VI.

Goedele, als ze op hare kamer kwam, stak haar nachtlichtje aan en ging

neerzitten bij 't venster. De tuin was in dichte donkerte gezonken.

't Had al gesmokkeld in den avond, en nu begon het te regenen. Tegen de

ruiten sloegen de druppels, menig en leuterig, aldus een tokkelveuzeken

makend, dat eentonig en klagend was. Altemets vulde de wind zijn

zoevende flanken en dan roefelde de volle vlage ineens langs het raam.

Andermaal was 't weer zoete, en de regen trippelde in gelijke maten, zoo

smertelijk van zin, dat Goedele om haar herte een endelooze droefenis

voelde, die in warme aandoening opjoeg, kriebelend binnen hare oogen.

Ze zat in hare schoone eenzaamheid den dag te overpeinzen, die verleden

was. Ze herdichtte den pronten morgen, vol zonne en klare droogte, de

levende stad, het levende volk daar krioelend langs luidelijke straten,

al het geruchte, dat deugddoende was, en dan, bij Romaan en Madeleen,

de vrije, heldere huiselijkheid. Ze zag Wiezeken; ze had Wiezeken danig

lief. Ze voelde hoe vol leven ook dit huis ginder was, met dat heel

zieke kindeken, en hoe dood die muren hier, die zoldering, die heele

monsterachtige doening van kouden steen. Ze voelde 't overal. Ze krinste

met hare schouders en bibberde van de killigheid die hier tallenkante

blijvende was ... en ze keek seffens naar de duisternis, den nacht in

den hof, om los te geraken met nieuwe gedachten, die klaarten brengen

moest in haar hoofd. Al wat ze hier met hare zinnen toetste, was haar

eene vernedering en woog op hare hersens.

De regen klabbetterde welluidend voort. Van tijd was 't of hij wegdropte

en 't geluchte binstdien leeg en open aan 't worden was; de ruiten

bleven ongetaakt ... een stondeken ... maar opnieuw vingerde 't natte

weer algauw, en 't werd een reesem rappe geluiden, zich haastend om de

stilte in te winnen. En Goedele onderging den invloed van dezen

trippelzang, en langzaam baadde haar gansche lijf-en-ziele in 't zoete

gerucht, dat rijzende of zijgende ging. Ze bepeinsde zich en wroette in

haar binnenste, en legde somtijds een gevoel vaste, dat overanderlijk

blijven zou. Nadien was ze bezig met Ameye. Ze had bewondering voor zijn

groote figure--dien hoogen man met een sterk gezichte en een breede

borst. Ze zag nog duidelijk zijne witte handen: ze konden zoo struisch

een gebaar teekenen, en de vingeren gingen dan allen zaam en vouwden

zich thoope of rokken zich uit. 't Waren, lijk woorden, heldere

gezegden. Ze dacht:

--Maar hij sprak zoo gek!

Ze maakte zich met moeite wijs dat hij een grove lummel was en wellicht

brutaal moest wezen. Naderhand was ze zeker dat hij een drinkebroer of

een nachtraaf was.

--Hij loopt in kroegjes....

Ze herkende het aan zijne goedzakkige manieren en aan de moeheid die

soms zoo zoetig zijne blikken maakte. Ze veronderstelde dat hij met

lichte meiskes omging.

--De stad is zoo vol daarvan!

Doch allicht veranderde ze van oordeel: 't was dan een "blasé", een

ontgoocheld wezen, een kalme ziender van andermans leed en plezier--een

zonder doel en zonder verlangen, zonder drift ... ontzenuwd.... Ze had

gewild dat hij anders was. Romaan, zoo gauw begeesterd en zoo gauw

verslagen, had ze lief. Ze wou een man treffen, die op haar broeder

geleek. 't En duurde maar een vlage van den regen, en ze vond dat Romaan

in den grond een zwakkeling was....

Ze hoorde moeder slapen gaan, en naderhand Rik, en bleef nog turen aan

't venster. De tijd verstreek langzaam, en 't was haar of zij 't niet

tasten kon: de ure bleef stille, alles hing in verwachting, zonder angst

noch ongeduur. Bijwijlen steeg in de boomen de asem van den wind, en

rijzekens werd ze den gang gewaar der stonden, die overhand wegzijpelden

in 't verleden, achterwaarts.

De volle nacht, geheimzinnig en zwijgend en roerloos, begon in huis....

Maar meteen merkte Goedele een varende klaarte in bewegende vlekken

loopende van heester tot heester over den hof, dichtbij de woonste. 't

Was wel iemand, die in de eetzaal was en licht maakte en ermee, langs de

voorkamer wandelde, zoodat de teekening der ruiten laaierig in den tuin

zich openbreidde. Ze werd bang. Elkendeen was te bedde, of ... was Marie

in de keuken gebleven?

--Maar wat verricht Marie in de eetplaats?

Ze herinnerde zich dat ze ook Marie had hooren opgaan, naar hare kamer.

Het licht verdween. Voorzichtig tort iemand langs de trap naar boven,

en ging Goedele's deure voorbij: door de splete herkende zij Rik. Hij

stapte gebukt door en trachtte 't gestraal der keerse, die hij droeg,

met vreesachtige vingeren weg te bergen. Ze hoorde dat hij de leege

zalen binnenging.

