Als mijnheer en mevrouw Devleeschhouwer, en hunne dochter, juffrouw
Bella, en Alfred hun zoontje waren aangekomen, ging men aan tafel
zitten. 't Was eerst een lustig gepraat ondereen, een wederzijdsch
complimenteeren dat wegvlood in luttele woordekens, met lachjes erlangs.
--Wel, mijnheer Vrebos, schetterde het nooit moede stemmeken van
juffrouw Bella, wel, mijn goede heer, hoe zonnig ook het verre land is,
hoe zonnig toch is 't huis waar verlangende herten wachten....
Ze loerde daarbinst naar Goedele met liefelijke blikken, en draaide
haastig omme haar ongedurig lijf en gilde:
--Oh! l'amour!
Elkendeen had zijn aangewezen plaats in de eetzaal. Men zette zich neer
en frommelde de servetten open, naderhand met luie vingeren de vork of
den lepel takend, die bij poozen alzoo te rinkelen begon. Mijnheer
Wilder vroeg met groote belangstelling aan Alfred hoe 't nu zou afloopen
met het najaarsexamen. De jongen was blijkbaar met deze vraag niet erg
ingenomen, en antwoordde al blozend dat hem de uitslag wel gunstig
toescheen.
--De jongens hebben het tegenwoordig zoo druk met het leeren, zei
mevrouw Devleeschhouwer.
Het was ook de meening van mijnheer Wilder.
--Wat zullen ze nu al uitsteken met hun Grieksch en hun Latijn?
Maar mijnheer Devleeschhouwer vond het uitstekend, dat men zonder
deernisse in de athenaea met de leerlingen omging.
--Dat hebben de kerels van doen.
Hij rondde zijnen buik om gewicht te geven aan zijn gezegde en liet de
gouden ketting rotelen, die er als een vloek op te klateren hing.
Mijnheer Wilder was een dik mensch met enge schouders en een uitermatig
hoofd, kaal en zijpelend onder het gaslicht. Hij krulde alle uchtends
zijne rosse knevels met een warm ijzer, zoodat die gedurig triomfelijk
ommebogen en met een scherp puntje rechtkwamen. Te midden zijne vettige
kin vlekte daar zijn bokkebaardje, een donker hoeksken. Hij Wilde er
martiaal uitzien en deed zijn best om zijn lomp hoofd naar een
officiersmodel te scheren. Mijnheer Devleeschhouwer was een man met een
gemist ideaal, daarom ook een diep-ongelukkig wezen. Hij drukte nog
dikwijls zijne spijt uit daaromtrent en deed het altijd met zoo 'n lage,
droeve stemme, dat men algauw beseffen kon hoe danig hij gekrenkt,
geknakt, gebroken was erdoor.
--Ik en hebbe naar 't gebod der Voorzienigheid niet geluisterd, zei hij.
't Gebod der Voorzienigheid, zoo heette hij zijne roeping. Hij werd,
meende hij, voor den degen geboren, tot meerder heil van zijn vaderland
en van zijn vorst. Maar hij had naar 't gebod niet geluisterd; hij had
zelfs in de burgerwacht zijne kans voorbij gekeken. En nu was hij oud.
Nu was het te late. In de burgerwacht, door onlangs gestemde wetten
heromgewerkt, zou hij nooit binnengeraken. Zijn troost berustte
sindsdien op een militair uiterlijke, dat hij bijna verkrijgen kon, dank
zij een gestadige aandacht, een koppige inachtneming. Hij droeg schoenen
met hooge hielen. Hij gaf jaarlijks een rond sommetje om eerevoorzitter
van een oud-korporalenkring te blijven. Zijne kravatspelde was een
gouden kanon met allerliefste diamanten wielkens. Hij had een breeden
ring met een miniature van Leopold I, en binnenwaarts had hij er in
gothische lettertjes doen graveeren: "Pour Dieu, pour le Roi et pour la
Patrie."
Hij sprak grof en probeerde altemets brutaal te zijn.
--Wel--Heere, zei mevrouw Devleeschhouwer, ge vindt het hier aan tafel
wel goed dat men de kinderen afbeult ter schole, en als de jongen
hoofdpijn heeft, zijt-de al seffens zelve aan het janken....
