Ursule vroeg haar of zij 't geld gebruikt had. Goedele had het
bankbriefken bij 't uitgaan in tante Olympe's hand gestopt. Ze sprak nu
heel onverschillig, terwijl ze haren hoed afnam en vóor den spiegel heur
haar een beetje schikte:
--Och! ja, moeder....
Ursule antwoordde niet en ging een krulleken witte wolle wegknipperen,
van Goedele's kleed.
--Ge hebt wolle op uw kleed.
Ze zette zich neer vóor 't venster en kruiste hare beenen en deed haar
pantoffel bijzen op 't ende van haren opgeheven voet. Ze lei hare armen
op de leuning van twee naaststaande stoelen en vroeg hoe 't met Wiezeken
was. Goedele zei dat het haar niet goed voorkwam, dat het kind daar wel
deerlijk lag, zoo wit over zijne kaken, zoo wassig, en zoo teerblauw op
de randen van zijne lippen.
--'t Zou moeten de buitenlucht hebben. 't Zou moeten kunnen breed
asemen. Zijne longetjes zijn geheel vernepen, geheel klein en
nutteloos....
--En hijgt zijn borste?
--Bij stonden.
--En ... zou 't eraan kunnen ... weggaan...?
--Watte?
Ze keerde zich fluks omme en staarde in Ursule's oogen, zich buigend om
indruk te maken. Maar moeder bleef roerloos en liet hare blikken
geleidelijk meewiegen, met de bijzing van haren voet, kalm verklarend
onderwijl dat ze dat zoo maar vroeg....
--Uit belang ... zekerlijk.
Met een ruk, alsof ze peinsde een wrokkig woord neer te gooien, zei
Goedele dat Wiezeken den dood nabij was. Ze werd rood en voelde eene
dwaze verontweerdiging haar hoofd dol maken. Ze joeg bijtende zinnen
achter malkaar:
--Ge moet het wel weten hoe Romaan nu lijdende is, gij die zoo geleden
hebt om ons, indertijd, als we zieke wichten waren. Hij beseft nog niet
hoe verre Wiezeken alreeds van hem verwijderd is. Hij ziet wel overal
donkerten ommendom, maar hij hoopt. Gij weet het wel, niet waar? hoe die
toestand is.... Gij zijt zijne moeder. Ik heb uw bankbriefken afgegeven.
Ze ontzenuwde alzoo haar eigen zelve, en moest, na een stonde, wegloopen
om niet haar drift uit te storten in geweldige gezegden.
Mevrouw Wilder bleef nog beweegloos zitten, liet zich wegvaren in verre
gepeinzen, streelde in haar brein 't vooruitzicht van een toekomst die
wellicht weer goed worden zou. Ze voorspelde in hare hoopvolle
mijmeringen nieuwe dagen van ijverig werk: Romaan en Goedele saam
gespannen aan een reuzentaak, en, in een harrewatrije van voordeelige
zaken, een versche geldstroom.... een weelde van rinkelend goud....
Dàn wilde ze sterven, alleen dàn.
Ze sprong rechte en duwde hare vuisten op de tafel. Ze siste tusschen
hare tanden:
--De prije zal ik wegkrijgen.
Ze had het al lange gecombineerd, hoe ze Madeleen zou weggekregen
hebben. Als Wiezeken dood was, zou alles wel braaf van stapel loopen.
--Dat arme Wiezeken....
Ze prevelde drij keeren:
--Dat arme, arme Wiezeken....
Ze beluisterde geerne hare stemme, wanneer ze 't onnoozel kindeken
bekloeg. Ze had somtewijlen groote angsten. Ze dorst het aan haar zelve
niet bekennen, dat ze Wiezeken's dood verzocht. Ze wilde dat verlangen
wegjagen met een deerlijk woord, en verlangde maar gedurig naar dat
ende.
--'t Zou 't ende zijn.
Ze redeneerde dan. 's Nachts werd ze altemets wakker en voelde hare
vreezen naderen, een zonderling, verwijt, dat altijd opkwam bij bange
uren en haar folterde. Ze redeneerde seffens--Wiezeken was zoo'n luttel
ding, zoo ziekelijk van nature ... en wat zou er van geworden als het in
leven bleef?... 't zou toch allengerhand wegtsieperen, stillekens....
't was beter dat men 't maar dadelijk verloste uit zijn pijnen ... het
dutseken ... in den hemel zou 't gelukkig zijn....
Tegenover Goedele dorst ze daarvan niet spreken.
