IV. 4. 146. Ned Plantagenet. Ned is verkorting voor Edward.

IV. 4. 175. Geen, dan misschien dat morgenuur. Er staat eigenlijk: „het

uur van hertog Humphrey”. In de folio-uitgave staan de vraag der

hertogin en Richards antwoord aldus gedrukt:

„What comfortable houre canst thou name,

That ever graced me with thy company?”

„Faith none, but Humfrey Hower,

That called your Grace

To Breakefast once, forth of my company?”

Opmerkelijk zijn de spelling Hower, terwijl twee regels vroeger houre

staat, en de cursief-druk der woorden Humfrey Hower. Malone zegt, dat

schertsenderwijze Humphrey Hour eenvoudig voor hour staat, evenals Tom

Troth wel voor truth gezegd wordt. De cursief-druk, alsof Hour of Hower

een persoonsnaam was, strookt inderdaad wel met deze

verklaring.—Anderen denken bij Richards zeggen aan de spreekwijs to

dine with duke Humphrey, die voor „vasten,” „geen middagmaal hebben”

gebezigd wordt, en vatten Humphrey-hour op als „etensuur”. Nares zegt

hiervan: „The phrase of dining with duke Humphrey, which in still

current, originated in the following manner. Humphrey duke of

Gloucester, though really buried at St. Alban’s, was supposed to have a

monument in old St. Paul’s, from which one part of the church was

termed Duke Humphrey’s walk. In this, as the church was then a place of

the most public resort, they who had no means of procuring a diner,

frequently loitered about, probably in hopes of meeting with an

invitation, but under pretence of looking at the monuments.”

IV. 4. 221. ’t Is alsof ik uw schapen ’t leven nam. In ’t Engelsch

noemt Richard de vermoorde knapen my cousins, waarop Elizabeth,

spelende met het nagenoeg gelijkluidende woord to cozen, „foppen,

bedriegen, bedrieglijk berooven”, antwoordt: Cousins, indeed; and by

their oncle cozen’d of comfort, kingdom enz.—Deze regel en de dertien

volgende ontbreken in de quarto’s.

IV. 4. 255. Zoo weet: ik min tot stervens toe uw dochter. In ’t

Engelsch zegt Richard from my soul, „van ganscher ziel, uit of met mijn

gansche ziel,” en Elizabeth vat dit op: „ver van de ziel, buiten de

ziel” en noemt als tegenstelling with her soul, „met haar gansche

ziel.” In ’t Nederlandsch moest dit op een andere wijze uitgedrukt

worden.

IV. 4. 228. En zoo ik alles deed uit min tot haar? Deze en de 54

volgende regels, die een zeer belangrijk deel van het gesprek uitmaken,

tot „haar teed’re jeugd,” ontbreken in de quarto’s.

IV. 4. 346. Wat aller vorsten opperkoning wraakt. Het huwelijk tusschen

oom en nicht werd door het strenge kerkelijk recht gewraakt; ook de

kronieken spreken vooral om de nauwe bloedverwantschap met afschuw van

Richards plan.

IV. 4. 366. Bij mijn Sint George. Richard droeg, als koning, het beeld

van den heiligen George op de borst.

IV. 4. 374. Dan, bij mijzelf. Bij deze en de volgende drie regels is de

rangschikking der folio, die inderdaad beter te achten is dan die der

quarto’s, behouden. De quarto’s hebben: „Welnu, bij de aard”.... „Mijns

vaders dood” „Dan, bij mijzelf”.... „Nu dan, bij God”.... Daarentegen

hebben de quarto’s in reg. 379 beter the king thy brother en reg. 380

my brother, de folio daarentegen the king my husband en my brothers;

men vergelijke, wat het meervoud my brothers betreft, de aanteekening

bij II. 1. 67. Slechts één broeder, lord Rivers, komt in dit stuk voor.

IV. 4. 424. Daar, in dat feniksnest. In ’t Engelsch staat: In dat

specerijen-nest, in dat uit geurige specerijen gebouwde nest; R.

zinspeelt daarmede op den feniks, die, nadat hij zich met zijn geurig

nest verbrand heeft, uit zijn asch herleeft.

