Shakespeare ontleende de stof voor zijn „Koning Richard III” aan de
kronieken van Hall en Holinshed; deze beide,—en wel voornamelijk de
eerste, want Holinshed heeft uit Hall geput,—gronden hun verhaal op Sir
Thomas More’s Tragical History of Richard III. More’s bron waren
mondelinge mededeelingen van John Morton, bisschop van Ely, die, zooals
ook in Sh.’s stuk vermeld wordt, de zijde van den hertog van Richmond
gekozen heeft. Dat het beeld, door More van Richard gegeven, zeer
donker gekleurd is, kan dus niet bevreemden. Maar het moge in
bijzonderheden onjuist, hier en daar verkeerd getint zijn, dat het in
grondtrekken niet gelijkend is, kan men daarom geenszins beweren. Aan
de gelijkenis van het door Hall geschetste beeld werd in Shakespeare’s
tijd ten minste niet getwijfeld, en ook de geschiedvorschers van den
lateren tijd erkennen, naar aanleiding van de karige berichten, die uit
deze schrikkelijke tijden tot ons gekomen zijn, dat Richard een vorst
was van grooten aanleg, doordrongen van eergierigheid en heerschzucht,
die zijn plannen met onverzettelijke geestkracht wist uit te voeren,
zonder zich door goddelijke of menschelijke wetten te laten weerhouden.
Dat Shakespeare bij de schepping van dit beeld des demonischen
dwingelands de aanwijzingen zijner kronieken over het algemeen getrouw
gevolgd heeft, zou door uitvoerige uittreksels kunnen blijken;
vooreerst zij het voldoende, het door een enkel voorbeeld te staven.
In de kroniek van Hall vindt men de volgende karakterschets van Richard
III:
„Richard, hertog van Gloster, was in geest en moed zijn’ broeders
Edward en George gelijk, maar stond in lichaamsschoon en trekken ver
bij beiden achter; want hij was klein van gestalte, slecht gevormd van
ledematen, krom van rug, zijn linkerschouder veel hooger dan de
rechter, met harde gelaatstrekken, wat men bij grooten een krijgshaftig
gelaat, en bij mindere personen een norsch gezicht noemt. Hij was
boosaardig, wraakzuchtig en afgunstig, en men verhaalt, dat zijn moeder
hem eerst na zwaren arbeid het leven geschonken had en dat hij met de
voeten vooruit ter wereld was gekomen, zooals de mensch uitgedragen
wordt, en zooals het gerucht loopt, niet zonder tanden. In hoeverre
zijn haters dit tegen de waarheid in hebben uitgestrooid, of wel de
natuur haar gang veranderd heeft bij den aanvang van hem, die in zijn
leven menige onnatuurlijke daad bedreef, laat ik aan Gods oordeel over.
Hij was geen slecht bevelhebber in den oorlog, waar zijn gezindheid
meer toe geneigd was dan tot den vrede. Verscheidene overwinningen had
hij en ettelijke nederlagen, maar deze nooit door de schuld van
hemzelf, wegens het ontbreken hetzij van moed hetzij van beleid. Ruim
was hij in zijn uitgaven en zelfs boven zijn vermogen mild; met groote
gaven verwierf hij onbestendige vriendschap, waartoe hij elders borgde,
plunderde of afperste, welk doen hem bestendigen haat verwierf. Hij was
gesloten en achterhoudend, een diep huichelaar, nederig in zijn
manieren, hoovaardig van harte, uitwendig vertrouwelijk als hij
inwendig haatte, nooit nalatend hem te kussen, dien hij van plan was te
dooden; onverzoenlijk en wreed, niet altijd uit boozen wil, maar vaak
uit eerzucht en om zijn doel te bereiken; vriend en vijand waren hem
onverschillig, wanneer zijn voordeel in het spel kwam; hij ontzag den
dood van geen mensch, wiens leven zijn plannen in den weg stond. Hij
versloeg in den Tower koning Hendrik VI, zeggende: „Nu is er geen
mannelijk erfgenaam van Edward III dan wij van het huis van York”,
welke moord begaan werd zonder toestemming van koning Edward die dit
slachterswerk eer aan een ander dan aan zijn eigen broeder zou hebben
opgedragen. Ettelijke wijze mannen gelooven, dat zijn drijven ook niet
ontbrak, om zijn eigen broeder Clarence den dood aan te doen, waar hij
zich naar allen schijn tegen verzette, hoewel hij er inwendig naar
