II. 4. 1.

Zij bleven gist’ren nacht te Stony-Stratford,

En in Northampton rusten zij van nacht.

Zoo staat in de folio-uitgave; de quarto’s hebben:

’k Hoor, ze overnachtten gist’ren te Northampton,

En zullen nu te Stony-Stratford rusten.

Van Northampton reist men over Stony-Stratford naar Londen, daar

Stony-Stratford tusschen beide in ligt. De volgorde der quarto’s is dus

de juiste. Toch geeft waarschijnlijk de lezing der folio terug, wat

Shakespeare schreef; hij had het bericht der kroniek voor den geest, en

volgde dit. Gloster en Buckingham ontmoetten namelijk den prins te

Stony-Stratford en voerden hem terug naar Northampton, vanwaar zij

Rivers en de andere gevangenen noordwaarts zonden; daarna werd de tocht

naar Londen weder aanvaard. De aartsbisschop, die van de gebeurtenissen

nog geen tijding had, moest dus eigenlijk Northampton als eerste

rustplaats noemen. Dat Sh., hierop niet lettende, zelf de onjuistheid

beging, wordt bevestigd door de maat der verzen, die in de folio goed

is, in de quarto’s niet.

II. 4. 49. Wee mij, ik zie den ondergang mijns huizes. Ook in de

kroniek wordt de wanhoop der koningin bij het vernemen van het gebeurde

zeer schoon geteekend; zij nam terstond met haar jongsten zoon en haar

vijf dochters de wijk in de vrijplaats van Westminster, waar zij ook

reeds vroeger een schuilplaats gevonden en haar oudsten zoon ter wereld

gebracht had; de aartsbisschop van York trachtte tevergeefs haar te

troosten.—Hij was rijkskanselier en hem was als zoodanig het rijkszegel

toevertrouwd; hij gaf het aan haar te bewaren,—zie reg. 70,—doch vroeg

het eenige dagen later terug, om het aan Gloster, die Protector was

geworden, te overhandigen.

III. 1. 1. Wees welkom, prins, in Londen, in uw kamer. Londen, namelijk

de city, had den eeretitel van Camera Regia.

III. 1. 48. De weldaad van een vrijplaats wordt verleend enz. De hier

door Buckingham aangevoerde gronden werden in den raad inderdaad door

hem aangevoerd, toen de Protector beide prinsen onder zijn hoede wilde

nemen. De koningin, die aan de vertoogen van den kardinaal niet wilde

toegeven, deed het eindelijk, toen de kardinaal vertrok en de overige

edelen bleven; zij vreesde toen, dat er geweld zou gepleegd worden. De

ontmoeting der broeders had in het bisschoppelijk paleis van St. Paul

plaats; daarna werden zij in alle statie naar den Tower gebracht en er

gehuisvest, om dezen niet weder te verlaten.

III. 1. 131. Dat gij mij op uw schouders dragen moet. Hij zinspeelt op

den kameel met een aap op den rug.

III. 1. 179. Want morgen houden we een gesplitsten staatsraad. Terwijl

de aan den jongen koning gehechte lords in Baynard’s slot zetelden en

er, op verzoek van den Protector, over de regeling van de aanstaande

kroning raadpleegden, werden er in Crosbyhof samenkomsten gehouden van

hen, die den Protector aanhingen en zijn wensch, om zelf koning te

worden, wilden bevorderen. Wat hierbij verhandeld werd, bleef

natuurlijk diep geheim.—Het zoo even vermelde slot van Baynard, naar

den stichter zoo geheeten, lag aan den oever van den Theems en is sinds

lang verdwenen; het was eens eigendom van Humphrey van Gloster en werd

later door Hendrik VI aan Richards vader, den Hertog van York,

toegekend.

III. 1. 193. Den kop hem af. Gloster komt wat al te haastig met zijn

eigen meening voor den dag en trekt zijn woorden eenigszins in, door er

bij te voegen, dat hij met Buckingham de zaak wil overleggen.

III. 2. 10. Dan meldt hij u, dat hij vannacht een droom had. De inhoud

van dit tooneel: de boodschap van Stanley betreffende zijn droom, de

gerustheid van Hastings, zijn bescheid aan Catesby, zijn spreken met

een heraut en zijn vreugde over het lot der gevangenen in Pomfret, zijn

gesprek met een geestelijke, het zeggen van Gloster’s bode, dat hij

geen priester noodig heeft, het is alles overeenkomstig de kronieken.

