Goedele had in den nacht hevige traanbuien, en zij en kon maar lichte
insluimeren, gedurig weer wakker opschietend in bange droefenis. Ze
weende bij 't naderen van haar onredelijk wee: ze dacht aan haar zelve,
aan de toekomst, en ze voelde dat haar leven gebroken was. Ze snikte
seffens. Ze had geen gramschap in haar, geen toornige uitvallen wolkten
met heete walmen op uit haar herte. Ze bekeek elkendeen zonder wrok.
Moeder was haar geen hardvochtig wezen meer en ze kon peinzen op heur,
zooals ze peinsde op vader: een groot medelijden verlamde haar oproerig
karakter en ze weende, duikende haar brandend gezichte in 't zakkend
geveder van haar hoofdkussen.
In den morgen verzwakte haar uitermatig leed, maar ze bleef den dag door
turen naar den komenden winter, verslonden in vaag gemijmer, aldoor
treurig en maf. Ursule trachtte meermaals met zoet gevlei haar op te
beuren. Ze sprak weer van een cottage, waar ze zouden gaan inwonen, bij
't naderen van de lente. Ze dierf echter het gezelschap van Bella niet
meer oproepen. Het was gisteren al te bar verloopen en de herinnering
eraan zou geen goed stichten.
De weke liep door. De verkiezingen gebeurden met groot lawaai en een
nagalm ervan drong in dees spokig huis. Men sprak van 't voorval, en dat
bracht een beetje verscheidenheid binnen. Ook een heele zake was 't, als
Justa, in 't voorkamertje, het ivoren kistje ontdekte. 't Was tooverij.
Maar Ursule had voorloopig gewichtiger gepeins en Goedele was niet uit
haar droomen te leiden, zoodat het kistje algauw vergeten werd.
Op een nacht begon 't nijpend te vriezen. Schoone bloemen waren 's
ochtends zichtbaar op de ruiten, witte bloemen met divers geblaan,
allemaal zuiver en sierlijk van vormen. De tuin lag met blanken rijmel
bestoven en de strate, onder den tert der menschen en 't gerammel der
wagens, klonk bijzonder luidelijk. De postbode bracht, al heel vroeg,
een brief voor Goedele.
--Wat is 't? vroeg Ursule.
Hij werd koortsig opengebroken. Er kwamen hier bijna nooit brieven toe,
behalve somtemets een kort schrijven van Vrebos of een welruikend
kaartje van mevrouw De Vleeschhouwer. Deze brief was van tante Olympe.
--Nieuws van Romaan, fluisterde Goedele, heel laag.
Hare blikken schoven vluggelings over de zwarte onregelmatige letters,
heel die brave, gebrekkige taal van 't oude wijveken, en stilaan
geraakten hare oogen vol. Ze moest rap pinken om de tranen weg te duwen
en verder klaar te zien. 't Was slecht nieuws.
Ursule lengde haren hals uit, en op dees oogenblik overviel haar
werkelijk een breede moederlijke aandoening. Ze stotterde, een ongemak
voelend in haar kele:
--Watte?... Watte?... Hein?
Ze beloerde 't stille geween van Goedele, elken traan te reke, die rond
werd onder de donkere wimpers, klaar optikkelde met een sterreken
veranderlijk licht en trage neerwaarts droop. Goedele stamelde:
--Slecht nieuws....
--'t Is van Wiezeken, niet waar?
--Wiezeken is aan het sterven.
Ze zaten nu allebei rechtover mekaar, in stilte te schreemen. In langen
tijd had Ursule zoo 'n ware emotie niet gehad en ze verwonderde zich dat
dees waarachtige droefheid, die haar week maakte en afmatte, haar zacht
was en deugdelijk. Ze voelde dat ze met dees leed tot dichtebij Romaan
naderde en ze jubelde zoete, al snikkend, omdat Romaan zoo dichtebij
was. Ze werd bijna tegen hare vingeren de warmte gewaar van zijn
geliefde voorhoofd.... Ze zei:
--Ge moet gaan....
--Ja.
--Ge moet zeggen ... iets van mij ... iets van zijne moeder ... aan
Romaan.
Goedele voelde dadelijk dat moeder rechtzinnig was en ze wilde haar
geerne kussen, dankbaar om hare goede smert. Binstdat ze zich met haast
aankleedde, vertelde ze van den verloren broer, zooals ze er nog nooit
hier in huis over had verteld. Ze wist vele bijzonderheden aan te halen,
waaruit het gulden hert van Romaan stralend te voorschijn kwam. Het was
alsof ze tewege was ook van Madeleen te spreken. Het woord verzoening
geraakte bijkans op hare lippen.... Ze zweeg echter, op dat woord juist,
nog aarzelend en nog vreezend.
