Eenige dagen verstreken voor Goedele in eendelijke onverschilligheid.
Ze was heel korten tijd bij Romaan gebleven, had geweend omdat Wiezeken
er zoo deerlijk uitzag en was weggeloopen, seffens. Tante Olympe met haar
gestadig geklaag maakte haar zenuwachtig, en Madeleen ook, die daar met
gebogen hoofd aldoor te kijken zat in de toekomst. Ze was weggeloopen.
Ameye walgde haar.
En de dagen waren verstreken alzoo. Ze wilde niet meer terug bij haar
broer, ginder waar ze geleden had een onverklaarbare pijne, nievers nog
geleden. Ze was bang. Ze wilde geerne alles wisschen uit haren geest,
maar niets anders wekte hare belangstelling, en ze voedde haar wee.
Al wat gebeurde om haar, werd haar onverschillig. Allentwege was 't
nietigheid, en de woorden, die gesproken werden, waren ijdel.
Ze werd naderhand door opvretende eenzaamheid, streng voor wat buiten
het leven stond van hare droefenis. Ze had ruwe woorden met vader. Ze
verdroeg zijn onnoozel gespeel niet meer en zei het hem met een ruk.
En Albien keek dan verwonderd op, niet begrijpende die stoere manieren,
getaakt in zijne liefde, als hij nu dacht, in kinderlijke vreezen:
--Zij ook ... en ziet mij niet geerne....
Omdat ze zoo verduldig was met hem, had hij gemeend dat zij hem dan toch
vatte. Hij vroeg:
--Zijt ge ziek, mijn kind?
Ze was getroffen omdat zijn stemme zoo diep een grondslag had, omdat hij
zoo innig bedrukt was, en meteen zoo vaderlijk. Ze zag hoe hij het
nieuwe Snoeckboekje met onverschillige vingeren van zich afduwde en
nader kwam, dichte bij haar, en zoetekens hare handen toetste.
--Nu ben ik in waarheid triestig van zin, zei hij.
Hij boog zich om goed in haar gezicht te blikken, om te zoeken naar heur
leed, dat wel ievers in hare oogen zou na te speuren zijn.
--Hebt ge zeer?... Toe-de, mijne dochter.... waar is 't dat ge zeer hebt?
Voor de eerste maal voelde Goedele in dezen zachten man haar vader
levendig zijn en goed. Ze werd gewaar dat ze weenen zou, als ze geweld
moest doen om te spreken. Haar borste zwol.
--Wat is 't, zei Albien, dat hier ommegaat, sinds dagen? Ge loopt rond
lijk te lore in dees huis, en ge zwijgt ... en het wordt van alle kanten
zoo bang. Ik heb nu geen lust meer in ditte ... noch datte.... Moeder is
ziek en gij?... Wat deert er? Ik heb nu permintelijk geen lust meer....
Wáar, wáar, mijn kind.
Stille kwamen zijne woorden te reke, en ze brachten eene treurige
stemming alom. Maar Goedele stiet dan aan tegen 't beeld van haar eigen
lot en ruw werd ze op nieuw.
--Bah!
Ze draaide op hare hielen rond, lijk een meisje licht van gemoed, en ze
liet vader alleen. Als ze de deur uit was, wilde ze wel terugkeeren en
den man meteen in hare armen prangen, al streelende dat brave hoofd, dat
kinderlijke, vol kleine gepeinzen. Ze kon niet: ze moest lachen luidop,
ten gebare dat ze hier alles potsierlijk vond, en ze drilde verder,
langs leege uren zich voortsleepend, lijk een schaduw in noesche licht.
Ursule lag in haren leunstoel te denken. Seppie, het hondje, moest
gedurig op haren schoot stille blijven, en ze streelde met luiere
vingeren in zijn lange haren, wijlend achter zijne oorkens, waar 't hem
uitermate deugd deed. De dagen gingen omme en ze was gestadig aan 't
wroeten in hare hersens, overentweere wiegend met blijvende mijmeringen.