--Eulalie! berispte mijnheer Devleeschhouwer.
Hij en noemde in gezelschap maar ten uiterste zijne vrouw bij haren
voornaam. Zij en mocht hem in zijne weerdigheid niet kwetsen. Maar
Eulalie was een zeer lichtzinnig oud wijveken, met een bijtend karakter
en sluwe manieren. Zij heette haren vent kortaf Nestor. Hij ware
gelukkig geweest, als zij hem op soirée had willen aanspreken met een
deftig "mijnheer Devleeschhouwer".
--Mijn advies is ook dat men streng moet zijn, sprak Rik.
Hij wendde zijne oogen zijwaarts op naar Ursule. Geheel zijn glad,
vierkantig aangezicht lijnde omlage naar 't puntje van zijnen neus, en
zijn tonge sleerde tweemaal overentweer langs zijne droge lippen. Omdat
Ursule zijn gezegde met ruste liet, hief hij met een schokje zijn hoofd
omhooge en zijn mond viel open in een hatelijken grijns:
--Wat een woord niet taken wil, taakt de zweepe!
Ursule zei:
--Vader, ge moet zachte zijn....
Hij droop haast weg in zijnen stoel en bleef er koes ineengedrongen,
endelijk toch schokschouderend en zijn kinne met een koppigen ruk
opduwend. Bella bracht het gesprek op een ander onderwerp, en vroeg,
zoeterig lachend, aan Goedele of Sebastiaan nu wat van zijn reis
vertellen mocht.
--Dwing hem met uw lieve handjes.
Ze schetterde en vond hare eigen woorden dol leuterig, en gilde in een
lachbui:
--Ma chère!
Marie bracht de soep, die al zeere op de tafel, in elkendeens schotel,
te dampen stond. De lepels begonnen hun tsinkelend zilverspel en
schervelden langs de gladde tellooren met wrijvende geluiden. Sebastiaan
boog zich over tafel en zijne linkerhand deed al wuivend een stil
gebaar:
--Laat juffrouw Bella maar bedaren--ze krijgt wel wat praats, als ze mij
hierom genegen is.
--Een beetje soep nog? vroeg mevrouw Devleeschhouwer.
--Wel ja, wel ja, zei Albien.
Goedele at langzaam en was precies zoo heinde en verre met hare
gedachten. Ze keek altemets naar een schitterende lichtvlek op den
spiegel, en bleef er dan staren, alsof ze geerne zich geleidelijk liet
wegvaren in gaande gepeinzen. Sebastiaan keerde zijne oogen naar heur.
Ze voelde meteen den toets zijner blikken en was seffens verlegen, even
glimlachend om vriendelijk te zijn. Hij werd ook hare verwijderingen
gewaar en fluisterde haar af en toe een onbeduidend woord toe, bij
manier van haar terug te roepen, haar bij te houden, dichterbij.
--Waaraan denkt ge?
--Aan niets, mijn vriend....
--Goedele is nooit zonder gedachten.
--Ik bekeek die bloemen....
Hij vond nu ook die bloemen leelijk, monsterachtig. Goedele lachte,
omdat hij zelve ze besteld had. Hij bleef bij zijne meening, dat het
afgrijselijke wangedrochten leken, en dan, al waren ze in waarheid
schoone....
--Ze zijn ondankbaar, zei hij, als ze u wegrukken van mij.
Mevrouw Devleeschhouwer, die naast mijnheer Wilder zat, was druk bezig
met hem over zuinigheid en gulzigheid. Dat was gekomen naar aanleiding
van Alfred's ongemakkelijke doening. Alfred at met ongemeene
schuchterheid, al langetandend en muilkens makend. Aldoor loerde hij
naar Goedele en bouwde in zijn geest romantische toestanden, waar hij
den held en zij de heldinne was, en moeder moest hem stootjes geven om
hem te doen eten.
--Hij eet zoo weinig t'onzent ook, zeide ze aan mijnheer Wilder.
--De jongens moeten eten om groot te worden, was 't idee van Albien.
