II

Rik Derboven, mevrouw Wilder haar vader, was een visscher van de

Noordzee. Indertijd was hij doodarm. Hij trouwde met een meisen van zijn

prochie, een struisch wijf, die hem zes dochters gaf. Hij labeurde er

voor, dag in dag uit, zich nievers een stonde rustigheid verleenend,

nooit vermoeid en nooit ontmoedigd. 't Was een zwijgende vent met diepe

inzichten, een steenen wil, een stugge kop, met koppigheid alles

doordrijvend. Hij en wankelde noch en keerde; hij rukte met neerstige

hardnekkigheid vooruit, hij en zag geen hinderpaal in 't belang van

andere, hij zag alleen zijn doel. 's Avonds in den late, als hij een

wijlken zich neerzette bij de stove, na den eten, was hij aldoor

verdiept in verre combinaties en keek hij in den rook van zijne pijp

naar de mogelijkheid van wijd-reikende oplossingen. Men mocht hem

binstdien niet lastig vallen. De kinderen moesten te bedde liggen en

moeder moest voorzichtig te werke gaan met hare schotels en haren

avondkuisch. Hij bleef altemets in de donkerte een heel deel van den

nacht, zoo zitten en denken. Hij luisterde dan naar gindsche roerende

zee en zijn gepeins werd machtig. Aldus timmerde hij zijne stille

plannen op, al bouwend en metsend en afbrekend en herdoende 't gansche

idee op eene andere manier. Hij wilde dan tot eene waarschijnlijkheid

geraken en ging niet slapen eer hij die vaste kreeg. Hij en schrikte

voor geen kwade daad, hij en week maar voor den dood. Over een lijk heen

zou hij niet terten. Anderszins wist hij dat hij in staat was tot alles,

wat niet en docht, en brave menschen aanzag hij voor domkoppen. Hij was

overal aanwezig, waar er wat aan zijne vingeren kon blijven haperen. Hij

richtte kleine muiterijen in, onder de visschers, hij hitste de kerels

op met woorden van haat en woorden van deernisse; hij sprak van

bloedhonden en hertevreters, en hij stiet met zijn vollen nijd tegen 't

hoofd zijner makkers, voortdurend kloppend tot ze op een ende daar

gloeiend stonden, koortsig en razend, met veerdige handen. En als 't dan

op een mislukte dolheid uitliep, was er toch éen, die zanten kwam, een

die achterwaarts stond en wachtte, en naderhand 't profijt wegdroeg; en

dat was Rik. Zoo stegen allengs zijne zaken. Hij kocht een boot. Hij

kocht er twee. Hij deed smokkelreisjes, bracht vreemd goed in het land,

bedroog en werd welvarend.

Maar thuis sloeg hem de kans tegen. Een voor éen stierven vijf zijner

dochters aan een zonderlinge hertziekte, die hen met schokjes wegdreef,

in min dan drij jaren. Twee jaar nadien, ook onder de zelfde kwale

lijdend, werd zijne vrouw door eene geraaktheid getroffen. Ze bleef zes

maanden te bedde liggen en sukkelde er en wou, op een voornoene,

redeloos opstaan. Rik was aan het strand. Hij vond bij zijn thuiskomste

zijn wijf temidden van den vloer liggen; twee streepkens bloed liepen

over hare lippen en een paternoster strengelde om hare vingeren. Naast

moeder lag Ursule, het laatste dochterken, flauw asemend en buiten

kennisse....

Rik bleef nu met Ursule alleene. Hij en wilde niet hertrouwen. 't Zou

zoo wel gaan. Ursule was toen dertien jaar oud. Hij leerde haar het

huishouden, en na korten tijd, deed zij 't gansche werk. Het kind

groeide alzoo op tot een stevige deerne en geen moeite was haar te

zwaar. Ze begreep--al zei vader niets van zijne geheime doelen,

--waarnaar de minste inzichten streven moesten. En ze was spaarzaam, en

ze zwoegde, en ze werd sterk en groot in haar rusteloos slameur. Alle

avonden liet Rik het lamplichtje laag komen over de tafel en hij

verklaarde haar het spel der cijfers, de moeielijkste rekenkunde, tot

den nacht tellend en hertellend en alles neerschrijvend te rote, met

stipte nauwkeurigheid. Dat duurde tot haar twintigste jaar. Dan verkocht

hij het armzalige huizeken, het dagelijksch gerief, de meubelen; dan

verkocht hij zijne booten.... En ze trokken naar de stad en openden er

een specerijwinkel. Er werd opnieuw gesmokkeld en gekonkelfoesd. De

waren kwamen aan van tallenkant. Rik had alles meesterlijk geschikt.

