 't gespeel

van de golvende stemmen werden een rumoerend lawaai, waarin hij niets

meer herkende. 't Raasde tallenkant en 't kwam wegen op zijne hersens.

Hij was plots ganschelijk warm, en de hitte kriebelde in zijn haar en

onder zijne oksels.

Hij stond subiet rechte en een blos spatte uit op zijne kaken. Elkendeen

zweeg. Zijn tonge lag dikke in zijn mond en hij kon haast niet

uitspreken een wenk, die in zijn hoofd bewoog:

--Komt ge? We gaan....

Hij glimlachte oolijk naderhand en mummelde:

--Tante Olympe zal 't bedde niet opgemaakt hebben....

Zijn stap was onvaste en hij drukte gretig Ameye's hand, die naar hem

uitgereikt was. 't Ontlastte Goedele, dat hij zoo stille te rusten ging,

en ze kustte hevig Madeleen, die ook zeer moe was geworden.

Maar als Madeleen en Romaan weg waren, viel als een gewichte het

taterend gedoe. Mariëtte was haastig om deze tafel te ontvluchten en

blikte met zichtbare bezorgdheid naar het uur. Johannes en sprak bijkans

niet meer en tuurde naar 't geschitter van een lampstraaltje op den

bodem van zijn cognacruimer. Hij groette onachtzaam Mariëtte als ze de

kamer verliet, en zat nu tusschen leege stoelen naar leege gepeinzen te

zien. Tante Olympe zuchtte Juidop.

--Aai-Heere God!

En zoo drijmaal te reke, om de aandacht her op de droeve gebeurtenis te

roepen. 't En was niet uit haar hoofd te praten, dat de eerste schuld

lag in de onwettelijke betrekkingen en dat God een huwelijk bestrafte,

dat Hijzelf niet had mogen inzegenen. Ze had wel geerne daarover

gejammerd op een nieuw, om haar emotie deugd te doen.

--Aai-Heere God! mijn kinderen!

Ameye echter en keek niet op, en Goedele was insgelijks in alleenig

gemijmer verzonken, zoodat tante Olympe van lieverlede ook zweeg en

alzoo haar wimpers voelde dudderen. 't Duurde een ommegang van haar

altijd-zelfde gedachten, eer ze haar oude kappe boog en tegen het

tafelberd in slaap donkelde.

Een zonderlinge koortse hing in 't geluchte. De wind vlaagde hoorbaar

tegen 't raam en piepte altemets in een losse rete. 't Vuur in de stove

werkte te hard en een kwalijke hitte schoof in zware asems eromme.

't Was late in den avond geworden, en Goedele dierf niet zeggen:

--'t Is tijd....

Ze voelde 't gestreel van Ameye zijn droomerige stilte en 't aaide haar,

't bedwelmde haar, 't joeg een hijgen in haar borste. Ze wist wel dat

zij hier nu niets meer te verrichten had, en wat ze nu deed, zoo

luisteren naar een gedacht en lui worden in een kwaden vrede--ze wist

dat het niet docht. Ze werd in haar lijf de wellust gewaar van liggen

in de zoelte en taken de slapheid van den locht. En ze zei niet:

--'t Is tijd....

Ze probeerde te denken aan moeder.... Moeders gezichte doezelde weg en

ze kon geen beeld opvangen, dat stiptelijk moeder was. Haar zinnen

roerden in ziekelijke teerheid, rustend bij 't doode Wiezeken, rustend

bij Romaan en Madeleen, want dáar was tegenwoordig een rust, waar ze

lange stonden in verwijlen wou. Ze luisterde alles af....

Ze verlangde niet dat Johannes spreken zou of dat zijne handen, schoone

bij mekaar gebracht over zijne knieën, zouden 't gebaar doen van

woorden. Ze verlangde dat de tijd zou stille hangen, en ze toetste

Johannes' gepeins. Een ander verlangen en wist ze niet. De toekomst kon

ze niet mooier willen, en zij en had geen begeerte die zou worden in

mooiere toekomst volbracht. En zoo had ze stilaan geen besef van wat

haar te doen stond.

Geen daad kon ze verzinnen, en ze luisterde aldoor naar het doen van

Ameye, en ze peinsde niet meer:

--'t Is tijd....

Ze was droeve en vleide zich in zoetige droefenis, en daar was in

waarheid precies geen tijd om haar. Ze schoot ineens op, met een

pijnlijken ruk, als Madeleen in het deurgat kwam staan, vragende:

--Waar hebt ge 't gezet?

Ze ging seffens naar haar toe en vatte hare handen.

--Wat?

--'t Beddeken, 't kleene....