Na 't diner--ze hadden gevieren sprakeloos hun soep en hun vleesch met
groenten gegeten--sloot Ursule zich in hare kamer op en Goedele
lanterfantte bij 't klavier, behagen vindend in eene fantastische reeks
van Grieg. Albien bleef zitten bij haar en, als de oude Rik ook langs de
trap weggeraakte, schoof hij een stoel dichte bij de groote tafel en
nam, bezij den schoorsteen, de dooze, die Sebastiaan hem had
meegebracht. Hij zei:
--Dat is een nar ding, wat ge daar speelt, mijn kind!...
Hij zette zich goed op zijn gemak en bracht het Zwitsersch huizeken te
voorschijn. Hij bekeek het al glimlachend, in kinderlijke bewondering,
en leunde achterover om beter te genieten, een oogenbliksken, van het
heerlijke zicht. 't Was een huizeken witgeverfd, met een hoog
schalieblauw dak en groene luiken langs de gevels. Vooraan was precies
een terras van bruine steenen met versiersels in eikenhout. Boven het
dak steeg een vierkante toren. Daar hingen de klokken in. Men kon ze
echter niet zien. Hij had zich dikwijls afgevraagd of 't in waarheid wel
klokken waren en of dat beiaardspel niet feitelijk een snarenspel zou
zijn.
--Een bedriegsel, een bedriegsel, menschen....
Maar schoone was 't gansche gedoe. Kantewaarts, onder de euzie, was een
slot. Hij moest daar nu een sleutel insteken en draaien tot de
binnenzijdsche mekaniek opgewonden was en een kort getjok er klopte, ten
teeken dat de veêren gespannen waren. De sleutel hing aan zijn
horlogieketen, naast een paar Hollandsche dubbeltjes, waar hij zelf een
gat in geboord had, en een bronzen medalje van de onlangs gesloten
nijverheidstentoonstelling--een geschenk van mijnheer Devleeschhouwer
--een klein zonnewijzerken en een sigarenknipper, waar 't koper van
ouderdom zich doorsmeet. Hij moest rechtstaan en zijn buik opsteken om
den sleutel te bezigen. Hij zette zich nadien met een vroolijken zucht
neder, en wachtte, en lei zijn rugge deugdelijk tegen de stoelleuning.
Het binnenwerk begon te ratelen en seffens schoof een dubbele deure open
op het terras. Twee poppen schoven, met een krijschend geruchte, naar
buiten, en 't beiaardspel ving aan. 't Was nu een matelijk dansen. 't
waren snokkende sprongskens begeleid door een roteleere van krakende
wieltanden, naar 't oordeel van Albien allemaal wonderschoon. En de
beiaard speelde een oud veuzeken, liefelijk en huppel-licht, en 't was
hem een diep geneuchte ernaar te luisteren, elk toontje op te nemen,
achtereen, en te troetelen in zijn hoofd, dat zat werd van de zoete
harmonije. Hij mummelde, blozend van geluk:
--Dat is nu mijn eigendom.
Goedele keerde zich omme en keek hem na, hoe hij schuddebolde en meeging
met den kleinen zang, hoe zijne handen ommentweere bijsden, rythmisch en
half-beloken, en hoe zijn voorhoofd blonk en zijpelde van overvloedige
wellust. Als de mekaniek stilaan verslapte en, met nog een laatste
rukje, stillebleef, herwond hij ze op, en weer vergenoegde hij zich in
't zelfde deuntje en in 't eentonig gebaar der poppen. Hij verdeelde nu
zijne aandacht en loerde meer bepaald naar den gang der blikken armen,
nadien naar 't nijgen der steenroode koppekens, dan naar een haperinge,
die, op gelijke afstanden, gebeurde en zich hernieuwde gedurig. 't Was
't wijveken, dat meteen roerloos viel, en, na een stonde, terug
opsprong. Hij zocht beteuterd naar de oorzake van die onregelmatigheid.
Goedele zag hem triestig worden en zijne lippen herdoen en schrik
krijgen middelerwijl.
--Mishandt er iets? vroeg ze.
--Wel neen, wel neen, zoo precies....
Hij sprak dan verlegen en verwonderde zich:
--Ge kijkt ook hiernaar?... Hoe mirakelachtig dat is!
Hij mooschte en prutste en draaide nog eens het spel in gang. Goedele
keek naar hem en voelde groote deernisse. 't Klonk, in deze hooge kamer,
zoo deerlijk, dat onnoozel muziekhuizeken. Op strate was er weinig
rumoer--af en toe het tijdelijk gerij van een sjeeze. In den hof
ruischte het zoevend geboomte. Hier, alleene en gelukkig, maakte Vader
een zottig lawaai, gedurig bezig met zijn nutteloos bedrijf, alsof zóo
eeniglijk zijn leven was en niets hem aanging daarbuiten. Ze vroeg:
--Hebt ge daar wel zin in, vader, dat ik met Sebastiaan trouw?
--Ba ja....
