Het was 's anderen daags frisch en leutig weer. De zonne had in den
morgen een lagen mist verscheurd en wapperde tegenwoordig in een blauwen
hemel, lijk bij uitkomend lentegetij. Goedele zou naar Romaan gaan. Het
hekken viel luidelijk dichte achter haar, en nu tort ze over de straat
en hare hielen klonken pleizierig op de koude steenen. Ze voelde zich
vrij en keek alles genegen toe, alles liefelijk ontvangend wat zich
voordeed. Ze bleef altemets de uitstalling der groote magazijnen
bekijken, en 't was een waarachtig geneuchte voor haar. Ze stelde er
algauw een groot belang in en bleef hier en daar haperen en
lanterfanten, kiezend en afkeurend en aannemend met een knikje. Ze
bewonderde in een engelsch confectiehuis een prachtig kareelbruin kleed
uit zwaar laken, ruime pagodemouwen met oranje zijde gevoerd en bezet
met zachten marterpels, een kraag met gulden franjen en zoo nauwkeurig
met blinkende knopjes bezoomd, regelmatig te reke.... Ze had goesting
naar zoo'n dracht, die haar rijkelijk maken zou en begeerig. Ze zou dien
breeden rok voelen kloppen, gewichtig en wijdplooiend, om hare voeten.
Op een hoek der groote middenlaan, stapte een sierlijke dame uit haar
coupé. Even werd haar kleine leest in een ruischend gefrutsel van kant
en satijn zichtbaar, en ze liep, al wippelend, een pasteiwinkel binnen.
Goedele loerde ze nog na, benieuwd voor wat ze koopen zou, en ze merkte,
achter de laden taartjes en suikergoed, hoe zij te kiezen begon en
naderhand zich aan een luttel mokkakoekje te snuisteren zette. En ze
beneed bijna deze vrouw, die schoon en wispelturig en vrij was in hare
doening. Zóo, lijk deze, wilde ze worden--zoo, handelend naar beliefte,
en geliefd naar haren zin. Ze zou ook genieten van den vroegen morgen en
uitrijden in de uchtendkilte. Ze zou ook links en rechts binnen gaan,
toevallig. Ze zou ook bijten in zoo'n taartje, met volle tanden, en ze
zou trek hebben ernaar.
Nu had zij geen trek. Ze had ook geen geld te vele. Ze had, buiten enkel
klein zilver, het bankbriefje dat voor Romaan en zijn kindeken bestemd
was. Geld van moeder. En ze dacht: we maken thuis ons eigen ongeluk....
Binstdat ze vóor een modemagazijn stond en veel lust had in 't zicht van
hoeden en linten, werd ze een jongen man gewaar, die haar sinds durenden
tijd achtervolgde en maar overal stil bleef, waar zij iets te bekijken
had. Ze vond hem onbeleefd en zou hem straks eens duchtig in de oogen
staren, als dat loopje standvastig zijn mocht. In de spiegelvlakte der
ruiten kon zij hem zien--een sterken vent, hoog en goedgeschouderd,
fatsoenlijk aangekleed. Ze vond hem deftig en struisch, bijaldien hij
haar dan toch danig krenkend en ongemanierd scheen. Hij wilde niet in
haar aangezicht blikken, hij deed alsof hij haar niet merkte, voortdurig
echter achterblijvend, gedwee en koppig tevens.
--Hij heeft tijd te vele, meende Goedele.
Ze tort dan haastig door, kronkelend door 't volk, straat in straat uit,
zonder ommezien. Ze spoedde zich tot zij er moede van werd, en bleef
rusten bij een tramhuisje. Tien stappen achterwaarts stond hij.
Verontweerdigd stapte ze naar hem toe, hem bijna takend in 't
voorbijloopen, en hij kon ditmaal haar toornige oogen niet ontvluchten.
Hij bloosde rijzekens en sprong verlegen op een aankomende tram.
Ze had er nu medelijden mee, met dien grooten lummel en lachte met zijne
plotselinge benauwdheid. 't Was haar een onnoozel vermaakje geweest; ze
dacht er aan, lijk aan een piepken-duik-spel van kleine kinderen. Ze
herinnerde zich flauw zijn scherp gelaat, omschaduwd met donkere knevels
en een vierkanten baard. Ze drilde voort, probeerde onderwege zijn
beeltenisse precies af te teekenen en peinsde er later niet meer op.