Mevrouw Devleeschhouwer gaf hem gelijk, maar ze had toch liever een
zoon, die zuinig was, dan een doorvreter met gulzige manieren, die alles
verslinden kon en daar op een ende zou te zweeten zitten lijk een
trampeerd, en geweld te doen om niet onpasselijk te worden.
--En als de examentijd er komt, weten de kinderen zoo vreeslijk van dat
folterend surmenage.... Lust gij nog een beetje spruitjes of wat
vleesch, mijnheer Wilder?
--Wel ja--wel ja....
Alfred zette zich te blozen, omdat moeder hem met dat woord "kinderen"
zoo kleineeren wou. Hij zag noesch op naar Goedele en onderzocht op haar
kalm gelaat, of zij 't beluisterd had. Albien klopte stillekens op zijne
schouders en zijn rood gelaat neeg naar 't zijne, in een breede bui van
vriendelijkheid.
--Allo! allo! mijn jongen, steek nu uw hoofd niet zoo proppensvol met
vreemd gebrabbel en dolle cijferwebben. Vacantiedagen zijn er ook nog,
en die naderen bij tijde.
Hij moest eens niezen, en bracht zijn servet over zijn gelaat, dat
naderhand purpergloeiend te voorschijn kwam, zijpelend van wellust.
't Had hem alzoo deugd gedaan, en hij veegde zijne oogen drooge.
--Vandaag moogt ge u deugd doen, zei hij.
Hij keek naar een rijkelijken hamelbout, die vol souse onder een gulden
korste daar gloorde, triomfelijk en wonderbaar. Hij stelde bovendien een
overgroot belang in de matelijke gebaren van Ursule, die den wijn
inschonk. Mevrouw Devleeschhouwer bleek hem een weerdige gebuur-vrouwe.
--Een glazeken roode? vroeg mevrouw Devleeschhouwer.
--Wel ja, wel ja....
Hij zei 't met geveinsde onachtzaamheid, alsof het hem niet schelen kon.
Hij slurpte zijn beker met korte geutjes leeg, en likte een wegloopend
dropken weg, profijtelijk. Hij gebaarde niet te merken dat Ursule hem
gestadig belonkte en wist wel dat zij hem morgen met allerlei
berispingen lastig vallen zou. Hij liet zich aan geen toekomstig ongemak
gelegen; 't was hier tegenwoordig goed....
Bella en wilde Sebastiaan niet met vrede laten.
--Zal ik u met het weinige, dat ik zag, tevreden stellen? vroeg hij.
Hij vertelde van het landschap, van 't hooge gebergte, zoo heerlijk in
den avond, als 't laatste zonnegestraal in verre sneeuw blijft haperen
en er de zoete schakeering ligt van zijn vele verven; hij beschreef met
overgevoeligheid de subtiele harmonij der kleuren, opgaande van 't diepe
blauw naar 't vurende oranje. Zijne handen wuifden in sierlijke buiging
en zijne lange vingeren teekenden de kleinigheidjes, peuterden aan vage
tinten, beloken in wegdoezelende klaarten, stipten eene eigenaardigheid
ievers aan, of vielen neer, in vrome vouwing, lui en moede en zacht. Hij
kon zoo een stonde lang zich ommedraaien in fijnstemmige gezegden, en
zijne oogen keken binstdien de leegte door. Hij en had nooit driftige
woorden--hij vertelde alles op zangerige rythmen met altemets een
onbepaalde uitdrukking, die hij dan in een stijgen of dalen zijner
stemme verklaarde. En zijn aangezicht bleef djentelijk, omdat geen
sterke klank zijn mond vervormde. Hij was schoon. Hij sprak schoon.
Bella boog zich over tafel en dronk aan zijne lippen die kunstige tale.
--En Weenen?
Hij wist van Weenen weinig. 't Was een moderne stad met veel lucht en
licht. Hij had geen bepaalden indruk. Hij had vooral schilderijen
bekeken.
--O ja--Bos en Brueghel, zei Goedele.
