IV. 4. 175. Geen, dan misschien dat morgenuur. Er staat eigenlijk: „het
uur van hertog Humphrey”. In de folio-uitgave staan de vraag der
hertogin en Richards antwoord aldus gedrukt:
„What comfortable houre canst thou name,
That ever graced me with thy company?”
„Faith none, but Humfrey Hower,
That called your Grace
To Breakefast once, forth of my company?”
Opmerkelijk zijn de spelling Hower, terwijl twee regels vroeger houre
staat, en de cursief-druk der woorden Humfrey Hower. Malone zegt, dat
schertsenderwijze Humphrey Hour eenvoudig voor hour staat, evenals Tom
Troth wel voor truth gezegd wordt. De cursief-druk, alsof Hour of Hower
een persoonsnaam was, strookt inderdaad wel met deze
verklaring.—Anderen denken bij Richards zeggen aan de spreekwijs to
dine with duke Humphrey, die voor „vasten,” „geen middagmaal hebben”
gebezigd wordt, en vatten Humphrey-hour op als „etensuur”. Nares zegt
hiervan: „The phrase of dining with duke Humphrey, which in still
current, originated in the following manner. Humphrey duke of
Gloucester, though really buried at St. Alban’s, was supposed to have a
monument in old St. Paul’s, from which one part of the church was
termed Duke Humphrey’s walk. In this, as the church was then a place of
the most public resort, they who had no means of procuring a diner,
frequently loitered about, probably in hopes of meeting with an
invitation, but under pretence of looking at the monuments.”
IV. 4. 221. ’t Is alsof ik uw schapen ’t leven nam. In ’t Engelsch
noemt Richard de vermoorde knapen my cousins, waarop Elizabeth,
spelende met het nagenoeg gelijkluidende woord to cozen, „foppen,
bedriegen, bedrieglijk berooven”, antwoordt: Cousins, indeed; and by
their oncle cozen’d of comfort, kingdom enz.—Deze regel en de dertien
volgende ontbreken in de quarto’s.
IV. 4. 255. Zoo weet: ik min tot stervens toe uw dochter. In ’t
Engelsch zegt Richard from my soul, „van ganscher ziel, uit of met mijn
gansche ziel,” en Elizabeth vat dit op: „ver van de ziel, buiten de
ziel” en noemt als tegenstelling with her soul, „met haar gansche
ziel.” In ’t Nederlandsch moest dit op een andere wijze uitgedrukt
worden.
IV. 4. 228. En zoo ik alles deed uit min tot haar? Deze en de 54
volgende regels, die een zeer belangrijk deel van het gesprek uitmaken,
tot „haar teed’re jeugd,” ontbreken in de quarto’s.
IV. 4. 346. Wat aller vorsten opperkoning wraakt. Het huwelijk tusschen
oom en nicht werd door het strenge kerkelijk recht gewraakt; ook de
kronieken spreken vooral om de nauwe bloedverwantschap met afschuw van
Richards plan.
IV. 4. 366. Bij mijn Sint George. Richard droeg, als koning, het beeld
van den heiligen George op de borst.
IV. 4. 374. Dan, bij mijzelf. Bij deze en de volgende drie regels is de
rangschikking der folio, die inderdaad beter te achten is dan die der
quarto’s, behouden. De quarto’s hebben: „Welnu, bij de aard”.... „Mijns
vaders dood” „Dan, bij mijzelf”.... „Nu dan, bij God”.... Daarentegen
hebben de quarto’s in reg. 379 beter the king thy brother en reg. 380
my brother, de folio daarentegen the king my husband en my brothers;
men vergelijke, wat het meervoud my brothers betreft, de aanteekening
bij II. 1. 67. Slechts één broeder, lord Rivers, komt in dit stuk voor.
IV. 4. 424. Daar, in dat feniksnest. In ’t Engelsch staat: In dat
specerijen-nest, in dat uit geurige specerijen gebouwde nest; R.
zinspeelt daarmede op den feniks, die, nadat hij zich met zijn geurig
nest verbrand heeft, uit zijn asch herleeft.