't Was een dwaze leutigheid.
In de lage stad ontmoette ze, langs de nauwe stegen, meer volk en was er
meer verschillend lawaai. Winkeliers prezen hun waar op hunnen dorpel.
Wijven stonden in donkere poorten te kakelen en te kijven. Allerlei
menschen kwamen saam, bij dichte troppels, hun neuze opheffend, en
turend naar blinde muren, met electorale plakkaten bontgevlekt. Kinderen
draafden gichelend en schreeuwend rond en stormden tegelijk een
ruchtigen brouwerswagen achterna. Uit open kroegen steeg 't rumoer van
hevige redeneeringen. De toekomstige verkiezingen hadden alreeds deze
wijk in rep en roere gesteld.
Goedele kocht in een poppenkraam een poesjenel voor Wiezeken, geheel en
al in een rood en groen pak, met gulden draad geborduurd. Ze dacht:
--Ons pover Wiezeken!...
Ze tort de vaartbrug over en geraakte, zijwaarts ommedraaiend, in een
stille straat, die verder uitliep op de graanmarkt. Arets den hoek
voorbij, was een ellegoedwinkel met hoogen gevel. Hier, op het eerste
verdiep, woonde Romaan. Ze ging seffens den somberen gang door en steeg
de smalle trap op. Er heerschte tallenkant een scherpe geur van lijnwaad
en geverfd katoen. Ze klopte boven stille tegen de deur, hoorde
binnenwaarts tante Olympe antwoorden, en draaide de klinke open.
--Wel! wel! juffrouw Goedele! riep tante Olympe.
Tante Olympe zat alleene aan 't patodders schillen. Ze kwam haastig
aantrippelen, binstdien vluggelings hare handen schoonvegend met haar
blauwe schort, en hielp Goedele zich ontdoen van haren mantel. 't Was
een stokoud wijveken, mager en omlage gekromd. Haar luttel gezicht lag
plat tusschen twee pronte vlechten zilverwit haar, en haar kinneken stak
vooruit en ging huppelend mee met hare minste woorden. Ze droeg een
zwarte kanten kap en getafelde halfmouwen. Twee lange oorbellen
rinkelden van weerskanten tot in haren hals.
--Ho! dat zal Romaan en Madeleen deugd doen, die brave komste van
juffrouw Goedele.... Ik zei 't nog gisteravond bij mezelve: zou ze nu
niet weten dat Wiezeken ziek is, en zou ze nu niet komen?... Maar ze
komt. Dat is goed. Dat is goed.
Ze roefelde met een handdoek over een stoel en schoof hem naar Goedele
toe.
--Och! en Wiezeken is zoo ziek, juffrouw!
--Zoo erg?
--Och ja! Och ja!
Ze zuchtte en zette zich neer en staarde een wijlken naar een varende
wolk, langs het venster.
--Ik hebbe 't gepeinsd en ik hebbe 't gevreesd, juffrouw Goedele. Dat en
kan toch niet deugen, zoo'n valsch huwelijk, niet waar? Ze zijn allebei
braaf en ze hebben een schoon herte. Ze zien mij ook geerne. Romaan is
braaf. En Madeleen is braaf. Maar wat willen ze nu koppig zijn, tegen
den wil van Ons-lieven-heerken? Wat willen ze nu zondig zijn? En ze
verdienen geen straffe. Wat willen ze de straffe met geweld zich
aantrekken? Ik weet niet ... waarachtig.... Ons-Heere is zoo goed! Heeft
hij ooit iemands ongeluk gemaakt? Hij heeft dikwijls iemands ongeluk
vermeden....
Hare oogen kwamen vol tranen en die rolden nadien, dikke en langzaam,
langs hare kaken, in de diepe groeve van hare rimpels. En ze zei:
--Zijn wil is deugdelijk. Ze moesten trouwen en neerknielen in de kerke.
Dan zou alles effen komen.... Ziet-de 't? Ik word ziek daarvan.
Ze blikte weer opwaarts, naar die wolke. Ze slikte een krop weg, die
zeer deed in hare keel.
--Maar nu is ook Wiezeken ziek geworden....
--Is Wiezeken gevaarlijk ziek?