--Daar heerscht een geheim in 't geluchte. Ze voelde 't zoo, ze tastte
't. De doening van Goedele ontsnapte haar niet, en ze was zeker dat een
gevaarlijke gebeurtenis aan 't zieden was en aan 't zwellen. Omdat ze
nooit anders dan meesteresse geweest was en nievers door verborgen
machten bekampt, wilde ze klare wegen zien en vaste staan. Ze begreep
wel dat Goedele wegslibberen wou, en ze vreesde dat zij er toe komen
mocht. Om dwaze plannen te kunnen tegenwerken, moest ze Goedele's
inzichten kennen. En Goedele was ondoordringbaar....
Ursule's vroegere strijdlustigheid geraakte wakker stilaan: ze zou weer
door oolijke listen hare dochter overwinnen, lijk ze vroeger haar vader
overwonnen had. Ze deed Goedele door Justa, de nieuwe meid, bespieden.
Justa moest al de brieven over den moordamp in de keuken openbreken,
moest in Goedele's kamer snuffelen en laden met valsche sleutels
ontsluiten, alles omkeeren en inzien en beloeren. Ze had Justa voor
dergelijk werk bijzonderlijk aangenomen.
Justa was een klein vrouwken, levendig en minzaam. Ze ontving alle
boodschap met een vriendelijk glimlachje en sprak iemand nooit anders
aan dan in den derden persoon. Ze had uiterst leelijke handen, met
omkrullende vingers, en hoekige kneukels. Ze bracht die gedurig bij
malkaar, in profijtelijke houding, boven haren buik en wreef ze trage
overeen, al schattend somtemets met vierkante nagels. 't Was een
Westvlaamsch meisen. Ursule kende hare ouders, gebogen eerde-wroeters
zonder hope, etende en biddende wezens, den dood nabij. Justa, de eenige
dochter, had met blij gemoed hare broers en de oudjes verlaten. Haar
doorslepen zinnen, waar ze aldoor in de parochie gebruik had van gemaakt
om oolijke daden te stichten, meende ze nu eens ten dienste van vrijer
bedrijvigheid te kunnen stellen. Als Ursule haar met korte woorden
uiteengeleid had wat in werkelijkheid van haar verlangd werd, had ze
aldadelijk heel de zake begrepen en aanveerdde gretig het nieuwe gebod.
Ze was bovendien werkzaam en net, bracht goede orde in de keuken en
leerde veel van Ursule, die haar in kookkunde hielp. Ze werd een
voortreffelijke meid. Men had haar een schoone belooning beloofd, als ze
dienstveerdig zijn wou naar Ursule's volle goesting.
--Zóo is mijne goesting! had Ursule gezeid.
Ze moest Goedele tot in haar minste bedrijf bespieden....
Ursule vernam echter niets. Goedele bleef thuis, liep de kamers door,
zat altemets een endeken te borduren, te knippen aan een kunsttapijtje,
te kijken meerendeels langs het venster naar 't gewaai dat bijsde in de
boomen. Hare kleeren, hare laden, hare brieven--'t werd alles besnuffeld
en befrutseld: nievers lag een verraad van haar geheim gedoe. Justa
luisterde achter de deure, als ze saam met Sebastiaan in de eetzaal was.
--Wat zeggen ze? vroeg Ursule.
--Bijna niets ... een woord ... een ja--een neen....
--Maar, hoofdzakelijk?
--Niets! zei Justa.
Ursule werd koortsig daarvan, hetgeen haar dan niet het minst voordeelig
was, want al nijpender drong de pijne van haar "rheumatiek" in hare
braaien en ze kon soms rijzekens opstaan uit haren zetel. Ze wilde geen
dokter.
--'t Is rheumatiek.
Dat was zóo haar zeker zijn. Ze hechtte daarenboven niet veel belang aan
die tijdelijke ziekelijkheid. Haar geest was voortdurend anderszijds
gespannen en wilde klaar krijgen de vaagheid om Goedele's manieren ...
Zij deed op een uchtend Goedele bij haar komen en neerzitten nevens 't
raam, vlak onder het nieuwe daglicht. Ze begon te klagen: ze had sinds
nachten geen ooge meer beloken, ze was zóo lijdende, ze voelde dat het
erg worden zou, en de nachtmerrie bezocht haar....
--Och! Och!... dat is vreeslijk!
Ze praamde Goedele dat ze maar goed opletten moest, en in geen tocht
mocht blijven, en 's avonds aandachtig de vensters zou sluiten, en een
dobbele sargie vragen aan Justa.
