Rik Derboven, mevrouw Wilder haar vader, was een visscher van de
Noordzee. Indertijd was hij doodarm. Hij trouwde met een meisen van zijn
prochie, een struisch wijf, die hem zes dochters gaf. Hij labeurde er
voor, dag in dag uit, zich nievers een stonde rustigheid verleenend,
nooit vermoeid en nooit ontmoedigd. 't Was een zwijgende vent met diepe
inzichten, een steenen wil, een stugge kop, met koppigheid alles
doordrijvend. Hij en wankelde noch en keerde; hij rukte met neerstige
hardnekkigheid vooruit, hij en zag geen hinderpaal in 't belang van
andere, hij zag alleen zijn doel. 's Avonds in den late, als hij een
wijlken zich neerzette bij de stove, na den eten, was hij aldoor
verdiept in verre combinaties en keek hij in den rook van zijne pijp
naar de mogelijkheid van wijd-reikende oplossingen. Men mocht hem
binstdien niet lastig vallen. De kinderen moesten te bedde liggen en
moeder moest voorzichtig te werke gaan met hare schotels en haren
avondkuisch. Hij bleef altemets in de donkerte een heel deel van den
nacht, zoo zitten en denken. Hij luisterde dan naar gindsche roerende
zee en zijn gepeins werd machtig. Aldus timmerde hij zijne stille
plannen op, al bouwend en metsend en afbrekend en herdoende 't gansche
idee op eene andere manier. Hij wilde dan tot eene waarschijnlijkheid
geraken en ging niet slapen eer hij die vaste kreeg. Hij en schrikte
voor geen kwade daad, hij en week maar voor den dood. Over een lijk heen
zou hij niet terten. Anderszins wist hij dat hij in staat was tot alles,
wat niet en docht, en brave menschen aanzag hij voor domkoppen. Hij was
overal aanwezig, waar er wat aan zijne vingeren kon blijven haperen. Hij
richtte kleine muiterijen in, onder de visschers, hij hitste de kerels
op met woorden van haat en woorden van deernisse; hij sprak van
bloedhonden en hertevreters, en hij stiet met zijn vollen nijd tegen 't
hoofd zijner makkers, voortdurend kloppend tot ze op een ende daar
gloeiend stonden, koortsig en razend, met veerdige handen. En als 't dan
op een mislukte dolheid uitliep, was er toch éen, die zanten kwam, een
die achterwaarts stond en wachtte, en naderhand 't profijt wegdroeg; en
dat was Rik. Zoo stegen allengs zijne zaken. Hij kocht een boot. Hij
kocht er twee. Hij deed smokkelreisjes, bracht vreemd goed in het land,
bedroog en werd welvarend.
Maar thuis sloeg hem de kans tegen. Een voor éen stierven vijf zijner
dochters aan een zonderlinge hertziekte, die hen met schokjes wegdreef,
in min dan drij jaren. Twee jaar nadien, ook onder de zelfde kwale
lijdend, werd zijne vrouw door eene geraaktheid getroffen. Ze bleef zes
maanden te bedde liggen en sukkelde er en wou, op een voornoene,
redeloos opstaan. Rik was aan het strand. Hij vond bij zijn thuiskomste
zijn wijf temidden van den vloer liggen; twee streepkens bloed liepen
over hare lippen en een paternoster strengelde om hare vingeren. Naast
moeder lag Ursule, het laatste dochterken, flauw asemend en buiten
kennisse....
Rik bleef nu met Ursule alleene. Hij en wilde niet hertrouwen. 't Zou
zoo wel gaan. Ursule was toen dertien jaar oud. Hij leerde haar het
huishouden, en na korten tijd, deed zij 't gansche werk. Het kind
groeide alzoo op tot een stevige deerne en geen moeite was haar te
zwaar. Ze begreep--al zei vader niets van zijne geheime doelen,
--waarnaar de minste inzichten streven moesten. En ze was spaarzaam, en
ze zwoegde, en ze werd sterk en groot in haar rusteloos slameur. Alle
avonden liet Rik het lamplichtje laag komen over de tafel en hij
verklaarde haar het spel der cijfers, de moeielijkste rekenkunde, tot
den nacht tellend en hertellend en alles neerschrijvend te rote, met
stipte nauwkeurigheid. Dat duurde tot haar twintigste jaar. Dan verkocht
hij het armzalige huizeken, het dagelijksch gerief, de meubelen; dan
verkocht hij zijne booten.... En ze trokken naar de stad en openden er
een specerijwinkel. Er werd opnieuw gesmokkeld en gekonkelfoesd. De
waren kwamen aan van tallenkant. Rik had alles meesterlijk geschikt.