--Ziek. 't En wil eten noch drinken. Keelpijne. 'k Hebbe al gesproken
van lijzemeelpap met regenwater. 't Kindeken hoest, dat het mij pijn
doet, 's nachts. 'k Hoore 't 's nachts hoesten. 't Is een holle hoest,
die dan te huilen begint. 't Ligt in de voorkamer. 't Is bleek en mager
geworden. G'en zult het niet meer herkennen, juffrouw Goedele. 't Zal
wel zijne handjes uitsteken naar u, maar zulke tengere handjes, met
vingerkens van teer hout precies. Madeleen en Romaan en mijnheer
Johannes zijn er nu bij. Mijnheer Johannes komt schier alle dagen
kijken, en Wiezeken ziet hem geerne.
--En komt de dokter er ook bij?
--Dagelijks. Hij wringt beulenijzers in Wiezeken's kele. Ik en kan 't
niet zien, waarachtig. En dan moet ze citroen nemen tot heur tanden
rabauwen. De dokter zegt dat het zal overgaan. Ze zeggen dat allemaal.
Maar ik weet wel dat het ongeluk hier is binnen gekomen, en dat het niet
wijken zal, als Romaan niet tot inkeer geraakt.
Goedele stond recht.
--'t Kindeken ligt in de voorkamer, zei tante Olympe.
Ze was te wege Goedele vóor, om haar de deuren te openen. Ze mummelde
gestadig en schudde haren witten kop, tenden raad. Ze keerde zich dan
haastig omme en blikte zonder overgang vlak in Goedele's oogen, en ze
vroeg:
--Wilt gij Romaan overhalen?
Ze beweerde dat Goedele het zonder moeite bekomen zou. Romaan sprak alle
avonden van haar. Zij zou hem dadelijk tot zijn schoon verstand brengen.
--Hij is nu buiten zijn gedachten versmeten.
Goedele weerde zich zachtjes af.
--Wilt ge niet? bad tante Olympe en hare lippen vielen in diepe droefenis
neerwaarts, zoodat naar dezen nieuwen rimpel al de andere te gelijk
negen, een beeld stichtend van onzeglijke smert. Goedele troostte
haar--dat was niet zoo erg, en God hield zich niet zoo bepaald bezig met
schadelijke uiterlijkheden.
--Schadelijk?
--Want als Romaan trouwt, dan sterft zijne moeder. Romaan doet het
wellicht uit menschlievendheid, en doet hij niet best zoo? Moeder was
niet edel jegens Madeleen, tante Olympe, maar ze blijft, spijts al haar
ongelijk, zijne moeder, Madeleen weet toch dat Romaan haar niet verlaten
zal. Zij mag niet willen dat Romaan's moeder sterft.
Tante Olympe week achterwaarts tot tegen de dresse en ze hief
permintelijk haren kromme rugge rechte. Haar aangezicht verloor meteen
zijn lijdende uitdrukking en werd hard, puntig, stekelig.
--Ja?... Ja?... Ja, juffrouw Goedele?
Hare kin begon te trillen en ook hare beide handen beefden, en haar hals
rok ze uit, de bruine pezen toonend boven hare witte krage, tusschen de
blinkende oorbellen schijnbaar bruiner nog. Hare stemme steeg uit lage
diepten, werd koortsig en sidderde, schoot weg in klaterende klanken en
schorrelde thoope, lijk een pak blekken schervels, droge en ruig.
--Maar nu sterft Wiezeken? Maar nu sterft het arme dutseken door den wil
van God, door ulder koppigheid, ulder te gare. En als Romaan en Madeleen
buiten geworpen werden, uit het andere huis, omdat ze niet wettig
getrouwd waren, en als we samen het moeielijk hadden en aleens honger
kregen--is dan mevrouw Wilder dankbaar geweest, dankbaar omdat Madeleen
zich, naar hare goesting alzoo, lijk een slonse gedroeg?... Ik hebbe
gewerkt met mijne oude vingeren, en met mijne oude oogen hebbe 'k
gewerkt, en nu wonen we in een leelijk huis, waar Madeleen zich voort
lijk een slonse mag gedragen. En nu sterft mevrouw Wilder niet. Ze zal
wel gezond zijn, als Wiezeken sterft. Dan is Wiezeken uit de voeten....
--Ho! Ho!... tante Olympe....
Goedele was niet toornig--ze berispte stille, omdat tante Olympe bedaren
zou. Maar tante Olympe moest uitspreken en naarmate hare stemme gebroken
en afgemat, luttel werd, liepen sneller en zwaarder hare tranen over
haar roerend aangezicht.