III. 2. 113. En ik maak het goed. Het antwoord van den priester in de

folio-uitgave te vinden: „Ten dienste van uw lordschap,” is

gelijkluidend met wat een oogenblik later Hastings tot Buckingham zegt,

en is waarschijnlijk bij vergissing ook hier geplaatst. Het is daarom

weggelaten, zooals ook door Delius is gedaan.

III. 4. 24. Ik heb recht lang geslapen. Ook hier blijft Sh. zijn

kronieken getrouw. Gloster verontschuldigde zich over zijn late komst,

keuvelde een oogenblik met de leden van den raad, wenschte een schotel

met aardbeziën van den bisschop van Ely, verwijderde zich voor een

korte poos, kwam zeer verstoord terug, vroeg wat zij verdienden, die

hem naar ’t leven stonden, waarop Hastings zijn advies gaf, toonde zijn

ingeschrompelden arm, en liet Hastings, toen deze zijn antwoord met

„Als” begon, als verrader grijpen en onmiddellijk terechtstellen.

Alleen ging het volgens de kronieken nog ruwer toe: een der gewapenden

had Stanley bijna den schedel gespleten, als deze niet onder een tafel

gevallen was: toch liep hem het bloed nog om de ooren. De aartsbisschop

van York, de bisschop van Ely, Stanley en eenige anderen werden in

afzonderlijke vertrekken gebracht en bewaakt.

III. 4. 80. Lovel en Ratcliff, zorg, dat dit geschiede. Vele uitgevers

hebben opgemerkt, dat Ratcliff nog niet van Pomfret in Yorkshire terug

kon zijn, en hem hier door Catesby vervangen. Uit het volgend tooneel

blijkt ondertusschen duidelijk, dat niet Catesby, maar Lovel en

Ratcliff voor Hastings’ terechtstelling zorgden. Men moet het dus maar

voor lief nemen, dat Sh. het niet noodig achtte zich met zulke

nauwlettende berekeningen bezig te houden, als de aan elk bekende Lovel

en Ratcliff juist de meest geschikte handlangers van Richard waren bij

dit bloedig doen.

III. 4. 86. Driemalen is vandaag mijn paard gestruikeld. Ook dit trekje

is weder aan de kronieken ontleend.—Eveneens zijn deze voor het

volgende trouw geraadpleegd; zij berichten, dat de Protector dadelijk

na zijn middagmaal eenige burgers naar den Tower ontbood; bij hun

aankomst troffen zij hem en Buckingham in oude wapenrustingen aan,

alsof de nood tot groote haast gedwongen had; hun werd verhaald, hoe

een moordaanslag van lord Hastings plotseling aan het licht was

gekomen; de vrees, dat zijn mede-saamgezworenen hem zouden bevrijden,

had zijn onmiddellijke terechtstelling noodig gemaakt. Dit werd ook

medegedeeld in een proclamatie, die reeds twee uren na Hastings’ dood

aan de St.-Paulskerk werd aangeslagen; zij was zoo keurig op perkament

geschreven, dat een kind wel merken kon, dat zij vooruit gereed was

gemaakt; hierop is het zesde tooneel van het derde bedrijf gegrond.

III. 4. 52. Doch ’t was ons plan niet. Op het voorbeeld der

Irving-editie zijn alleen de twee voorgaande regels aan Buckingham, de

volgende niet zooals gewoonlijk aan dezen, maar aan Gloster toegekend.

Dit is ontegenzeglijk beter.

III. 5. 74. Toon daar..... de onechtheid aan van Edwards kroost. De

Lord-Mayor van Londen, Edmund Shaw, benevens zijn broeder, Doctor John

Shaw en de Augustijner Provinciaal Penker waren voor Richard gewonnen.

Door hun hulp moest bij het volk de overtuiging gevestigd worden, dat

Edwards huwelijk onwettig was geweest, zoowel omdat hij vroeger

trouwbelofte had gegeven of verloofd was aan Lady Elisabeth Lucy [1],

als omdat hij een weduwe gehuwd had. Het huwelijk met een weduwe werd

Bigamie genoemd en was door een statuut van koning Edward I, in

overeenstemming met een besluit van het Concilie te Lyon, voor zondig

en onwettig verklaard. Zoo zegt ook de kroniek, dat men koning Edward

IV, wegens zijn huwelijk met Lady Grey, loathed bigamy te laste heeft

gelegd. Vergelijk het zevende tooneel van dit bedrijf, reg. 189, waar

deze zelfde woorden gebezigd worden.