--Lieve, uwe vingeren zijn klamp en ge loopt kousevoets in den koude.

Maak u niet ziek en bezorg u om niets. Laat alles begaan.

--Ja, maar als ik er zoo meteen ievers tegenstruikel....

--Denk niet daaraan.

--Of 't kussen ievers zie, met een konksken te midden in, nog....

--Geef me een zoen en zij rustig. Slaapt Romaan?

--Romaan slaapt.... En waar zijn de fleschkens? En de kleeren ook al?

--Ge doet me pijn, Madeleen.

--Zie ... wees niet kwaad ... ik heb schrik ... ik zie gedurig schimmen

hergaan over de gordijnen. Ik weet wel dat het een doening is van de

strate. 't Is me algelijk danig bang en ik kan soms niet slikken.

--'t Zal de werking van de koffie zijn.

--Ja, dàt is 't.

Ze zei 't met vastheid en was seffens tevreden dat er zoo simpellijk een

uitlegging was voor dat angstig bedrijf in haar hoofd. Ze merkte dan dat

tante Olympe heel scheef gezakt was en ganschelijk weggedommeld. Ze had

nog een flauwen lach en verdween.

Ameye bleef zitten en Goedele zette zich lijk te voren rechtover hem.

Ze voelde nu dat zijne oogen strak op haar gevestigd waren, en ze wendde

hare blikken zijlings naar de dresse. De potjes, die daar stonden op

planken, met hun witte buiken en krullende ooren en een rozige roze vlak

vooraan, bekeek ze met geveinsde aandacht. Een tinnen teele, schoone

versierd met een ranke doffe blaren, blonk geweldig uit, en ernevens, in

een tasje van oud porselein, dorde een doode palmtuil. De teele droeg

ervan de onbeweeglijke schaduw, lijk ze daar door het noesche licht van

de lampe opgesmeten werd. Anderszins was de dresse een donkere kasse,

want niets en was van achteren te merken. Goedele zag allengs ook

wegsmokkelen de potjes en het klaterende tin, en in haar hoofd peuterde

alleen de onverdraaglijke last van Ameye's blik. Hij kittelde haar,

krabde en puntelde, zoodat het een folteringe werd. Ze duldde de

foltering. Ze wist dat, moest ze nu subiet opkijken, ze Ameye's oogen

zou zien. Ze wist wat ze zien zou in de oogen. Hij deed haar zeer, hij

was ongemanierd en hij was onzedelijk. Maar--moest ze nu subiet

opkijken--ze zou geen ongemanierdheid en geen cynische treiteringe zien.

Ze voelde 't heel klaar, en opkijken en deed ze niet.

Maar bukte hij zich niet en leunde op de tafel om beter zijn blikken te

doen wegen. Ze stond haastig rechte en zei:

--'t Is tijd.

't Klonk eenbarelijk en ze was zelve verwonderd. Ze meende dat ze 't

leelijkste woord genomen had en dat ze nu gaan moést. Zijn vrage was een

fluistering.

--Tijd?

Zijn stemme, met dat éene woord, omvatte haar in een lauwe fleering en

het docht haar dat hijzelf haar tallenkante te gelijk taken kwam. Ze

betreurde dat ze gesproken had en betreurde dat hij sprak. Ze had de

peis gebroken van eene zinnelijke mijmering en ze vreesde dat, met de

beweging van haar lijf, met den gedwongen tert van hare voeten, ze de

schoonheid van dezen avond onherroepelijk verdrijven zou. Hij sloot

zijne oogen en lispelde:

--Ik meende dat een eeuwigheid was aangebroken....

Het trof haar dat ook hij in 't gewiegel van dezelfde gepeinzen vervoerd

was. Ze werd bang. Zou hij verder spreken? Zou hij in een vallend

gezegde uit hem gooien wat zij wist dat er droomend gebeurde? Ze werd

uitermatelijk bang en hare vingeren schoven bibberend overeen. Ze boog

zich algauw over tante Olympe en schudde haar ruw wakker. Het wijveken

hief scheef omhooge haar afgemat gezicht en keek verward op.

--Hein?

--'t Is late nacht, zei Goedele. Ik moet naar huis. Ga, bidde,

daarbinnen kijken of Madeleen nu rustig is....

Tante Olympe verliet knikkebeenend de kamer, maar 't gesleer van hare

voeten was nog merkbaar alover de ruischende planken van den vloer.

Ameye rechtte zich langzaam op. Heel simpellijk, alsof hij wel wist dat

geen weigering te verwachten was, sprak hij:

--Ik ga mee. Alleene moogt ge over strate niet loopen.