--'t Is nu 't gevaarlijke seizoen.
Dan was 't een ander thema: ze wilde bovenal Goedele's geluk, ze dacht
er altijd, altijd aan, en ze zou alles doen om dat geluk te verzekeren.
--Willen we verhuizen?
Goedele hief onverschillig hare schouders op en zuchtte. Ursule drong
aan:
--We zullen hier weggaan, we zullen een Engelsche villa betrekken,
ievers in den omliggende, waar er bloemen zijn, buiten de wilde stad.
Ik zie dat ge hier wegkwijnt en ik weet niet de reden.
--Daar is geen reden ... en ik kwijn niet weg, moeder....
--Kom! Kom!...
Ze stoop zich voorover en lonkte met droeve teerheid, wenkend dat
Goedele naderen zou. Ze sprak met zoetigheid: ze zag alles, ze was
moeder daarom, ze wist dat iets mishandde.
--Voel ik dan niet?... Ik voel uw treurende gepeinzen. Niet neen zeggen,
kind, niet neen zeggen.... Ge draagt een last. Ik mag u helpen. Ik wil
doodgeerne uw leven zacht maken, uw wegen zacht maken. Duik niets voor
mij, die boven alles uwe moeder ben. Ik heb al doen uitzien naar een
villa, een djentig dingetje diepe in het loover. Ik wil ook niet dat ge
hier zoo eenig loopt. Bella zal na den noene komen, een paar uren, met
haar borduurwerk.... Zoo slijt de leege tijd. Ik ben vol zorgen om
uwentwil, mijn kind. Waarom wilt ge u verbergen voor mij?
--Toch niet, moeder ... maar, kijk, ik ben moe en ziek. Romaan is zoo
buiten reden triestig en Madeleen ook ... en Wiezeken is verre,
verre....
--Is dat alleen uw droefenis?
--Dat is een groote droefenis.
Ursule bukte zich meer nog en vatte Goedele's hand. Ze vroeg, al
starrelings turend dwars in hare oogen:
--En Sebastiaan?... Ge zit zwijgend nevens hem. Ge zegt hem niet wat uwe
tranen beduiden. Ge zegt niets. Dat zijn toch geen geheimen?... Mijn
pover kind, gij hebt Sebastiaan niet lief!
Ze bleef uitermatig zachte en Goedele keek verwonderd op, niet wetende
wat er uit zoo'n gesprek komen moest en vreesachtig, om den wille van
moeder's sluwe manieren. Ursule vroeg;
--Wenscht ge niet te trouwen met hem? Laat ons vertrouwelijk zijn.
We zullen saam beramen wat we doen moeten, en wel vinden, wel iets
vinden.... Ik wil u niet in iemands armen gooien, tegen uwen zin. Ik heb
goed nagedacht.... Spreek nu, laat uw herte vrij daar liggen vóor mij,
uwe moeder. Hebt ge, buiten Sebastiaan, een man ontmoet, en voelt ge een
andere liefde?
Goedele sprong koortsig rechte en schoot uit in eenen schokkenden lach.
Ze werd heel rood en haar oogen baadden in glinsterende tranen. Ze moest
haren neusdoek over haar aangezicht brengen en 't was of ze nadien te
niezen begon. Ze bedaarde. Ze riep:
--Wel, moeder, onnoozele moeder!
Ze wilde wegloopen, maar Goedele gebood dat ze blijven moest. Ze bleef.
Ze lachte lijk een zottin en joepte met snokjes opwaarts. Ze gichelde
bij poozen:
--Ikke?... Ikke?... Wel hemelsche deugd! mijn moederken!... Liefde voelen
of andermans liefde ontvangen!... Bespottelijk, zoo'n idee!... Ik zegge
't u: stel u in ruste... Ik trouw met Sebastiaan.
Ze nam Seppie op, schudde hem boven haar hoofd, zoodat het beestje daar
in de leegte, met luie pootjes, te slodderen hing. Ze knikte hem toe,
smeet hem omhooge en grabbelde hem tegen hare borst vaste. Ze lei hem
naderhand op moeder haren schoot terug, merkte hoe ze nu vol met
haarkens was, langs hare schouders en op hare mouwen, en mummelde met
pruilende lippen:
--Hatje! het leelijke jong!...