Maar Ursule allengerhand werd sterker dan haar vader. Ze speculeerde met
meer vernuft en meer zekerheid ook. Ze bedroog hem en bewees het, en zoo
ontstond bij hem eene pijnlijke angstvalligheid. Hij werd nu zwak en
wankte in zijne minste ondernemingen. De zaken werden ook stilaan zoo
geweldig vooruitgestooten, dat hij 't niet volhouden kon en meende te
verongelukken. Dan bleef hem alleen nog over teenemaal op Ursule te
berusten. En Ursule werd groote meesteresse in huis. Na vijf jaar was de
specerijwinkel een aanzienlijke koffiehandel geworden.
Omtrent dien tijd ontmoette zij Albien Wilder, een jongen van rijke
familie, bevoordeeligd ambtenaar bij 't Ministerie van Binnenlandsche
Zaken. Dagelijks moest hij de hooge poorten der magazijnen voorbij en
dikwijls bemerkte hij Ursule, daar staande in hare volle lengte, breed
en statig. Al dadelijk werd hij door dat struische wijf veroverd. Hij
liet zich door een beursman aan den vader voorstellen. Van weerskanten
werd er gewikt en berekend en uitgeteld, en zeven maand nadien trouwde
Ursule met hem.
't En bracht niet veel verandering in huis. Albien was van nature een
zwakkeling, en algauw lag hij onder Ursule's stalen wil en ging en
handelde naar heure wenken. De koffiehandel, nog door Wilder's kapitalen
gespijst, breidde zich meer en meer uit en werd eene machtige
inrichting. Ursule was nu rijk. Maar niets kreeg een gewijzigd uitzicht
in haar leven: ze wrocht en zwoegde, nievers tijd vindend om haren
rijkdom te bezigen tot eigen genot. Geld winnen was overigens hare
eenige vreugde; rijzekens had ze deugd aan hare moederschap--ze was
moeder van een zoon, dien ze Romaan heette, naar den naam van Albien's
overleden vader. En Albien zelve gewende zich aan die eentonige dagen.
Hij trok 's uchtends naar zijn bureel en kwam 's avonds terug en nam
zijn zuinig maal in de koude eetkamer. Allengs smolt ook zijn ideaal met
Ursule's doelen saam: ze moesten geld verzamelen. Rik sprak bij stonden
ervan:
--We zullen 't ophoopen in stapelkens en nevenseen zetten en 't
bekijken.
't En scheen hem niet belachelijk. 't Waren in zijn meeninge heerlijke
plannen geworden. En gedrijen spaarden ze.
Romaan werd door allerlei ziekten aangetast, vier jaar te rote. Ursule
had het heel druk met de dokters, die zij den eenen na de anderen
wegstuurde. Ze waakte lange nachten bij haar kind en bad dat het genezen
zou. Ze toonde zich, gedurende dien tijd, heel vroom en heel
vreesachtig. De dokters mochten niet meer in huis komen. Ze wilde alleen
op God berusten--halvelings omdat het haar goedkooper viel, halvelings
ook omdat zij in de wetenschap geen het minste vertrouwen had. Romaan
kwam langzaam alle ziekten te boven en werd een droomerig jongetje.
Hij was zes jaar oud, als Goedele geboren werd. Goedele was veel
sterker. De kleinen groeiden op in een killig geluchte. Zij en voelden
nievers de zoetigheid van liefderijke wezens; ze liepen beteuterd en te
lore in hunne jeugd en benijdden ter schole de vriendelijkheid hunner
makkers. Ze zouden echter de bane niet volgen, welke moeder hun door
haar voorbeeld en hare woorden voorschreef, en deze ouders, welke
gedurig en uitsluitend tuk waren op een peute geld, kregen kwistige
kinderen. Romaan, als hij op de universiteit leerde, miek schulden.
Ursule, die meer hechtte aan eenen goeden name dan aan eene eerlijke
ziel, betaalde, maar ze hield naderhand den jongen zoo nauw dat hij
haast niet meer met vrijheid denken kon. Zoo werd hij een zwijgende
opstandeling. Het leven werd hem bitter. Hij droomde mee met
Schopenhauer, wiens boeken hij met razernije verslond. De maatschappije
scheen hem eene verschrikkelijke onrechtveerdigheid, waar de goeden tot
blijvend leed verdoemd waren. Zijn hoofd was vol met utopische
hervormingen--alles moest omgegooid en heropgebouwd worden: de standen,
het huwelijk, de familie. Wat bestond, was slecht, was vort, was
misdadig. 't Zicht der rijken folterde hem.