--Ik mag het u zeggen, juffrouw Goedele. Ge zijt ons allen lief en
genegen....
Ze begon meteen te snikken. Het groote geweld was over, en ze kloeg nu,
al hakkelend en schokkend. Haar lijf zakte ineen en ze was moe, kromme
en scheef lijk te voren.
--Och! kind, we doen zoo moedig ons devooren, gedrijen. Romaan is nog
altijd op de fabriek; hij wint daar niet veel en we moeten hem helpen
met borduurwerk. We doen het geerne, we doen het geerne.... Maar laat ze
trouwen, als 't u belieft. Ik heb al zooveel geleden voor Madeleen, van
toen ze klein was en hare ouders had verloren. Ik heb ze opgebracht en
ze leeft in mijn herte. Laat ze nu trouwen, laat ze haar eer hebben, die
'k zoo jaloersch hebbe bewaard. Laat ons hier weggaan, uit dees open
huis, en laat Wiezeken later een naam dragen ... niet waar? Ben ik nu
redeloos? Mag mevrouw Wilder redeloos zijn? En zou ze sterven, omdat een
meisje eerlijk blijven wil? Zou ze? Maar ik, ikke, juffrouw, ik ga nu
ook weg, door hare schuld dat voele 'k--en ik zie Romaan en Madeleen
allebei zoo geerne....
Ze moest gaan neerzitten op een stoel, en Goedele klopte zoetekens op
hare schouders, een braaf woord zeggend, dat haar opbeuren zou. Ze werd
kalm naderhand en snoot zich in haren grooten rooden neusdoek, en veegde
trage hare oogen droge. Ze fluisterde, met een droef lachje, Goedele toe
dat ze niets hiervan bij Romaan mocht laten gebaren. En vriendelijk, nog
even na 't eerste woord een snik meeduwend, vroeg ze:
--Wilt ge nu Wiezeken zien?
Goedele nam de bonte pop, die zij medegebracht had, en ging vóor. Maar,
bij de deure, bedacht zij zich en tort niet verder.
--Wie is die mijnheer Johannes?
Tante Olympe werd seffens praterig en lei uit hoe deze vriend van
Romaan, een rijke kunstschilder, op een avond in huis gekomen was en hoe
hij sindsdien wekelijks kwam en hen allen zeer genegen was.
--Een brave ziele, juffrouw Goedele. Hij heeft de beeltenisse van 't
kindeken gemaakt, op min dan drij dagen. Wel! dat is een stuk, schaap.
Ge zult het zien. Ge zult peinzen dat Wiezeken in waarheid u komt
toegeloopen....
--Hoe is zijn name?
--Ameye, Johannes Ameye--wij zeggen gemeenlijk hier mijnheer Johannes.
't Is een gouden hert.
De deur werd precies opengestooten, en daar stond Madeleen. Ze viel
dadelijk in Goedele's armen, haar kussend en groetend met dankbare
woorden, en ze bezagen malkander naderhand met vochtige oogen. En
Madeleen lispelde gestadig dat het braaf was, dat het goed was.
--Och ja! ik ben tevreden.
Romaan liep ook fluks bij en drukte zijne zuster op zijne borst, en dan
stonden ze gedrijen een wijle sprakeloos ondereen, te kijken naar een
gedacht van deugddoende liefde. De stilte is altemets een licht gewaad
met gulden twijn geweven, waar de ziele te rusten blijft, te rusten en
te luisteren naar schoone aandoeningen.
Romaan nam nadien Goedele bij de hand en stelde haar vóor aan zijnen
vriend. Ze dierf in den beginne niet opzien. Ze voelde iets ongemeens
in 't geluchte, alsof deze man geen vreemde zijn zou en haar met een
bevrienden lach bejegende.
--Dees is haast mijn broeder, zei Romaan, zijn plaats in mijne liefde is
nevens u.
Ze keek er naar en herkende hem, zooals zij hem bij 't venster van den
modewinkel voor 't eerst ontmoet had, en zooals zij er, bij het
tramhuisje, toornig was op afgegaan. Hij bloosde en boog.
--Hebbe 'k mejuffer niet elders gezien? Ik vrees dat ik een leelijk
hoekje krijg in haar geheugen....
Zijne stem was vol en zwaar, en sloeg in sierlijke golving om.
--'k En hebbe u nooit ontmoet, zei Goedele.