Maar Ursule allengerhand werd sterker dan haar vader. Ze speculeerde met

meer vernuft en meer zekerheid ook. Ze bedroog hem en bewees het, en zoo

ontstond bij hem eene pijnlijke angstvalligheid. Hij werd nu zwak en

wankte in zijne minste ondernemingen. De zaken werden ook stilaan zoo

geweldig vooruitgestooten, dat hij 't niet volhouden kon en meende te

verongelukken. Dan bleef hem alleen nog over teenemaal op Ursule te

berusten. En Ursule werd groote meesteresse in huis. Na vijf jaar was de

specerijwinkel een aanzienlijke koffiehandel geworden.

Omtrent dien tijd ontmoette zij Albien Wilder, een jongen van rijke

familie, bevoordeeligd ambtenaar bij 't Ministerie van Binnenlandsche

Zaken. Dagelijks moest hij de hooge poorten der magazijnen voorbij en

dikwijls bemerkte hij Ursule, daar staande in hare volle lengte, breed

en statig. Al dadelijk werd hij door dat struische wijf veroverd. Hij

liet zich door een beursman aan den vader voorstellen. Van weerskanten

werd er gewikt en berekend en uitgeteld, en zeven maand nadien trouwde

Ursule met hem.

't En bracht niet veel verandering in huis. Albien was van nature een

zwakkeling, en algauw lag hij onder Ursule's stalen wil en ging en

handelde naar heure wenken. De koffiehandel, nog door Wilder's kapitalen

gespijst, breidde zich meer en meer uit en werd eene machtige

inrichting. Ursule was nu rijk. Maar niets kreeg een gewijzigd uitzicht

in haar leven: ze wrocht en zwoegde, nievers tijd vindend om haren

rijkdom te bezigen tot eigen genot. Geld winnen was overigens hare

eenige vreugde; rijzekens had ze deugd aan hare moederschap--ze was

moeder van een zoon, dien ze Romaan heette, naar den naam van Albien's

overleden vader. En Albien zelve gewende zich aan die eentonige dagen.

Hij trok 's uchtends naar zijn bureel en kwam 's avonds terug en nam

zijn zuinig maal in de koude eetkamer. Allengs smolt ook zijn ideaal met

Ursule's doelen saam: ze moesten geld verzamelen. Rik sprak bij stonden

ervan:

--We zullen 't ophoopen in stapelkens en nevenseen zetten en 't

bekijken.

't En scheen hem niet belachelijk. 't Waren in zijn meeninge heerlijke

plannen geworden. En gedrijen spaarden ze.

Romaan werd door allerlei ziekten aangetast, vier jaar te rote. Ursule

had het heel druk met de dokters, die zij den eenen na de anderen

wegstuurde. Ze waakte lange nachten bij haar kind en bad dat het genezen

zou. Ze toonde zich, gedurende dien tijd, heel vroom en heel

vreesachtig. De dokters mochten niet meer in huis komen. Ze wilde alleen

op God berusten--halvelings omdat het haar goedkooper viel, halvelings

ook omdat zij in de wetenschap geen het minste vertrouwen had. Romaan

kwam langzaam alle ziekten te boven en werd een droomerig jongetje.

Hij was zes jaar oud, als Goedele geboren werd. Goedele was veel

sterker. De kleinen groeiden op in een killig geluchte. Zij en voelden

nievers de zoetigheid van liefderijke wezens; ze liepen beteuterd en te

lore in hunne jeugd en benijdden ter schole de vriendelijkheid hunner

makkers. Ze zouden echter de bane niet volgen, welke moeder hun door

haar voorbeeld en hare woorden voorschreef, en deze ouders, welke

gedurig en uitsluitend tuk waren op een peute geld, kregen kwistige

kinderen. Romaan, als hij op de universiteit leerde, miek schulden.

Ursule, die meer hechtte aan eenen goeden name dan aan eene eerlijke

ziel, betaalde, maar ze hield naderhand den jongen zoo nauw dat hij

haast niet meer met vrijheid denken kon. Zoo werd hij een zwijgende

opstandeling. Het leven werd hem bitter. Hij droomde mee met

Schopenhauer, wiens boeken hij met razernije verslond. De maatschappije

scheen hem eene verschrikkelijke onrechtveerdigheid, waar de goeden tot

blijvend leed verdoemd waren. Zijn hoofd was vol met utopische

hervormingen--alles moest omgegooid en heropgebouwd worden: de standen,

het huwelijk, de familie. Wat bestond, was slecht, was vort, was

misdadig. 't Zicht der rijken folterde hem.