In een kleine steeg, bezijden de Hoogeschool, woonde een arme weeze met
hare tante. Daar verliefde hij op. Dagelijks trok hij het huizeken
binnen, waar 't meisje te borduren zat. Ze maakte schoone bonte bloemen
met zijden draad en hij had leute met hare liefelijke vingeren--hoe die
met de naaide ieverig waren en hoe daaronder de teekening djentig
zichtbaar werd. Het meisje heette Madeleen en die oude grijze daar, zoo
mager en zoo roereloos, heette tante Olympe. Hij voelde hier warmte.
Hij rookte hier pijpen en keek langs smalle vensterruiten naar de varende
wolken. Hij was hier wel.
--Madeleen....
En ze wendde naar hem hare blauwe kijkers en lachtte even of knikte met
zachte buigingen, bij maniere van gelukkig-zijn. Er zong iets in hem.
Hij lachtte tegen. Ze waren seffens takkoord.
Maar dan begonnen de leelijke dagen. Hij ging alles aan moeder bekennen
op een avond. Hij wilde trouwen.
--Met wie?
Ursule sprong naar hem toe, en vatte zijne armen, en knelde die
onbarmhertig in hare koortsige handen.
--Met wie?
Hij moest het herhalen, hij moest het tot drijmaal toe herhalen. Ze
schoot seffens uit in een schaterlach, een wreed geklater, dat tegen de
naakte muren plofte met vreeslijk lawaai. Ze liet hem los en kruiste
hare armen over hare borst, en ze zwaaide hem dan in 't aangezicht dat
het een slonse was zonder zedige manieren.
--Een ploerte!
Romaan rechtte zijn hoofd. Het deed hem zoo'n zeer wat moeder zei, maar
nu had ze hem op het herte geslagen. Hij werd hard en hij werd koppig.
Drij dagen bleef hij op zijne kamer zitten. Goedele bracht hem eten en
kuste hem. Hij weende bij Goedele, en het was hem een goede troost.
Den vierden dag ging hij vader aanspreken. Albien was verschrikt, en
hakkelde, en voelde zich wegzinken zonder den steun van Ursule's
sterkte. Hij probeerde toornig te zijn; hij was alleen toornig, omdat
hij Ursule vreesde. Hij riep:
--Weg, loop weg!
Hij liep hem nadien zelf achterna, al stamelend dat er wel een oplossing
te vinden zou zijn.
--Allo, jongen, allo....
Maar Ursule bleef onverbiddelijk, en den vijfden dag verliet Romaan
zijne ouders. 't Was den vijfden dag.
Hoe struisch Ursule ook was, 't knakte haar en ze werd ziek. Een volle
weke lag ze te bedde, zuchtend en zich ommewerpend. Voor de eerste maal
van haar leven wist ze geen besluit te nemen. Zij en wilde hem niet
laten trouwen, zij en wilde geen geld geven aan die vreemde kerte. Ze
fluisterde, al kijkend naar de zoldering, heel wijd:
--Geen geld....
Maar ze wilde ook Romaan niet kwijt zijn. Ze verwonderde zich dat ze
hield van hem, na al zijn leelijke doening. En ze hield van hem. En
daarom zou hij trouwen met een rijke juffrouw. Hij was ook rijk. Het
idee dat hij nu toch met die ellendige loete trouwen zou, deed haar
het oogenblik daarna terug raaskallen. En ze bekeek de zoldering met
wijd-open oogen.
--Geen geld....
Ze meende endelijk een oplossing gevonden te hebben, en ze genas. Ze
schreef aan Madeleen dat ze komen moest. Madeleen en kwam niet. Ze
schreef opnieuw. Ze zou Madeleen omkoopen, haar eene ronde somme geven,
als ze Romaan loslaten wou. En Madeleen en antwoordde niet. Ze begon
weer te wanhopen en te klagen, en moest weer een paar dagen neerliggen.
Rik kon haar opbeuren. Hij verzekerde haar dat het allemaal jeugdige
zotternijen waren, en dat die vuurkens fluks uitvlammen zouden. Hij wist
dat de jongen en 't meisje tegenwoordig ongehuwd reeds samenleefden op
eene gemeubeleerde kamer, en die tortelliefde zou haren gang gaan, en
naderhand zou Romaan boetveerdig terug keeren.