IV. 4. 428. Ik ga;—zend spoedig mij een schrijven toe, En ik meld u,
hoe zij er over denkt. Aangaande de onderhandelingen tusschen Richard
en koningin Elizabeth melden Sh. bronnen het volgende:
De sluwe Stanley wist den argwaan des konings, die op hem als
stiefvader van den graaf van Richmond rusten moest, zoo goed te
ontgaan, dat deze hem alleen streng gebood, elk verkeer tusschen zijn
vrouw en de partij van Richmond te beletten. De graaf van Richmond zelf
wekte hem meer bezorgdheid. Tevergeefs had hij den hertog van Bretagne
tot uitlevering van den pretendent trachten te bewegen; de markies van
Dorset was uit de vrijplaats te Westminster tot hem gevlucht; het was
geen geheim, dat het plan bestond van een huwelijk tusschen Richmond en
de oudste dochter van Edward IV, waardoor ook de erfrechten van het
huis York op Richmond zouden overgebracht zijn. Om dit gevaar te
voorkomen, kwam Richard op de afschuwelijke gedachte, zooals de kroniek
zegt, om zijns broeders weduwe, Elizabeth, door fraaie woorden en
schoone beloften te verzoenen, aldus haar en haar dochter in zijn macht
te krijgen en het huwelijk met Richmond te beletten. En als er geen
ander middel om zijn troon te redden overbleef, wilde hij liever zelf,
ingeval zijn gemalin Anna stierf, zijn nicht huwen. Hij zond hiertoe
schrandere en welbespraakte mannen naar de vrijplaats tot de
koninginweduwe, die hem tegen de beschuldiging van booze aanslagen
moesten verdedigen en haar tallooze weldaden moesten beloven voor haar
zelve, haar dochters en haar zoon Dorset, wanneer zij zich met Richard
wilde verzoenen. En werkelijk begon de koningin toe te geven; zij
vergat den moord harer onschuldige kinderen, de beschimping van haar
gemaal, de smet, op haar huwelijk geworpen, de eeden, die zij aan graaf
Richmond gedaan had; verblind door haar hebzuchtige teederheid voor
haar dochters en haar zoon, gaf zij haar dochters in ’s konings hoede,
als lammeren in die van den hongerigen wolf, en schreef aan haar zoon,
dat hij naar Engeland, waar hem groote eerbetooningen wachtten, kon
terugkeeren, dat alles vergeven en vergeten en de liefde des konings
voor haar huis verzekerd was. „Waarlijk,” roept de kroniekschrijver
uit, „de wankelmoedigheid dezer vrouw zou groote bevreemding wekken,
indien alle vrouwen bestendig waren; maar de vrouwen zullen altijd haar
aangeboren natuur volgen. Inderdaad was de verlokking groot; want daar
de vrouwen meest naar grootheid streven en verhooging in rang haar het
gemakkelijkst verleidt, is het minder te verwonderen, dat koning
Richard haar zwakheid overwon. Ook is wel aan te nemen, dat zij het
niet waagde zijn voorslagen af te wijzen, opdat hij zijn boosheid niet
op haar, de hulpelooze, bot vierde.” Zijn bedoelingen met haar oudste
dochter zeide hij haar niet; het leven zijner gemalin was nog een
hindernis bij dit plan. Weldra stierf zij, waarschijnlijk door vergif,
gist de kroniekschrijver. Toen echter bevond Richard, dat zijn nicht
een huwelijk met hem te zeerste verafschuwde, zooals inderdaad iedereen
deed, en besloot de zaak nog uit te stellen; trouwens, hij had andere
zorgen: Richmond was geland en vele Engelsche edelen waren in het
geheim op zijn hand.