In een kleine steeg, bezijden de Hoogeschool, woonde een arme weeze met

hare tante. Daar verliefde hij op. Dagelijks trok hij het huizeken

binnen, waar 't meisje te borduren zat. Ze maakte schoone bonte bloemen

met zijden draad en hij had leute met hare liefelijke vingeren--hoe die

met de naaide ieverig waren en hoe daaronder de teekening djentig

zichtbaar werd. Het meisje heette Madeleen en die oude grijze daar, zoo

mager en zoo roereloos, heette tante Olympe. Hij voelde hier warmte.

Hij rookte hier pijpen en keek langs smalle vensterruiten naar de varende

wolken. Hij was hier wel.

--Madeleen....

En ze wendde naar hem hare blauwe kijkers en lachtte even of knikte met

zachte buigingen, bij maniere van gelukkig-zijn. Er zong iets in hem.

Hij lachtte tegen. Ze waren seffens takkoord.

Maar dan begonnen de leelijke dagen. Hij ging alles aan moeder bekennen

op een avond. Hij wilde trouwen.

--Met wie?

Ursule sprong naar hem toe, en vatte zijne armen, en knelde die

onbarmhertig in hare koortsige handen.

--Met wie?

Hij moest het herhalen, hij moest het tot drijmaal toe herhalen. Ze

schoot seffens uit in een schaterlach, een wreed geklater, dat tegen de

naakte muren plofte met vreeslijk lawaai. Ze liet hem los en kruiste

hare armen over hare borst, en ze zwaaide hem dan in 't aangezicht dat

het een slonse was zonder zedige manieren.

--Een ploerte!

Romaan rechtte zijn hoofd. Het deed hem zoo'n zeer wat moeder zei, maar

nu had ze hem op het herte geslagen. Hij werd hard en hij werd koppig.

Drij dagen bleef hij op zijne kamer zitten. Goedele bracht hem eten en

kuste hem. Hij weende bij Goedele, en het was hem een goede troost.

Den vierden dag ging hij vader aanspreken. Albien was verschrikt, en

hakkelde, en voelde zich wegzinken zonder den steun van Ursule's

sterkte. Hij probeerde toornig te zijn; hij was alleen toornig, omdat

hij Ursule vreesde. Hij riep:

--Weg, loop weg!

Hij liep hem nadien zelf achterna, al stamelend dat er wel een oplossing

te vinden zou zijn.

--Allo, jongen, allo....

Maar Ursule bleef onverbiddelijk, en den vijfden dag verliet Romaan

zijne ouders. 't Was den vijfden dag.

Hoe struisch Ursule ook was, 't knakte haar en ze werd ziek. Een volle

weke lag ze te bedde, zuchtend en zich ommewerpend. Voor de eerste maal

van haar leven wist ze geen besluit te nemen. Zij en wilde hem niet

laten trouwen, zij en wilde geen geld geven aan die vreemde kerte. Ze

fluisterde, al kijkend naar de zoldering, heel wijd:

--Geen geld....

Maar ze wilde ook Romaan niet kwijt zijn. Ze verwonderde zich dat ze

hield van hem, na al zijn leelijke doening. En ze hield van hem. En

daarom zou hij trouwen met een rijke juffrouw. Hij was ook rijk. Het

idee dat hij nu toch met die ellendige loete trouwen zou, deed haar

het oogenblik daarna terug raaskallen. En ze bekeek de zoldering met

wijd-open oogen.

--Geen geld....

Ze meende endelijk een oplossing gevonden te hebben, en ze genas. Ze

schreef aan Madeleen dat ze komen moest. Madeleen en kwam niet. Ze

schreef opnieuw. Ze zou Madeleen omkoopen, haar eene ronde somme geven,

als ze Romaan loslaten wou. En Madeleen en antwoordde niet. Ze begon

weer te wanhopen en te klagen, en moest weer een paar dagen neerliggen.

Rik kon haar opbeuren. Hij verzekerde haar dat het allemaal jeugdige

zotternijen waren, en dat die vuurkens fluks uitvlammen zouden. Hij wist

dat de jongen en 't meisje tegenwoordig ongehuwd reeds samenleefden op

eene gemeubeleerde kamer, en die tortelliefde zou haren gang gaan, en

naderhand zou Romaan boetveerdig terug keeren.