Buiten, op de koude straat, tort ze dapper door. Ze was weer in 't
gewoel van de haastige menschen, ze taakte weer het drukke werk van al
die dravende lijven, en, hoe onzeker ook, ze genoot de luchtige vrijheid
lijk overrijd. Maar gauw drilden hare voeten, al slaande tegen hare
rokken, en ze beluisterde den slag, hem gauwer aanzettend, om gauwer
ginder te zijn. De winkels met hunne breede vensters en veelvervige
uitstallingen sleerden zijlings voorbij. Ze herkende ievers een
confectiehuis en wierp hare blikken subiet anderzijds. Een oud ventje
hinkte krukkebeenend op haar af en reikte eene bevende hand uit. Ze
bleef staan en vingerde in haar geldtasje en gaf een stuiver aan den
man. Hij boog en een kistje met solferdoosjes, dat hing op zijne borst,
kwikte schier omme.
Ze hoorde niet wat hij mompelde. Ze was tevreden dat ze hem iets gegeven
had en dat het niet lang geduurd had. Ze geraakte zoo in 't lage van de
stad. De trams zoefden en kruisten malkaar. De karren waggelden met
ongemeen gedruisch. Een kindje riep haar na:
--Juffrouw! Juffrouw!
Ze keek omme en zag het dutseken aandrevelen met een zakdoekje.
--'t Uwe, juffrouw?
Ze tastte in haar pelsen mofje en bloosde, omdat een oude heer haar heel
scherp aankeek binstdien.
--Ja, lieveken.... Danke.
Verlegen liep ze verder. Tenden de strate lag de vaart. Nog de brug over
en dan een klein draf ken. Wat zou ze zien? Een rappe angstigheid kwam
over haar.
--Wat zal ik zien?
Op de brug was al meer moedeloos haar gang en ze tort langzaam, swijlens
starende naar 't water van weerskanten. Het water was bij plaatsen
dichtgevrozen, maar om de schepen, die lui en diepe lagen, allemaal
bijeen langs de dokken, klotsten de vrije golfjes overhand. De grijze
hemel klaterde erheen, in zilveren schervels, en altemets sprong een
vliemken stralend licht er te midden op, naar den willekeur van het
toevallig gespeel. Goedele's blikken bleven daar onbewust haperen en
hare oogen waren wijd-open aan 't zien. 't Geflikker spatterde aardig
in haar hoofd en 't herbegon altijd zijn veranderlijke wiegeling. Ze kon
precies niet verder uitkijken, recht vóor haar, waar haar weg gebaand
was. Hare handen werden heel warm in het doezelig mofje, en ze hervroeg,
een vaag zicht krijgend van de leelijke werkelijkheid, die naderend was:
--Wat zal ik zien?
Aan 't klein gesleer van hare voeten werd ze meteen gewaar dat ze te
lanterfanten stond. Een brouwersgast met zwaar gespan riep, om ze uit
zijn weg te krijgen. Ze liep. Ze beluisterde weer den korten klop van
hare beenen in 't matelijk gedruisch van hare rokken slaan.
Ze bleef uitasemen op den drempel van den ellegoedwinkel. De nijpende
geur van dees huis kwam haar ontstellen, en, al wilde ze gestadig denken
aan 't akelige zicht van Wiezeken, zich daarmee bedwelmend, ze dacht ook
aan Ameye, die daarboven waarschijnlijk was. Gauw probeerde ze te
verzinnen welke houding ze aannemen zou, maar seffens schudde ze haar
hoofd, alsof ze meende:
--Wat scheelt het mij, en wat ben ik tot hem? Ze ging de trap op. Het
docht haar dat het hier wel akelig zijn moest: de winkel lag stille en
ginder hooge lag stille insgelijks het leutige lied van Mariëtte. De
trap kraakte. Ze zag in de hoeken de gewone stofkens herroeren met het
kleine gewaai van haar kleeren. Ze merkte 't allemaal op, tot de
luttelste dingen, en ze klampte zich permintelijk eraan vaste, gestadig
het oogenblik wegschuivend, dat toch al gelijk aanbreken moest. Ze keek
naar hare hand endelijk, hoe die trage zich naar de deurklinke reikte en
hoe de deurklinke daar precies te wachten hing....
Ze tort beraden binnen. Niemand was hier in de keuken. Hare blikken
vielen links en rechts op 't vele tinnen en koperen gerief. De koffie
stond te dampen op de stove en daar walmde allentwege de goede geur.
Tante Olympe stak loerend de zijkamer open en fluks, als ze Goedele
herkende, kwam vóor haar staan, treurig doende met haar gerimpeld witte
gezichtje. Ze zeiden mekaar geen goeiendag. Dat lag zoo verre van haar.
Goedele vroeg, lage sprekend:
--Wiezeken?...
Tante Olympe zeeg neer op een stoel en bracht haren voorschoot over haar
wezen. Goedele moest nevens haar gaan zitten en herhaaldelijk vragen
nog, eer het oude wijveken haar geween kon breken. Ze stotterde op een
ende:
--De dokter is er bij.... Ze hebben er aan gewerkt dezen nacht, met
drijen.... Ze hebben er aan gesneden ... en Wiezeken haar keelken ligt
open.
--Wat zegt de dokter?
--Niets ... en durft hij--maar ik, juffrouw, ik weet wel wat sterven is
en hoe de Dood doet, als ze nadert.... Dat arme boeleken!