IV. 4. 428. Ik ga;—zend spoedig mij een schrijven toe, En ik meld u,

hoe zij er over denkt. Aangaande de onderhandelingen tusschen Richard

en koningin Elizabeth melden Sh. bronnen het volgende:

De sluwe Stanley wist den argwaan des konings, die op hem als

stiefvader van den graaf van Richmond rusten moest, zoo goed te

ontgaan, dat deze hem alleen streng gebood, elk verkeer tusschen zijn

vrouw en de partij van Richmond te beletten. De graaf van Richmond zelf

wekte hem meer bezorgdheid. Tevergeefs had hij den hertog van Bretagne

tot uitlevering van den pretendent trachten te bewegen; de markies van

Dorset was uit de vrijplaats te Westminster tot hem gevlucht; het was

geen geheim, dat het plan bestond van een huwelijk tusschen Richmond en

de oudste dochter van Edward IV, waardoor ook de erfrechten van het

huis York op Richmond zouden overgebracht zijn. Om dit gevaar te

voorkomen, kwam Richard op de afschuwelijke gedachte, zooals de kroniek

zegt, om zijns broeders weduwe, Elizabeth, door fraaie woorden en

schoone beloften te verzoenen, aldus haar en haar dochter in zijn macht

te krijgen en het huwelijk met Richmond te beletten. En als er geen

ander middel om zijn troon te redden overbleef, wilde hij liever zelf,

ingeval zijn gemalin Anna stierf, zijn nicht huwen. Hij zond hiertoe

schrandere en welbespraakte mannen naar de vrijplaats tot de

koninginweduwe, die hem tegen de beschuldiging van booze aanslagen

moesten verdedigen en haar tallooze weldaden moesten beloven voor haar

zelve, haar dochters en haar zoon Dorset, wanneer zij zich met Richard

wilde verzoenen. En werkelijk begon de koningin toe te geven; zij

vergat den moord harer onschuldige kinderen, de beschimping van haar

gemaal, de smet, op haar huwelijk geworpen, de eeden, die zij aan graaf

Richmond gedaan had; verblind door haar hebzuchtige teederheid voor

haar dochters en haar zoon, gaf zij haar dochters in ’s konings hoede,

als lammeren in die van den hongerigen wolf, en schreef aan haar zoon,

dat hij naar Engeland, waar hem groote eerbetooningen wachtten, kon

terugkeeren, dat alles vergeven en vergeten en de liefde des konings

voor haar huis verzekerd was. „Waarlijk,” roept de kroniekschrijver

uit, „de wankelmoedigheid dezer vrouw zou groote bevreemding wekken,

indien alle vrouwen bestendig waren; maar de vrouwen zullen altijd haar

aangeboren natuur volgen. Inderdaad was de verlokking groot; want daar

de vrouwen meest naar grootheid streven en verhooging in rang haar het

gemakkelijkst verleidt, is het minder te verwonderen, dat koning

Richard haar zwakheid overwon. Ook is wel aan te nemen, dat zij het

niet waagde zijn voorslagen af te wijzen, opdat hij zijn boosheid niet

op haar, de hulpelooze, bot vierde.” Zijn bedoelingen met haar oudste

dochter zeide hij haar niet; het leven zijner gemalin was nog een

hindernis bij dit plan. Weldra stierf zij, waarschijnlijk door vergif,

gist de kroniekschrijver. Toen echter bevond Richard, dat zijn nicht

een huwelijk met hem te zeerste verafschuwde, zooals inderdaad iedereen

deed, en besloot de zaak nog uit te stellen; trouwens, hij had andere

zorgen: Richmond was geland en vele Engelsche edelen waren in het

geheim op zijn hand.