--Ze zullen trouwen....

--Zij en zullen niet trouwen.

Waarom zouden ze trouwen? Ze hadden zoo al hun volle pleizier.

--De plodde zal aandringen....

--Zij en doet.

Hij sprak kort. Ze herwon een beetje betrouwen en liet zich genezen.

Maar zij en kon sindsdien niet ten volle meer hare zaken bewerken. Al

hoopte ze stilaan dat Romaan de meid ten langeleste verlaten zou, ze

bleef bij haarzelve klagen over 't verlies van haren zoon, en de handel

leed door hare dagelijksche onachtzaamheden. Albien, die 't wel merkte,

stelde schuchter voor het huis aan een opvolger over te laten. Ze wilde

hier echter niets van hooren, en werd buitengewoon ieverig.

--Denk niet meer aan hem, zei Albien, die er gestadig aan dacht.

--Ja, zei Ursule.

En ze dacht aan hem. Ze deed hem beloeren. Ze stuurde ook altemets

Goedele, en vernam aldus dat Romaan in waarheid ongehuwd bleef en

gemeenzaam leefde met Madeleen en tante Olympe. Hij had ook altijd

gesproken van vrije liefde en nieuwe zeden. Zij was nu tevreden, omdat

hij die dwaze gedachten behouden had. Ze kreeg verder te wete dat hij

als ingenieur aan een bronsfabriek verbonden was, en het stilde haar in

hare moederlijke bezorgdheid; hoe danig zij ook deze bezorgdheid met

sterke beredeneeringen wilde versmooren, zij was bezorgd, tegen wil en

dank zich moeder voelende.

Een nieuw voorval wierp haar ten derde male te bed. Madeleen beviel van

een dochterken. Meteen verzonk haar laatste hoop, want ze wist dat

Romaan nu voor altijd vastegeklonken lag. Ze wilde Rik's noch Albien's

troost ontvangen en Goedele ook moest verwijderd blijven. Van dien dag

af begon de koffiehandel te slabakken. Er ontstonden onlusten onder de

werklieden, en kleine muiterijen maakten Ursule en vooral Rik uitermatig

benauwd. Toevallig konden ze, ver beneden de weerde, het huis koopen van

een gevallen edelman, in een rijkemanswijk der stad. Ursule verkocht

haren handel en nu gingen ze rentenieren. Albien zou voortwerken op zijn

bureel. 't En deerde hem niet te vele, en 't bracht schoon geld op.

De nieuwe woonste was prontelijk gelegen, boven de stedelijke warande,

en over de breede vaart. 't Was een groot hotel, met, achterwaarts, een

heerlijk park en een lochting vol bloemen. Aangename breede wegels

liepen erlangs, allen saamkomend op een open terras, waar 't in den

zomer krioelde van gloeiende of klaterende rozen. Het huis zelve was een

vierkante massa met gelijke vensters. Talloos waren de kamers. Ursule

achtte het nutteloos alles te meubeleeren. Ze had zich het huis voor

eigen genot niet aangeworven: 't Was meer weerd dan 't geld dat zij er

aan besteed had, en zij en zou al die kamers niet nutteloos gebruiken.

Zoo bleven er een groot aantal leeg en vele luiken werden nooit

ontsloten. Dat gaf aan deze woning een doodsch en akelig uitzicht en na

enkele maanden verwierf zij ook in den geest der naburige menschen een

geheimzinnige beteekenisse. Drijmaal daags zagen zij 't zware hekken

opengaan: in den vroegen morgen, als Albien traagtrippelend naar 't

Ministerie trok, later, omtrent tien uren, als Marie, de dienstmeid naar

de markt moest, en 's avonds nog, als Albien terugkeerde. 's Zondags,

bij de eerste uchtendure, gingen Ursule en Rik naar de kerke. Dichte te

noentijd was 't de beurt van Goedele en haar vader. Zoo was de gewone

gang gedurende vier jaren en heel zelden werd er eene verandering aan

toegebracht. De menschen babbelden ondereen.

--'t Is een spokige femilie, zeiden ze.

En ze pinkoogden of plooiden hun lippen heimelijk, gebarende daarmede

dat hier een wonderbare historie onder schuilen moest....

* * * * *

Albien wandelde, te herfstevesperure, in den hof. Hij was nu een oud

ventje geworden, met grijze krulharen om een rondbollig, rood gezichte.