Ze werd seffens heel ernstig, knipte de haarkens weg, zenuwachtig en
kort. Ursule jubelde in haar eigen, als ze de verklaring kreeg dat het
gewenschte huwelijk ten slotte toch gebeuren zou, maar nadien, bij 't
zonderling gesnap van Goedele, werd ze wantrouwig opnieuw. Ze zweeg
echter en rolde binstdien in haar hoofd een versche golving spijtige
gepeinzen.
Al pratend, en dooreengooiend een reesem lichtzinnige woorden, drilde
Goedele langs de trap naar heur kamer, en sloot zich op. Ze viel lijk
een massa op haar bedde en begon hevig te schreemen. Dat duurde een
lange stonde, tot Justa haar opzoeken kwam voor 't noenmaal. Ze waschte
zich haastig, liet 't kille water vloeien over hare slapen en baaide
hare oogen. Ze had deugd aan die prille frischheid en voelde een klaarte
komen in hare onrustige gedachten. Ze tort dan de eetzaal binnen en ging
neerzitten, naar gewoonte, tusschen vader en moeder.
Na den eten werd aan 't groote hekken gescheld. Bella schoot huppelend
in huis en vloog blozend en schaterend aan Ursule's hals.
--Hoe gaat ge, beste mevrouw?... Wel! men kan het niet eens zien op uw
wezen, dat ge ooit ziek geweest zijt?... Dag, Goedele, dag, beste
heer.... 't Is wel koud buiten, hoor! Dan zet ik het op een drafken
langs de straten ... en de menschen kijken me na.... Ik loop geerne in
't koude weer....
--Ja ... ja ... de jonkheid, lachte Albien.
--Ik ben met de gauwte naar hier gedreveld ... Wilt ge even mijn paletot
helpen uittrekken, Goedele? Dat is een dwaas ding--ik geraak er nooit
van af. Mijn mouwen zijn ook zoo potsierlijk ingewikkeld.... Hai!
mijlieve, ge snokt me haast de armen van het lijf.... Ja! Ja! Ja!
Ze danste van ongedurigheid, bijsde hare heupen en lachte. Ze tikte met
hare vingeren dolle haarkrullekens weg, die op haar voorhoofd belden en
jeukten in hare wenkbrauwen. Ze reikte dan aan Ursule een ranke mimosa,
die ze met haar hermelijnen mofje op de glazen dresse had neergeleid.
--Djentig, hee?
--Heerlijk, mijn kind--Onnoozel dat ge ervoor zoo'n dwaze onkosten doet.
't En was in waarheid niet noodig....
--Ja!... ja!... ja!...
--Danke.
Bella weerde zich om drollerig te zijn en sprak van heur magere
spaaroordekens. Anders had ze een heelen ruiker meegebracht.
--Ge weet wel--zoo zacht-witte winter-rozen ... maar dat kost! dat kost!
Ze zette zich neer en vingerde ongedurig om de gulden korreltjes van
hare halsketen en, omdat nu een tijd de stilte neerviel langs deze
ongezellige kamermuren, zocht ze opgewonden in haren geest naar spelende
woorden. Ze vertelde van thuis--hoe moeder sinds een paar dagen
aanhoudend aan maagpijn leed en hoe ze dan zoo lastig van humeur was,
en hoe vader dan wegliep, om ongemakken te vermijden. Ze tuurde naar 't
kille gezichte van Ursule, daar roerloos rustend tegen de hooge leuning
van haren stoel, schoon-gelijk van weerskanten en effen lijk gladde
marmersteen, even hard ook en zonder warmte van binnen. Ze voelde wel
dat ze met hare vroolijke zinnetjes kwam zonder uitslag aanstooten tegen
de roerlooze vlakten van dees gewillig gelaat. Ze loerde omdieswille
rijzekens naar Goedele, die opstaarde langs 't venster naar de varende
doening der wolken. Ze had een zonderlinge bangheid over zich, lijk
iemand die zondigt entwat en meent dat elkendeen 't kan lezen. 't En was
precies niet dat ze gezondigd had, maar toch vreesde ze den diepen,
droomenden blik van Goedele. Aan dien blik kon ze geen geheime gedachte
verbergen. Daarom taterde ze aldoor, haar eigen vergetende en alles om
haar vullende met ijdel gebabbel. Ursule knikte stillekens of
fluisterde:
--Ja ... zekerlijk ... ik peinze aldus....