--En Romaan?
Ze had een flauwen lach over hare magere lippen, om te beteekenen dat
het ook met hem deerlijk gelegen was. Ze blikte dan zuchtend langs 't
venster naar den wit-grijzen hemel en ze fluisterde:
--We zijn hier in dees huis, nu juist twee jaar geleden, binnengekomen.
Ze vouwde hare vereelte handen op haren schoot te gare en voortdurend
tuurde naar het effen geluchte, met schokjes zeggend:
--En zoo gaat Wiezeken eruit ... en zoo zal ik eruit gaan ... en zullen
wij allemaal eruit gaan....
--Is mijnheer Ameye hier?
Tante Olympe begon te tateren en haar kaken glansden op, zonder
overgang.
--O ja! die goeie mijnheer!
Ze sprak met bewondering en dankbaarheid over hem. Alle dagen was hij
komen zien hoe 't ging. Hij was 't, die de dokters was gaan opzoeken en
Romaan met brave woorden steunde. Den vorigen nacht was hij tot heel
late gebleven, omdat Wiezeken er zoo heel ellendig uitzag. In den
komenden morgen had hij hem pas verlaten, maar straks zou hij weer
binnenloopen en nieuws vragen. Hij had tante Olympe aangespoord om te
schrijven aan Goedele.
--Och, me-kind, ik en dacht er niet aan. Ge moet me vergeven. Ik ben
heelemaal zonder memorie en 'k dool alhier en al ginds met mijnen
poveren kop! Het is nu goed, danig goed, dat ge gekomen zijt.
Goedele hoorde in de zijkamer de stem van den dokter, in druk gefluister
met Madeleen. Dan een groet, een korten slag van de deur en den dalenden
stap van iemand, zwaar krakend over de trap.
--De dokter gaat weg, zei tante Olympe.
Madeleen tort weenende de keuken binnen en begon luidop te snikken, als
ze Goedele zag, op wier borste ze kwam uithuilen, zonder mate, haar
overgroot verdriet. Ze jammerde:
--'t Is gedaan ... 't is gedaan ... och Heere!
Goedele streelde zachte met hare vingeren over Madeleen's bleeke wezen
en streek heur verwaaide haarstrengen effen. Ze vroeg:
--'t Kan nog beteren?--Toe, Leentje, wees rustig.
--De dokter zegt: nog vier uren, nog zesse.... Ik weet niet meer wat ik
doen moet. Ik voel dat alles kapot gaat. Ik kan geen moed meer hebben.
Ik heb nu weken lang moed gehad, moed gehad.... Wat baat nog moed?
--Ge moet malkander steunen.... Het is een ongeluk.
--Ja--een ongeluk. Ameye zegt ook--een ongeluk. Maar na al mijn leed,
na al mijn ongeluk, nog dees ongeluk weer. Ik kan niet meer....
--Ge zijt niet alleen....
--Romaan is buiten zinnen. Hij begrijpt niets. Hij wordt zot. Hij
antwoordt niet als ik hem aanspreek. Hij zegt niets.... Ik heb toch ook
troost noodig!
Goedele kuste haar en pinkte gauw een heet-kittelenden traan weg. Ze
werd gewaar dat men haar meesleepte in al dees wanhoopsdoening en dat
zij niet tegenstribbelen kon. Tante Olympe stond vóor 't venster naar de
daken der huizen te kijken. Goedele merkte hoe haar ouden rugge opsnokte
af en toe, en hoe onophoudend haar bevende hand het tipje van den
blauwen voorschoot over hare oogen bracht. En hier, op hare borst, sloeg
in hevige snikken uit de koortsige smert van Madeleen. Ze taakte
allentwege de geweldige droefenis, die heerschte in huis, en ze moest
ook stilaan buigen, neergeduwd door 't overdadig leed. Ze kreeg in de
minste voorwerpen 't klare zicht van de al-meesterende ellende: de tafel
stond ongebruikt, de moor had een zwijgende tote, de borstels lagen
droge en de schotelvodde heel stijf--en was het niet alsof de soepkomme,
achter de ruiten van de dresse, geen dienst meer deed? Nutteloos dampte
op de stove de welriekende koffiekanne. Goedele vroeg algauw, om de
overweldigende treurnisse te keer te gaan:
--Mag ik Romaan zien?
Sprakeloos gingen ze, Madeleen vooraan. In de ziekenkamer neep een geur
van jodeform en woog een zoelte van moede lucht, lijk in hospitalen.
Bij 't kleine beddeken zat Romaan, diepe gebogen, zijn kinne in beide
saamgebrachte handen, aan 't staren zonder ende, recht vóor zich uit.
Bleek als een laken en mat was zijn aangezicht, beschaduwd door de
blauwige holten zijner oogen.
Hij keek niet op. 't Was alsof hij niets opnam van wat om hem gebeurde.
Hij hoorde niet. Goedele reikte hare armen naar hem en stamelde, bevend:
--Broer ... broer....