--Wenscht ge dat uit ganscher herte, vader?
Hij hief zijn ronden kop omhooge en zijne oogen zeiden genoegzaam dat
hij nooit daarover nagedacht had. Het was besloten: ze zou trouwen met
Sebastiaan. Ursule had het zoo besloten. En Sebastiaan was geen kwaad
aanbod ook.
--'t Is een brave jongen....
--Dat is de zaak niet.
Ze wilde hem doen aarzelen, eene onzekerheid brengen in dezen
hinderlijken geest. Maar Albien kende slechts éene waarheid, en die lag
besloten in de wet van Ursule. Even ontwaarde hij in de woorden van
Goedele een opstand tegen die wet.... Hij bleef verbijsterd zitten, niet
goed begrijpende zoo'n daad, die, naar zijne meening, de menschelijkheid
te boven ging. Hij struikelde in een hakkelend gezegde:
--Moeder heeft toch ... gesproken ... niet waar ... toch kenbaar gemaakt
haren wil?... 't is haar wil toch?... van moeder?...
Het rammelend huizeken viel stil en het deurken flapte toe. Goedele
begon meteen luidruchtig te lachen van koortse. Dan keek ze Albien met
natte oogen aan en boog zich over de tafel, zoekende met hare handen
naar zijne luie vingeren.
--Och, mijn goede vader, die nooit verdriet en hebt....
Hij lachte mee en verjoeg alzoo het angstig oogenblik, dat over zijne
slapen gekomen was.
--Ha! Ha!... dat is een aardige perte ... 'n fameuze!...
Hij vond het allerbest dat het zoo op een ende afliep. Hij was nu
overgelukkig. Hij nam een kaartspel en begon voor zijn eigen kunsten te
probeeren, die hij in Snoeck's boekjes aangeleerd had. Hij wond eerst
nog eens het Zwitsersch huizeken op, en, binst dat de poppen op mate van
het beiaardspel hunnen snokkigen dans deden, lei hij de kaarten
nevenseen en deed toeren. Zoo was 't geluchte vol om hem. Zoo was overal
de tastbare aanwezigheid van zijn eigendom en al wat leeg was in deze
kamer, werd weelde, zijne weelde.
--Denk ereis 'n kaartje uit, Goedele, van de éen en twintig die 'k hier
openlegge ... toe ...
Hare genegenheid deed hem deugd, omdat hij die gebruiken kon als een
ernstige belangstelling in zijn doening. Hij vroeg:
--Hebt-ge ze alreeds?
--Ja ik, zei Goedele met een zucht, al leunend op hare ellebogen.
--Nu moet-ge toogen in welk van deze drij pakjes uw kaarte ligt, de
kaarte van uw keuze, zegt het boekje.
--In 't deze, rechts....
Hij mengelde 't spel, opgehitst, aangeprikkeld door Goedele's schijnbare
aandacht. Hij sloeg de kaarten dooreen met een gedwongen sierlijkheid en
trachtte zwierig te blijven in zijn minste gebaren. Hij hoopte de
kaarten nadien weer in drij pakjes.
--En nu?
--In 't deze opnieuw, rechts....
Hij herbegon, en een oolijk glimlachje straalde open over zijn gansche
aangezicht. Hij verdeelde de kaarten.
--En nu?
--In 't pakje te midden....
--In 't pakje te midden.
Hij maakte zich een wellustige dobbelkinne. Met een haastige stemme
verwittigde hij Goedele, dat ze nu goed opletten moest, en haar kaarte
niet vergeten.
--Hebt-ge ze nog vast in uw hoofd?
--Ja....
--Ik zal ze er seffens uithalen ... attentie, als 't u belieft ... een
beetje attentie....
Het huizeken was stil gevallen. Hij draaide vluggelings den sleutel erin
en deed de wielkens werken lijk te voren, zoodat de beiaard zijn
veuzeken hernam. Hij was goddelijk in zijn schik, en dees stonde was hem
een onzeglijke verrukking. De wereld was vol van hem. Hij deed de
kaarten overeen schuiven, telde en gebaarde, met geveinsde aandacht, de
hulp van bovennatuurlijke geesten in te roepen. Hij bleef een wijlken
dubben, zette zijn hoofd scheef en tuurde bedenkelijk naar de zoldering,
in de afwachting der wonderbare machten.
--Kijk nu!
Hij smeet de kaarten overhand verre weg van hem en keerde fluks de elfde
omme.
--Koekelaas!
Hij riep ze triomfantelijk uit, zonder aarzeling, en steeg van zijn
stoel op, in glanzende glorie. Hij herhaalde:
--Koekenaas.... Hee!
--'t Was koekenaas.
--Ik wist het, ge hoeft het mij niet te zeggen. Dees is tooveren ...
eigenlijk....