Shaw en Penker waren bij het volk zeer beminde predikers; Shaw ondernam

over de zaak in de kerk te prediken, maar slaagde niet en overlaadde

zich met schande. Twee dagen later sprak Buckingham tot de burgerij in

haar gildenhuis; geheel overeenkomstig de kronieken wordt zijn

toespraak en de gansche loop der zaak in het stuk verhaald (III.

7.)—Den volgenden dag begaven zich de Lord-Mayor, de Aldermans en de

voornaamste burgers naar Baynard’s slot, om Richard de kroon aan te

bieden; volgens de kronieken werd daar geheel hetzelfde spel gespeeld

als in het stuk (III. 7).

III. 5. 76. Hoe Edward eens een burger hangen liet. De kroniek vertelt,

dat een zekere Burdet, een koopman in Cheapside, die gezegd had, dat

hij zijn zoon erfgenaam der kroon (zijn huis droeg dien naam) zou

maken, op last van Edward gevat en binnen vier uur terechtgesteld

(onthoofd) werd. Shakespeare spreekt hier niet van „hangen” maar van

„ter dood brengen.”

III. 7. 43. ’k Verzeker u, geen woord, mylord. Dit antwoord van

Buckingham wordt in de folio gemist en is aan de quarto’s ontleend.

III. 7. 49. Want op dien grond vertrouw ik hen te stichten. In het

Engelsch bevat de tekst een muzikale woordspeling: For on that ground

I’ll make a holy descant. Ground beteekent zoowel „grond”, als

grondtoon, bas; descant zoowel een „toelichting, breedvoerige

uiteenzetting” als „hooge stem, discant”, of, zooals hier „harmonie”.

III. 7. 220. O vloek toch niet. Ook deze regel is aan de quarto’s

ontleend en wordt in de folio niet aangetroffen. Waarschijnlijk ten

gevolge van een besluit van koning Jacobus I, waarbij het ijdel bezigen

van Gods naam en het vloeken op het tooneel verboden was.

IV. 1. 61. Roodgloeiend ijzer ware enz. Het opzetten van een gloeiende

ijzeren kroon werd in die tijden wel eens als martelstraf gekozen, en

b.v. in 1514 toegepast op het gevangen genomen opperhoofd van een

troep oproerige Hongaarsche broederen; ook in de kroniek van Wyntown

wordt zulk een bestraffing vermeld.

IV. 2. 27. De vorst is boos; hij bijt zich op de lip. Dit was, zooals

Hall zegt, Richards gewoonte, als hij toornig was. Ook had hij, volgens

Polydore Virgil, de gewoonte, onder het gesprek met zijn dolk te

spelen, die half uit de scheede te trekken en er weer in te stooten; op

een der twee portretten, die van hem bekend zijn, heeft hij zijn dolk

in de hand; zijn rustelooze geest openbaarde zich misschien in de

onrust zijner vingers, want op het andere portret speelt hij met een

ring aan den middelvinger der linkerhand.

IV. 2. 40. Zijn naam, mylord, is Tyrrell. Nadat Richard, zegt de

kroniek, zich en zijn gemalin Anna had laten kronen, deed hij een

rondreis door Engeland. Uit Gloucester zond hij door een vertrouwde

bode aan Brakenbury het bevel, de zoons van Edward uit den weg te

ruimen. In Warwick ontving hij het weigerend antwoord van Brakenbury.

Dienzelfden avond zeide hij tot zijn page: „Wien kan ik vertrouwen?

zij, die ik verhoogd heb, laten mij in den steek.” De page antwoordde:

„Daar buiten ligt er een op uwe matras, die alles ondernemen zou om u

te dienen.” Het was Sir James Tyrrell, die reeds lang naar Richards

gunst gestreefd had, maar door Catesby en Ratcliff, die ’s mans

eerzucht vreesden, steeds ter zijde was geschoven. Tyrrell, aan ’s

konings bed toegelaten, verklaarde zich bereid; met een brief aan

Brakenbury begaf hij zich naar Londen. De brief bevatte het bevel, dat

aan den brenger, voor één nacht, de sleutels van den Tower moesten ter

hand gesteld worden, opdat hij ’s konings bevelen zou kunnen uitvoeren.

Tyrrell had zekeren Miles Forest, die vroeger ook reeds moordwerk

gedaan had, en een zijner stalbedienden, John Dighton, tot handlangers

gekozen. De moord wordt door de kronieken evenals in dit stuk verhaald;

hoe en wanneer de prinsen zijn omgebracht, is nooit duidelijk gebleken,

maar er is eigenlijk geen reden om de waarheid van het oude verhaal te

betwijfelen.—Tyrrell werd onder Hendrik VII van verraad beschuldigd en

onthoofd.