Naar aanleiding van deze mededeelingen der kroniek heeft Sh. het

gesprek van Richard met koningin Elizabeth ontworpen, dat inderdaad een

nauwkeurige studie vereischt, zoo men er den gang goed van wil

begrijpen. Elizabeth is aanvankelijk buiten zichzelf over Richards

ongehoorden voorslag en geeft, zonder eenige voorzichtigheid in acht te

nemen, aan haar bitterheid jegens den moordenaar den vrijen loop, en

haar hartstochtelijkheid uit zich te sterker, daar de sluwe koning elke

dreiging vermijdt. Doch plotseling doet hij haar met een paar korte

gezegden, reg. 407 en vlgg., gevoelen, dat zij aan den rand van een

afgrond staat, waarin zijn hand haar en de haren ieder oogenblik kan

neerstorten. Nu keert haar bezinning terug en daarmede de

voorzichtigheid; daar Richard onmiddellijk weder tot zijn zachtmoedige

wijs van spreken was teruggekeerd, was het haar mogelijk, schijnbaar

toe te geven, en de koning, die op zijn huichelaarskunst vertrouwt en

het menschdom veracht, meent een soortgelijken triomf als vroeger over

Anna van Warwick behaald te hebben, zoodat hij geen oogenblik aan zijn

overwinning twijfelt en na haar vertrek zijn vreugde lucht geeft met de

woorden: „Toegeeflijk dwaashoofd! wank’le zwakke vrouw!” Wel oordeelt

de kroniek evenals Richard over het toegeven der koningin, maar volgens

deze gaf zij toe zonder iets te vermoeden van Richards huwelijksplan;

en bovendien oordeelt ook de kroniek, dat zij wellicht hoopte, door

haar handelwijze den dwingeland te ontwapenen. Dat zij inderdaad

slechts schijnbaar toegeeft, kan men afleiden uit het volgende tooneel,

waarin, namens haar, Stanley haar dochter gaarne aan Richmond

toezegt.—Dat wij aldus den gang van dit gesprek kunnen verklaren is

door Oechelhäuser, in zijn boven reeds vermeld stuk over „Koning

Richard III,” in het licht gesteld.

IV. 4. 477. Dan weet gij niet, waartoe die schooier komt. In ’t

Engelsch staat: wherefore the Welshman comes, Richmond was de zoon van

een Tudor en de Tudors waren uit Wales. De benaming Welshman drukt ook

minachting uit, zooals het woord „Welsche” in het Hoogduitsch; om deze

terug te geven is hier de vertaling „schooier” gekozen.—Dat Stanley

zijn zoon George als gijzelaar moest achterlaten (reg. 497), vond Sh.

in de kronieken; zoo ook, dat deze bij den aanvang van den slag bij

Bosworth te nauwernood den dood ontging (V. 3. 344).

V. 3. 63. Geef mij een tijdkaars. In ’t Engelsch: Give me a watch.

Richard verlangt een kaars, zooals er in de zestiende eeuw in gebruik

waren, die door merken was afgedeeld, om naar het afbranden den tijd te

berekenen.—Dat Richard in de nacht voor den slag bij Bosworth door

booze droomen gekweld werd, was een gerucht, dat door de kronieken

vermeld wordt.—Op het tooneel van Shakespeare waren de tenten van

Richard en Richmond zoo ingericht, dat de personen, die er in waren,

voor het publiek zichtbaar waren.

V. 3. 180. Het licht brandt blauw. Het was een volksgeloof, dat, als

een geest in de nabijheid was, de lichten met een blauwe vlam brandden.

V. 3. 304. Hans Norfolk, tijdig heil gezocht, enz. Dit rijmpje,

waarmede men Norfolk, die aan Richard trouw bleef, hoewel hij zijn

handelingen laakte, tot afval trachtte te bewegen, luidt in de kroniek:

Jocky of Norfolk, be not too bold,

For Dickon thy master is bought and sold.

De folio heeft ten onrechte so in plaats van too; Jocky staat voor

John, zooals Dickon voor Richard.