Goedele keek hem aan met zachte oogen. Ze was tevreden dat hij zoo
gelukkig scheen, en prees zijn kunste. Hij viel haar in de rede,
verklarende dat niets boven het dominospel en het kaarten reiken kon,
en dat hij 't al zoo dikwijls gezegd had aan Alfred ... maar Alfred was
niet vlug, moest hij bekennen, en had lompe gepeinzen, aldoor meenende
dat hij 't beter wist dan de boekjes zelve. Alfred kon ook niet lang een
zake bezien.
--'t Is een kind nog.
Hij lachte daarmee, alsof hij wel medelijden ten slotte gevoelde voor
den jongen, die nog zoo kleinzielerig was ... omdat 't verstand voor de
jaren niet en komt. Hij was te wege het huizeken nog eens op te winden,
en verwonderde zich als Goedele bad dat hij 't maar niet doen zou. Hij
vroeg, bedrukt:
--Houdt ge niet hiervan?
Ze stond recht. Ze stilde hem. Ze hield veel van dat wonder dingen,
beweerde ze. 't Zou echter kapot geraken, als hij 't zoo dikwijls
bezigde, en zag hij bovendien nog 't manneken en 't wijveken?
--'t Wordt avond....
Zij en merkte geen verven meer. Van uit de hooge vensters, langs de
franjen der gordijnen, zijpelde het vage licht, in de kamer te lore zich
verdeelend tot het wegdeemsterde in de hoeken. Zonderlinge klaarten
blikkerden van tijd ievers op, als 't noesche verspergestraal tegen een
koperen ornement botste of tegen een glazen pot, een porseleinen
beeldeken, een witgeschuurde tinnen teele. Drij laatste krysanthemen
vlekten de naderende donkerte met hun blanke trossen. Van tallenkant
rees de plechtigheid der schemering, alles omvattend in zoetig gewaad,
voordeelig voor de droomende stilten....
Er werd gescheld aan 't voorhekken, en binst dat Albien zijn speelgoed
wegdook in de dooze, tort Sebastiaan de kamer binnen. Het was zijn ure.
Hij was altijd heel stipt. Goedele ontving hem met koortsachtige
opgewondenheid, sprak luttele woordekens en was danig vriendelijk.
Ze ontdeed hem van zijn overjas, omringde hem met hare dienstveerdige
handen, bekommerde zich om zijne bleekte.
--Zijt-ge vermoeid?
--Een beetje.
Hij voelde geerne hare hulpzame genegenheid en glimlachte geaffecteerd,
zich neervleiende in zijn eigen weerde, herkend door haar, die hij
liefhad. Hij vroeg aan mijnheer Wilder of hij 't huizeken schoon vond,
en Albien vertelde hem hoe 't ineenstak, hoeveel tijd het in gang bleef
en hoe schoon veuzekens de beiaard speelde. Terwijl Goedele een kopje
koffie gereed maakte boven 't alkoollampje, en 't gaslicht aanstak, bood
hij mijnheer Wilder een sigaar aan.
--Dat zijn weer van die fijne sigaren, zei Albien.
Ze smoorden en praatten ondereen. Goedele was uiterst gezellig en
aangenaam. Ze schonk de koffie, wierp de klontjes suiker erin, roerde en
wilde alles zelf doen.
--Gebruikt ge melk van avond?
--Als 't u belieft, een geutje....
Ze beloerde op Sebastiaan's aangezicht hoe gelukkig hij was, hoe
gevoelig voor hare dienstwillige gebaren, en hoe hij daar nu wegzonk in
zijne onnoozele verwaandheid, tevreden en zat. En Vader nevens hem was
ook een beeld van gezapig geneuchte. 't Was een gulden avond. Sebastiaan
zei 't:
--'t Is een gulden avond.
Daar kropte dan iets in hare keel en ze zwolg geweldig om 't weg te
krijgen, en glimlachte rijzekens ... maar heure oogen werden schaduwen.
En ze overdreef daniger nog hare vriendelijkheid. Ze sprak zonder
diepten, aldoor hare stem buigend in streelingen van korte,
oppervlakkige gezegden. Ze schertste met Devleeschhouwer, maakte kleine
portretjes, draaide hare meeningen tot lollige zetten en schaterde
vroolijk daarbij.
--Hebt-ge gemerkt de dwaze manieren van Bella?... Wel Jeezes!
Door den rook der sigaren en 't geronksel van die vlugge babbelingen was
Albien thoopegezakt en in slaap geraakt. Hij schoot altemets wakker,
sluimerde seffens weer weg, en zijn hoofd bijsde ommentweere, zijn bolle
glanzende hoofd.
--Bella? vroeg Sebastiaan.