Ze antwoordde koud dat hij zich eigenlijk geen moeite moest geven en

gerust daar blijven kon, als hij eerst zóo van plan was. Hij vroeg:

--Wat kan ik hier doen? Elkendeen slaapt en gij zijt weg....

Tante Olympe kwam op hare teenen her binnen, teeken doende dat alles

rustig was, en Goedele werd buiten reden haastig. Haar hoed, binstdat

ze hem opzette, beefde in hare handen en een ongemeene gichtigheid

kriebelde achter hare ooren. Onder 't licht van de lampe schitterde,

uiterst beweeglijk, de diamant van haren ring. Ze was seffens veerdig en

smeet zonder hulpe haar mantel over hare schouders. Ze voelde nog een

beetje vochtigheid in de pelsenkrage, die killig haren nekke taakte. Die

plotselinge frischheid deed haar deugd, en ze trok met meer bedaardheid

hare handschoenen aan. Als ze endelijk ommekeek, stond daar Ameye

alreeds te wachten.

--Kunnen we gaan, juffrouw?

--Ja, mijnheer.

Ze deed haar best om hard te zijn of onverschillig. Ze groette tante

Olympe met overdreven vriendelijkheid, om goed 't verschil duidelijk te

maken.

--Slaap zachte!

Ze vestigde hare aandacht op de lampe, die aan 't uitvonken was, en

tante Olympe, ten halve slaperig, knikte dat ze alles wel zou in orde

brengen, al lachend groetend:

--Tot morgen?

--Tot morgen.

Het licht, dat in vierkante vlekken op de trappen spetterde, vernauwde

subiet, en de deur klonk dichte.

Ze geraakten op strate. 't En sneeuwde niet meer, maar allerwege reikte

de blanke vlakte, rijzekens gebroken door 't somber geschemer der

gevels. Geen mensch roerde daarin. Een benauwde stilte heerschte hier en

't was alsof 't nooit anders was geweest en 't nooit anders zou worden.

Altemets roefelde van boven een wijde wind benedenwaarts, scharrelde

hoorbaar langs de daken, in de goten, huilde ievers in een

toevallige-holte of joeg vrij door, meester over de stede. Het licht dat

van de lanterens openviel, rondde een gele verve plat op de witheid van

den winter, en, als 't gewaai aan 't rotelen was, waggelde de vlamme en

roerden op den grond de schaduwstrepen en de klaarten. Andermaal was

alles stille en men hoorde heel verre 't geronk van de hooge stad, den

galm van haar late pleizieren.

Een tijdeken bleven Goedele en Ameye op den drempel staan. 't Schoot

haar plots te binnen dat Justa misschien op den loer was gezet, en ze

staarde links en rechts den nacht door. Ze zei, opdat hij ook zou

rondblikken:

--Geen ziele op weg....

Hij blikte rond.

--Geen ziele....

Ze hadden allebei terzelfdertijd 't gevoel van deze vreeslijke

alleenigheid, en hun voet schoof schuchter door de krakende sneeuw. In

zijstraten en bewoog insgelijks geen levend bedrijf van menschen, en 't

was alsof ze doolden in een doode stad, zoo tertende naast mekaar op

zinkenden grond, waar nievers het speur van stappen was achtergebleven.

Tusschen de spleetjes van onvaste blaffeturen straalde altemets een

geutje licht, en binnen een huis dreunde bij stonden de slag van een

pompe of 't getjok van een ijverige naaimachine. Het tijdelijke lawaai

stierf gauw uit en lijk te voren herkwam de almachtige stilte langs de

effenheid van gansch de blanke vlakte. De drempels lagen bedolven en een

hooge zulle kon halvelings nog opduiken vóor de woonste van rijke lui.

In een ommedraai van den weg merkten ze de sombere gestalte van een

politieagent. Verder alweer reikte de onbezochte straat, geruchteloos.

En ze gingen, neerwaarts blikkend, luisterend naar eigen beweeg. Ze

spraken niet en ze waren gedurig veerdig om te spreken. Ameye wilde met

geen dwaas gepraat beginnen en zocht het sterke woord, waarmee hij

beginnen moest. Een vredige zekerheid was in hem rijp geworden en zijn

besluit lag klaar in zijne gedachten. 't Ware nu dom geweest, indien hij

met gewone zinnetjes te converseeren ging. Hij liet eerst de stilte hare

diepe werking doen....