--Ze zullen trouwen....
--Zij en zullen niet trouwen.
Waarom zouden ze trouwen? Ze hadden zoo al hun volle pleizier.
--De plodde zal aandringen....
--Zij en doet.
Hij sprak kort. Ze herwon een beetje betrouwen en liet zich genezen.
Maar zij en kon sindsdien niet ten volle meer hare zaken bewerken. Al
hoopte ze stilaan dat Romaan de meid ten langeleste verlaten zou, ze
bleef bij haarzelve klagen over 't verlies van haren zoon, en de handel
leed door hare dagelijksche onachtzaamheden. Albien, die 't wel merkte,
stelde schuchter voor het huis aan een opvolger over te laten. Ze wilde
hier echter niets van hooren, en werd buitengewoon ieverig.
--Denk niet meer aan hem, zei Albien, die er gestadig aan dacht.
--Ja, zei Ursule.
En ze dacht aan hem. Ze deed hem beloeren. Ze stuurde ook altemets
Goedele, en vernam aldus dat Romaan in waarheid ongehuwd bleef en
gemeenzaam leefde met Madeleen en tante Olympe. Hij had ook altijd
gesproken van vrije liefde en nieuwe zeden. Zij was nu tevreden, omdat
hij die dwaze gedachten behouden had. Ze kreeg verder te wete dat hij
als ingenieur aan een bronsfabriek verbonden was, en het stilde haar in
hare moederlijke bezorgdheid; hoe danig zij ook deze bezorgdheid met
sterke beredeneeringen wilde versmooren, zij was bezorgd, tegen wil en
dank zich moeder voelende.
Een nieuw voorval wierp haar ten derde male te bed. Madeleen beviel van
een dochterken. Meteen verzonk haar laatste hoop, want ze wist dat
Romaan nu voor altijd vastegeklonken lag. Ze wilde Rik's noch Albien's
troost ontvangen en Goedele ook moest verwijderd blijven. Van dien dag
af begon de koffiehandel te slabakken. Er ontstonden onlusten onder de
werklieden, en kleine muiterijen maakten Ursule en vooral Rik uitermatig
benauwd. Toevallig konden ze, ver beneden de weerde, het huis koopen van
een gevallen edelman, in een rijkemanswijk der stad. Ursule verkocht
haren handel en nu gingen ze rentenieren. Albien zou voortwerken op zijn
bureel. 't En deerde hem niet te vele, en 't bracht schoon geld op.
De nieuwe woonste was prontelijk gelegen, boven de stedelijke warande,
en over de breede vaart. 't Was een groot hotel, met, achterwaarts, een
heerlijk park en een lochting vol bloemen. Aangename breede wegels
liepen erlangs, allen saamkomend op een open terras, waar 't in den
zomer krioelde van gloeiende of klaterende rozen. Het huis zelve was een
vierkante massa met gelijke vensters. Talloos waren de kamers. Ursule
achtte het nutteloos alles te meubeleeren. Ze had zich het huis voor
eigen genot niet aangeworven: 't Was meer weerd dan 't geld dat zij er
aan besteed had, en zij en zou al die kamers niet nutteloos gebruiken.
Zoo bleven er een groot aantal leeg en vele luiken werden nooit
ontsloten. Dat gaf aan deze woning een doodsch en akelig uitzicht en na
enkele maanden verwierf zij ook in den geest der naburige menschen een
geheimzinnige beteekenisse. Drijmaal daags zagen zij 't zware hekken
opengaan: in den vroegen morgen, als Albien traagtrippelend naar 't
Ministerie trok, later, omtrent tien uren, als Marie, de dienstmeid naar
de markt moest, en 's avonds nog, als Albien terugkeerde. 's Zondags,
bij de eerste uchtendure, gingen Ursule en Rik naar de kerke. Dichte te
noentijd was 't de beurt van Goedele en haar vader. Zoo was de gewone
gang gedurende vier jaren en heel zelden werd er eene verandering aan
toegebracht. De menschen babbelden ondereen.
--'t Is een spokige femilie, zeiden ze.
En ze pinkoogden of plooiden hun lippen heimelijk, gebarende daarmede
dat hier een wonderbare historie onder schuilen moest....
* * * * *
Albien wandelde, te herfstevesperure, in den hof. Hij was nu een oud
ventje geworden, met grijze krulharen om een rondbollig, rood gezichte.