Tante Olympe had seffens de voorkamerdeur geopend en was aan 't babbelen
met Wiezeken van een popje met djentige dracht en met twee drollige
bulten. Madeleen begon over 't arme dutseken te klagen en vertelde hoe
het toch zoo geleden had, den vorigen nacht, hoe 't hoestte en kuchte en
pijnelijk zich wrong, hoe 't dan neerlag zonder couragie, bleek en
afgemat, hoe 't zin had in niets, in niets van al wat het vroeger
begeerde,--en hoe dat alles danig smertelijk was om zien.
Ze gingen allemaal nog eens kijken. 't Beddeken stond in een luchtige
kamer, naast de breede koetse van Romaan en Madeleen. Drij vensters
wierpen licht op den blooten vloer en, bij kletsende geuten, tegen 't
vermoeide muurpapier, vaag-bebloemd met bruinroode tulpen. En 't
beddeken was sneeuwwit en zuiver en prontelijk, gewend aan de zorg van
aandachtige moederhanden. Goedele bukte zich langzaam erover.
--Dag, Wiezeken, mijn zoete boeleken....
Wiezeken lag in 't blanke kussen, zoo luttel, zoo klein.... Haar hoofdje
dook schier weg onder de sargie, een hoofdje bleek en vaal, met
loodvervige schaduwen, oogjes diepe en wijd-denkend, en een mondje
teenemaal verslenst. Ze lachte stille als ze Goedele herkende, en hare
handjes gingen op naar heur, nadien weer neervallend, lui, onbeweeglijk,
broos. Hare lippen ontsloot ze swijlens en ze wou zeggen: daáag!... en
ze haperde in een zuchtje en zweeg. De pop werd nevens haar geleid, en
ze was daarmee bovenmatelijk gelukkig. Ze bekeek haar met welbehagen en
had plezier met de schitterende kleuren en die koperen knoppen en die
domme bulten van weerskanten.
--'t Is een poesjenel voor de brave kinderen.
De poesjenel kon zijne armen toeklappen, als men op zijn buik neep, en
dan rinkelden de twee bellekens, die aan zijne mouwen hingen. Tante
Olympe neep maar gedurig op den houten buik en de poesjenel smeet zijne
klinkende armen gedurig saam, en Wiezeken was bovenmatelijk gelukkig.
Maar ze werd algauw weer slaperig en wendde haar hoofd omme, en dan
moest Tante Olympe aan 't voetende het lieve lam pakken, dat mijnheer
Johannes had meegebracht. En tante Olympe moest op het onderst plankje
duwen tot het lam te bleeten begon. En 't lam zei:
--Bêe-êe-êe-êe....
Wiezeken lachte flauw en streek met hare vingerkens in de witte wolle en
bleef er peuteren tot meteen hare oogen opnieuw heel verre staarden en
ernstig werden. Het was alsof dees kind zijn moeielijke gepeinzen volgde
en in diepe beschouwingen verzonk, aldoor mijmerend langs
bovennatuurlijke zaken. Langzaam vielen zijne wimpers dicht en zijne
handjes bleven stille.
--'t Slaapt.
Het sliep. Zijne wangen en zijn voorhoofd en zijne lippen--'t werd alles
effen wit.
Ze tuurden allemaal zwijgend ernaar. Romaan boog zijn hoofd en zijn kin
rustte op zijne borste, en van onder zijne neergeduwde wenkbrauwen
loerden droomend zijne rechte blikken. Hij hield zijn kind, dat
beeldeken van smerte, in zijne hersens vaste en zijn hopeloos gedacht en
wilde zich niet losrukken daarvan, hoe 't hem folterde en martelingen
aandeed. Dat witte gelaat, in nauwmerkzame tinten opschaduwend uit al
het blanke bedlinnen, dat heele broze koppeken, rijzekens een diepte
wegend in 't donzig kussen, en dan de teekening daarin van beloken
oogen, neerplooiende lippen, een luttel neusje, met kantewaarts een
zoetvervig blauw--al wat nu Wiezeken was, 't hiew met pijnlijke slagen,
een steenen herinnering in zijn geest. Madeleen keek schuw op naar hem,
en ze toetste met haar hert zijn droevig gepeins, en een groot verdriet
zeeg over haar.
--'t Is een deugdelijke slaap, fluisterde tante Olympe.