Deze leege zalen bezocht nooit iemand. Om de maand werden ze

schoongeschuurd en verlucht. Goedele had ze altijd met benauwdheid

genaderd, omdat hier, tusschen die papieren behangsels met gulden wapens

en heraldieke leeuwen nog precies heerschte de geest van den ouden

markies. Rik had dikwijls daarover zitten mompelen en beweerde dat hij

ten twaalve al eens een spook had zien rondwaren, om de vensters. Ze

hechtte nooit geloof aan Rik zijn gekke gezegden; hij was gestadig bezig

met schimmen en bange verschijningen en zeemeerminnen, en ze wist wel

dat dit al maar ziekelijke verzinsels waren, die hij broeide in zijn

ouden kop. Ze vond het nu echter danig zonderling, dat hijzelf, zonder

aarzeling, in de leege kamers drong. Ze ontsloot stille hare deur, liet

hare sloffen op den drempel en tort kousevoets in den gang. De eerste

zaal was leeg en de daaropvolgende ook. Van hier bemerkte ze 't

keerselicht dat op de muren danste, in de vierde. Voorzichtig naderde

ze, sloop langs de donkerte der hoeken naar voren, tot ze zien kon wat

er gebeurde. Ze bleef staan en hield haren asem op om geen 't minste

geruchte te maken, en ze keek verwonderd toe.

Rik had zijn keersepan neergezet op 't roode plankierken, nabij den

schoorsteen. Hij knielde en boog zijn krommen rugge en maakte in de

schouwe een planke los. Hij tastte dan in de holte, en op zijn

aangezicht kwam seffens een groote blijdschap.

--Ze zijn er nog! mompelde hij.

Hij trok een blauw zakje te voorschijn en lei 't neere voor hem, en nam

vervolgens nog een grooter zakje, in getafeld linnen, en lei 't nevens

't andere. Hij bekeek ze dan allebei met troetelende oogen, en zijn

tonge sleerde tweemaal over zijn lippen ten teeken dat hij tegenwoordig

gelukkig was. Hij ontknoopte zijn jas en over zijn beenen heen zeeg het

ivoren kistje, dat Sebastiaan aan moeder ten geschenke gegeven had.

Juist bij tijde kon hij 't grabbelen, en een subiete warmte schoot op

naar zijne wangen, bij 't gedacht dat het in zijn val op den vloer groot

gedruisch hadde gemaakt. Hij keek onwillekeurig omme, en Goedele zag

zijn oogen van schrik openstarren en zijn neuze, langgeworden, over zijn

mond een schaduw leggen, lijk een bange holte. Hij bukte zich opnieuw.

Hij ontsloot het getafeld zakje en goot in het kistje, profijtelijk om

niet de stilte te storen, den rinkelenden inhoud. 't Waren koperen en

zilveren muntstukken en allerlei kleine dingen van stoffelijke weerde:

gulden franjen, oude knoopen, kragen en borduursels van

marine-officiers, allerlei metalen platen en rondekens, schitterende

gesteenten. Goedele herkende in den kostelijken schat een duurbaren

halsband van peerlen en koralen stekjes met onderaan een schoon geel

kruis. Ze had het juweel overjaar verloren, meende ze. Ze merkte nog een

paar ringen, die Sebastiaan peinsde te zijn zoek geraakt bij de pompe,

een dag in den Zomer, als hij moegetennist was en zijn handen wou

wasschen. Vele kleinoodiën lagen daar ondereen in wanorde. Rik wroette

met zijne vingeren erin en stak zijn kinne uit naar voren, en neep zijne

oogen dichte om diepe zijn wellust te voelen. Hij scharrelde in de

schitterende gesteenten, hij streelde langzaam dien overvloed van

weelde, peuterde om robijnen en diamanten, bepootelde de zware

kettingen, zich deugddoende aan zijn tastelijk eigendom. Zijn lippen

hergingen bijwijlen. Hij reutelde, zingend zoetekens:

--Al 't mijne ... àl 't mijne....

En zijn hoofd bijsde overentweer, op mate van het durend gedoe zijner

handen. Hij ontbond naderhand de snoeren van het kleine zakje, bracht de

keersepanne dichterbij, zoodat het vlammeken meteen wispelturig al links

en al rechts wiegde, en Rik zijn ronde schaduwe op den muur, over de

zoldering, tallenkante te dansen begon. Hij schudde 't zakje leeg in

zijn zijden klakke, die hij vóór zijn knieën neergelegd had. 't Waren al

goudstukken, groote en kleine dooreen, en ze belden wel een oogenblik in

de ruimte, maar zwegen seffens als ze dof in de klakke sleerden. En Rik

zijn hoofd gloeide stilaan van ongemeene koortse, en zijne vingeren, die

weer aan 't schefferen waren in dien rijkdom, bibberden van

ongeduldigheid. En hij lispelde:

--Al 't mijne....