--Wel ja, herinner u ... ze zat lijk een katte te lonken....
--Ik weet niet....
Ze ging voort. Ze spotte en peuterde aan diverse gezichtjes en had leute
met die potsierlijke menschen. Sebastiaan duwde den damp zijner sigaar
in ringen en krullekens omhoog, en liet zich dat grillig gepraat
welgevallen. Het kwam alles zoo in zijn schik. Hij hield zich als een,
die boven deze meisjesdoening staat, maar in waarheid had hij er deugd
aan. Te dezer stonde was hij werkelijk de man, die thuis keert van zijn
moeielijk en bovenzinnelijk werk, en zich nu vergenoegt in 't naïeve
gesnater van zijne vrouw, die lieve, de mindere.... Hij luisterde en 't
maakte hem dronken. Hij zei stille:
--Later zullen wij interessante vrienden op diner ontvangen.
--Wij?
Goedele keek hem diep in de oogen, en ze voelde dat hare ziel zich op
een ende losrukken zou. 't Zicht der toekomst, dat hij opriep, walgde,
folterde haar. Ze wilde niet dat hij de toekomst aanroeren zou. De
huidige uren wilde zij gelukkig maken, en ze zou meegaan, dag-in,
dag-uit ... en wat er gebeuren moest, zou gebeuren. Ze was gedwee....
Maar den sluier wilde zij ongeraakt zien hangen. Wat er achter was,
bezeerde haar.
Ze werd somber. Ze kon niet het onmogelijke doen en voortlachen. Ze
staarde mijmerend in hare gepeinzen, wachtend tot de schoone eenzaamheid
komen zou. Sebastiaan, verloren in zijn standvastig geneuchte, merkte
niet hoe plotseling zij zich van hem verwijderd had. Onbewust vulde hij
de stilte, die nu heerschend was; hij sprak van zijn zoeken, van zijn
studie. Hij was bovenmatelijk gelukkig als hij daaromtrent verhalen
mocht.
--Dat doet u dan ook plezier, niet waar?
Ze tuurde naar 't licht en zag de verte, die onzeker was.... Ze zei,
niet wetende:
--Ja....
Hij deed seffens Hieronymus Bos herleven, en zijne handen begonnen te
wuiven, te keeren in 't geluchte, sierlijk en vroom. Hij teekende die
uitermatige figure, dien ziender van monsters en wangedrochten.
Hij had ontdekt hoe een ellendig mensch Bos geweest was, hoe hij geleden
had tot zijn doodsure alle weeën, die een ziele dragen kan, en hoe hij
toch ten langeleste eronder was bezweken. Hij vertelde hoe de kunstenaar
dan gewerkt had, hoe zijn koortsige geest al die akeligheden geschapen
had en gebeeld in kleuren, en hoe in dat schijnbaar-drollige werk van
Bos een verwijt lag voor de menschen. Nadien had hij zijne eigenlijke
studie kunnen aangevangen: de invloed van Bos op Filips II van Spanje.
Hij schilderde Filips als een ziekelijke mystieker, die behagen vond in
de nare tafereelen van Bos. Hij zag den koning, met koortsige
nieuwsgierigheid, die tafereelen ontleden en beweegbaar maken. Hij zag
hem wreed worden in de nabijheid der hellegeesten van Bos, omdat hij
niet vreezen wilde.
--En hij vreesde!...
Allangerhand joeg Sebastiaan, in 't spreken, zijn bloed op, en zijne
gebaren schokten aleens zenuwachtig uiteen bij een woord, dat
hoofdzakelijk moest zijn. Hij meende Goedele's gedacht te boeien. Hij
merkte hoe zij hem nu nakeek, hoe hare oogen roerloos op zijn gelaat
zich vestigden. Hij wendde zijne blikken af en staarde gedwongen naar de
poedelhondjes, die op 't vensterblad pronkten, maar innerlijk was hij
tevreden dat zij hem in zijn rede zoo nauwkeurig volgen wou....
Tot ze hem meteen het woord afnam:
--Is dàt uw werk?
Ze hoorde zelf, hoe koud haar gezegde klonk. Hij zweeg een oogenblik:
't was of met een ruk de poedelhondjes waren opgesprongen. Hij bleef
beteuterd, vernederd zitten. Goedele, eerst verwonderd dat haar uitval
zoo pijnlijk was geworden, wilde niet meer wijken, en koppig dreef ze
door, slaande op elken zin, om zich op te hitsen.