Ze kromde haren ronden rugge over 't bedde en lei den poesjenel aan 't
voetende, nevens 't schaapje, en dook voorzichtig de lichte handjes van
Wiezeken onder het deken. En ze prevelde nog:
--Morgen zal 't ten halve genezen zijn.
Ze rechtte zich en zag omme binstdien, en Romaan stond daar, vóor haar,
te staren, heinde weg, roerloos en zonder uitkomste. En ze merkte, zóo
blootliggend op zijn aangezicht, zijn endelooze leed. En ze herhaalde
met onzekere stem, om toch wat leven in dees bange geluchte te krijgen:
--Morgen zal 't ten halve genezen zijn.
Maar de stilte en wilde niet breken, en hare woorden stierven seffens
uit, zonder naklank, zonder een bijblijvend gedacht, dat mocht de
angstige leegte vullen. En dan zweeg ze ook, met de anderen mee, en dan
hoorde ze somtemets het snorkend asemken van 't zieke kind.
Tot, op een ende, allengs 't rumoer van voorbijrijdende karren en een
standvastig gebas van honden hier binnen drong en hoofdzakelijk werd,
ten teeken dat stilaan elkendeen zich van Wiezekens' beeld lostrekken
wou. Daar was buiten een man die riep:
--Scherre-scherre-scherresliep!
En hij deed een krissend wiel draaien, dat lijk een scheur door de
ruimte kreesch. Naderhand klonk boven, op het tweede verdiep, 't geronk
van een naaimachine, en bij poozen, een blijde meisjesstem vrij trillend
in een leutig lied. Goedele lei haren arm op Romaan zijnen schouder, en
Madeleen wendde met een diepen zucht haar aangezicht van hem af. En
mijnheer Ameye zei:
--We mogen hier alzoo niet blijven, en de kamer vullen....
En terwijl allemaal stille wegdrumden, vroeg hij wat een lieve
gebuurvrouw daar zong, ginder hooge. Tante Olympe trok voorzichtig de
deure dicht, en begon seffens te vertellen van het zonderlinge
huishouden.
--Een blinde met zijn dochter.
Ze noemde de dochter "een verloren maarte". De oude vader knorde en
ronkte en keef den heelen godschen dag door, en 't meissen zong
swijlens. Men hoorde ze van den morgen tot den avond. 't Waren goede
herten.
--En hoe geraken ze aan hun brood?
--Ja, hoe geraken ze aan hun brood!...
Tante Olympe zette zich bedenkelijk neer, en lonkte naar Madeleen, en
vouwde hare handen over haren schoot, daarna eens smakkend, alsof ze
iets zeggen zou van gewichte. Ze deed hare duimen overeen draaien.
--Ja, mijnheer Johannes ... ze naait.
Ze zei 't zoo beteuterd dat Ameye lachen moest, en elkendeen, met
gemaakt geweld, meelachte. Ze werd dan een beetje rood, vlak naast de
gouden oorbellen, en ze begon alzeere en vluggelings te babbelen om hare
verlegen manieren te verbergen.
--Ze staat laat op in den morgen. De oude is altijd eerst te been, en ik
hoore zijne voeten scherrelen over 't plankier en zijn stok matelijk
kloppen. Hij maakt zijn eigen fluks kwaad en dan staat hij te grollen of
loopt mompelend rond. De man moet veel geleden hebben. 'k Zie 't op zijn
gelaat. Hij heeft een moeden mond en zijn doode oogen liggen in een
rimpelkrioelinge bijkans te lore. Zijn lippen hergaan bij stonden, alsof
hij een antwoord gaf op een invallende gedachte. "Ja!" zegt hij, kort,
droog, met tot ruk van zijn kinnebakkes, en niemand weet tot wien hij 't
zegt. 'k Zeg hem al eens tegen, al lachend: "Neen!" als om te strijden
met hem. Hij blijft dan staan op de trap en heft zijnen stok op, en 't
getril van zijn neuze is een teeken van komende gramschap. Maar zijn arm
valt omlage en zijn gezicht druipt neerwaarts in een verdraagzame
droefenis, en hij zegt schuddebollend: "Och! Och! Och!" ... en zijn
doening is dan van een, die mij gelijk geeft. 't Is een aardige vent,
mijnheer Johannes.
--En de dochter?
Goedele vroeg hoe haar naam was.
--Mariëtte, zei tante Olympe.