Bella was erdoor opgehitst en sprong mateloos van 't eene nietig voorval
naar 't andere. Ze wilde met woorden alles opjagen tot een gewichtige
gebeurtenis, en verzinde tallenkant eromme een kantwerk van
belangwekkende detailleeringen. Ze belonkte op Ursule's wezen of daar
endelijk geen snare bewegen zou en, als bijwijlen een rimpel langs den
neuze zonder reden dieper viel, bleef ze om haar gezegde met opzet
haperen en vertijen, meenende dat Goedele zoo meteen zeer aandachtig
werd. Ze was aan 't vertellen van de verkiezing.
--Och! mevrouw-lieve, gijlie gaat nooit buiten huize! De stad is éen
strijd, éen roepen van kwade of geestdriftige menschen. Ge moet al die
gezichten eens zien uitrekken naar de brutale kleuren van politieke
plakkaten. De eene peinzen: 't is waarheid! De andere vloeken: ze
liegen! Daar loopt soms een heerken tusschen, dat zwijgt en niets en
denkt en in 't gewoel zijn dansend buiksken laat wiegen.... Die ziet er
gelukkig uit.
Goedele liet over haar gaan die reesems huppelende zinnen en 't werd
haar in den beginne een aangenaam gezeur, lijze streelend langs hare
slapen. Ze voelde alzoo een korte bedaring ruste brengen in hare
opgeketste leden en ze mijmerde. Ze vaarde geleidelijk met onbepaalde
gedachten weg, en de ruimte daarbuiten, de schoone ruimte met hare vrije
golvingen en hare pluimlichte endeloosheid, kwam om haar. Ze zweefde er
in, en ze werd haar eigen aandoeningen nauwelijks gewaar. Ze kon wel in
't zoete geharrewar van al hare ommentweer doezelende ideeën 't zicht
herkennen van Madeleen en Romaan, van Wiezeken en tante Olympe, van
Ameye.... Ze tastte nog het werkelijke leven, maar 't en bezeerde haar
niet. En Bella babbelde. En daarhooge togen de wolken voorbij. Ze kreeg
de heel grijze emotie van heur kinderjaren, eene vluchtige verschijning
van verre herinneringen, ginds in den hemel, rotewijs. En dan,
plotseling, de val van een takje hulstgroen met roode perels....
Ze bracht misnoegd hare hand over haar voorhoofd en het gekwetter van
Bella tjokte onwelluidend in hare ooren. Ze fronste hare wenkbrauwen,
stond seffens rechte en merkte opeens dat een nijpende hoofdpijne haren
kop tot in haar nekke omknelde. Ze stapte langzaam de deur uit. Ze bleef
aarzelen bij de zoldertrap en tort na een oogenblikje toch naar boven.
Ze had nu een leelijke kure, een ziekelijke wreedheid. Ze ontmoette vóór
hare slaapkamer grootvader, die er kousevoets stond, met angstige oogen,
te loeren kantewaarts naar heur. Ze herkende in zijne blikken de valsche
lichten, die hij niet duiken kon, en ze moest op die stonde door een
helsche kwaadwilligheid gedreven, hem treiteren, hem nijpen met
dubbelzinnige woorden, hem zeer doen met brutale gezegden. Dat voelde
ze.
--Wat doet ge daar?
Hij grinnikte en schokschouderde. Ze wilde hem wegjagen.
--Uit mijne kamer! Wat doet ge, in mijne kamer tewege? Weg, zeg ik u!
Ze fluisterde hem toe:
--'k Hebbe toch al mijn laden vaste gesloten....
Rik rilde een tijdeken. 't Viel hem nu kwalijk, dat gedoe van Goedele.
Hij probeerde zijn lijf verontweerdigd achterover te snokken. Ze zei
dadelijk:
--Haal moeder's kistje!