Ze was verlegen dat ze 't gezeid had seffens daarna, omdat het als een
vermindering klonk van Sebastiaans betrachten. Maar hij was niet
gekrenkt en meende dat het haar een vreedzaam geneuchte was daarvan te
hooren spreken. Hij noemde 't werk van Hieronymus Bosch een wonder. Hij
joeg de beelden achter mekaar, deed waarachtig in 't geluchte varen de
mirakelachtige schepsels uit de verbeelding van den schilder geboren.
Hij sprak van eene St. Antonius' tempteeringe, beschreef een vóor een de
monsters daar vereend--konijnenkoppen op kinderbeentjes, menschenbuiken
met oogen en een ooievaarsbek, vliegende draken, schertsende gezichten,
grijnzende muilen. Hij deed ze herleven en benauwd worden in groene
klaarten of wegschemeren in donkere spelonken. Maar hij was tewege warm
te worden als hij over Brueghel begon.
--Brueghel is de meester boven de meesters, juffrouw Bella, en stellig
boven het begrip der menschen. Hij wist het leven uit te drukken in
waarheid en zijne uitdrukking, aldoor een uitslag van stijlsynthesis,
was een zuivere gave der kunst. Bij Brueghel vindt ge kleurharmonieën
die men sinds niet meer heeft kunnen bereiken, en elke kleur op haar
eigen ligt plat, effen, net. Hij dierf een hoop bonte boeren en krijgers
neerwerpen op een vlakken sneeuwgrond, en 't en stoot noch en krenkt
onze esthetische gevoelens: 't streelt en 't verwondert. Ik zag te
Weenen een Babeltoren, waar 'k nu geen woorden voor vinde, schoon
genoeg.
Hij keerde zich zijwaarts naar Goedele.
--Ik wou u dat alles dolgeerne doen zien.
--Ja, mijn vriend?
--Ik wou u doen taken deze hoogste hemelen der kunst, ik wou uwe ziel,
uw gansche vleesch eenstemmig maken met deze wijdste trillingen der
menschelijke ziele....
--Ik ben u dankbaar hiervoor.
Ze was stille, een zachte grens voor zijn uitgeworpen verlangens, stille
en ernstig. Hij voelde wel de vreemdte, die over haar bleef en niet weg
te drijven was met woorden, maar zijn herte lag open, zonder
angstvalligheid noch vreesachtige koorts. Hij betrouwde op haar. Hij was
gelukkig bij haar.
Bella werd gloeiend rood en beet ongedurig op hare lippen. Ze was een
appel aan 't schillen en deed het zoo los en grove, dat mevrouw Wilder
het haar met een kort woord en een lachje opmerken deed. Ze keek met
schuchtere blikken op naar Sebastiaan en een wijlken bibberden hare
wimpers.
--Weet ge nu niets van de menschen aldaar, mijnheer Vrebos? vroeg ze.
Hij wendde naar heur zijne blauwe oogen, nog zat van Goedele's beeld.
--Niets, juffrouw.
--Wel--Heere! wat een zonderlinge reiziger, riep ze.
Ze begon wrevelig en luidruchtig te lachen en smeet haast een kopje
koffie omverre, dat Marie haar even voorgezet had. Ze schetterde, bevend
en schokkend, voort en hare oogen kwamen vol tranen. Dan hief Rik zijnen
witten kop omhooge.
--Hebben die monsters indertijd bestaan?
Sebastiaan sprak van uitbundige verbeeldingskracht en fanatieke tijden
en probeerde klaar te blijven, met eenvoudige zinnen.
--Maar hebben die monsters in tastbare gedaanten bestaan? vroeg Rik.
--Zekerlijk niet....
--Ha!
Hij bukte zich en rok zijnen hals uit, blazend over zijne koffie en hem
trage en matelijk inslurpend. Mijnheer Devleeschhouwer beweerde dat er
nievers draken bestaan hadden.
--En zeemeerminnen? fluisterde Rik.
--Zeemeerminnen ook niet, zei mijnheer Devleeschhouwer.
--Zeemeerminnen wel! zei Rik.
Ze staken allemaal hun hoofd op. Rik was somber geworden.