Ze bleef, saamvouwend opnieuw hare handen, zitten, en riep nadien, met
geveinsde belangstelling, de katte, die even van onder de dresse te
voorschijn kwam en voorzichtig ruiken ging aan het tjopken van haren
wenkenden vinger. Madeleen vertelde hoe Mariëtte gestadig leutig was en
aldoor zong. De naaimachine geraakte wel eens in druk bedrijf, maar dat
en gebeurde niet dikwijls. Mariëtte hield zich meer met hare twee
kanarievogels en met hare begonia's bezig. In den uitkomende was 't een
plezier hare werkzaamheid te zien, hoe ze aan 't sproeien was, en heel
't venster vol hing met kapucijnebloemen, schoone opgeleid langs een
kunstmatige webbe van draden en touwtjes. En de vogels werden in dat
getij buiten gehangen, boven 't raam, in de gouden zonne. Gestadig
schikte ze de muitjes en spreidde er voolkens over om den wille van
muggen en ander stekend ongedierte. En als ze niets te verrichten had,
boog ze zich over de bloempotten heen en bracht hare lippen bijeen tot
een toeterken en floot hare lievelingen voor. En lachen deed ze, zoo
geheel alleene.
--Maar....
--Een herte zonder lusten dan? vroeg Ameye.
--Ja, maar ... daar hapert iets....
--Wat kan er haperen, dat niet in zooveel leutigheid weer loskomt?
lachte Goedele.
Madeleen knikte en lachte mee. Ze probeerde in een uitbundig gepraat
Romaan's voorhoofd effen te krijgen, en sprak luidruchtig met overdreven
golvingen van haar stemme en met wijde gebaren, zich buigend, en wijkend
en zijlings wiegend, tot ze warm werd en te blozen begon. Romaan stond
vóor 't venster en tuurde naar de wolken. Madeleen zei:
--In den avond, als we al zinnens zijn naar bed te gaan, hooren we de
trap onder voorzichtige terten kraken. Naderhand zijn er geen zangers
meer boven, geen minste rumoer, geen getrippel van Mariëtte hare zotte
voetjes. Alleen nog, somtemets, een kort gegrommel van den oude, die
aleens poogt de deur open te doen. De deur is vaste....
--De deur is vaste, ja, prevelde tante Olympe.
--Omtrent twee uren in den morgen, kraakt opnieuw de trap en rotelt de
sleutel in de klinke.
--En Mariëtte...? vroeg Goedele.
--Ja, Mariëtte zelve. 't Zijn hare eenige wandelingen. Ze gaat anders
nooit uit.
Romaan wendde zich omme.
--Ssjt!... Hoore 'k Wiezeken niet?
Elkendeen luisterde en de ongemakkelijke stilte heerschte lijk te voren,
alle geluiden der strate groot makend. Tante Olympe ging kijken of
Wiezeken sliep. Ze kwam weer op hare teenen, elkendeen geruststellend.
--'t Slaapt lijk een engelken. Overmorgen is het te been.
Ameye boog zich naar Goedele en vroeg, oolijk lachend, wat hare meening
was omtrent Mariëtte. Madeleen trachtte de vraag af te weren, omdat die,
volgens haar, zoo direkt in 't intiem denken dringen wilde. Men mocht
niet oordeelen. 't Gold hier eene zeer delikate gevoelstoestand.
Maar Goedele vond hier zoo diep een ernst niet in, en ze lei uit wat,
haar inziens, een rechtveerdige uitspraak zijn zou.
--Ik neem aan dat Mariëtte gelukkig is. Zij heeft heur eigen niets te
verwijten.
--Djeezes-Maria! kreet tante Olympe.
--Zij mint het Lenteweer, de bloemen, de vogels, 't vrije geluchte, dat
neervalt uit de blauwe hemelen. Ze voelt haar vleesch, haar heele lijf
opengaan in schoonheid, in nature. Hare doening 's nachts en zal niet
tegen nature zijn. Dat ware onmogelijk. En, overigens, wat doet ze dan?
Ze gehoorzaamt misschien aan 't geheime bevel van haar wezen. Ik meen
niet dat ze misdadig is. 't Ware in elk geval onwaarschijnlijk.
--Ja, zei Romaan.
--'t Is een slette, zei tante Olympe.