Hij keek niet op. Hij was niet hier. Heel verre tuurde hij en zijn
gelaat, in strakke droomerij verslonden, en peesde noch en herging. Even
roerden zijne wimpers en trilde zijne rechterhand. Zijn bloed sloeg in
rappe slagen bultig uit op zijne slapen. Goedele naderde en bukte over
hem en toetste stille zijnen schouder. Hij vroeg, schier onhoorbaar:
--Wat is er?
--Ik.... Bezie mij, Romaan....
Langzaam wendde hij zijn kop omme en zijne vermoeide blikken, door
koortse ontgloeid, priemden diepe in de oogen van Goedele. Geen blijde
verwondering en roerde de groote kommernis, die langs zijn voorhoofd
rimpelde. Hij zei, onverschillig.
--Hâa!...
Hij stond rechte. Hij tuurde trage naar Goedele's mantel, naar haar
pelsen krage en haar breeden hoed. Zijn stemme was koud, eentonig:
--Komt ge van huis, zoo?
--Ja....
--Wiezeken heeft verleden nacht met haar poesjenel gespeeld en ze heeft
naar u gevraagd. Ge weet wel, die poesjenel...? Wiezeken heeft toen naar
u gevraagd.
Er lag zoo direkt een verwijt in die woorden, dat Goedele te blozen
begon.
Ze keek naar Wiezeken en ze herkende Wiezeken haast niet. 't Was
teenemaal ineengekrompen. 't Lag met ontsloten mondje te snakken, al
slapend, naar lucht, en zijn neusje vliesde permintelijk open en toe,
asem zoekend te vergeefs. Goedele heur herte deed ineens sterkelijk zeer
en een pijnlijke aandoening stropte vaste in haar kele. Ze wou zeggen:
--'t Slaapt....
Romaan hoorde den klank wegfluisteren op hare lippen en lachte:
--Hee! slapen....
Madeleen bad dat hij nu zou in de keuken gaan en een ei zuipen, en
Goedele deed mee om hem daartoe te bewegen. Hij werd erom lastig, maar
als hij zag dat Madeleen zich bij 't beddeken neerzette en dat het kind
aldus alleene niet zou blijven, gaf hij toe en volgde zijne zuster.
In de keuken zakte hij thoope op een stoel. Hij zei aan tante Olympe,
die de koffietasjes op de tafel plaatste:
--Wat maakt gijlie allemaal veel gedruisch!
Hij belonkte den aschbak, die opklaarde onder 't gefonkel der laaie
kolen. De stilte echter was hem algauw een groote last en 't getik van
't kleine horloge kon hij weldra niet meer verdragen. Hij vroeg een
kopje koffie. Hij roerde met het lepeltje erin en volgde het luttel
schuim, dat op de dampende vlakte ommeringde in diverse draaiingen.
Naderhand vestigde hij al zijne aandacht op 't bedrijf van Goedele's
armen, die haar hoed afnam en heur mantel weghing nevens de dresse.
Hij zuchtte en vroeg:
--Is dat een nieuwe hoed?
Hij vond het zelf gek dat hij die vrage deed, en verzocht Goedele dat ze
neerzitten zou. Hij zei:
--Vertel me eens wat, zusje. Ik ben zoo in folterende spanning. Ik weet
niet wat er buiten gebeurt. Och! ge kunt niet gissen, gij, hoe diepe een
mensch lijden kan.... Het leed, Goedele, en heeft geen palen.
--Alles komt weer goed.
--Alles?
Hij glimlachte droeve en hief zijn koffie tot dichtebij zijne lippen.
Hij snoof den walmenden geur op en zette het kopje, met een tikje, weer
op tafel neer.
--Meent ge dat, Goedele?
Ze verzekerde met haastigheid, om hem te troosten. Hij schudde stille
zijn hoofd en zijne onderlip zakte rijzekens neerwaarts. Trage schoof
hij zijne vingeren door zijn haar, en liet ze lui afsleren langs zijne
ooren en zijnen hals. Hij lei ze nadien op de tafel en ging de bochtige
aderen na, die blauw uitkrinkelden op het mat-bleeke vleesch. Het docht
hem dat ze buiten hem waren en hij verwonderde zich dat de magere
beentjes, als hij ze roerde al trommelend op het tafelberd, zoo
zichtbaar waren. De zware stilte woog hier tallenkant.
Hij kruiste meteen zijn beenen overeen, leunde achterwaarts over en na
zijn opgeheven knie in beide handen, lijk iemand die eene gemakkelijke
houding zoekt om te converseeren. Over zijn aangezicht kwam een spijtige
oolijkheid en hij vroeg:
--En thuis bij u, hoe draait daar de rommel?
Hij hechtte schijnbaar geen belang aan zijne woorden, en hij wiegde
zoetekens op zijnen stoel, bij maniere van spelen. Goedele wilde seffens
een goede hoop in zijn hoofd brengen, en omdat zij zich herinnerde de
hertelijke aandoening van moeder, zei ze:
--Goed.... Ge weet wel wat ik beduid daarmee. Het huis is in ruste. Het
staat daar zonder geruchten, in den grooten zwijgenden tuin. We leven te
gare daarin. De deuren blijven dicht en geen lawaai van buiten dringt
binnen. Geleidelijk geraakt in de stilte het geweldig verleden effen....