streefde. En de grond hiervan was, zooals menschen, die zijn daden en
handelingen gadesloegen, opmerkten, dat hij reeds lang in koning
Edwards tijd er aan dacht, de kroon te erlangen, in geval de koning
zijn broeder, wiens leven, naar hij wachtte, door zijn losbandigheid
zou verkort worden, mocht komen te sterven, gelijk dan ook gebeurde,
terwijl zijn kinderen nog jong waren. En als dan de hertog van Clarence
nog leefde, zou zijn voorgenomen plan zeer gehinderd worden; want als
de hertog van Clarence trouw was gebleven aan zijn neef den jongen
koning, of zelf koning had willen worden, zou zoowel het een als het
ander een booze hinderpaal geweest zijn op den weg van den hertog van
Gloster; maar als hij zeker was, dat zijn broeder Clarence dood was,
wist hij, dat hij zonder zooveel te wagen aan het werk kon gaan. Maar
omtrent deze punten bestaat geen zekerheid, en wie raadt of gist, kan
evengoed te kort als te ver schieten; maar deze gissing kwam,—wat
zelden het geval is,—later uit, zooals gij in het vervolg vernemen
zult”.
Men ziet, dat Shakespeare de persoonlijkheid van Richard inderdaad
gevormd heeft naar de aanwijzingen der kroniek en ook verdere
bijzonderheden aan deze ontleend heeft. Om een geheel te scheppen heeft
de dichter natuurlijk de gebeurtenissen, die door eenige jaren afstands
gescheiden zijn, moeten samendringen. Het was in 1471, dat Hendrik VI
in den Tower vermoord werd gevonden,—men vergelijke de aanteekeningen
op „Koning Hendrik VI” en ook de geslachtslijst—en eerst omtrent twee
jaren later huwde Richard met Anna Nevil, vroeger bruid van prins
Edward, den bij Tewksbury verslagen zoon van Hendrik VI. De bestorming
van Anna door Richard aan Hendriks lijkbaar is een dichterlijke
vond.—Zij en Isabella Nevil, de gemalin van Clarence, waren de eenige
kinderen van den machtigen graaf van Warwick, die groote bezittingen
had nagelaten. Clarence zag, schoon zijn vrouw hem haar aandeel aan
haars vaders nalatenschap had aangebracht, het huwelijk van Richard met
de rijke Anna met leede oogen aan, en oneenigheid tusschen de beide
broeders was er het gevolg van. Dat Richard daarom naar den dood van
Clarence zou gestreefd hebben, is echter volstrekt onbewezen. Clarence
gaf zelf, na den dood zijner gemalin in 1476, aan koning Edward
aanleiding, dat deze hem in 1477 van hoogverraad beschuldigde; hij werd
gerechtelijk ter dood veroordeeld en stierf in Febr. 1478 in den Tower,
op welke wijze is onbekend; onder het volk werd weldra verteld, dat hij
in een vat malvezijwijn verdronken was, en later werd zijn dood aan
Richard van Gloster ten laste gelegd. Koning Edward overleefde hem ruim
vijf jaren en stierf in April 1483, na in zijn laatste ziekte getracht
te hebben een verzoening tot stand te brengen tusschen beide partijen,
die aan zijn hof elkander vijandig tegenover stonden, de verwanten der
koningin en den ouden adel. Na den dood van Edward IV volgden de in dit
stuk ten tooneele gevoerde gebeurtenissen snel op elkander. Nog in Mei
werden Rivers en zijn medestanders gevangen genomen, Richard tot
Protector en Defensor des rijks en voogd van den jongen koning benoemd;
lord Hastings werd 13 Juni gevangen genomen en terechtgesteld, Richard
26 Juni gekroond. In hetzelfde jaar stond Buckingham op; hij werd 2
Nov. 1483 onthoofd. In 1484 verloor Richard zijn eenigen wettigen
erfgenaam, zijn zoon Edward, prins van Wales, van wien door Shakespeare
geen gewag wordt gemaakt. In Maart 1485 stierf zijn vrouw Anna; op 1
Aug. van dit jaar landde Hendrik Richmond in Milfordhaven bij Pembroke
en op 22 Aug. sneuvelde Richard na manmoedigen strijd op het slagveld
bij Bosworth. Wat de door Sh. gebezigde kronieken van al deze
gebeurtenissen verhalen, behoeft hier niet te worden medegedeeld; op
enkele bijzonderheden zal in het vervolg dezer aanteekeningen gewezen
worden; over het geheel week hij weinig van de kronieken af.