V. 3. 314. Wat heb ik meer te zeggen, dan ik deed? Ongetwijfeld een

vreemd begin van een toespraak; men moet er uit vermoeden, dat Richard

reeds vroeger zijn troepen heeft toegesproken en dat wij in deze

toespraak slechts een laatste aansporing hebben te zien, of wel, dat

het begin verloren is gegaan (zie boven blz. 269). Dat beide veldheeren

een aanspraak gehouden hebben tot hun leger, deelt de kroniek van

Holinshed mede; van Richards toespraak weten wij, dat hij Richmond

genoemd heeft „een Walliser, een onnoozele bloed zonder moed of zonder

ervaring, die aan het hof van Bretagne als een gevangene geleefd heeft

op kosten van mij en van mijn broeder.” Aan dit laatste heeft Sh. reg.

324 ontleend: Long kept in Bretagne at our mother’s cost; „Die in

Bretagne ’t brood at onzer moeder.” Shakespeare schreef mother, schoon

het brother moest zijn; Richards broeder, koning Edward, had aan den

hertog van Bretagne een jaargeld betaald op voorwaarde, dat hij aan

Richmond alle ondernemingen tegen Engeland zou beletten. In den tweeden

druk van Holinshed’s kroniek (van 1586) staat te dezer plaatse de

drukfout mother in plaats van brother, en deze druk was het dus zeker,

die door Shakespeare gebezigd werd.

V. 4. 2. ’t Is bovenmenschelijk, wat de koning doet. Inderdaad streed

Richard met ontembare dapperheid, hij wilde overwinnen of als koning

sterven. Zijn leger was veel grooter dan van zijn tegenstander, maar

het verraad schuilde in zijn benden. Lord Thomas Stanley, Richmonds

stiefvader, vereenigde zich onder het gevecht met Richmond. Richard

stortte zich in glanzende wapenrusting, met de fonkelende kroon op den

helm in het dichtste strijdgewoel, om zijn tegenstander te bereiken.

Reeds had hij Sir William Brandon, Richmond’s banierdrager, met zijn

lans geveld, een anderen sterken ridder ter aarde doen storten, hij

bedreigde Richmond zelf, toen te rechter tijd Sir William Stanley, de

broeder van Thomas, met drieduizend kloeke mannen Richmond ter hulpe

kwam en Richards manschappen op de vlucht dreef. Richard zelf vond na

manhaften strijd den dood. Lord Stanley nam zijn van zwaardslagen

stukgehouwen kroon en zette haar den overwinnenden Richmond op het

hoofd, die door het leger als koning Hendrik VII begroet werd.—Des

avonds bracht een heraut van Richard, Blanc Sanglier, het naakte lijk

van zijn geweldigen meester, als een geveld stuk wild voor hem op het

paard hangende, de stad Leicester binnen, waar het in een klooster ter

aarde besteld werd.

V. 4. 7. Een paard! een paard! gansch England voor een paard! In ’t

Engelsch: A horse! a horse! my kingdom for a horse! In het andere stuk,

dat in 1594 werd uitgegeven (zie boven blz. 789) roept Richard

eveneens: A horse! a horse! a fresh horse! Het zou kunnen zijn, dat

deze uitroep Shakespeare heeft voorgezweefd, toen hij den diepen indruk

makenden regel schreef.—Iets anders schijnt hij aan het oudere stuk

niet ontleend te hebben.

V. 5. 29. O, mogen Richmond en Elizabeth, van beide huizen de

rechtmatige erven, enz. Ongetwijfeld was het aller wensch, dat de vrede

verzekerd werd door het huwelijk van Richmond en Edwards dochter

Elizabeth, waardoor de bloedige strijd der roode en der witte roos een

einde zou nemen. En zeker kon de dichter niet beter zijn stuk

besluiten, dan door dezen wensch den nieuwen koning in den mond te

leggen. Doch koning Hendrik VII Tudor stond, zooals de geschiedenis

leert, inderdaad zijn geheele leven de meening voor, dat hij krachtens

zijn eigen recht heerschte, en zijn aanspraken door zijn verbinding met

het huis van York niet versterkt waren, en verder dat zijn strijd met

Richard een godsgericht was geweest, welks uitspraak zijn recht op den

troon bezegeld had. Shakespeare veroorlooft zich dus hier een

dichterlijke vrijheid.

Koning Richard de Derde · 第 78 / 82 题