Hij sprong meteen op en zijn gelaat werd wild, ruw, wreedaardig. Goedele

vreesde dat hij haar bemerken zou. Hij bleef rondkijken, en trok

geweldig zijn asem op langs zijn neuze, alsof hij een ongewonen reuk

opsnoof en weten wilde.... Hij tort naar een der vensters en keek door

een splete der luiken de donkerte in van den nacht. Hij zakte nadien

ineen op den grond, lengde zich uit en sloot zijn oor aan tegen den

vloer. Hij kroop seffens rechte en stond op een nieuw te staren en te

luisteren. Dan blikte hij neerwaarts op het volle kistje en de volle

klakke, en zijne armen gingen van weerskanten in liefderijke bewondering

omhoog.

--Al 't mijne....

Zijn lijf rilde en zijn beenderen konden niet stille staan. Het

keerselicht klaterde in 't stralende goud en druppelde in 't geperel der

juweelen. Hij trippelde errond, en 't was of hij dansen wilde en maar

niet in kadense geraken kon. Zijne knieën kluppelden tegeneen aan en

zijne hielen wendden en keerden zich waaiewijs omme. Hij was vier, vijf

maal tewege neer te hurken en zijne handen reikten subiet naar die

schitteringe daar--en dadelijk sloeg zijn rugge opwaarts en hij huppelde

her en rond, lijk te voren....

Aldoor heviger schokten zijne schouders. Zijne blikken werden lijk staal

zoo puntig, en zijn mond, neerplooiend, viel in stuipachtige snokjes

scheef. Langs zijne slapen zijpelde een overdadig zweet, en zijne haren

plekten toe in natte strengen, van weerskanten. En hij hakkelde schor:

--Al ... al ... 't mij-ij ... ne ... á-á-ál....

Tot hij tegen den schoorsteen aanstruikelde, zich koortsig aan 't

marmeren schouwblad vastklampte, en langzaam neerviel, een

thoopezinkende klodde gelijk. Hij zat een oogenblik te hijgen belook

zijne wimpers, en zijn aangezicht, nu regelmatig en drifteloos, werd

uitermatelijk bleek....

Met een ruk rok hij zijnen hals uit en staroogde, benauwd en verwilderd

om zich heen. Maar fluks glimlachte hij en kroop over den vloer tot hij

't kistje en de klakke taken kon. Haastig dook hij weer alles weg, en

schoof de plank over de heimelijke holte, binstdien nog zuchtend, alsof

hij spijt had dat hij op een ende toch weg moest van hier.

--Wel! wel! pruttelde hij binnensmonds, Ursule ... gij onnoozele....

Goedele ijlde vluggelings naar heur kamer terug en zakte ontzet neer op

een stoel. Ze kon rijzekens hare gedachten bijeenrapen en voelde een

zeerdoende moeheid in hare beenen. Ze kon 't niet gelooven, wat zij

gezien had, en ze was danig ongerust, niet begrijpende die schrikkelijke

doening van Grootvader. De eenzaamheid werd haar onuitstaanbaar en haar

herte klopte om te breken. Ze vatte haar hoofd in beide hare handen.

--'k Hebbe zoo'n pijn!...

Ze meende dat hare hersens uiteenspatten zouden. In haar nekke vliemde

een borende smette en tot door hare lenden woog haar onverdragelijk

leed. Ze vroeg zich af:

--Wat is 't?

Zij en vatte niets. Zij en kon hare zinnen niet bijhouden. Ze zag

gedurig Rik zijn verwrongen gelaat, en de keerse, die er witte vlekken

op kletste. Ze wilde slapen en alles licht opnemen, lijk een gewone

gebeurtenis. Maar gestadig werkten hare teugellooze gepeinzen,

slingerden dooreen in haren kop, snokten en klopten tegen haren schedel

daarboven. En 't geluchte werd endeloos bang.

Ze ontkleedde zich spoedig, kroop in haar bedde, blies het nachtlichtje

uit ... De donkerte spookte om haar; daar waarden heimelijke wolken in

de kamer. Ze moest seffens het lamplichtje weer aansteken, en dook zich

onder de dekens, drong huiverig ineen, hare knieën saambrengend in hare

armen. Het huis werd haar nu een schrikkelijke woonste en ze blikte met

afgrijzen in de toekomst. Ze herinnerde zich nog goed den koffiehandel

en den onverpoosden ijver van moeder. Ze wist dat moeder van nederige

afkomste was, dat grootvader op vischvangst leefde. Hoe was zoo gauw de

groote rijkdom gekomen? In een flikkering zag ze de gouden galonnen van

marine-officiers uit het getafeld zakje rollen. Ze dorst niet verder

denken. Ze neep met geweld hare oogen dicht en wilde op andere dingen

peinzen. Maar ze kon niet buiten het huis geraken, buiten dees huis van

gevaarlijke geheimzinnigheid, buiten deze knellende muren, en die deuren

allemaal....

--Is mijn deure goed vaste?

Ze stapte uit haar bedde en ging de klinke herdraaien, om zeker te zijn.

Ze kroop bibberend onder de sargie. Ze dacht: hoe gelukkig is Romaan ...

en Madeleen ... en tante Olympe.... Ze zou alles aan Romaan vertellen,

hem raad vragen. Ze wist zelve geen raad.

--Johannes zal meehelpen ... om raad....