Koning Richard III is zoozeer het onmiddellijk vervolg van de drie
deelen van Koning Hendrik VI, dat het stuk ongetwijfeld kort na deze
geschreven is; men mag vermoeden in 1593, misschien in 1594 of 1595.
Het stuk werd op 20 October 1597 in het register der boekhandelaars
ingeschreven en in dit jaar ook uitgegeven, onder den titel: The
Tragedy of King Richard the third. Containing, His treacherous Plots
against his brother Clarence: the pittiefull murther of his innocent
nephewes: his tyrannical usurpation: with the whole course of his
detested life, and most deserued death. As it hath beene lately Acted
by the Richt honourable the Lord Chamberlaine his Seruants. At London
Printed by Valentine Sims, for Andrew Wise, dwelling in Paulus
Churchyard, at the signe of the Angell. 1597.—Op deze eerste uitgave in
quarto volgde in 1598 een tweede, die op den titel den schrijver noemt:
By William Shake-speare, in 1602 een derde, die, evenals de volgende
quarto-uitgaven, van 1605, 1615 enz. op den titel de woorden Newly
augmented draagt; zij onderscheiden zich echter vooral door meer
drukfouten en onbeteekenende afwijkingen van de eerste; slechts op
enkele plaatsen zijn verbeteringen aangebracht. In de folio-uitgave van
Shakespeare’s dramatische werken, van 1623, draagt het stuk den titel:
The Tragedy of Richard the Third: with the Landing of Earle Richmond,
and the Battell at Bosworth Field; terwijl het in de bovenschriften der
bladzijden The Life and Death of Richard the Third genoemd wordt.
De eerste quarto-uitgave van „K. Richard III” onderscheidt zich gunstig
van de quarto-uitgaven der meeste andere stukken; de tekst is zeer
leesbaar, een groot verschil b.v. met dien der quarto-uitgave van
„Koning Lear,” waarover men de aanteekeningen op dit stuk nazie. Geen
wonder, dat de beide uitgaven, de eerste quarto en de folio, met alle
zorg vergeleken zijn, met name door Delius en Alexander Schmidt, zooals
men in het Shakespeare-Jahrbuch van 1872 en van 1880 kan vinden. Het
resultaat der onderzoekingen is het volgende: de echte tekst van
„Koning Richard III” wordt gegeven door de folio-uitgave. Aan dezen lag
een handschrift ten grondslag, dat wel niet het oorspronkelijke van
Shakespeare zal geweest zijn, maar toch zeker door afschrijven er van
gekregen was. Bij het afschrijven zijn ongetwijfeld fouten begaan, bij
het drukken eveneens, zoo zelfs, dat er enkele regels zijn weggevallen
maar het geheel is toch de eenig ware bron voor den tekst. De eerste
quarto-uitgave daarentegen is, gelijk bepaald door Alex Schmidt werd
aangetoond, ontstaan door het opschrijven van het stuk, als het
gespeeld werd; de nauwkeurige vergelijking der beide teksten maakt dit
hoogstwaarschijnlijk. Bij het verkort opschrijven bleven enkele woorden
achterwege en werden later ingevuld, of een woord werd met een of een
paar letters aangeduid en bij het overschrijven werd het door een