Hij snuffelde den lochting rond, met zijne diepe oogskens wroetelend

links en rechts. Alhier rechtte hij een gebroken stengel, aldaar kneep

hij een dorre bloem weg, alles in profijtelijke doening met voorzichtige

vingeren betastend en bestreelend. Altemets maakte hij zijn eigen lastig

om een vertrapt plantsoen, maar zoetig was zijne ongedurigheid en dan

liep hij verder al mummelend:

--Tet-tet-tet....

Hij tort de wegels langzaam plat, kon nievers een papierken zien liggen

en dook seffens de minste onregelmatigheid. Hij wilde alles in gelijke

effenheid zien schoon wezen. De palmboomen moesten zorgelijk gesnoeid en

gekapt worden, de graspleinen vlak gemaaid. Hij had deugd als niets meer

buitensporig was, en liet zich daarna wat rusten op een der groene

banken. Van daar bewonderde hij den tuin, volgde met liefde de sierlijke

vaart der baantjes, de plezierige reke zonnebloemplanten, de kleine

wilgen met zilveren tronk, en alginds het hooge gebladerte, rossig,

bruin, gloeiend en geel. Hij pinkte af en toe een kruideken of een

stofken van zijn bruine veste, en lei bij tijden een plooi rechtte in de

vouw van zijn knie. Vervolgens trok hij voorzichtig een boeksken uit

zijn zak en zette zich te lezen. Albien was een zwakke geest, geleid

door allerlei manieën. Op zijn bureel was hij een niet-denkend mensch,

een weerlooze schakel in de administratieve keten. Hij ging gewillig met

de omstandigheden mee, zonder die te bespreken; hij bekampte ze in elk

geval nooit. Zijn leven was zonder passie. Hij stortte maandelijks al

het geld, dat hij won in de handen van Ursule, die altijd stiptelijk

naging of de afkortingen voor de pensioenkas goed berekend waren. Hij

hield geen duit achter. Hij kreeg van Ursule alle weken éen frank, en

hij meende dat hij ook niet meer noodig had. Hij kocht daarmee altemets

een dagblad, altemets een pakje nieuw zaad voor den lochting, meermaals

echter een vijfcentenboekje. Die boekjes lagen in een klein winkelken

van de benedenstad te koop achter de ruiten. Hij bleef eerst lang vóor

't raam staan eer hij binnenging. Hij moest ze allemaal eerst

buitenwaarts bekijken, en de titels lezen en in zijnen geest dan

vergelijken, om endelijk goed te weten wat hij nemen zou. 't Waren

raadselboekjes, boekjes met charaden, met goocheltoeren, met

wonderzottigheden.

Hij verkoos over 't algemeen de goocheltoeren of het stekjesleggen, en

dergelijke, waar hij zich tot laat in den avond mee kon bezighouden.

Verhalen en dwaze perten, daar hield hij minder van.

--Onnoozele dingetjes, zei hij.

Hij peinsde dat hij een "vinder" was. Hij kon uren en uren nadenken over

de oplossing van een raadsel. Achteraan in het boekje stonden de

oplossingen gezamenlijk gedrukt, maar hij zocht eerst minstens een dag

of drije eer hij 't opgaf. Dan was hij moedeloos. Hij beweerde dat de

vraag onduidelijk gesteld werd, en achtte zich daarom slechts half

overwonnen.

Hij was nu een boekje over het dominospel aan 't lezen. Hij doordacht

het en herdraaide in zijn hoofd de zinnen. Met een droog takje begon hij

naderhand op den grond teekeningen te scharten--al vierkantjes en halve

vierkantjes. Hij bezag dan dat ruitwerk met gedwongen aandacht, herlas

enkele regels van 't boekje, was weer aan 't kijken en 't wrijven en 't

teekenen.

--Dobbel zesse hier....

Hij was opnieuw bezig.

--Dobbel vijf aldaar....

Hij hief zijn voeten op om plaatse te maken en moest nadien toch

heelemaal op de bank kruipen om zijn beenen uit den weg te krijgen.

Zoo zat hij te raden en te rekenen en te kijven met het boekje of met

zijn eigen vorig idee....

Er werd gebeld en Marie deed het hooge hekken open. Albien zag

Sebastiaan Vrebos door de voorzichtige splete te voorschijn komen,

en hij vouwde fluks zijn blaarkens bijeen om hem vóor te loopen.

--Wel! wie dat er dáar is!

Hij was in den grond wel niet erg met die komste ingenomen. Hij meende

zijn verveling door overdreven wellekomwoorden te moeten verbergen.