In ongedurige verwachting stapte Goedele nevens hem. Ze taakte soms zijn

elleboog, als haar voet zijlings uitsleerde, en zoo rilde een

zonderlinge wrevel langs haren rugge op. Al meer koortse verwarde hare

zinnen en ze beet somtewijlen toornig op hare tanden, vernederd in eigen

onverdraagzaamheid. Ook de eenvormige klein-geruchten, 't piepen van de

sneeuw onder haren schoen, 't geruisch van hare rokken en een kleine

wrijving van haar pelsenkrage, saam met haar blazenden asem, joeg ten

uiterste haar lastig ongeduld. Bij 't inslaan van een nauwe stege, werd

ze gewaar dat ze de baan te buiten waren en misliepen. En toch, al wilde

ze haastig zijn en zich haar ongeduur tot rap doordrillen opdringen, ze

zweeg.

De schaduw, die van de daken viel, was dichter hier en nauwer lagen de

drempels tegenovereen. Daar was ievers nog een kroegje ruchtig, maar

wijder uit donkerde alles weg in ganschelijke eenzaamheid. Het begon te

sneeuwen....

Ameye rok zijn regenscherm open en schoof dichte aan naast Goedele.

--Leun op mijnen arm, zei hij.

Hij sprak heel lage, gewichtig en daardoor was zijn nadering, in

Goedele's hoofd, een diepzinnige gebeurtenis. Haar ongeduld zakte thoope

en ze voelde een groote aandoening over haar komen. Aarzelend hief ze

hare hand op en rustte op zijnen arm. Ze kon niet doorwegen erop. Een

zonderling gevoel deed hare vingeren tingelen, zoodat de tast van zijn

lijf ze opwippen deed overhand. Hij fluisterde:

--Nu hebbe 'k een wonderbaar geneuchte....

Ze meende dat ze te wege was weg te zinken, en het docht haar meteen dat

de eerde roerde en een holte groef onder haar. Elk woord, dat hij

uitgesproken had, brandde en daverde in hare hersens en haar hoofd zelve

werd een holle kasse, waar ze met ongemeen geweld ommeroefelden. Wat had

hij gezeid? 't Ruischte als een schrikkelijke golving:

--Een wonderbaar geneuchte....

Ze spande al hare krachten in om sterk te blijven en klampte zich vaste

aan andere gedachten. Ze wilde denken aan Romaan, en denken aan

Madeleen, en hare emotie in tranen uitgieten alover 't graf van

Wiezeken. Ze maakte vluggelings beelden van wanhoop, om iets dat

opjoepte in haar herte neer te duwen. Ze dwong hare gepeinzen tot

weemoed en richtte ze alginder, waar 't ongeluk was binnengeslopen en

waar ze gansch den dag had kunnen weenen. Ze vroeg zich af:

--Schiet Romaan nu niet wakker en hoort hij niet 't geloei van den

eendelijken wind?

Ze kon geen angstigheid leggen in haar borste. Ze vroeg zich af:

--Loopt Madeleen nu niet dolend rond, in waanzin zoekend naar ...

naar....

Maar ze stiet seffens aan tegen de struischte van 't eenbarelijk geluid:

--Een wonderbaar geneuchte....

Het klokte zonder ende, en klapperde hare leden door, en 't galmde in

trillingen weg om haastig weer op te lawaaien, éen krachtig gedruisch.

Ze meende dat ze niet meer te kampen vermocht.... Dan zag ze in

toevallige gepeinzen 't moedeloos gezichte van Sebastiaan en ze moest

blijven staan, plots ongemakkelijk wordend. Ze voelde nadien dichtebij

den buigenden blik van Ameye en stapte verder, gedreven door koortsige

hardnekkigheid. Een oogenblik kon ze nagaan Sebastiaan's bleeke wezen en

luie vingeren. Ze had geerne een geweldige wroeging willen krijgen, een

bijtend folteren van al haar vleesch, een schok in haar herte om neer te

zinken, onmachtig.... Het bleeke wezen vervaagde, teerde uit zonder

oogenverwijt; en sterker herstraalde tallenkant, triomfelijk, het lokkig

gezegde:

--Een wonderbaar ... een wonderbaar....

Ze voelde dat hij zijn stap vertraagde, en dat zijn arm lager zeeg en

achterwaarts zich rondde. Ze voelde zijne hand sleeren langs haren rug

en haar omvatten in haar leen. Toen merkte ze hoe dikke de sneeuw al

zwijgend omlage streek, en zag ze den witten schijn van zijn gelaat uit

den nacht opklaren en bukken over haar voorhoofd. Ze schrok subiet. Ze

neep hare oogen toe en kon niet verder terten. Zijn warme asem kittelde

alreeds op hare slapen. Ze neeg op zij en zakte zonder willen tegen

zijne borste. Ze hoorde heel zachte:

--Goedele ... Goedele....

Op haren mond brandde nu de wilde hitte van zijne lippen, en haar mond

werd wild heet.

* * * * *

't Bedrijf van den kwade · 第 11 / 19 题