ander, dat even goed of bijna even goed in den zin paste, vervangen, in
plaats van een woord werd een ander verstaan, versregels werden door
het invoegen of weglaten van een minder wezenlijk woord bedorven, de
eene acteur werd voor den anderen aangezien, of er werd, als één acteur
in twee rollen optrad, niet behoorlijk onderscheiden, wie door hem
voorgesteld werd, een acteur sprak zijn rol niet geheel juist of voegde
er iets in, kortom, de tekst der quarto’s vertoont vele afwijkingen,
die alleen uit het haastig opteekenen van het gehoorde woord te
verklaren zijn. De uitgever heeft zich inderdaad moeite gegeven om een
draaglijken tekst te leveren en het in orde brengen van het handschrift
aan iemand opgedragen, die vrijwel voor zijn taak berekend was en
blijkbaar ook begrip van versbouw had, want men vindt verscheidene
verzen beter ingedeeld dan in de folio-uitgave; maar als de
snelschrijver woorden had uitgelaten of door andere vervangen, die de
maat van het vers storen, bleven de regels natuurlijk gebrekkig, en
zulke regels zijn er niet weinige; te meer op te merken, daar
Shakespeare in den tijd, waarin hij den Richard III schreef, zich
geenszins de vrijheden en onregelmatigheden in den versbouw
veroorloofde, die men in zijn latere werken opmerkt.—Bij den derden
druk wordt het stuk „opnieuw vermeerderd” genoemd; dit is eenvoudig
niet waar; maar er zijn toch hier en daar veranderingen aangebracht;
het blijkt, dat men, door nogmaals het spelen van het stuk bij te
wonen, getracht heeft verbeteringen aan te brengen; van tijd tot tijd
vindt men, voor de vroegere lezing der quarto’s, de echte der
folio-uitgave terug.
Is het als bewezen, ten minste als zeer waarschijnlijk te beschouwen,
dat de tekst der quarto-uitgaven door opschrijven van het gesproken
woord in den schouwburg ter sluiks verkregen is, dan kan zij ook niet
als de echte beschouwd worden en mag zij niet voor een uitgave van den
tekst ten grondslag worden gelegd, zooals dit geschied is door de
bezorgers der groote Cambridge-uitgave en der Globe-editie van Sh.’s
werken, Aldis en Wright, die aangaande het ontstaan van den tekst der
quarto-uitgave andere denkbeelden koesterden, waarvan de onjuistheid
uit de onderzoekingen van Delius en Alex. Schmidt voldingend gebleken
is. Bij de vertaling is daarom niet de tekst der Globe-editie ten
grondslag gelegd, maar een andere, welke zich aan die der folio-uitgave
houdt, zooals die van Delius of Knight.
Al is de tekst der quarto-editie op slinksche wijs verkregen en niet
als gezaghebbend te beschouwen, toch is zij van groot nut voor het
verkrijgen van een zuiveren tekst. De folio-uitgave munt niet door een
zorgvuldige correctie uit en het gebeurt meermalen, dat de
tooneelspelers blijken juist gesproken, de snelschrijvers juist
geschreven te hebben, waar de zetter der folio-uitgave verkeerd las of
spelde. In die gevallen doet de quarto-editie de ware lezing kennen.