Ze voelde Ameye nu van dichtebij: 't en was geen vreemdeling meer. Ze

verwonderde zich niet dat ze zoo plotselings zijn naam hoorde in haar,

en zij en schaamde zich ook niet daarover. Al wat hier bestond, had zich

meteen van haar verwijderd, en wat buiten het hekken leefde naderde tot

haar. Ze voelde nievers zoo pijnlijk eene vreemdte dan hier. Ameye was

een vriend.

Geleidelijk voortmijmerend, kon ze op een ende 't zicht van dees

misdadig huis verlaten; ze sliep, oververmoeid, in en droomde van den

markies, van zijn zonderlinge gewoonten, van zijn wapens met kronen en

klauwende leeuwen.... en ze vond het zoo plezierig dat hij een pruike

droeg en dat het witte steertje, ommekrullend, daar boven zijn krage

gestadig met een gele lintje aan 't vlaggelen was....

Heel late in den morgen werd ze wakker. Ze was gestild. Ze herinnerde

zich seffens wat er gebeurd was, en 't en wekte in haar geen

buitengemeene aandoening. Hare gedachten waren verdraaid naar nieuwe

richtingen: ze had, docht haar, deze leelijkheid al lange aangenomen.

Als ze in de eetkamer binnenkwam, zag ze Ursule heel bleek en

thoopegedrongen in een leunstoel zitten.

--Zijt ge ziek, moeder? vroeg ze.

Ursule begon seffens te klagen en te jammeren: zij en had van den

ganschen nacht geen gebenedijd ooge dichte gekregen, en dezen uchtend

was ze opgestaan met een kwalijke slapte in de beenen.

--'t Is of het rheumathiek ware....

En dan moest ze subiet hijgen, bij haar minste gedoe was ze afgemat; ze

was met groote moeite alleen beneden geraakt. En dan hadden ze haar nog

gefolterd.

--Gefolterd ... wie?

--'k Hebbe Marie weggezonden ... al dieveggen, die 'n mensch uit

medelijden van de strate raapt....

--Zoo dan terug op strate gesmeten?

--Ze heeft me brutaal geantwoord.... Ze heeft geweigerd mij een

hoofdkussen te halen ... dat heeft ze.

Op de trap hoorde Goedele een stille gesnik en dadelijk daarop een ruw

gemompel van Grootvader.

--Toe-de ... toe-de ... ronkte Rik ... gij leelijke kerte ... en kus uw

handje ... dat ge er zoo zoetekens van af komt....

De deur in de voorkamer werd met een ruk toegesmeten, en nadien piepte

't zware hekken.

--Ze is weg, zei Ursule.

Ze dorst niet spreken van het ivoren kistje dat haar ontstolen

was--Marie was een dievegge--en ze herkloeg met gelijke woorden over

haar leed: de pijne zonk tot in hare lenden en straalde van daar uit in

gansch haar lijf, en bijwijlen had ze een hevigen harteklop--haar kele

stropte toe en 't was alsof ze niet meer asemen zou.

--En die rheumatiek daarenboven....

--Ge moet den dokter halen.

--Och! Och!...

Ze haalde de dokters alleen op 't laatste oogenblik, als geen andere

doening meer helpen kon. Ze was overtuigd dat de dokters prutsen, tot ze

de menschen voor goed ziek krijgen, en dat ze best later maar kwamen.

Toen ze, na Romaan zijn vlucht van huis, te bedde lag en endelijk den

dokter bij haar liet roepen, en dan hoorde van hem hoe ze in der

waarheid gevaarlijk ziek was, had ze werkelijk deugd, altijd maar

vreezende te voren, dat haar kwale slechts een tijdelijke

onpasselijkheid zou zijn. Ze wilde nu niet luisteren naar Goedele. Ze

liet zich gewillig pramen, oolijk-tevreden om Goedele's aandringende

deernis. Ze keek diep-mijmerende naar 't onbijt van hare dochter en

legde in hare oogen een geveinsde droefheid. Ze tuurde sprakeloos naar

de koffiekanne en het tinnen melkpotje en de witte teelkens en

koppekens, die daar ondereen in 't noesche licht te klateren stonden--en

naar Goedele's vingeren, die verduldig werkzaam waren eromme. Ze liet

een peinzende stilte vallen en wachtte tot het geluchte langs hare

woorden voordeelig werd. En ze herbegon dan vage dingen te zeggen, al

treurende, op een moeden toon en met slepende stemgolvingen. Ze sprak

van haar verleden, van ijverige tijden, tijden van duurbaar werk, van

voortdurend zwoegen.

--Ho! ik hebbe gezwoegd!...

Ze volendde eentonig hare klagementen en vroeg dan met spijtige

gezegden, wat zij voor zooveel slaafsch gedoe verwachten mocht. Ze

zanikte zoo. Ze werd het zelf gewaar hoe vervelend ze werd, en ze was

dan boos op haar eigen. Ze loerde zijlings naar Goedele, merkte hoe

rustig ze voortdeed met haar ontbijt, hoe ze soms weggeraakte met hare

gedachten en niet meer luisterde. Ze sprak luider, al op eens een vrage

doende om Goedele weer tot zich te trekken:

--Wat is mijne belooninge?

Goedele schrikte even op en boog subiet haar hoofd.

--Wel ... moeder....