--Ik hebbe gezien, met deze oogen, die nog onthouden kunnen, een
zeemeerminne in 't witte schuim der baren.
--Tèt ... tèt ... tèt, pruttelde Albien, wiens oogen begonnen te zwemmen
in wellust.
--Ze schoof over 't water, als raakte zij 't niet. Ze dook zich en steeg
weer boven, en zij had een steert, zooals 't afgebeeld staat op de
prenten. Ze zong in den nacht. Ik weet het wel, vermits ik het gehoord
heb. En ik heb gehoord wat ze naderhand zei. Ursule weet het ook wel,
vermits ik het haar verteld hebbe, en van het ijzeren kistje weet ze
ook.... Ha! Ha! Dat weten wij!
Hij knikte en zijn kinne kwam vooruitsteken en hij wierp een brok suiker
in zijn kopje. Ursule wees dat hier geen aandacht op te vestigen was en
met uitermatige vriendelijkheid vroeg ze aan Bella of ze niet eens
zingen wou. Mevrouw Devleeschhouwer prees al dadelijk de nieuwe
zanglessen, die Bella van een Italiaansche dame ontving.
--Een echte artiste ... en zoo heerlijk dat ze trilleeren kan!
Bella moest rechtstaan en iets laten hooren, en dan zou mevrouw Wilder
en mijnheer Vrebos zelf oordeelen kunnen.
--Zing ereis van "Sur la rive solitaire"....
--Een danig oud ding toch niet, mama.
--Ho! maar dat vind ik juist zoo'n schoon stuk!
Sur la rive solitaire,
Loin de toi je désespère....
Het is fijne muziek, Bella.
Mijnheer Devleeschhouwer vond ook dat het fijne muziek was, en dat zij
best dees lied zou kiezen. Juffrouw Bella verkoos echter "Les petits
pavés". Dat was aandoenlijke zang, en Alfred kon ook geen ander
fatsoenlijk begeleiden.
Ze zong met een aangename stem, niet zonder eene gevoelerige
gemanierdheid nochtans. Ze bleef altemets aandringen op een toon en
maakte dramatische effecten daarmee, den klank warm en vol afrondend
in den beginne om hem naderhand te doen uitsterven in smachtende
halve-tinten. Als ze, bedrogen door heur eigen spel, hare oogen voelde
nat worden, neep ze die halvelings toe, zoodat het licht op hare wimpers
in de tranen fonkelde. Erdoor waterden hare bezweken blikken zijwaarts
toe naar Sebastiaan, en hare woorden trilden in deze stonde waarachtig
van hopelooze droefenis. Bij de laatste strofe zonken hare armen neere,
en binst de endakkoorden van 't klavier bleef ze nog staan, en haar
gezichte bewaarde swijlens zijne smartelijke uitdrukking.
--Bravo! bravo! riep mijnheer Wilder.
Elkendeen juichte haar toe.
--Wat een allerliefste stem! zei Ursule.
--En hoe zij die te leiden weet! zei mijnheer Vrebos.
Mijnheer Devleeschhouwer peuterde aan zijn baardje en knikte goedkeurend
en luisterde met welbehagen naar mevrouw Wilder, die de kwaliteiten van
dezen zang overschatte. In den grond hield zij er niet van: het lied was
lamlendig en éentonig, en het docht haar dat Bella lijk een ziekelijke
katte daar te miauwen stond.
--Het is heerlijk! zei ze en, met een veelbeteekenend stootje van hare
onderlip, lachte ze Bella toe.
Alfred droop naar zijne plaats terug en zat er, lijk te voren, met
roerlooze oogen te turen naar Goedele. Maar mijnheer Wilder gaf hem nu
duwkens in zijn zijde en fluisterde hem een breede uitlegging toe
omtrent allerlei mekanische tuigen. Mijnheer Wilder was eenigermate
onder den invloed van den wijn geraakt; zijn aangezicht vuurde lijk
laaie karbonkelgloed, en roode vlekken beglansden zijn bolle voorhoofd.