Ameye lachte luid en stond recht. Hij trok zijn overjas aan en moest nu
gaan--nog een paar zaakjes afhandelen vóor den noene--en morgen zou hij
eens binnenloopen nog, rond den elven. Hij drukte forsig de hand van
Romaan en groette tante Olympe minzaam, haar met een dwaas woord tot
bedaring brengend, en lachte nog als hij Madeleen goeiendag wenschte.
--'k Zal eens 't portret maken van Mariëtte....
Hij boog vóor Goedele en drong nadien met zijne klare blikken heel diepe
in hare oogen.
--Voor u, juffrouw.
--Ja, doe dat, sprak Goedele.
Ze wist niet goed wat hare eigen bedoeling was met deze woorden. Ze had
zoo werktuigelijk geantwoord, meerendeels om hare lippen te roeren en
aldus eene wrevelige verlegenheid te duiken, die over heur aangezicht
kwam. Ze hoorde naderhand alleen in ver lawaai al wat nog gezeid werd,
en Ameye was lang verdwenen, als zij nog zijne blikken voelde, heel
zonderling daar blijvend, vóor haar, met een bovennatuurlijken wil....
Wanneer ze ook dees huis verlaten had, en de straten doorliep, werd ze
droevig en was te wege weer te keeren. Ze asemde daar zoo vrij, en nu
zou opnieuw moeder nevens haar komen, en grootvader en van avond
Sebastiaan--heel die koude wereld, die gemanierde wereld; tusschen al
die naakte muren haar nijpend en knellend en zeer doende. En 't povere
kamerken, waar Wiezeken te lijden lag en was zoo eendelijk niet als
gindsch vierkante steenmassa.
Ze bleef droomend lanterfanten langs de uitstalling van den modewinkel
en peinsde:
--Die mijnheer Ameye is een leege man.
Ze joeg hem seffens uit hare gedachten en verzinde 't beeld van
Mariëtte. Ze vond daar behagen in--een kap met blonde lokken, een
gezichteken als van een zoete deugniet, rond en rood en donzig, en een
natte mond en gloeiende oogen en lieve vingeren, gewend aan 't bedrijf
van kanten geluksweefsels. Ze liep bijna een kindje omverre. Ze werd
beschaamd en stamelde en drilde voort, haastig. Ze zag een tram meteen
stilstaan vlak vóor haar. Ze peinsde:
--Die mijnheer Ameye is ongemanierd--en niet vriendelijk ... en niet
schoon....
En vlugger spoedde ze zich, zonder reden af en toe stil blijvend bij een
schitterende kleur ievers aan een venster, of bij een hoog geluid, dat
voorbij gilde. Ze hield van niets een vast gedacht. 't Sleerde allemaal
over hare hersens. Ze wilde bij stonden tante Olympe oproepen in haar
hoofd, haar zien trippelen en snokken met haar kinne en wuiven met haar
armen. Ze wilde Wiezeken herdichten, het bleeke wicht. Ze zag den
poesjenel. Ze zag het witwollig lam. Ze peinsde:
--Waarom vroeg hij, wat ik over Mariëtte denk?
En verder drevelde ze, koortsiger wordend naarmate hare gevoelens meer
verward dooreen stringelden. Als ze in de stille wijk van blinde
rijkemanshuizen geraakte, hijgde ze en was danig opgehitst. 't Docht
haar dat de toekomst luchtig werd en dat er klaarten kwamen en een breed
zicht. Ze voelde heel vaag eene grondige verandering in haar lijf, een
ongewoon trillen, een ziedende leven. Ze hijgde, en zij en was niet moe.
Ze was zeker dat iets heel schoons zich had veropenbaard in hare ziel.
Ze vroeg niet naar een oorzake. Niets was bepaald. Ze baadde zoo in een
streelende warmte, daaraan deugd hebbende en zonder verlangen
voortgenietend. Haar bloed sloeg forsig omme en, in haren hals, tegen
hare hooge krage, werd zij den sterken klop ervan gewaar.
Ze stond meteen vóor 't donkere hekken. Ze hoorde de wind zoeven in de
boomen van den hof. Alles brak, viel in haar. Ze moest zich vóor den
drempel ontdoen van alle geestdrift, alle gejubel. Ze keek naar de koude
muren en naar al die beloken vensters en onderaan naar de vier
ontsloten--gladde ruiten, met de franjen van donker roode gordijnen en
de witte beelden van twee steenen poedelhondjes. Ze boog haar hoofd en
zuchtte. Het zware geluchte van daarbinnen sloeg haar tegen het
aangezicht....
* * * * *