Bij den druk der folio-uitgave zijn zelfs enkele regels door de
slordigheid van den zetter weggevallen, die uit de quarto’s weder
ingevoegd moeten worden.—Maar wij hebben meer aan de quarto’s te
danken: het begin van het derde bedrijf, namelijk reg. 1—166 van het
eerste tooneel, en een aanzienlijk deel van het vijfde bedrijf,
namelijk het geheele slot van het stuk van reg. 177, misschien reeds
van reg. 69 van het derde tooneel af, is zeker niet naar het
handschrift, maar,—een nauwkeurige vergelijking leert het,—naar de
derde quarto-uitgave, die van 1602, afgedrukt, waarbij de zetter nog
slordig genoeg was om twee en een halven regel, V. 3. 212—214 weg te
laten. Waarschijnlijk was het handschrift, dat zeker bij de
vertooningen veelvuldig dienst had gedaan, hier verminkt geraakt of
onleesbaar geworden. Dit is te meer te bejammeren, omdat zoowel van de
toespraak van Richmond tot zijn leger, V. 3 237, als van die van
Richard, V. 3. 314, het begin schijnt te ontbreken; misschien werden
zij bij het spelen door de acteurs ter bekorting,—niet altijd worden
kappingen met beleid gedaan,—in dien verminkten vorm voorgedragen. Want
de quarto-uitgave levert het stuk niet, zooals het geschreven, maar
zooals het in 1597 gespeeld werd en blijkbaar werd het toen reeds
bekort. De folio-uitgave bevat omtrent honderdentwintig regels meer;
eens, in het lange onderhoud tusschen Richard en Koningin Elizabeth, in
het vierde tooneel van het vierde bedrijf, ontbreken in de
quarto-uitgave zelfs vijfentwintig achtereenvolgende regels. Opmerking
verdient hierbij, dat verscheidene der ontbrekende regels, die ons
alleen in de folio-uitgave bewaard gebleven zijn, dit stuk als een
vervolg van „Koning Hendrik VI” kenschetsen en er mede verbinden. Men
mag hieruit afleiden, dat het toen reeds meer gegeven werd dan de
deelen van „K. Hendrik VI,” en daarom losgemaakt uit dit verband en als
zelfstandig stuk gespeeld, waarbij de bedoelde regels konden vervallen.
Maar dan was het zeker reeds eenigen tijd gespeeld; en dit bevestigt,
wat boven gezegd is, dat het in 1593, uiterlijk in 1594 of 1595 zal
geschreven zijn. Dat het langen tijd gaarne gezien werd, blijkt reeds
uit de herhaalde quarto-drukken; bovendien vindt men aangeteekend, dat
Henslowe, directeur van een tooneelgezelschap, in 1602 aan Ben Jonson
de som van tien pond betaalde voor een door hem te schrijven stuk
„Richard Bochelrug,”—Richard Croockback,—waardoor Henslowe zeker hoopte
met Sh.’s troep te kunnen mededingen.—Reeds vóór Sh. viel het onderwerp
in den smaak; in 1579 werd te Cambridge in St. Johns College een
Latijnsch stuk van Dr. Legge, Richardus Tertius, gespeeld en vond veel
bijval, en in 1594 verscheen: The True Tragedie of Richard the third:
Wherein is showne the death of Edward the fourth, with the smothering
of the two yoong Princes in the Tower: With a lamentable ende of Shores
wife, an example for all wicked women. And lastly, the coniunctoin and
ioyning of the two noble Houses, Lancaster and Yorke. As it was playd
by the Queens Maiesties Players. London Printed by Thomas Creede, and
are to be sold by William Barley etc 1594. Het zou kunnen zijn, dat dit
oudere stuk werd uitgegeven, toen Sh.’s stuk reeds gespeeld en
toegejuicht werd, in de hoop, dat velen deze ware tragedie voor het
nieuwe stuk zouden aanzien en des te eerder het boek koopen.
I. 1. 1. Nu werd de winter enz. De woorden: „zon van York” zinspelen op
het wapen der familie York, een door de wolken brekende zon; zie „3
Koning Hendrik VI” II. 2. 39.
I. 1. 14. Doch ik, geenszins gevormd enz. Men vergelijke „3 Koning
Hendrik VI”, V. 6. 78.