Naar aanleiding van deze mededeelingen der kroniek heeft Sh. het
gesprek van Richard met koningin Elizabeth ontworpen, dat inderdaad een
nauwkeurige studie vereischt, zoo men er den gang goed van wil
begrijpen. Elizabeth is aanvankelijk buiten zichzelf over Richards
ongehoorden voorslag en geeft, zonder eenige voorzichtigheid in acht te
nemen, aan haar bitterheid jegens den moordenaar den vrijen loop, en
haar hartstochtelijkheid uit zich te sterker, daar de sluwe koning elke
dreiging vermijdt. Doch plotseling doet hij haar met een paar korte
gezegden, reg. 407 en vlgg., gevoelen, dat zij aan den rand van een
afgrond staat, waarin zijn hand haar en de haren ieder oogenblik kan
neerstorten. Nu keert haar bezinning terug en daarmede de
voorzichtigheid; daar Richard onmiddellijk weder tot zijn zachtmoedige
wijs van spreken was teruggekeerd, was het haar mogelijk, schijnbaar
toe te geven, en de koning, die op zijn huichelaarskunst vertrouwt en
het menschdom veracht, meent een soortgelijken triomf als vroeger over
Anna van Warwick behaald te hebben, zoodat hij geen oogenblik aan zijn
overwinning twijfelt en na haar vertrek zijn vreugde lucht geeft met de
woorden: „Toegeeflijk dwaashoofd! wank’le zwakke vrouw!” Wel oordeelt
de kroniek evenals Richard over het toegeven der koningin, maar volgens
deze gaf zij toe zonder iets te vermoeden van Richards huwelijksplan;
en bovendien oordeelt ook de kroniek, dat zij wellicht hoopte, door
haar handelwijze den dwingeland te ontwapenen. Dat zij inderdaad
slechts schijnbaar toegeeft, kan men afleiden uit het volgende tooneel,
waarin, namens haar, Stanley haar dochter gaarne aan Richmond
toezegt.—Dat wij aldus den gang van dit gesprek kunnen verklaren is
door Oechelhäuser, in zijn boven reeds vermeld stuk over „Koning
Richard III,” in het licht gesteld.
IV. 4. 477. Dan weet gij niet, waartoe die schooier komt. In ’t
Engelsch staat: wherefore the Welshman comes, Richmond was de zoon van
een Tudor en de Tudors waren uit Wales. De benaming Welshman drukt ook
minachting uit, zooals het woord „Welsche” in het Hoogduitsch; om deze
terug te geven is hier de vertaling „schooier” gekozen.—Dat Stanley
zijn zoon George als gijzelaar moest achterlaten (reg. 497), vond Sh.
in de kronieken; zoo ook, dat deze bij den aanvang van den slag bij
Bosworth te nauwernood den dood ontging (V. 3. 344).
V. 3. 63. Geef mij een tijdkaars. In ’t Engelsch: Give me a watch.
Richard verlangt een kaars, zooals er in de zestiende eeuw in gebruik
waren, die door merken was afgedeeld, om naar het afbranden den tijd te
berekenen.—Dat Richard in de nacht voor den slag bij Bosworth door
booze droomen gekweld werd, was een gerucht, dat door de kronieken
vermeld wordt.—Op het tooneel van Shakespeare waren de tenten van
Richard en Richmond zoo ingericht, dat de personen, die er in waren,
voor het publiek zichtbaar waren.
V. 3. 180. Het licht brandt blauw. Het was een volksgeloof, dat, als
een geest in de nabijheid was, de lichten met een blauwe vlam brandden.
V. 3. 304. Hans Norfolk, tijdig heil gezocht, enz. Dit rijmpje,
waarmede men Norfolk, die aan Richard trouw bleef, hoewel hij zijn
handelingen laakte, tot afval trachtte te bewegen, luidt in de kroniek:
Jocky of Norfolk, be not too bold,
For Dickon thy master is bought and sold.
De folio heeft ten onrechte so in plaats van too; Jocky staat voor
John, zooals Dickon voor Richard.