--Wat wilt dat zeggen? Effen?
--De herinneringen zijn nu vaag geworden en men begint te merken dat er
maar iets van overblijft ... wij, en dat we leven ... tastbaar nevens
malkander staan....
--Leven ... leven ... leven....
Hij tuurde naar de zoldering en liet zijn hoofd ten geheele overhangen,
op de leuning van zijn stoel. Goedele voelde dat zij hem naderen kon met
het gansche droeve huis van ginder....
--Daar zijn t'onzent leege plaatsen om de tafel, Romaan. Moeder wordt
zwak. Moeder vraagt naar u. Ze heeft geweend dezen morgen.
Hij wipte meteen rechte en stond midden de keuken heel verwilderd naar
Goedele te zien. Hij stiet haar ruw aan tegen het aangezicht, met zijne
blikken. Hij boog zich over haar, benauwd fluisterend:
--Wie heeft u hier gezonden?
Hij merkte dadelijk hoe bang zijzelve werd en hij week, op een ende
uitberstend met schrikkelijke woede. Zijne armen zwaaiden toornig
ommentweer en dieper zakten de rimpels in zijn voorhoofd. Hij riep:
--Wie? Wat komt ge hier praten van iemand ... die onze moeder is? Moet
ge mij komen aantasten, als ik nu lam lig, en denkt ge dat ik niet meer
tegenstribbelen kan? Ho! Ho! Ho! Het kind is bijna dood.... Ze naderen!
Ze naderen!
Goedele zat verplet en met pijnlijke angstigheid blikte ze op naar heur
broeder.
Hij rok zijn mond open om al zijn haat in vierkante brokken neer te
gooien.
--Ze hebben mij in mijne zoete droomen getroffen. Ze hebben mijne liefde
bezoedeld, bemorst, beslijkt.... Hee! Hee! Ze hebben mijne jeugd
berimpeld en mijne herte vergald!... Wacht even! Laat me woorden vinden
... laat me zoeken ... Wacht!
Hij slikte moeielijk het speeksel in, dat zijn tong belemmerde.
--Maar waar was moeder, als ik Madeleen en tante geen eten meer kon
geven? En als Wiezeken er dan nog bij kwam? En als Wiezeken dan nog ziek
werd? Moeder keek niet omme.... Nu, nu, binstdat het kind sterft, komt
er versche hoop! Willen we nu de slonse laten zitten? Het kind is dood.
Het kind is vergeten. Willen we nu naar huis gaan en ons' moeder gaan
kussen?
Zijn stemme zonk, werd heesch en moe, en zijne oogen doofden weg in
natheid.
--Gij weet niet Goedele, wat er al gebeurd is. Gij weet niet hoe moeder
Madeleen wou omkoopen, hoe ze haar vervolgd heeft zonder ruste. Ik heb
naamlooze brieven ontvangen.... Ik durf u alles niet zeggen. Moeder is
een misdadige. Nu stuurt ze u tot mij ... u, die 'k buiten en boven
alles stelde, naast mijne vrouw. Luister--ze zal voort alles aanwenden,
alles, alles.... Ze zal huichelen, ze zal weenen.... Ge hebt gezegd dat
ze geweend had!
Goedele snikte. Hij lei zijne hand op haren schouder en sprak nu zonder
drift, met een droeve zachtheid, een kleine stilte latend tusschen elk
woord, om schoone en klaar en peiselijk te wezen. Daar schorde altemets
een klank in zijne keel of 't was aleens, alsof hij zijn asem averechts
ophaalde.
--Heb ik u zeer gedaan?
Hij vingerde langs heur haar, zoete haperend in de losse krullen, en hij
streelde haar aldus en kriebelde achter hare ooren.
--Ik heb geen kwade inzichten, zusje, ik ben zeer diepe geknakt en mijn
leven is me straks een last. Ben ik ruw geweest en heb ik u met ruwheid
getaakt? Maar zonder oogen ben ik nu, mijn zusje--en alles wordt zwart
om me. Ik heb u niet gezien. Ik wil u geerne voelen dichte, zoo.... Ge
moet mij vergeven.
Ze keek op naar hem en hij zag in hare oogen de klaarte liggen van al
hare liefde. Een heete traan dropte dikrollend langs zijne wangen en
pletste met klein geflits midden op haar voorhoofd.
--Laat ons sterkelijk hopen, zei ze.
Hij knikte en zijne wimpers vielen toe....
Naderhand werd er op de deur geklopt en zonder wachten klonk de klinke
omme. Tante Olympe stond seffens rechte en was tevreden dat er toch
iemand een ende kwam stellen aan het pijnlijk gesprek. Ze huppelde tot
aan den dorpel.
--Goeien morgen!
't Was Ameye. Hij boog seffens heel beleefd, als hij Goedele bemerkte.