Het zwitsersch huizeken, dat Sebastiaan hem had meegebracht, kwam
gestadig vóor zijn geest, en hij hoopte dat hij het straks aan Alfred
zou kunnen toonen. Hij wilde bij Alfred belang verwekken voor het
huizeken, omdat hij zelf 't zou te zien vragen. Hij wist dat Ursule hem
niet toelaten zou het uit te pakken, als hij er uit eigen beweging van
spreken zou.
--Alfred zal 't verkrijgen, peinsde hij.
Hij probeerde Alfred te bewegen. Hij wilde 't voorzichtig doen, vertelde
eerst van automobielen, van elektrische trams. 't Begon Alfred alseffens
schrikkelijk te vervelen.
--Te Straasburg is er een wonderlijk horloge, zei Albien.
Hij lei uit hoe daar eenthoeveel apostels en groote personagen bij 't
slaan der klokken te werke gingen en draaiden en keerden en zwaaiden met
hunne bronzen armen.
--Maar een huizeken in hout, een beiaard daar in, en een vrouwken en een
manneken, alles schoone ingewikkeld, jongen--hebt ge dat al ievers
gezien?
--Neen ik, zei Alfred.
--He wel! ik hebbe er zoo een!
Alfred staarde naar Goedele's vingeren, die om een zilveren lepelken
verduldig werkzaam waren.
--Ik hebbe er zoo een, herhaalde Albien, al duwend in Alfred's leên.
Maar een luidelijk gedruisch kwam in de straat, onder de vensters, en
alle woorden vielen meteen. 't Was een stijgende zang uit honderden
kelen, een rommelend rumoer onderbroken door dreunend trompetgeschetter.
Als de ruchtige stoet voorbij was en in een nevensteeg ging wegdoezelen,
lijk somtemets de winden doen alover verre daken, was in de eetkamer een
ongemakkelijke stilte meesteresse.
--Werkvolk, zei Rik na een stonde.
Mijnheer Devleeschhouwer deed onachtzaam al spelend zijn leeg tasje op
tafel ommentweer rollen. Ze begonnen allemaal seffens dooreen te
spreken. Ze wierpen een woord alhier en aldaar en ze waren koortsig.
--Weer een meeting....
--Weer een vechting....
--Weer 't bedrijf van Zondag--een ophitsen, een losloopen van
gewelddoeners.
--Wat een tijd, wat een tijd!
Mevrouw Devleeschhouwer herhaalde:
--Wat een tijd! Wat een tijd!
't Was verkiezingsweke. Onlangs was er geweld gebeurd, een muiterij in
't lage der stad, een omnibus omverre geworpen en steenen uit de
kasseide gehaald. Drij dooden.
Rik mummelde dat het een hoop met beesten was.
--Ze willen muren inbreken met hun voorhoofd.
Mijnheer Wilder meende dat die menschen veeleer ongelukkig dan slecht
waren. Hij zei 't ronduit. De regeering was onrechtveerdig, of zij wilde
niet rechtveerdig genoeg zijn.
--Elkendeen moet te eten krijgen.
--Maar elkendeen moet werken, ronkte Rik, en dees zijn opgestookte
leeggangers.
--Ja, sprak Ursule, kort en hard.
Sebastiaan peinsde ook dat de volksbeweging de maatschappij tot het
uiterste kwaad leiden zou.
--Wij zullen nooit en nievers allen tegelijk gelukkig zijn. Er zijn
uitverkoren en verworpen wezens. Er moeten meesters zijn en slaven.
De huidige democratie is de ondergang der kunsten, en maakt 't
luilekkerland der middelmatigen. 't Getal domme menschen zal altijd
grooter blijven dan 't getal verstandige--zij zouden dus 't
hoofdzakelijke bestuur kiezen? Wij gaan geleidelijk naar 't verderf,
omdat wij, uit leelijke deernisse, de onderste menschenlade niet
opofferen durven.
Goedele meende dat die deernisse niet zoo leelijk was en dat het volk,
tot hooger besef zijner plichten komend, stilaan zich verstandelijk
ontwikkelen zou.... Er geraakte in huis een ongemoedelijk geluchte. Men
voelde allentwege een wrevelige kilte, en men loerde naar de plate van
't horloge. Mijnheer Devleeschouwer moest nog zijne denkwijze kenbaar
maken.