Na deze zwarte daad,—zoo heeft Richards kamerheer later verhaald,—had

de koning geen rust meer: „en dit”, merkt de kroniek op, „is een groote

marteling; want de getuigenis van een boos geweten is een vreeselijker

straf, dan de hel met al haar duivelen in zich bevat.” Hij rekende zich

nooit meer veilig; waar hij stond en ging, rolden zijn oogen onrustig

rond, zijn lichaam heimelijk gepantserd, de hand steeds aan den dolk.

’s Nachts lag hij wakker door bekommering en leed onder schrikkelijke

droomen; vaak sprong hij van zijn bed op en liep in het vertrek rond.

Zie V. 3. 160.

IV. 2. 54. En spoor me een kalen jonker op, wien ik Clarence’s dochter

ras tot vrouw kan geven; de knaap beteekent niets, hem ducht ik niet.

Den zoon van Clarence, reeds door Richard nauw bewaakt, werden door

Hendrik VII wel de goederen en de titel zijns grootvaders, den graaf

van Warwick, toegekend, maar hij werd toch in den Tower gehuisvest. Hij

was zeer onwetend en stompzinnig, waaraan zijn lange gevangenschap

zeker geen goed had gedaan. Hij knoopte in 1499 met Perkin Warbeck, die

wegens hoogverraad in den Tower gevangen zat, betrekkingen aan en werd

terechtgesteld.—Zijn zuster Margaretha werd door Richard aan een

ridder, Sir Richard Pole, uitgehuwd, door Hendrik VIII tot gravin van

Salisbury verheven, maar in 1541, op zeventigjarigen leeftijd, van

deelneming aan een samenzwering beschuldigd en onthoofd. Zij was de

laatste Plantagenet.—Aangaande koningin Anna meldt de kroniek, dat

Richard, toen zij ziek was, het gerucht reeds liet verspreiden, dat zij

gestorven was. Kort daarna stierf zij werkelijk, hetzij van verdriet,

hetzij, wat waarschijnlijker is,—zoo zegt de kroniek,—door vergif.

Overigens stierf Anna veel later: de dood der beide zoons van Edward,

en Buckingham’s opstand vallen in 1483, Anna’s overlijden in Maart

1485.

IV. 2. 103. Vanwaar, dat die profeet niet zeggen kon, dat ik, die bij

hem stond, hem dooden zou? Wanneer deze regels werkelijk van

Shakespeare zijn en bovendien de woorden I being by niet bedorven zijn,

blijkt hier weder,—er zijn meer voorbeelden van,—dat Shakespeare zich

niet van de juistheid eener aanhaling uit een vroeger stuk overtuigde,

want bij het bedoelde tooneel, 3 Koning Hendrik VI, IV. 6. 65 vgg. was

Gloster niet tegenwoordig.—Dat aan Richard een spoedige dood voorspeld

was, als hij Rougemont zag,—Rougemont en Richmond verschillen niet veel

in uitspraak,—staat in de kroniek van Holinshed.—Het „klokkeventje,”

waarvan in reg. 117 gewaagd wordt, a Jack, d.i. Jack o’ the clock, is

een automatische figuur, die bij het eind van een uur of half uur, den

arm opheft en slaat, zie „K. Richard II,” V. 5. 60.

Boven werd twijfel geopperd, of al deze regels van Shakespeare zijn.

Inderdaad worden niet minder dan 18 regels, 102—119, van: Mijn vorst!