Het was wel eene subiete aandoening, die hij daarmee verbergen wou, en
een tijdelijke blos kleurde zijne wangen en zijne ooren. Hij bedwong
echter algauw zijne vlugge ontsteltenis en sprak heel gemakkelijk van
kleine zaakjes, zich vooral bezighoudend met Wiezeken. Hij liet al
gelijk geen durende droefenis wegen op de conversatie en vermeed
zorgelijk een tragisch woord of gevaarlijke toespelingen. Daar lag iets
opzettelijk lichtzinnigs in zijne zinnen en nievers duldde hij een
stonde stilte, wetende dat de smert al zwijgend opzwelt en zwaar wordt.
Hij zei:
--Ziekten draaien alzoo soms heel zonderling uit. We moeten ons nu niet
laten beïnvloeden.... Hebt ge Wiezeken al gezien, juffrouw? En wat dunkt
u? Het kind ziet er niet zoo bar slecht uit.
Hij klopte op de knie van Romaan:
--Jongen! gij zijt de ziekste! Ge hebt niet de minste koeragie. Ge zit
daar met een bleek en afgemat gelaat, en uwe oogen rollen vervaarlijk
omme. Wat helpt dat allemaal? Kijk eens naar mij! Ik heb den geheelen
nacht hiernaast, in de iodoform, een pestlucht, gezeten. Ik heb een
beetje geslapen--als ik thuis kwam, ik heb vrij veel geëten, en ik ben
hier terug, gezond. Heeft Romaan wat geëten, dezen uchtend, tante
Olympe?
--Een walm koffie opgesnoven....
--Dat is buiten reden!
Hij liet zich ten halve kwaad en eischte dat Romaan dadelijk een paar
eieren zuipen zou. Hij was daarbinst stille aan het tateren met Goedele,
die hem sprakeloos, met vage bewondering, had beluisterd. Hij vroeg hoe
zijzelve 't stelde, en verzekerde dat hij in waarheid gelukkig was haar
te ontmoeten, al had hij ook aan smertelijke omstandigheden haar komste
te danken. Hij zag dat ze hem moeielijk antwoord gaf en tevergeefs
probeerde een hoffelijke formule te gebruiken. Hij praatte maar door en
staarde soms met ongemeene strakheid in hare oogen.
Goedele had hem zich heel anders voorgesteld. Hij was precies een andere
man. Het docht haar dat hij meer dienstveerdig was en meer ijverig in
zijne dienstveerdigheid. Hij deelde zijn eigen precies uit en al wat hij
zei, 't en was maar om gauw de gapende stilten te stoppen. Ze voelde dat
alles zeer duidelijk, en stilaan groeide zijn gansche wezen op in haar.
Ze was 't bewust, dat hij zich alzoo meester maakte van haar en haar
teenemaal met zijn eigen leven vervulde. Ze had ook zoo dikwijls en zoo
lange aan hem gedacht en zich zijn bijzijn gewoon gemaakt, dat hij 't nu
gemakkelijk kon en dat het haar niet vreemd voorkwam. Zijn woorden
trilden in haar met ongemeene galmen, en zij luisterde ernaar, en 't was
haar alsof ze nooit te luisteren zou staken. Als zijn stemme altemets
opklom tot een vrage--zij hoorde aan den stijgenden klank dat hij een
vrage deed--wist ze daarom niet seffens wat ze antwoorden moest, en zij
vond het ook niet zonderling dat hij op geen antwoord wachtte. 't
Geluchte was vol van hem en ze asemde in dat geluchte. Ze merkte weleens
dat hij nooit zinspeelde op vroeger ontmoetingen en zich niet
verwonderde over hare lange afwezigheid. Ze had dan, lijk een
hoofddraaiing, de leege sensatie, die zij lestmaal op den drempel met
Ameye gevoeld had--en ze zag nog, in scherpe herinnering, hoe hij zich
toen langzaam boog om het hulsttakje op te rapen....
Een rap sloffengesleer schoof scherrelend in de nevenkamer en Madeleen
stond meteen hijgend in het deurgat. Ze bracht hare handen aan hare keel
precies om daar een nijpinge weg te krijgen, die haar te spreken
belette, en, in haar doodsbleek gezichte, viel haar mond open, een
blauwe schaduw trekkend, van weerskanten, in hare kaken. Romaan sprong
lijk een zinnelooze naar heur en zijn koffiekopje viel
kletterschervelend in brokkelingen uiteen op den vloer. Hij duwde haar
op zijde en liep haar voorbij, de ziekenkamer in. Tante Olympe begon
schrikkelijk te beven en ze bad:
--Aai-Heere! Aai-Heere! wat is er nu?
Goedele nam Madeleen in hare armen en Ameye bracht een glas water aan
hare lippen. Ze paaiden haar, vragend:
--Hebt ge zeer? Ge moogt u niet zoo opjagen, lieve. Kijk eens opwaarts.
Wat is er gebeurd?
Madeleen slikte moeielijk en wees naar achteren met haren vinger, dof
stamelend:
--'t Kind ... 't kind....
Ze hoorden dan Romaan, die hoog te roepen begon, met onherkennelijke
stem, en daartusschen 't kleine geween van tante Olympe. Ameye haastte
zich ook naar de kamer, en Goedele sprenkelde kille droppels op Madeleen
haar gezichte.