--Kwart over tien, lispelde zijn wijf met geveinsde onverschilligheid.
Maar mijnheer Devleeschhouwer hield er bepaald aan ook zijn woord te
plaatsen en hij deed het met de noodige deftigheid. 't En was, volgens
hem, niet kwaad dat er af en toe een onlustje onder dat sociaal-minnend
boeltje ontstond. Dat was eene gelegenheid om de sterkte der politie te
staven. Hij hief zijne armen omhoog en werd praatziek:
--Hoe loopt zoo'n opstand gemeenlijk uit? De politie neemt stevige
maatregelen, de stoeten worden ontbonden, de burgerwacht, steunpilaar
onzer huiselijke rechten, wordt bijeengeroepen en bezet alle straten.
Als ik zeg alle straten, zal mij niemand tegenspreken. Wat hebben wij
verleden Zondag gezien? Wat hebben wij in de dagbladen gelezen? Ik
ontmoette majoor Cnaps. Hij zei: "De wet zal geëerbiedigd worden." Ja
dat heeft hij gezegd.... Ik vind niets ter wereld schooner en statiger
dan een officier der burgerwacht. Majoor Cnaps is ook een fier en
heerlijk man, niet waar mevrouw Devleeschhouwer? Dat is nu wel de zaak
niet, maar 't is eender. Een oproer blijft voor mij een deugdelijk
verschijnsel.
Elkendeen was allang te wege op te staan. Bella sprong endelijk rechte,
met een lach verwittigend dat het laat werd. Ursule bracht hier tegen in
dat het morgen rustdag zou zijn en er dan geen bezwaar was om nog een
uurken te blijven; ze deed het echter heel lauw en meest bij wijze van
beleefdheid. De stoelen werden alhier en alginds verschoven, en Goedele
ging in de voorzaal 't gaslicht aansteken. Ze hielp mevrouw
Devleeschhouwer en Bella zich aankleeden en schikte hunnen hoed en
speldde hun vool vaste.
Ze hoorde ze op den hof vóor 't hekken nog groeten en naderhand hun
gemompel over de straat stille weghorzelen. Ursule was algauw in de
keuken om inspectie te doen, en Albien scherrelde met zijn Zwitsersche
dooze naar zijne kamer. Rik bleef zitten voor de leege glazen. Goedele
zuchtte diepe. Ze tort naar het terras en bleef er een oogenblik staren
door de donkerte naar de boomen, die in eentonigen avondzang te ruischen
stonden, op de mate van den gelijken wind. Ze werd naderhand Sebastiaan
gewaar achter heur, en draaide zich omme.
--Gij?
--Ja....
Hij nam hare hand en drukte die en omving hare schouders, trage haar
hoofd neerleggend op zijne borst. En in heur haar fluisterde hij zachte
woorden. Ze was gestreeld erdoor en liet zich streelen, en zijn warme
asem was een aangename jeukte over haar hoofd.
--Wat hebbe 'k gedacht aan u, mijn Goedele!
Hij zocht naar lijze zinnen en wrocht ze zorgvuldig zaam in zijn geest
tot een lange lispeling, een lispelende zoetigheid. Hij peuterde aan
zijn gevoelens tot het ruchtlooze vlindervlerken werden of een geest
zonder gedaante. Hij en liet geen vezelken zijner ziele onaangeroerd,
hij zei alles wat in zijn liefde tot een woord kon vervormd worden.
--Ik keek naar een sterre, en voelde precies dat haar stralen u taakten.
En Goedele liet overhaar neerkomen die stroom, die warmte, die
vrede--tot zijne lippen meteen haar voorhoofd toetsen kwamen. Ze boog
zich en sleerde uit zijne armen en stond dadelijk in 't volle licht der
eetzaal. Hij sprak niet meer. Hij nam zijn overjas, en stak een sigaar
aan. Hij drukte even hare hand en kustte die vluggelings, en vertrok.
Moeder kwam aangeloopen en moest nog alles nazien op de tafel, de lepels
tellen, de vorken, de suikertichelkens.