--Is dàt uw doode werk?... En zal ik leven in 't bijzijn van al die
schimmen? Zult genievers een woord vinden, dan om die oude namen tot
levende gepeinzen herop te wekken?... Maar voelt ge niet dat ik
uitkwijnen moet in dien fantastischen rommel, in die beschimmelingen
zonder kleur noch gedaante?... Ik weet niet, wat ik noodig hebbe. 't Is
mij te onduidelijk, omdat ik ziek wordt stilaan. Maar mijne armen, mijne
handen, mijn nekke dien'k plooien moet, mijn gansche lijf wil lucht en
beweging. Van wat is en voelbaar is, wil ik genieten.... Ik vraag het
mij dagelijks af: 'k betaste mij en 'k vrage ... waar 'k zeer heb, waar
ge mij zeer doet, gij allen, die niet leven wilt!...
Ze stond rechte, lengde zich uit, groot wordend en hare sterkte
uitspreidend om haar.
--Mijn vleesch is struisch--maar binnenwaarts zegeviert de pijne. Ge
martelt mij aldus, ge nijpt mijn herte thoope in enge banden van koud
metaal. Waarom is alles dood wat ge mij te geven hebt? Waarom en toets
ik niets dan doode dingen, allentwege doode dingen? Hebt gijlie geen
polslag? hebt gijlie geen warme handen? hebt gijlie geen voelenden
geest?
--Goedele!
Hij vatte haar bij den arm. Hij was gekrenkt. Hij zei kort, met bevende
lippen:
--Dat is slecht, wat ge doet.
--Slecht?... Maar mijn hoofd berst en breekt. Wat hebbe'k miszeid? Mijn
hoofd is een zware kasse, en 't weegt me, 't weegt me zoo pijnlijk. Wat
draag ik daar al niet in, sinds jaren opgeraapt tallenkant! Die muren
hier folteren mij. Ge zult mijn man worden. Mag ik me niet ontlasten bij
u? Moet ik de sterkste zijn, en ben ik slecht, omdat ik u een part geef
van 't schrikkelijk gewichte? Ik wil niet meer leven alzoo. In dees huis
ben ik onvolledig en voel ik nood. Gij zijt gekomen. Gij zegt dat gij me
lief hebt....
Ze werd gewaar dat hare stem zeeg en te trillen begon; ze hief hare kin
omhoog en rok haren hals uit. Ze wilde hare woorden niet belijden, ze
zoo maar uitspreken, zonder dat ze een smertelijke herinnering opwekken
mochten.
--Dat ge ... mij lief hebt ... ja. Leef nu! Doe niet mee met de doening
van heel dees huisgezin. Kijk rond u.... Vader speelt met popjes.
Grootvader is een roerende schaduw. Moeder ... och, moeder ...
Sebastiaan ... is me vaak lijk een noodlottige figure, gaande in steenen
stilzwijgendheid.... En gij nu nog vingert in een vunzig verleden.... Is
zóo de wereld, zóo de menschelijkheid?... Ik weet niet meer, ik twijfel
en ik lijd: ben ik abnormaal?
Ze dwong stille haren arm los.
--Ben ik buiten nature, en gijlie te zaam, leeft gij waarachtig naar 't
gebod van uw wezen? Ik word onzeker. Ik haper in mijn gepeinzen. Ik
bekijk alles te vergeeft ... te vergeeft, want uw aller zicht drijft me
slechts tot opstand.... En dulden wil ik, verdraagzaam, gedwee ... en ik
ween als ik eenzaam zit--Mocht ik dat alles ú niet zeggen?
Hij lei zijn magere handen, in blank gebaar, over zijn aangezicht en
liet ze erover trage neerwaarts zijgen. Hij sloot zijn oogen en verdroeg
een oogenblik de stilte. Dan sprak hij met veel droefenis en zijne
woorden, onderbroken bij poozen door onregelmatige zuchten, kregen in 't
luisterend geluchte, na 't verwilderd krijten van Goedele, een ongemeen
belang. Hij zei dat ze hem diepe pijn veroorzaakte, dat hij haar liefhad
boven al wat hem anderszins lief was, en dat hij zou ommekeeren in zijne
levensbaan, als het haar zoet mocht zijn. Hij kon niet nalaten, ook op
dezen stond van waarlijke smert, zijn gezegden te meten en schoon te
sieren in passende golvingen. Hij beluisterde zijn eigen. Hij vroeg:
--Wat moet ik doen? Ge hebt mij zeer gedaan....
Ze viel terug neer op haren stoel, afgemat, en haar gemoed kwam vol.
Ze stortte dan voorwaarts op de tafel en begon te snikken. Ze voelde
Sebastiaan's vingeren streelend over hare schouders gaan en hoorde hoe
hij daarbinst haar troostte met schoone uitdrukkingen. Ze jammerde dat
hij haar vergeven moest, dat ze koortsig was en hem wel geerne bij haar
had, dat hij goed was voor haar en niet hoefde te veranderen ... dat zij
de schuld was van haar gemaakte wee, door haar wrevelige zenuwen, door
hare lichtzinnigheid, door hare vreesachtige zwakte.