En Ursule jammerde verder, al voelde ze dat ze hare dochter maar niet

taken kon, niet vatten met iets. Wantrouwig meende ze nu dat Goedele

verdoken geheimen had, verdoken inzichten. Ze folterde haren geest met

nieuwe oolijkheid, aldoor tuk op versche subtiliteiten.

En Goedele bleef sprakeloos.

Rik tort binnen. Hij zei:

--'k Hebbe ze op strate gegooid.

Hij lachte met wel genoegen en wreef zijne handen overeen en zette zich

bij 't vuur te warmen. Hij schudde zijnen kop, ten teeken dat hij in

zijn geest aan 't redeneeren was, en hij deed zijne knieën tegeneen

knokkelen, in koortsige vroolijkheid.

--Ze dorst nog weenen, de valsche leegloopster!

't Walgde Goedele. Ze stond recht en keek naar 't horloge, lijk iemand

die op de ure wacht om heen te gaan. Ursule bemerkte 't seffens.

--Vertrekt ge?

--Wiezeken bezoeken....

--'t Is half-elf.

--'k Ben gauw terug ... rijzekens hooren hoe 't is ... daar ginder....

Rik lachte meteen luidop, en Goedele kreeg een pijnlijker stoot in haar

herte. Maar zij en keerde zich niet omme en ging zich aankleeden,

verlangend om weg te zijn van hier, waar nievers een gezellige warmte

komen wou....

Buiten voelde ze opnieuw haar lijf in vrije lustigheid, en algauw

verdreef ze uit haar hoofd de lastige gedachten, die daar woonden. 't

Was alsof zij zich op den drempel ontdeed van al wat binnen den huize

haar wrevelig miek. Ze haastte zich tot ze buiten bereik was, tot ze de

stille strate verlaten had en baden kon in 't gejoel der lawaaierige

stad.

De regen had de steenen klaar gekletst en, bij plaatsen, speelde de dag

er met lichtende vlekken. De hemel bleef grijs en beloken, maar

zilverige tinten liepen er, ten teeken dat bovenwaarts de zonne aanwezig

en klaterend was. De huizen, in vlakke reken van weerskanten, zonder

zichtbaar dak en zonder wispelturigen gevel, stonden omhuld in vale

verven. De vensters waren holten rotewijs geschikt en de deuren,

tallenkante op eender hoogte, legden gelijke, donkerten er onder. De

drempels bleven zwijgend: geen troppels kinderen of kijvende vrouwen

waren eromme levend, lijk in 't zomertij of in de voorjaarszoelte. De

herbergen waren ruchtig en de winkels. Er roerde haastig volk.

Goedele deed seffens mee met het rumoer; ze voelde zich wegsmelten in 't

gedruisch, dat ronkte om haar, en zij en was geen eenigheid meer in de

woeling der bezorgde menschen. Ze liet zich beïnvloeden, ze liet zich

zwak worden, al-vergetend wat achterwege was, en nu een kinderlijk

belang stellend in de minste straatgebeurtenis. Ze huppelde door,

drentelend bij stonden, haperend aan schoone uitstallingen van

wintergoed. Ze dacht somtemets aan Romaan en Madeleen en het kindje.

Ze zou Wiezeken geerne wat lekkergoed meedragen en liep een bakkerijtje

binnen. Ze koos van ditte en van datte een pakje vol, en had een drollig

plezier in den naam van al deze snuisterijen. De bakker, een ronde man

met een zijpelend wezen en een neuze daar te midden, waar de teekening

der ruiten bijkans schitterwit op uitblonk, lichtte haar gulzig toe en

deed zijn beste moeite om zijn waar ordentelijk aan te prijzen.

--Geen muntebollen, juffrouw? Geen lekkers op stokjes? Eerste klasse

juffrouw, en niet geverfd.

Ze wees die gloedroode stampers af met een weigerend knikje.

--Kletskoppen ... puur honing en een hemelsche bete, dat verzeker ik u.

--Ja, dat wel.

Ze keek in de wissen mandekens, die bij 't venster stonden, vol met

veranderlijke zoetigheid, en bloosde meteen als ze Ameye herkende, welke

vóor 't raam te wachten stond. Hij groette haar met een buigen van zijn

hoofd, en ze was daardoor subiet in de war. Ze werd ongedurig en wilde

maar dadelijk gedaan maken met den dikken bakker, die 't haar met zijn

uiterste vriendelijkheid lastig maakte. Hij moest zich spoeden. Ze

voelde eene wrevelige warmte naar heure slapen opschieten, als de brave

man, een guitig lachje zettend, gulhertig verklaarde dat hij _sito-sito_

klaar zou geraken.

--Even nog een koordeken--hier--met een strikje ... Zóo!

Ze keerde zich fluks omme en hoorde hoe hij haar met dienstwillige

woorden achterna volgde, overdreven en stilspottend, alsof hare

aandoening belachelijk bloot lag op haar aangezicht:

--Als 't u zal believen, juffrouw--tot een naaste keer.... Anders,

juffrouw, anders de klinke draaien ... zóo ... let op de trap ...

zóo.... danke wel!

De deur viel toe achter haar en zij stond vlak vóor Ameye. Hij lachtte

en knikte, en prees de voorzienige stonde, die hem bij haar had

gebracht. Hij vroeg, in een vloed van hoffelijke woorden, hoe zij 't

maakte. De wolkenlaag in den hemel scheurde open en de zonne viel in

witte stralen tallenkant. Daar kwam een bedwelmende leutigheid in 't

geluchte.