Hij snuffelde den lochting rond, met zijne diepe oogskens wroetelend
links en rechts. Alhier rechtte hij een gebroken stengel, aldaar kneep
hij een dorre bloem weg, alles in profijtelijke doening met voorzichtige
vingeren betastend en bestreelend. Altemets maakte hij zijn eigen lastig
om een vertrapt plantsoen, maar zoetig was zijne ongedurigheid en dan
liep hij verder al mummelend:
--Tet-tet-tet....
Hij tort de wegels langzaam plat, kon nievers een papierken zien liggen
en dook seffens de minste onregelmatigheid. Hij wilde alles in gelijke
effenheid zien schoon wezen. De palmboomen moesten zorgelijk gesnoeid en
gekapt worden, de graspleinen vlak gemaaid. Hij had deugd als niets meer
buitensporig was, en liet zich daarna wat rusten op een der groene
banken. Van daar bewonderde hij den tuin, volgde met liefde de sierlijke
vaart der baantjes, de plezierige reke zonnebloemplanten, de kleine
wilgen met zilveren tronk, en alginds het hooge gebladerte, rossig,
bruin, gloeiend en geel. Hij pinkte af en toe een kruideken of een
stofken van zijn bruine veste, en lei bij tijden een plooi rechtte in de
vouw van zijn knie. Vervolgens trok hij voorzichtig een boeksken uit
zijn zak en zette zich te lezen. Albien was een zwakke geest, geleid
door allerlei manieën. Op zijn bureel was hij een niet-denkend mensch,
een weerlooze schakel in de administratieve keten. Hij ging gewillig met
de omstandigheden mee, zonder die te bespreken; hij bekampte ze in elk
geval nooit. Zijn leven was zonder passie. Hij stortte maandelijks al
het geld, dat hij won in de handen van Ursule, die altijd stiptelijk
naging of de afkortingen voor de pensioenkas goed berekend waren. Hij
hield geen duit achter. Hij kreeg van Ursule alle weken éen frank, en
hij meende dat hij ook niet meer noodig had. Hij kocht daarmee altemets
een dagblad, altemets een pakje nieuw zaad voor den lochting, meermaals
echter een vijfcentenboekje. Die boekjes lagen in een klein winkelken
van de benedenstad te koop achter de ruiten. Hij bleef eerst lang vóor
't raam staan eer hij binnenging. Hij moest ze allemaal eerst
buitenwaarts bekijken, en de titels lezen en in zijnen geest dan
vergelijken, om endelijk goed te weten wat hij nemen zou. 't Waren
raadselboekjes, boekjes met charaden, met goocheltoeren, met
wonderzottigheden.
Hij verkoos over 't algemeen de goocheltoeren of het stekjesleggen, en
dergelijke, waar hij zich tot laat in den avond mee kon bezighouden.
Verhalen en dwaze perten, daar hield hij minder van.
--Onnoozele dingetjes, zei hij.
Hij peinsde dat hij een "vinder" was. Hij kon uren en uren nadenken over
de oplossing van een raadsel. Achteraan in het boekje stonden de
oplossingen gezamenlijk gedrukt, maar hij zocht eerst minstens een dag
of drije eer hij 't opgaf. Dan was hij moedeloos. Hij beweerde dat de
vraag onduidelijk gesteld werd, en achtte zich daarom slechts half
overwonnen.
Hij was nu een boekje over het dominospel aan 't lezen. Hij doordacht
het en herdraaide in zijn hoofd de zinnen. Met een droog takje begon hij
naderhand op den grond teekeningen te scharten--al vierkantjes en halve
vierkantjes. Hij bezag dan dat ruitwerk met gedwongen aandacht, herlas
enkele regels van 't boekje, was weer aan 't kijken en 't wrijven en 't
teekenen.
--Dobbel zesse hier....
Hij was opnieuw bezig.
--Dobbel vijf aldaar....
Hij hief zijn voeten op om plaatse te maken en moest nadien toch
heelemaal op de bank kruipen om zijn beenen uit den weg te krijgen.
Zoo zat hij te raden en te rekenen en te kijven met het boekje of met
zijn eigen vorig idee....
Er werd gebeld en Marie deed het hooge hekken open. Albien zag
Sebastiaan Vrebos door de voorzichtige splete te voorschijn komen,
en hij vouwde fluks zijn blaarkens bijeen om hem vóor te loopen.
--Wel! wie dat er dáar is!
Hij was in den grond wel niet erg met die komste ingenomen. Hij meende
zijn verveling door overdreven wellekomwoorden te moeten verbergen.