--Ge moogt niets zeggen hiervan aan moeder.... 'k ben ziek, ik verzeker
u. Ik ben onrustig en hebbe sinds gisteren hoofdpijn--slagen in de
hersens.
Ze huilde en haar gansche lijf schokte op. Ze wilde niet kijken naar
Sebastiaan. Ze bleef liggen; haar gelaat dook weg in hare saamgebrachte
armen.
--'t Is best ... dat moeder niets weet ... getweeën zullen we 't
gemakkelijker ... vergeten....
Maar moeder stond al in 't deurgat. Haar stevig aangezicht rees bleek op
uit de gapende donkerte, en 't licht kletste open op haar voorhoofd. Ze
tort naar voren. Hoe dof ook hare stappen smoorden over het dichte
tapijtsel, toch voelde meteen Goedele hare aanwezigheid. Ze sidderde en
haar asem bleef hangen in hare keel. Hare vroegere vreezen bevingen haar
op een nieuw en verlamden hare spieren. Ze dierf moeder's blikken niet
taken met haren blik. Ze wachtte.
--Ik mag u ook wel troosten, mijn kind, zei Ursule met effen
bedaardheid.--Ze kwam naderbij, ging de tafel rond en schudde onderwege
Albien, die seffens rechtsprong en kinderlijk-benauwd daar te gapen
bleef. Ze stond nu in de volle klaarte. Ze was uitermatelijk groot en
meesteresse. Ze wenkte met hare hand ten teeken dat mijnheer Wilder zich
verwijderen mocht, onverwijld, en, als hij sprakeloos wegdrummelde, keek
ze rustig naar haar zakuurwerk. Men hoorde rijzekens het horloge tikken.
Ze sprak:
--Het alkoollampje brandt nutteloos.
Ze ging het uitdooven. Ze nam de sigaar op, die uit Albien's vingeren
geglibberd was, en blies de assche uiteen langs het tafellaken. Met
streelende zachtheid boog ze zich over Goedele en vroeg wat er deerde.
--Ge moogt u niet ophitsen en schadelijke gepeinzen voeden. Wilt ge een
druppelken munte?
--Danke, moeder ... ik ben ongemakkelijk, ik lust niets ... 't zal
geleidelijk overgaan.
--Dat meen ik ook ... Mogen wij u morgen verwachten, Sebastiaan?
Hij stond seffens recht en beloofde dat hij stellig komen zou.
--'t Wordt nu late, voegde hij erbij, wel een endeken vernederd, omdat
zij hem zoo dadelijk wegzond. Hij was echter min in zijn schik nu en
vond het om dieswille niet onpasselijk, dat hij vertrekken mocht. Hij
wist niet wat zijne houding zijn moest. Hij zou morgen meer weten.
Goedele droogde hare oogen en bracht hem zijn overjas en zijn hoed.
Niemand sprak daarbinst. Gedurig heerschte de wegende stilte. Op
elkendeen's lippen lag een onbeduidend gezegde, dat iets verroeren zou
in 't geluchte en een beetje rustigheid stichten, een beetje
verstrooidheid te gelijk.... Naar niemand en dierf noch en sprak. Men
haastte zich, in schijn onachtzaam en lui zich toonend, en de leegte die
overal was, werd onverdraaglijk....
Sebastiaan vertrok.
Ursule kwam vóór Goedele staan en kruiste hare armen over hare borst.
Ze beet haar toe:
--Kijk òp!
Ze wilde in de hersens wroeten van haar onwillig kind en tusschen hare
tanden heen sisten hare woorden.
--Wat zijt ge van zin?... Ik vraag u--wat zijt ge van zin? ... Kijk òp,
zegge 'k. Wat zijt ge van zin.... Laat me zien in uwe oogen. En duik uw
voorhoofd niet.... Op! wat is er?
Ze bukte zich en stiet haar kinne naar voren, en een rimpel duwde de
hoeken van haren mond neerwaarts.
--'t Wordt tijd dat ik het weet.... Nu zal ik alzoo gesteend en
gejammerd hebben om 't kwade gedrag van Romaan; nu zal ik alleen zijn
rechte gebleven om de hoop, die ik stelde in u ... en nu zoudt ge 't
leste gebouw omverre storten?
Ze sloeg haar hoofd met een snok achterover, en stond daar een oogenblik
met hatelijke blikken en dichtbeloken lippen, zich in te houden precies,
om geen uiterst geweld te zeggen. Dan schoot ze uit, lijk een razende,
onbeteugeld en afgrijslijk.