--Hoort ge? hakkelde Madeleen, zich opwerpend heel smertelijk in
Goedele's armen.
--Maar wat deert er toch?
--Hoort ge?... 't Sterft!
Ze viel nadien huilend naar voren op Goedele haren schoot en jammerde:
--Ho! Hoóo!... mijn kindeken, mijn kindeken, mijn dutseken!...
Haar lijf snokte op en rilde, en hare vingeren waren in pijnlijke
stuipen ommegekruld. Ze hief zich dan, plots zwijgend op, en keek
verwilderd Goedele aan. Ze fluisterde, geheimzinnig:
--'t Is vreeslijk. Ik kon 't niet zien. Ik kon 't niet uithouden. Ik zal
daar iets leelijks van krijgen, in mijnen kop! 't Lag met zijne armen
zoo subiet hopeloos geweld te doen ... en te rukken aan de sargie, met
zijn nagels ... en 't heeft mij meteen bezien, met zijn oogskens wijd
open.... Wat wou 't zeggen, o God! 't En kon niet spreken, en die
oogen.... Ik dacht dat het te roepen begon. 't En zei niets. 't Waren
die oogen.
--Drink een beetje, lieve.
--Ja.
Ze grabbelde bibberend naar het glas. Tante kwam ook half zinneloos in
de keuken binnengeloopen en hief hare armen omhooge. Ze stotterde:
--'t Is zonde!
En ze deed teeken, achter Madeleen's rugge, dat Goedele zou gaan en
helpen.
Goedele ging. Ze voelde hare voeten, al gaande, niet slaan op den vloer,
en 't was alsof hare beenen automatisch voorttorten. Haar lijf hing naar
voren. Ze had schrik en dierf niet 't kindeken zien--en haastte zich om
te zien....
Vóor 't beddeken, aan 't voetende, stakerechte stond Ameye. Ernevens,
op een lage stoel zat Romaan. Zij verroerden zich niet. Ze keken
halsstarrig toe. Het kind lag heel wit midden op het witte kussen en op
zijn aangezicht was geen speur van leven meer. 't En asemde niet ...
Goedele week instinktmatig. Ze was tewege het te zeggen, dat het geen
asem meer had.
--Romaan....
--Ssjt!...
Wiezeken stak haar linkerhandje uit. Haar mondje viel open en een
moeielijk geronk ratelde in haar kele. Hare oogen lagen toe en een blauw
streepken randde er onder aan. In de hoekjes tinkelde een klare traan en
't licht, dat tusschen de gordijnen neerzijpelde, speelde er met luttel
gestraal.
--Laat me haar hoofd opheffen. 't Ligt te lage.
Goedele bukte zich. De iodoformreuk walmde nu bijtend over haar gelaat
omhooge. Ze schoof hare handen onder de heete dekens en hief zoetekens
het kind uit den warmen konk, waar 't zijn koortse broeide. 't Was
pluimlichte. Ze raakte, door 't fijne hemdeken, het tengere ruggebeen en
de ringen van de ribbetjes.
Maar Wiezeken wierp haar lijf opeens zijwaarts uit en lag een
schrikkelijk geweld te doen om asem op te halen. Haar buikje zonk diepe
in en hare borst zwol uitermate. Twee putjes zakten van weerskanten
onder hare kin en hare slapen sloegen met traag geklop. 't Geronk en
staakte niet in haar kele, en ze smeet zich ten geheele met leelijke
schokken op, daarbinst zwaaiend in de leegte met hare armen. Ze opende
dan endelijk hare oogen, keek heel strak Goedele aan, en haar gezicht
werd grauw-rood van het danig geweld. Ze zakte seffens in het witte
kussen weg. De matte bleekte herkwam over geheel haar hoofdeken en hare
handjes vielen onbeweeglijk op de sargie. Zij en roerde nu weer niet.
Hare oogen waren beloken en de blauwe randjes waren blauwer geworden.
Asemde ze? 't Was weer alsof ze buiten leven lag. Goedele, zich lager
bukkend, en werd over haar open mondje geen tocht van lucht gewaar. Ze
vatte dan de tengere vingeren en gedwee, gevoelloos, flets verdroegen ze
den toets. Goedele roerde op een nieuw de vreeslijke angst, en ze lonkte
zijwaarts op naar Ameye, geen afstand meer voelend tusschen hem en
haarzelve in de harrewarrije van het groote ongeluk. Met vreemde stem
sprak Romaan:
--Laat ons nu rustig zijn....
Zijne lippen waren droog en kleurloos, en 't wit van zijne oogen was in
de hoekjes langs kleine aderen rood geworden. Hij trok stille Goedele
zijlings weg en fluisterde:
--Het slaapt.
Op dat oogenblik hadden Goedele en Ameye dezelfde trilling en ze
staarden naar mekaar. Ze begrepen meteen wat niet in woorden over hunne
lippen kwam, en ze bogen onder dezelfde vreesachtige treurnisse hun
hoofd. Alles werd groot in deze kamer en de geruchten van de strate,
eerst niet opgemerkt, begonnen luidelijk te klabetteren tegen de muren.