--Ik was naar uw broer tewege.

--Ik óok, precies....

Ze zei 't gretig, met een dwaze haastigheid, die haar blozen deed.

Ze dierf er niet bijvoegen dat het wel meeviel, alzoo, en wist zelf een

beetje tegen te stribbelen, in schijnbare verlegenheid, als hij haar

voorstelde om saam de bane te doen. Ze kon echter niet weigeren en

verheugde zich om die onmogelijkheid. Hij moest niet lang aandringen.

Ze praatten ondereen, gezellig, en 't en duurde maar weinigen tijd, eer

ze teenemaal vrij werden in hunne uitdrukkingen, los van alle gedwongen

beleefdheid. Hij sprak bijzonder zwaar, diep ernstig, en had altijd een

particulier zicht op de zaken. Ze voelde in hem een, die haar meester

was en waar ze leerlustig naar luisteren kon. Hij vatte het leven heel

breed op, heel menschelijk. Allerwege zag hij entwat, dat liefderijk was

en goedheid asemde. De menschen op strate, de peerden en de honden....

Goedele keek ernaar, omdat hij er kon over klappen met zoo'n innigheid,

zoo'n belang. Hij groef in hare hersens diepe prenten, een nieuwe vizie

der dingen, en ze was nooit moe, ze hoorde hem aan met groote aandacht.

De zonne bracht een spelend licht overal, lanterfantte langs de vele

ruiten, stortte met lustig gestraal, menig en rijkelijk, op de natte

steenen. Bij plaatsen was de hemel geheel en al blauw. 't Lawaai der

stad zwol op en het volk krioelde al thoope. Het docht Goedele dat er

veel kinder stemmekens tusschen stegen en tegelijk een schelle geklepper

deden omgaan, dat haar deugd deed. Ze werd vroolijk en antwoordde op

Ameye's grondige gezegden, met haar volle gemoed, en redeneerde met hem,

liet zich kwaadgezind omdat hij haar te vroeg gelijk gaf, en schaterde

het uit. Hij hoorde haar geerne bezig, voelde wel de nadering van deze

rijkbegaafde vrouw, en hij raadde hoe vernepen ze gehouden werd,

naarmate ze zich nu wild en begeesterd overgaf.

Ze keken alles omme en na. Hij deed haar overal iets opmerken, dat ze

genoeglijk bezag, verwonderd dat zij zelve het niet merken kon. Vóor hen

stapte een heer met een macferlan en een dame in kostelijke kleeding.

De dame hing aan den arm van den heer, die groot en struisch was en

matelijk voorttort. Ze kon hem haast niet opvolgen, en drilde nevens

hem, altijd een stap te late. 't Was alsof ze getweeën kreeftsgewijs

doorgingen, allebei noesch weg. De dame deed den heer af en toe

stilblijven voor een modewinkel, en de heer haperde gewillig vóor de

uitstalling van een boekhandelaar. Ze zeiden maar luttele woorden.

--Dat zijn brave getrouwde menschen, sprak Ameye.

--Zoo verschillend van meeningen toch?

--Ze geven malkander toe. Ze zijn redelijk. Zie! De heer kijkt naar de

illustratie van het uithangbord, binstdat de dame nauwkeurig de hoeden

beloert. Hij is verduldig. De dame zal straks verduldig zijn.

--Maar dat is een zotte leven! meende Goedele.

--Die menschen zijn getrouwd, zei Ameye. Hij liet haar naderhand vragen

wat hij omtrent het huwelijk dacht, en hij beweerde dat de beteekenis

van het huwelijk grootendeels in die boutade besloten lag.

--Het huwelijk is wel een beetje onzedig.

--Onzedig?

--Maar een noodzakelijke instelling, die dan weinig te maken heeft met

wat we liefde noemen. De liefde kan in het huwelijk bestaan, en heel

vaak slijt eruit weg, omdat twee saamgebrachte wezens van nature sluw

worden, door ikzucht, en geen wederzijdsch vertrouwen bewaren kunnen.

Aldus spreek ik nog maar van gezonde, billijke huwelijken. Onze

maatschappij is echter zóo ingesteld, dat over 't algemeen met een echte

liefde geen rekenschap gehouden wordt.

--O ja!...

Hij voelde hoe zij met nadruk dat zei en seffens droeve werd. Hij bleef

een oogenblik zwijgen en sprak nadien met een daling van zijn stemme:

--De liefde daarenboven is waar zij is, en wij, zijn niet meester over

haar. Wij zijn allemaal zoo'n zwakke, slaafsche schepsels, juffrouw.

En als de liefde buiten het huwelijk komt, wat kunnen wij doen?...

De liefde is _overal_ heilig.

--Dat wil zeggen: de liefde mag wispelturig zijn?

--De liefde is niet wispelturig, maar wij noemen altegauw liefde, wat

geen liefde is, wat een klein gevoel is zonder wortelingen. De liefde is

heilig, als zij grondelijk is en ons gansche vleesch beheerscht--en dan

heeft ze paal noch perk, en dan kennen wij geen mate om ze te meten en

geen banden om ze te dwingen. Dan is ze ons zelf, geheel en al, en

heilig ... en overal....