Van waar, dat die profeet enz. tot: Ik ben in geen goedgeefsche luim

vandaag, wel in de quarto’s, maar niet in de folio-uitgave,

aangetroffen. Dat zij noodig zijn, zal men zeker niet beweren, als men

dit tooneel in de folio leest en de uitbreiding niet kent; driemaal

spreekt Buckingham den koning toe en driemaal luistert deze niet naar

hem; dit is volmaakt genoeg; volgens de quarto’s gebeurt het tot

zevenmaal toe. Alexander Schmidt acht zich dan ook gerechtigd

(Shakespeare-Jahrbuch XV, p. 315) deze regels voor ingeschoven te

verklaren. Zij zouden dan niet van Shakespeare zijn, maar door den

tooneelspeler zijn ingelast, die dit tooneel zeer dankbaar vond en er

de toejuiching van zijn gehoor mee inoogstte. Dat de inlassching met

kennis van zaken geschiedde en in overeenstemming is met berichten in

Holinshed’s kroniek, behoeft niet als bewijs voor de echtheid

aangenomen te worden; want van de tooneelspelers waren eenige zeker wel

in staat, zelf uit Holinshed te putten en hadden bovendien wellicht bij

gesprekken met den dichter er veel van vernomen.—Terwijl er overigens

slechts vier of vijf regels in de folio toevallig bij den druk

uitgevallen zijn en uit de quarto’s moeten ingevoegd worden, zou het

zeer vreemd zijn, dat een zoo groot stuk zou zijn overgeslagen en te

minder is dit laatste waarschijnlijk, daar de eerste op de inlassching

volgende regel, 120, in de quarto’s luidt: Why, then resolve me whether

you will, or no; en in de folio, met minder teekenen van ongeduld,

nederiger: May it please you to resolve me in my suit, ’t Behage u, mij

uw antwoord te doen kennen. Men zal dus moeten aannemen, dat er een

inlassching heeft plaats gevonden, die wel in de rol des spelers stond,

maar niet in het oorspronkelijke manuscript is ingevoegd, of dat de

dichter zelf het snoeimes heeft gebruikt om het aanvankelijk wat al te

veel op het effect berekende gesprek te bekorten, zoodat in allen

gevalle de folio ons de oorspronkelijke of beste lezing geeft. Men zou

dus de aangewezen regels tusschen vierkante haakjes kunnen zetten en

reg. 120 wijzigen, zooals hier eenige regels hooger is

aangegeven.—Opmerking verdient ook nog, dat het antwoord van Richard in

reg. 121 volgens de quarto’s met Tut, tut, begint, wat de uitgevers, om

het vers Thou troublest me enz. niet te bederven, in een afzonderlijken

regel zetten. De invoeging van zulke uitroepen komt in dit stuk

meermalen voor, meer dan een dozijn keeren; dat deze uitroepen van de

spelers, niet van den dichter afkomstig zijn, is buiten kijf; zij

bevestigen, wat boven gezegd is, dat de quarto’s door opschrijving van

het stuk bij de vertooning verkregen zijn.

IV. 2. 126. Naar Brecknock. Een slot van Buckingham in Wales, waar het

grootste deel zijner bezittingen gelegen was.

IV. 3. 36. Den zoon van Clarence heb ik opgekooid. Te Sheriff Hutton

Castle in Yorkshire, van waar hem Hendrik VII, onmiddellijk na den slag

van Bosworth naar den Tower liet voeren, waar hij in 1499 ter dood werd

gebracht, zie de aanteekening op IV. 2. 54.—Hendrik Richmond wordt reg.

40 een Bretagner genoemd, omdat hij na den slag bij Tewksbury naar het

hof van Frans II, hertog van Bretagne, gevlucht was. De nicht

Elizabeth, waarvan gesproken wordt, is de dochter van Edward IV en

koningin Elizabeth.

IV. 3. 46. Ely is gevlucht. Dr. Morton, bisschop van Ely; de folio

noemt hem hier Morton, duidelijkheidshalve is hier de naam Ely

verkozen, in overeenstemming met de lezing der quarto’s. Hij was aan de

bewaking van den hertog van Buckingham toevertrouwd. Deze was, toen de

koning hem het graafschap Hereford geweigerd had, naar zijn goederen op

Wales gegaan. Daar trad hij met de aanhangers van den graaf van

Richmond in onderhandeling, waartoe de bisschop van Ely hem niet weinig

aanzette; deze won hem voor het plan om Richmond, die met Elizabeth van

York dan zou huwen, tot koning te verheffen. De bisschop maakte van de

nieuw verworven vriendschap gebruik en vluchtte naar het vasteland,

vanwaar hij eerst onder Hendrik VII terugkeerde, die hem aartsbisschop

van Canterbury en rijkskanselier maakte. Buckingham, door Richards

argwaan in het nauw gedreven, kwam te vroeg in opstand en moest zich

weldra verbergen bij een dienaar, die hem aan den sheriff Shropshire

verried. Hij bekende terstond en trachtte een mondgesprek met Richard

te hebben, zoo het heette om vergiffenis te erlangen, volgens sommigen

om hem dan met een dolk neer te stooten. Het gesprek werd geweigerd en

Buckingham werd, zonder vorm van rechtspleging, te Shrewsbury onthoofd.

IV. 4. 128. Lucht-erven zijn ’t van arm gestorven vreugd. Airy

succeeders of intestate joys. Als de vreugden gestorven zijn en geen

testament hebben nagelaten, dan komen de ijdele onmachtige woorden van

den rouw en spreken over de nalatenschap, die niets is.

Koning Richard de Derde · 第 77 / 82 题