I. 1. 17. Dart’le, luchte nimfen. In ’t Engelsch: a wanton ambling
nymph. Ambling is het woord voor den telgang en beteekent hier
eenvoudig een vluggen, luchten gang, going smoothly. Het wordt ook wel
gebruikt voor een geaffecteerden gang, aangenomen om de aandacht te
trekken, doch hier behoeft men er die beteekenis niet aan te hechten.
I. 1. 56. Hem spelde een wich’laar, zegt hij, dat een G enz. Volgens
Holinshed was aan koning Edward voorspeld, dat een man, wiens naam met
G begon, voor zijn huis gevaarlijk zou worden, en meende hij, dat zijn
broeder George van Clarence er mee bedoeld werd; Gloster behoorde ten
tijde, dat Clarence gedood werd, tot de trouwste aanhangers des
konings. Dat Gloster de hand heeft gehad in George’s dood, was een
volksoverlevering, die door de geschiedenis niet gestaafd wordt.
I. 1. 73. Mejuffer Shore. De vrouw van een Londensch burger, met name
Shore, was langen tijd de bevoorrechte geliefde van koning Edward. Zij
was zeer schoon, vroolijk, bevallig en goedhartig; zij had grooten
invloed op den koning, maar bezigde dien enkel, om anderen te helpen,
niet tot eigen voordeel of tot verheffing der haren. In dit opzicht
verschilde zij zeer van de koningin, die dadelijk na haar huwelijk haar
broeders, zusters en haar zonen uit haar eerste huwelijk in rang liet
verhoogen en voordeelige huwelijken deed sluiten, wat den ouden adel
zeer in de oogen stak en groot ongenoegen wekte. Van Shore’s vrouw
spreken daarom de kronieken zonder bitterheid en beklagen haar zelfs,
omdat zij, die na ’s konings dood de geliefde van Hastings geworden
was, weldra, toen deze terechtgesteld was, openlijk boete moest doen en
in armoede verviel. Als Gloster een oogenblik later zegt, dat de koning
de versleten weeuw (zie „3 Koning Hendrik VI”, III. 2), zijn
vrouw,—vandaar in reg. 109 ook koning Edwards weeuw genoemd,—tot
edelvrouw sloeg, overdrijft hij, want koningin Elizabeth was van
adellijke geboorte en weduwe van een ridder. Wat Shore’s vrouw betreft,
deze werd nooit geadeld.
I. 1. 115. Ik maak u vrij of raak voor u in hecht’nis. In ’t Engelsch:
I will deliver you or else lie for you; of anders lig ikzelf voor u (in
den kerker). Het Engelsche to lie beteekent zoowel liggen als liegen;
meermalen maakt Sh. hiervan voor een woordspeling gebruik.
I. 1. 158. Een ander diep verholen doel. Inderdaad huwde Gloster Anna
ongetwijfeld om haar groote schatten; men vergelijke boven blz. 267,
waar ook reeds vermeld is, dat Gloster eerst lang na Hendriks dood Anna
huwde. Het volgend tooneel, het aanzoek aan Hendriks lijkbaar, is
geheel verdicht; historisch is alleen, dat het lijk van Hendrik VI,
nadat het in de Paulskerk ten toon had gelegen, eerst naar White
Friars, een deel van Londen, ten zuiden van Fleetstreet en ten oosten
van den Temple, gebracht werd en vervolgens naar het klooster Chertsey,
op drie mijlen afstands van de hoofdstad, om begraven te worden. Dit
tentoonleggen van gestorven vorsten in de kerken geschiedde in die
woeste tijden niet zoozeer om den doode eer te bewijzen, als wel om
iedereen van den dood zekerheid te geven en het optreden van
pretendenten te voorkomen.
I. 2. 5. Heil’gen koning. Hendrik VI was wegens zijn vroomheid bekend.
Hendrik VII heeft zelfs bij den paus moeite gedaan om hem heilig te
doen verklaren, maar de paus was van meening, dat zijn vroomheid nog
overtroffen werd door de beperktheid zijner geestvermogens.
I. 2. 28. Het door mijn jonge gade werd en u. Rampzalig door mijn
jongen gade, die stierf.—door u, die hem dooddet.