--Ik weet zoo geen liefde.

Hij boog zijn hoofd, precies om een hevig gestraal der zonne te

ontvluchten en zichtbaar hergingen rijzekens zijne lippen. Hij zag de

waterplaskens en de grijze droogten wegsleren onder zijne voeten. Op

deze stonde, waar ze beide stille voorttorten, ontstond er een wrevelig

ongemak. Goedele voelde dat hare oogen moe werden, lijk die van iemand,

die te lang in warme kamers bleef. Ze zei:

--We loopen buiten onzen weg!

Ze keerden zich alletwee naar links en rechts, en begonnen te lachen.

Ze waren nabij de St. Anne markt.

--Ja, sprak Ameye, we loopen buiten onzen weg....

Ze was tewege hem te vragen waarom hij zoo zonderling op zijn woorden

aandrong, maar ze gebaarde dat ze niet geluisterd had.

't Was hier een groote drukte. De menschen liepen dooreen in ijverig

bedrijf. De markt was zwaar van rumoerig leven. Vrouwen met paanders

drumden tegen malkander aan rond de kramen, en kozen hun waar, eromme

pootelend en tastend en wroetelend om niet bedrogen te worden. Uit een

zijstrate kwam een vlote stootkarrekens aangereden, met een gulden

vracht appelsienen beladen en door ruchtige meissens gevoerd. Vóor 't

portaal van de St. Anne-kerke stond een liedjeszanger te brullen van "de

lieve Genoveva" binstdat zijn wijf, bezorgd voor al te strenge politie,

een endeken verder de wacht hield. En de zonne wemelde tusschen die

luidelijke beweging, smeet open haar bundels licht, klaterde langs de

zwellende tenten, waaronder de wind zich toornig miek.

Goedele lanterfantte een beetje, een toenemend belang stellend in de

doening van die werkzame menschen, ook om de koelte te vergeten, die

over haar en Ameye gezonken was. Ze verwonderde zich over 't een en 't

ander, lachte altemets luidop of werd weemoedig van deernisse.

--Aai-Jezes! Kijk hier!...

Een oud manneken was daar dichtebij, ronddrevelend met een houten

kistje, vol met muskaatnoten en kruidnagels. Zóo klein was hij, dat hij

zich gedurig met de ellebogen te voorschijn moest worstelen en alleen

zichtbaar werd door zijne uitbundige gebaren. Hij had luttele handjes.

Hij droeg een grijze veste, en een roste broek, bleek en donker

getafeld, slodderde om zijne kromme beenen. Hij dretste onhoorbaar op

palullige sloffen, en een roode halsdoek, geelgebloemd, waaide rond

zijnen korten hals. Zijn hoofd was rond en groot, en zijn gezichte, heel

nietig tusschen twee uitschelpende ooren, lonkte en loerde, uiterst sluw

en uiterst beweeglijk. Hij riep met een pieperig stemmeken:

--Nikske van doen?... Alla-dan, madameken,... alhier! alhier!

Hij zag Goedele, en hoe ze daar onthutst hem aan te kijken stond, en rok

zijn nekke naar heur uit, en kwam vriendelijk zijn:

--Toe-da, madameken, een dozijntje? Groffels, lijk er nievers meer te

vinden zijn--en lekker ook voor tandpijne! Hoeveel? 't Zijn de leste.

Hij merkte Ameye en werd seffens hoffelijk, aldoor buigend en groetend:

--Mijnheere!

Hij nam een kruidnagel met zijn duim en zijn wijsvinger en hief dien

omhooge, profijtelijk:

--'n Volle mate voor vijf centen!... Kijk nu toe! Zoo donker als de

nacht en zoo sappig als de lente! Ge moogt kijken, madameken, en

betasten ook... Alla-alla-de! een dozijn groffels voor 'n jong

huishouden....

Goedele bloosde, en Ameye moest den dwerg afwijzen met een strengen

blik. 't Oudje hinkte zijlings weg en schetterde in een uitval:

--Jè-dan ... schoon koppel....

En 't gewone rumoer herbegon, breed en allerwege aanwezig, golvend over

de menigte, die langs de kramen scharrelde.

--Loopt ge aldus geerne in het razend gewoel? vroeg Ameye.

--Wel ja ik, redelijk.

--De tast van het volk is niet altijd zuiver....

--Zeker, maar ik voel me hier zoo volledig leven, zoo gezond en zoo

volledig. Ik weet niet--vandaag word ik mijn eigen zoo allerzijds

gewaar, en alles is mij goed. Ik ben lijk iemand die lang ziek te bedde

lag en nu uit mag ... en ik dartel in de zonne. Dat leelijk ventje was

me niet leelijk. Die wijven te gare, die 'k zie staan met hun vuisten op

hun heupen ... ik merk het wel: ze zijn gemeen.... Maar 'k bezie ze van

een anderen kant precies ... en alles is mij goed....

Ze wond zich op in 't spreken, probeerde haar vaag gevoel met stipte

woorden uit te drukken en wijdde uit in vele zinnetjes, nooit tevreden

omdat ze nooit iets bepalen kon. Ze jubelde en liet zich meegaan met den

slag van haar driftig herte. Ameye was sprakeloos geworden. Hij stapte

nevens haar en luisterde met gretigheid, seffens weer neerslachtig als

er een korte stilte tusschen beide viel.