Hij zakte ineen. Zou hij op dees oogenblik kapot gaan? Hij grabbelde
achterwaarts naar den muur om steun te vatten. Hij kon zijne oogen van
Goedele's hand niet krijgen, die, gebiedend, naar de hooge deur der
leege zalen wees. Hij zeeg lijk een vodde thoope en zijn asem wilde uit
zijn kele niet. Hij snakte. Hij deed zijn kop gedurig hergaan, lijk
iemand die jaknikt, en zijne vingeren scharrelden over den muur, wilden
zich ievers vasthaken.
Goedele keerde zich vluggelings omme en tort klaar-lachend de trap af.
Hare lach klonk heel wit en eendelijk, en ze hoorde Bella beneden even
ophouden met tateren, binstdat moeder vroeg met ontstelde stem:
--Wat gebeurt er?
Ze kwam in de kamer weer en zette zich op een stoel. 't Was hier nu
danig droeve. Ze zei:
--Ge moet mij alzoo niet bekijken, menschen.... Ik heb daar een vieze
leute gehad!
Bella lachte subiet mee.
--Vertel eens, Goedele....
--Straks!
Ze ging vóor den spiegel staan en schikte nauwkeurig eenige losse
haarstrengen. Ze peuterde nadien aan een strikje, dat leelijk viel op
haren rechterschouder, en vroeg, onverschillig:
--Hebt ge uw borduurwerk mee, Bella?
--Ja ... wacht even....
Ze zetten zich allebei onder 't noesche vensterlicht, en Goedele schoof
het kleine werktafelken bij. 't Duurde een heelen tijd, eer ze hun
tamboerijn gespannen hadden en de vele zijden strengetjes klaar gemaakt.
Bella was bezig aan een bleek-groen fichu, waar ze teer-gele
boterbloemen op stikte, in kransjes liefelijk saamgebracht. Ze was
seffens aan den gang, haastte zich gejaagd alsof 't gauw afmoest. Ze
boog zich lage over haar werk, en moest bijwijlen scheef gaan zitten om
licht te krijgen op de luttele teekening. Ze werkte altijd zoo,
gauw-weg, zonder goesting en zij en zocht nooit naar een fijne
nuanceering. Ze naaldde de tinten te gare, nagenoeg zooals ze aangeduid
waren op 't model, en ze was alzeere moe, om een beetje te rusten al
zuchtend.
Goedele zat meestendeels met luie vingeren te wachten, te kijken naar
Bella, en ze merkte dan 't een en ander op, bitsig een woord zeggend,
dat onaangenaam klonk. Endelijk geraakte in huis een zwaar en moedeloos
zwijgen, en onderwijl zoefde alover den tuin een grillige wind. Ursule
had hare oogen dichtgedaan en hare handen lagen bijeen, rijzekens mekaar
takend, op haren schoot.
--Zie! sprak Goedele, trouwen, daar moest ge eens aan denken, Bella!
--Trouwen?
Bella giechelde en de strengskens zijde schoven van haar knieën op het
voettapijt. Ze was tevreden dat ze, bukkend om 't lichte gerief op te
rapen, alzoo haar blozende wangen kon verbergen. Een leelijke rimpel
groef een nijdige schaduw om Goedele haren mond. Ze zei, koud:
--Doe nu niet gek! Ik zie wel dat ge geerne er aan denken zoudt....
Maar helpt mijnheer De Vleeschhouwer u niet hierin? Moeder heeft me aan
Vrebos geholpen.... A-propos, die komt straks weeral!
Ze blikte naar 't horloge en vroeg:
--Is 't hier 't juiste uur, moeder?
Ursule ontlook langzaam hare oogen, trok haar uurwerk te voorschijn en
bracht het aan, heur oor. Ze keek nadien vluggelings er naar en
antwoordde:
--Half-vijve.
Hare wimpers vielen trage toe.
Goedele vroeg een versche naalde aan Bella, en merkte hoe Bella's hand
even bibberde, al reikende over de werktafel. Dezelfde plooi zakte van
weerskanten, bezij hare lippen. Ze kreeg een kwaad en onweerstaanbaar
verlangen, precies lijk daarboven, als ze meteen vóor grootvader stond.
Ze veranderde van stem en liet hare woorden met scherpe ruwte hakken in
de stilte.
--Zeg eens, Bella, wat is eigenlijk uw idee omtrent mijn verloofde?