--Waarom ontvangen wij dat volk? mummelde ze.
Ze troostte zich met het idee, dat het nu hare beurt was en dat ze
ongenadig zou zijn bij Devleeschhouwers en maar doorvreten zou. Het was
sinds jaren zoo.
Goedele ging slapen. Ze tort hare killige kamer binnen en miek licht.
Haar venster stond nog open en 't vrije geluchte joeg in breede vlagen
ommentweer. Ze belook de ramen en huiverde een endeken. De keerse stak
weldra een rustig vlammeken omhooge en wierp schier roerlooze schaduwen
tegen de muren. Het bedde stond hagelblank en vouwrijke gordijnen vielen
erlangs, doorzichtig in 't gele uitspattende licht. Vóor een vierkant
tafelken, ook met een witten geborduurden doek bedekt, zette Goedele
zich neere en bleef er den avond herdenken in hare luie gepeinzen.
Ze was moe. Ze haperde aan wrevelige herinneringen, al kleinigheidjes
die groot werden in haren geest en waarmee ze dan een gedwongen
hopeloosheid wilde bewijzen. Ze redeneerde tegen haar eigen zelve en
gebruikte daartoe de minste gebeurtenis. Nimmer had ze met meer
zekerheid de ijdelheid gevoeld van dees huis, de ijdelheid van dees
leven. Het soepee walgde haar. 't Kwam in groote geuten naar haar hoofd,
en al die menschen, elk met zijn particuliere dwaasheid, waren leelijk
en terugstootend. Het beeld van mijnheer Devleeschhouwer krenkte haar,
en zijne nietige vrouw, waanzinnig in kleine eerzuchtjes, kon ze niet
verdragen. Bella ook werd haar een folterend hysterisch popje, aldoor
smachtend en aroetekoeënd en potsierlijk. Hare ouders zelve bezeerden
hare gedachten--moeder was valsch en vader was klein en grootvader was
vrekkig. Ze zag nog den zwaren nekke van Alfred, binstdat hij op 't
klavier spelend was, en zijn droog haar saamloopend, tenden zijn bolle
hoofd, tot een stekelig sterreken....
Ze achtte zich, met een haastigen schok, verveeld en vernederd door
eigen verbeelding. Ze kleedde zich uit en vlocht heur haar bij dichte
stringen en wond die in een kanten kapje saam. Ze stond nadien vóor den
spiegel, bloothemds, en bekeek de schoonvervige naaktheid van haren
hals, hare opwellende borsten, hare armen. Ze was groot en geweldig en
majestatisch. Ze kwam haar eigen meteen voor als een aanbod, als een
koopveerdige voorstelling, als een die zich niet bezittend was en
eigendom zou worden. Een stijgende fierheid sloeg, met den stevigen klop
van haar bloed, tegen hare slapen en ze voelde zich machtig, boven 't
gepeuter en de ellende van dees huisgezin, boven al de luttele woorden,
die flauwasemend neerzegen, menig en vederlichte. Ze wilde een forsig
gezegde beluisteren, den vurigen toets van mannelijke armen belijden,
ze wilde zich verdedigen met hare tastende handen en toch overwonnen
worden....
Ze viel neer op haren stoel, sidderend en hijgend. Ze dacht aan
Sebastiaan, hoorde nog het zoeterig gefluister zijner liefde, zag nog
het vroom gebaar zijner kunstige lippen, en zijne oogen, diepe en
stille, zijne blauwe oogen. Ze werd, in éen scherp zicht, gewaar dat hij
over haar niet heerschen zou, dat zij hem gewillig verdragen zou, en hem
in dankbaarheid voor vredige uren liefhebben. Zij en bereikte, met een
verste gepeins, geen wijde hoop in de toekomst, en haar hoofd zonk op
hare borst, verduldig, begrijpend dat het niet denken mocht. Ze vatte
langs alle kanten van haren geest, dat haar lot verveling was en dat
geen schoon geweld haar driftverlangen zou bedaren.
Ze weende nu en had deugd daaraan, en haar lijf snokte opwaarts, met
haar hortend snikken mee....
* * * * *