--Mijn arme jongen, die zoo verre geweest zijt....
Hij nam hem een pakje af en nog een pakje. Hij vatte hem bij den arm.
--En nu danig vermoeid zijt, zeker danig vermoeid zijt.....
Daarbinst viel 't ijzeren hekken met zijn bekend geruchte toe, achter
hem.
--Niet zoo erg toch, beste heer, lachte Sebastiaan.
--Och!... en Goedele zal zóo tevreden zijn. Ze was ook dagelijks bezig
over u, het brave kind. Ei! dat zal hier een aardige avond zijn.
Hij dacht nu aan het soepee. Ursule zou wat goeds gereed maken bij deze
gelegenheid, en daarvan zou hij evengoed als Rik misbruik maken. De
gewone eetmalen waren ook zoo erg gewoon, zoo eender tevens en zoo grof.
Als Sebastiaan thuis kwam werden ze beter verzorgd en kwam er bovendien
nog een lekker extra bij. Dat bracht hem in zijn schik.
--En hoe liep de reis af? Wat een heerlijk land moet het zijn ginder!
--In de reden, ja--maar het land heb ik juist niet veel bekeken.
--Al bergen en stroomen, meen ik?
--Veel bergen....
--Och!... en daar zult ge ons aan tafel van vertellen.... Wel Djeezes!
als ik nu bedenk dat ik oud ben, en niets hebbe gezien! 't Zijn dingen,
't zijn dingen!
Hij trok hem mee naar het terras. Sebastiaan kende die manieren. Ze
walgden hem voor 't meerendeel; hij deed evenwel zijn best om zich
buiten bereik te houden en liet dan liefst een onbeduidend vriendelijk
lachje op zijne lippen versteenen, bij wijze van antwoord. Hij kon de
familie Wilder moeielijk lijden--Goedele toch had hij innig lief, en
haar schoon gelaat, daar berustte hij in, en het troostte hem over 't
valsche gezwets, dat hem gedurig krenkte.
Op het terras stonden Ursule en de stokoude Rik. Ursule ontving hem met
open aangezicht en een streelenden blik.
--Welkom, mijn vriend.
--Hertelijk dank, mevrouw.
Hij drukte hare hand en de koude vingeren van grootvader. Hij zei een
reke vage woorden, binst dat Marie hem van zijn overjas en zijn hoed
ontlastte.
--De jongen heeft bergen gezien, riep Albien.
--O ja....
Ze omringden hem en vielen hem lastig met allerlei zoetigheidjes. Hij
had een ivoren kistje medegebracht voor mevrouw Wilder en een heel
wonderbaar gedoe voor mijnheer Wilder--een Zwitsersch huizeken,
teenemaal gemachineerd, met een kleppend horloge en een beiaardspel en
twee werkende figuurtjes--en nog een zilveren snuifdooze voor den ouden
heer. Ze moesten alles dadelijk bezien en bewonderen, en hunne
dankbaarheid in breede geuten uitwerpen. En Ursule zei:
--Dat moest ge nu toch niet gedaan hebben.... Ze betastte haar kistje en
beloerde de zilveren dooze van Rik. En Rik sprak met een lage stem, die
ook zich liefelijk te wenden probeerde:
--Ja, dat moest ge nu toch niet gedaan hebben.... Hij had liever een
zwaarder dooze gekregen, maar hij keek zijne oogen algelijk zat op het
schitterend geflikker der ciseleeringen van het deksel.
--'t Is een kunstwerk.
Hij woog het in zijne ervaren handen.
Na een stonde kwam Goedele staan in de opening der deur. De noesche
avondzonne straalde open langs haar lichtbruine kleed en teekende er
gloeiende plooien. Haar gelaat klaarde zonderling op uit de donkere
diepte der kamer, achter heur. Ze keek naar Sebastiaan en een flauwe
glimlach krulde om haren mond, maar hare oogen hadden verre blikken,
verwijd in stille droefenis. Sebastiaan boog zijn lijf naar haar, en
deed een stap voorwaarts, en hief trage en bekoorlijk zijne armen op.
--Goeienavond, Goedele.
Hij voelde zijn herte weggaan van hem. Hij voelde zich leeg worden en
pluimlichte. Hij omvatte in de stille straling zijner liefde deze vrouw,
die groot en schoon en beminnelijk was.
Zonder haaste en zonder drift, met eene zachte moeheid in de stem, zond
ook Goedele hem haren groet.
* * * * *