Ze genoot in waarheid de ongesteldheid van het meisje, dat daar verlegen
en hopeloos tegen haar vrage spartelde. Het was haar een ongewoon
geneuchte, een deugddoend gevoel, dat uit een kwaden drift opwalmde en
spelemeide in hare hersens, heel zacht. Bella vingerde zonder aandacht
om haar borduurwerk en stamelde dat ze niets dacht.
--Wat heb ik te denken, lieve, en wat bedoelt ge met zoo'n advies?
--Juist uw advies. Ge meent zelve best wat ik bedoelen wil. Een advies.
Is hij schoon?
--Och!
--Is 't een vent met een lijf voor de liefde?
--Zotte kappe!
--Peinst hij diepe en drukt hij 't sierlijk uit? Enfin, ge joept daar nu
stotterend en ongedurig op uw stoel....
--Ik vind het hier bang....
--Ja--bang.
Ze blikten subiet op naar mekaar en Bella beukte tegen de harde oogen
van Goedele. Ze zonk precies weg, niets meer doende, zich overgevend,
tewege te weenen. Ze wilde geerne opstaan en buiten loopen en lucht
krijgen. Ze fluisterde:
--Ik word ongemakkelijk....
Omdat niemand haar opbeurde en te helpen naderde, werd de gloeiing om
hare slapen onverdragelijk. Ze voelde den scherpen stoot van Goedele's
blikken gedurig. Goedele zei:
--Ge windt uzelve op.
--Neen.... maar 't zal wel overgaan. De stove brandt geweldig.
--De assche ligt dood.
--Mag de deure niet open met een reetje?
Ze stond op en werd eene knikkende slapte gewaar in hare knieën. Ze
bleef een endeken in het deurgat staan. Ze zag Rik zitten op de trap,
heel bleek, en staren met diepe oogen, grauw ommendomme beschaduwd.
Ze probeerde zich te hervatten en lachte den grijzaard even toe, al
groetend:
--Dâag--dâag--
Rik grommelde onachtzaam, en ze tort binnen opnieuw, teenemaal
ontredderd. Er werd aan de straatpoorte gescheld. Ze bracht schokkend
hare hand over haren boezem, binstdat Goedele lachte:
--We hebben van den duivel gesproken: daar is nu Sebastiaan!
Bella hijgde. Het docht haar dat de tijd niet voort wilde, dat hij zich
langzaam uitrok en dat er geen ende aan dees folterend oogenblik zou
geraken. Ze vreesde de stonde, waar Sebastiaan zou binnen komen, en
seffens daarna verlangde zij die, benauwd voor de eeuwigheid die zij
meende van dit oogenblik af te zien aanbreken. Ze hoorde door 't getuit,
dat ziedde in hare ooren, de stemme van Ursule.
--'t Ligt hier zoo alles in wanorde!
En ze had dan nog een haastige beweging om de zijden draadjes, die
tallenkant uiteengewaaid waren, een beetje te schikken. Een haastige
stap klonk op den drempel. De peizelijke groet van Vrebos viel haar
zwaar te moede en ze kon nauwelijks glimlachen. Ze staarde naar de
boterbloempjes op het borduurtamboerijn. Als Goedele sprak, was 't
haar of heel de kamer instortte onder 't klabetterend lawaai. Ze lei
rijzekens hare hand in de uitgereikte hand van Sebastiaan. 't Was eene
nieuwe emotie. Goedele zei:
--Kijk! Basti, ik en deug niet voor u. Ge moest eens goed ommezien en
met Bella trouwen!
Bella gilde. Haar bloed schoot ineens weg en haar kinne schokte op hare
borst. Ze stortte achterwaarts over en lag, met een doffen slag,
roerloos op het tapijt. Elkendeen sprong toe. Men klopte in hare handen
en wreef over haar voorhoofd.
--Djeezes-Maria! stotterde Ursule.
Goedele stond een oogenblik triomfelijk rond te turen. Een donkerroode
blos kleurde hare wangen. Langs de open deur, merkte ze toevallig nog
Rik, die 't ivoren kistje aan 't bergen was, achter een fuchsiapot,
gebarende dat het daar ievers wel mogelijk was zoek geraakt.
Ze was nu niet schoon. De twee rimpels in de hoekjes van haren mond
lagen heel diepe.
* * * * *