Ze geraakten in de groote laan. Hij kocht van een leurend meisje een

rankje hulstgroen met roode peerlen, en bood Goedele het takje aan.

--Voor de aardigheid, zei hij.

Hare hand bibberde even, als zij het broze takje aannam. Ze keek naar

hem en hare blikken stieten geweldig tegen de zijne aan. Een bedwelmende

flikkering schoot door haren geest en ze bleef een oogenblik

verbijsterd, alsof zij haar ziele in zijne oogen opklaren zag, nu in

lichtende waarheid zich veropenbarend aan haar eigen zelve, en een

overgroot geneuchte maakte haar dronken....

Ze stapten haastig door, zonder spreken, en geen vond het zonderling dat

de andere zwijgende was. Ze spoedden zich om straks alleen te zijn, om

te te peinzen in eenigheid--want nu was hun hoofd vol met aanzienlijke

gedachten. Achterwege lag de gansche wereld. Achterwege was moeder en

vader en het vreeselijke huis. Vooruit bestond de endelooze verte, de

wijde ontijdelijkheid. Het was of ze nu deel gingen uitmaken van iets,

dat machtig was boven de sterkte van menschenarmen--en eeuwig zijn zou.

Ze verheerlijkten hun lijf en geest in een nieuwen dageraad ... en wat

komen moest, was niet te weerhouden.

Ze gingen alzoo. De wagens en sjeezen reden door, holderdebolder over de

kasseide. De trams tjinkten van verre. Jongens ventten rond met

dagbladen en riepen luidkeels het nieuws van den dag.

--Zijn we nu op goeden weg? vroeg Goedele.

--Ginder is de brugge.

Bij de vaart werd-het stil. De luie schepen lagen vast tegen de kaaien

en donkere mannen losten de koolvracht. Men zag ze over de planken

wiegen, hun duistere gestalte, verlengd nog in het water, waar ze door

vlug golvengeklets ziggezagsgewijs uiteen werd gezwabberd.

Als ze in de doode straat kwamen, waar Romaan woonde, vertraagde Ameye

zijnen gang, en hij sprak weemoedig, zonder naar Goedele op te zien:

--We zijn er alreeds....

--Ge tert zoo zoetekens!

Hij vertelde dat hij een beetje moe was: gisteren heel den avond gewerkt

aan een dringende bestelling, en dezen uchtend heel vroeg te been. Ze

vroeg:

--Werkt ge veel?

--Als ik alleen ben.

--Zijt gij dikwijls alleen?... Ge hebt nog uwe moeder?

--Moeder is ... weg.

--Zoo eenig leeft ge!

Ze had medelijden met hem. Ze herdacht wel het vierkante huis ginder en

hare ouders achter het hekken, maar vond het dan bij Ameye veel

droever--een woonste zonder heerd en altijd zonder geruchte.

Hij bleef staan. Ze begreep niet waarom hij zoo aarzelend deed, waarom

een groeve boven zijne oogen zichtbaar werd ten teeken van pijnlijk

gemijmer. Ze praamde hem om door te stappen.

--'t Wordt noene straks.

--Ja.

Hij tort verder zonder opkijken, en, vóor de drempel, als Goedele het

linnenwinkeltje ingaan wou, vatte hij hare hand. Hij deed haar zeer,

hij knelde hare vingeren in de zijne, en zijn gelaat kwam naderbij.

Hij fluisterde:

--Gij weet niet?

Zijn asem taakte haren hals en deed haar rillen in al heure leden.

--Niet?

Ze bad dat hij haar los zou laten. Ze was bang omdat zijne blikken zoo

hopeloos werden, en ze werd niet seffens gewaar hoe onredelijk zijn

doeninge was: ze bekommerde zich om hem. Hij zuchtte zwaar en slokte

eens om zijn kele nat te krijgen.

--Niet?...

Ze hoorden, binnen in den winkel, een paar vrouwen hun keuze doen, en

heel omhooge, tenden de zoldertrap, een vroolijk liedeken van Mariëtte.

Ah! Môsieu le capucin,

T'as d' la veine--

T'as d' la veine!...

Ameye zei:

--Ik ben getrouwd ... al vier jaren....

Goedele rukte zich vrij. Ze voelde geen juiste verhoudingen meer. Ze

voelde niet meer wat ze was tegenover dezen man, niet meer dat hij voor

haar een vreemdeling was. Ze kon zich zoo seffens niet hervatten, en ze

werd heel bleek. Omdat ze leed, wilde ze straffen en geweldig handelen.

Maar hare armen zonken neerwaarts en haar bloed deed een smertlijken

ommedraai. Over hare wangen rolden twee tranen, die ze niet had kunnen

verdringen en die nu in de hoeken van haar lippen haperen bleven. Ze

stamelde, haar gezicht verwringend tot een treurigen glimlach:

--Ho!... ja ... zoo!...

Ameye raapte het witte pakje met suikergoed en het rankje hulstgroen op,

die, nevenseen, op de zulle waren neergevallen.

* * * * *

't Bedrijf van den kwade · 第 8 / 19 题