V. 3. 314. Wat heb ik meer te zeggen, dan ik deed? Ongetwijfeld een
vreemd begin van een toespraak; men moet er uit vermoeden, dat Richard
reeds vroeger zijn troepen heeft toegesproken en dat wij in deze
toespraak slechts een laatste aansporing hebben te zien, of wel, dat
het begin verloren is gegaan (zie boven blz. 269). Dat beide veldheeren
een aanspraak gehouden hebben tot hun leger, deelt de kroniek van
Holinshed mede; van Richards toespraak weten wij, dat hij Richmond
genoemd heeft „een Walliser, een onnoozele bloed zonder moed of zonder
ervaring, die aan het hof van Bretagne als een gevangene geleefd heeft
op kosten van mij en van mijn broeder.” Aan dit laatste heeft Sh. reg.
324 ontleend: Long kept in Bretagne at our mother’s cost; „Die in
Bretagne ’t brood at onzer moeder.” Shakespeare schreef mother, schoon
het brother moest zijn; Richards broeder, koning Edward, had aan den
hertog van Bretagne een jaargeld betaald op voorwaarde, dat hij aan
Richmond alle ondernemingen tegen Engeland zou beletten. In den tweeden
druk van Holinshed’s kroniek (van 1586) staat te dezer plaatse de
drukfout mother in plaats van brother, en deze druk was het dus zeker,
die door Shakespeare gebezigd werd.
V. 4. 2. ’t Is bovenmenschelijk, wat de koning doet. Inderdaad streed
Richard met ontembare dapperheid, hij wilde overwinnen of als koning
sterven. Zijn leger was veel grooter dan van zijn tegenstander, maar
het verraad schuilde in zijn benden. Lord Thomas Stanley, Richmonds
stiefvader, vereenigde zich onder het gevecht met Richmond. Richard
stortte zich in glanzende wapenrusting, met de fonkelende kroon op den
helm in het dichtste strijdgewoel, om zijn tegenstander te bereiken.
Reeds had hij Sir William Brandon, Richmond’s banierdrager, met zijn
lans geveld, een anderen sterken ridder ter aarde doen storten, hij
bedreigde Richmond zelf, toen te rechter tijd Sir William Stanley, de
broeder van Thomas, met drieduizend kloeke mannen Richmond ter hulpe
kwam en Richards manschappen op de vlucht dreef. Richard zelf vond na
manhaften strijd den dood. Lord Stanley nam zijn van zwaardslagen
stukgehouwen kroon en zette haar den overwinnenden Richmond op het
hoofd, die door het leger als koning Hendrik VII begroet werd.—Des
avonds bracht een heraut van Richard, Blanc Sanglier, het naakte lijk
van zijn geweldigen meester, als een geveld stuk wild voor hem op het
paard hangende, de stad Leicester binnen, waar het in een klooster ter
aarde besteld werd.
V. 4. 7. Een paard! een paard! gansch England voor een paard! In ’t
Engelsch: A horse! a horse! my kingdom for a horse! In het andere stuk,
dat in 1594 werd uitgegeven (zie boven blz. 789) roept Richard
eveneens: A horse! a horse! a fresh horse! Het zou kunnen zijn, dat
deze uitroep Shakespeare heeft voorgezweefd, toen hij den diepen indruk
makenden regel schreef.—Iets anders schijnt hij aan het oudere stuk
niet ontleend te hebben.
V. 5. 29. O, mogen Richmond en Elizabeth, van beide huizen de
rechtmatige erven, enz. Ongetwijfeld was het aller wensch, dat de vrede
verzekerd werd door het huwelijk van Richmond en Edwards dochter
Elizabeth, waardoor de bloedige strijd der roode en der witte roos een
einde zou nemen. En zeker kon de dichter niet beter zijn stuk
besluiten, dan door dezen wensch den nieuwen koning in den mond te
leggen. Doch koning Hendrik VII Tudor stond, zooals de geschiedenis
leert, inderdaad zijn geheele leven de meening voor, dat hij krachtens
zijn eigen recht heerschte, en zijn aanspraken door zijn verbinding met
het huis van York niet versterkt waren, en verder dat zijn strijd met
Richard een godsgericht was geweest, welks uitspraak zijn recht op den
troon bezegeld had. Shakespeare veroorlooft zich dus hier een
dichterlijke vrijheid.