--Mijn arme jongen, die zoo verre geweest zijt....

Hij nam hem een pakje af en nog een pakje. Hij vatte hem bij den arm.

--En nu danig vermoeid zijt, zeker danig vermoeid zijt.....

Daarbinst viel 't ijzeren hekken met zijn bekend geruchte toe, achter

hem.

--Niet zoo erg toch, beste heer, lachte Sebastiaan.

--Och!... en Goedele zal zóo tevreden zijn. Ze was ook dagelijks bezig

over u, het brave kind. Ei! dat zal hier een aardige avond zijn.

Hij dacht nu aan het soepee. Ursule zou wat goeds gereed maken bij deze

gelegenheid, en daarvan zou hij evengoed als Rik misbruik maken. De

gewone eetmalen waren ook zoo erg gewoon, zoo eender tevens en zoo grof.

Als Sebastiaan thuis kwam werden ze beter verzorgd en kwam er bovendien

nog een lekker extra bij. Dat bracht hem in zijn schik.

--En hoe liep de reis af? Wat een heerlijk land moet het zijn ginder!

--In de reden, ja--maar het land heb ik juist niet veel bekeken.

--Al bergen en stroomen, meen ik?

--Veel bergen....

--Och!... en daar zult ge ons aan tafel van vertellen.... Wel Djeezes!

als ik nu bedenk dat ik oud ben, en niets hebbe gezien! 't Zijn dingen,

't zijn dingen!

Hij trok hem mee naar het terras. Sebastiaan kende die manieren. Ze

walgden hem voor 't meerendeel; hij deed evenwel zijn best om zich

buiten bereik te houden en liet dan liefst een onbeduidend vriendelijk

lachje op zijne lippen versteenen, bij wijze van antwoord. Hij kon de

familie Wilder moeielijk lijden--Goedele toch had hij innig lief, en

haar schoon gelaat, daar berustte hij in, en het troostte hem over 't

valsche gezwets, dat hem gedurig krenkte.

Op het terras stonden Ursule en de stokoude Rik. Ursule ontving hem met

open aangezicht en een streelenden blik.

--Welkom, mijn vriend.

--Hertelijk dank, mevrouw.

Hij drukte hare hand en de koude vingeren van grootvader. Hij zei een

reke vage woorden, binst dat Marie hem van zijn overjas en zijn hoed

ontlastte.

--De jongen heeft bergen gezien, riep Albien.

--O ja....

Ze omringden hem en vielen hem lastig met allerlei zoetigheidjes. Hij

had een ivoren kistje medegebracht voor mevrouw Wilder en een heel

wonderbaar gedoe voor mijnheer Wilder--een Zwitsersch huizeken,

teenemaal gemachineerd, met een kleppend horloge en een beiaardspel en

twee werkende figuurtjes--en nog een zilveren snuifdooze voor den ouden

heer. Ze moesten alles dadelijk bezien en bewonderen, en hunne

dankbaarheid in breede geuten uitwerpen. En Ursule zei:

--Dat moest ge nu toch niet gedaan hebben.... Ze betastte haar kistje en

beloerde de zilveren dooze van Rik. En Rik sprak met een lage stem, die

ook zich liefelijk te wenden probeerde:

--Ja, dat moest ge nu toch niet gedaan hebben.... Hij had liever een

zwaarder dooze gekregen, maar hij keek zijne oogen algelijk zat op het

schitterend geflikker der ciseleeringen van het deksel.

--'t Is een kunstwerk.

Hij woog het in zijne ervaren handen.

Na een stonde kwam Goedele staan in de opening der deur. De noesche

avondzonne straalde open langs haar lichtbruine kleed en teekende er

gloeiende plooien. Haar gelaat klaarde zonderling op uit de donkere

diepte der kamer, achter heur. Ze keek naar Sebastiaan en een flauwe

glimlach krulde om haren mond, maar hare oogen hadden verre blikken,

verwijd in stille droefenis. Sebastiaan boog zijn lijf naar haar, en

deed een stap voorwaarts, en hief trage en bekoorlijk zijne armen op.

--Goeienavond, Goedele.

Hij voelde zijn herte weggaan van hem. Hij voelde zich leeg worden en

pluimlichte. Hij omvatte in de stille straling zijner liefde deze vrouw,

die groot en schoon en beminnelijk was.

Zonder haaste en zonder drift, met eene zachte moeheid in de stem, zond

ook Goedele hem haren groet.

* * * * *

't Bedrijf van den kwade · 第 4 / 19 题