Binst eene toevallige stilte, die neerzeeg al met een keer en een
benauwdheid lei langs alle voorwerpen, klonk tegen de zoldering den
doffen tert van Mariëtte's vader, en de deure begon redeloos te rotelen.
Een siddering kroop over Ameye zijn rugge en Goedele krinste bang met
hare schouders. Ze blikten allebei terzelfdertijd neer naar het kind....
Daar kwam een blauwe verve over Wiezeken's gezichte en haar neuzeken
puntte scherp naar omhooge. Drie rimpelingen groeven een leelijke
schaduw op haar voorhoofd en de hoekjes van haar mond zakten neere,
haar kinne wegduwend tot een beenderig tjopken. Romaan zei:
--Is hier geen zeupken water voor het kind?
Ameye en Goedele hadden alweer eene pijnlijke verwondering, zóo rustig,
bijkans onverschillig, was zijn gezegde. Ameye bracht een lepelken water
aan de lippen van het bengelken en Goedele hielp hem, Wiezeken zoete
opheffend opdat ze goed zwelgen zou. Ze zagen malkanders handen
nevenseen te werke en 't was alsof ze sinds lange zoo in gewone doening
werkzaam waren geweest. Ze dachten niet daaraan: het was een algemeen
gevoel, dat niet tot preciese gedachten opschokte. Ze waren niet
verwonderd dat het zoo werkelijk was. Hunne handen taakten hunne handen.
Het water drupte nutteloos weg in Wiezeken's hals en de kilte en bracht
geen beweging op het blauwe gezichtje. Aldoor blauwer werd het, en
dieper, smertelijker 't gerimpel daarboven....
--'t Is dat ze slaapt, mummelde Romaan.
Goedele kon zich niet meer bedwingen en gauw te reke stortten hare
tranen plat neere op de witte dekens. Ameye fluisterde:
--Wees sterk....
Ze beet op hare lippen en 't zicht van de schrikkelijke doening, die in
haar vlugge getraan tot vage strepen was weggesmolten, kwam op een nieuw
klaar te voorschijn. Ze was Ameye dankbaar dat hij dat woord gezeid had
en dat weer sterkte haar zinnen staalde. Ze hoopte nu een rap ende, de
rappe nadering van den sterken slag, om dan met zekerheid te kunnen
worstelen. Tegenwoordig hing nog 't gevaar als een wolke te dreigen,
en 't was te hooge en te wijd en overal tastbaar--en nievers te taken.
Ze wachtte. Ze wist dat Ameye haar een steun was. Als de schrikkelijke
smert zou uitbreken, zou ze pal staan, met een herte vol troost....
Plots iets ziende, dat lange buiten 't bereik van zijn begrip gebleven
was, rok zich Romaan met een hard gesnok van zijn spieren uit op zijn
stoel, en wipte nadien rechte.
--Hee-la!
't Was een doffe roep en zijne wenkbrauwen kromden verwilderd naar
omhooge. Hij knelde Ameye's arm forsig tusschen zijne vingeren en neep
door, zijn eigen afmattend met overdadig geweld. Ameye zweeg. Romaan
hijgde:
--Ziet ge ... ziet ge gijlie dan niet?...
--'t Zal overtrekken....
--Hee-la!
Hij boog zich en, in een subiete duizeling, stortte bijna voorover.
Hij reikte zijn hand gretig uit naar zijn kind en hakkelde, zinnelooze
woorden kappend in 't gaan van zijn onrustigen asem.
--Overtrekken.... Overtrekken?... Watte?
Wiezeken stiet nog eens haar borst opwaarts en heel haar lijveken bultte
uit, onder de bleeke sargie. Ze duwde hare ellebogen in 't kussen en
steunde erop en haar magere kele werd lang, een smal peezeken gelijk,
dat door de kinne hooploos werd opgetrokken. Haar mondje werd een
vierkantige holte en daarbinnen was 't al donkerrood en ratelde een
rukkend snorken diepe.... Dan opende ze hare oogen en tuurde met
onzeglijke pijne rechtuit, heel verre, nievers hulp meer vindend
hierdichte.
Zóo staarden hare oogen, al viel weer plat haar pover geraamte, al
rustten weer hare moede handjes, al zegen weer toe hare lipjes, heel wit
van verve, heel droge, heel doorzichtig.... Zoo keek ze. Ze was nu niets
meer, zoo nietig en vergaan. Ze was niets meer. En tot het laatste keek
ze alginder, en de strakke blik doezelde weg achter een vool van grijze
natheid....
Goedele zakte ineen op hare knieën.
Romaan had een tijdeken verschrikt zijn asem ingehouden en wankte nadien
achteruit. Heel zijne ellende, heel zijn endeloos leed kreet hij in wild
gejammer uit en hij stampte razend op den vloer, aldoor slaande met
zijne vuisten tegen zijne slapen.
Zoodat Madeleen plots de deur opensmeet en daar stond, zonder een traan,
zonder een woord, lijk een doode overend....
* * * * *