--'t En zal!... Hoe gij 't ook draait of keert, hoe oolijk gij 't
aanlegt, hoort ge?--'t En zal! Ik zal u vasterijgen.... Ik zal u
vasteketenen.... Ik zal u dwingen tot eerbied voor mijn wil.... Luister
goed--ik heb mijn leven lang gezwoegd en geslaafd om geld ... met mijne
vingeren, tot mijn nagels sleten ... en tot de nacht al verre was ... en
van heel vroeg in den morgen ... om geld.... Dat geld zou vruchtbaar
zijn. Luister goed: ik wil dat het vruchtbaar zij ... ik wil dat nog
zien om mijn ouderdom blij te maken.... Romaan heeft mij verraden ...
die laf hertig is en liever zijn moeder beleedigt ... dan zijn
slette.... Maar gij, ik zegge 't u, wees voorzichtig.... Ho! Ho! ik
zegge 't u.... Rechtgaan ... de weg is dáar--ik heb hem u gewezen....
Ze merkte nu hoe Goedele, eerst verschrikt, zich allangerhand hervatte
en tot bezinning kwam, hoe zij zich tegenwoordig rustig neerzette en al
die harde woorden zonder aandoening liet wegslibberen, zijwaarts. Een
onzeglijke woede verdonkerde haar aangezicht en vierkantig viel haar
mond open.
--Haâ-aâ-aâ....
Maar ze wrong hare kaken regelmatig thoope en zweeg. Vluggelings begreep
ze dat het dwaas was met koppigheid tegen Goedele's koppigheid aan te
stooten, en hare gewone sluwheid dook op, almachtig. Hare minste gebaren
werden lijk te voren berekend en geleid, en hare gramschap liet ze
meteen wegvallen in een diepen zucht:
--Och, Heere-lief!...
Ze zakte naderhand ineen op een stoel, vouwde stille hare handen over
haren schoot, en, haar voorhoofd neerbuigend, staarde in droef gepeins
op 't gebloemte van het tapijt. Ze bleef een stonde sprakeloos en daar
zeeg over heur gelaat een groote droefenis. Met een ontroerde stemme zei
ze:
--Ik heb ongelijk.... Ik voel dat ik niet wel ben.... Ik had u dat
anders moeten zeggen ... niet zoo brutaal, mijn kind ... maar ik ben
niet wel, zekerlijk.... Ik ben koortsig. Ge moogt die leelijke dingen
... daar even ... niet kwalijk opnemen. Ik heb u lief, ik wil uw
geluk....
--Ik ben niet gelukkig.
--Ja ... daarom wil ik zoo hardnekkig uw geluk. Ik mag u niet laten
onzinnig zijn. Ik moet u leiden, ik moet u doen opgaan ... naar dat
later geluk.... Wat scheelt er?... Ge vindt het hier eng. Ge moet u
opbeuren. Het is hier niet eng. Wat scheelt er? Ge beeldt u dat allemaal
in, omdat ge te veel alleene zit. Ge timmert al die akeligheden op, in
uwe eenzaamheid.... Laat Bella hier komen!... na het diner ... 's
avonds, en praat wat, zing wat....
--Bella moet hier niet komen.
--Laat Sebastiaan alle dagen zijn bezoek doen!... na het diner ... dat
deert immers niet!
--Dat deert mij.... Kijk! Ik ben weer kalm. Alles kan gerust blijven
zooals vroeger. Maak u niet meer lastig om mijnentwille nu, moeder....
--Denk ook een beetje aan mij, Goedele ... zult ge?
--Ik denk aan u....
--En beloof me dat ge braaf zult blijven.... Wel! Wel! een mensch heeft
al heel veel harde dingen voor in zijn leven ... hij mag niet zoo dwaas
zijn en kleine vervelingen opketsen tot smetten! Geef me een zoen....
Goedele stond recht en ging Ursule kussen op haar voorhoofd. Ze keerde
zich daarna langzaam omme en vertrok. Even bleef ze stille in 't
deurgat.
--Goeien avond.
Ze tort de trap op.
--Goeien avond, antwoordde Ursule.
Tot ze, dan boven, Goedele's kamerdeur hoorde sluiten, zat mevrouw
Wilder onbeweeglijk vóor zich uit te kijken, zonder zien. De zoetigheid,
die zij om haren mond geleid had, viel meteen en haar bloed sprong in
een machtige geute naar heur slapen. Ze hief haar vuist omhooge en liet
ze met een forsig gezwaai neerploffen op het tafelberd. Een koffiekopje
joepte kantewaarts rinkelend omme en, over het witte laken, spreidde een
bruine vlek, die geleidelijk openging....
In de voorkamer stond Rik, en hij lachte stillekens, een diepe leute
gevoelend, zóo op een keer.
* * * * *