I. 2. 55. Des dooden Hendriks wonden....bloeden. Naar een overoud
volksgeloof begonnen de wonden van een verslagene te bloeden, als de
moordenaar het lijk naderde. Holinshed verhaalt, dat de wonden van
koning Hendrik weder begonnen te bloeden, toen men hem in de Paulskerk
tentoonlegde.
I. 2. 96. Doch uwe broeders sloegen ’t ras terzijde. Vergelijk „3
Koning Hendrik VI”, V 5 42.
I. 2. 151. O waren ’t basilisken. Naar ’t oude volksgeloof doodde de
blik van den basilisk.
I. 2. 156. Dien oogen, die nooit rouwetranen kenden. Deze en de
volgende elf regels, die op „Koning Hendrik VI” terugwijzen, worden in
de quarto-uitgaven gemist, ongetwijfeld wijl zij, toen „K. Richard III”
meer als zelfstandig stuk gespeeld werd, bij de vertooning werden
weggelaten; zie boven blz. 269.
I. 2. 203. Die aanneemt, geeft nog niet. In ’t Engelsch: To take is not
to give. In de folio-uitgave staat deze regel niet, die dus uit de
quarto-editie in den tekst is opgenomen. Het kan zeer wel zijn, dat hij
alleen door de slordigheid van den zetter ontbreekt, die juist hier nog
een andere fout beging en voor de woorden Vouchsafe to wear this
ring,—Draag deze ring van mij,—zeer ten onrechte de persoons-aanwijzing
Rich. wegliet, alsof zij evenals de vorige door Anna gesproken werden.
Het antwoord, dat zij, al nam zij Richards ring aan, hem er geen gaf en
er zich dus niet met hem verloofde, was zeker in haar omstandigheden
passend. Maar zij kon ook wel in haar verwarring geen woorden vinden en
zich stilzwijgend den ring aan den vinger laten steken, waarop Gloster,
haar hand nog vasthoudende, voortgaat: „Zie, hoe mijn ring om uwen
vinger sluit.” Het stomme spel van Anna kon ruimschoots de woorden, die
een laatste zwakke poging tot weerstand uitdrukken, vervangen. Het
vermoeden, dat de woorden onecht zijn, wordt nog eenigszins versterkt
door de bijzonderheid, dat in het voorafgaande al de gezegden, van Anna
en van Gloster, halve alexandrijnen zijn en dat dan op vijf volledige
regels een halve volgen zou. Deze bijzonderheid weegt ondertusschen
niet zwaar, omdat men ook zeer wel na de woorden: „Steek op uw zwaard,”
een pauze kan aannemen van een halven regel, zoodat met de woorden:
„Zeg dan, wij zijn verzoend,” een nieuwe regel zou beginnen en de
woordenwisseling met een volledigen alexandrijn sluiten. Het oordeel
over de echtheid of onechtheid van den regel zal dus verschillen,
naarmate men het zwijgen of spreken van Anna bij het aannemen van den
ring beter en poëtischer vindt. Zijn de woorden onecht, dan zijn zij
waarschijnlijk afkomstig van den tooneelspeler, die Anna
voorstelde.—Voor de spel-aanwijzing: Zij laat zich den ring aan den
vinger steken, vindt men in de Engelsche uitgaven: She puts on the
ring. Dat zij den ring niet zelf aan den vinger moet steken, maar
alleen kan dulden, dat Gloster het doet, zal ieder duidelijk zijn. De
spel-aanwijzing heeft niet het minste gezag en is eerst door Johnson
(1765) in den tekst gevoegd; zij moge dus voor de betere plaats maken,
die door Oechelhäuser in zijn Essay over Richard III (1868), opgenomen
in den derden band van het Shakespeare-Jahrbuch, aan de hand is gedaan.
I. 2. 213. Naar Crosbyhof. In de folio-uitgave staat Crosby-house, in
de quarto’s Crosby-place. Een prachtige woning in Londen, thans nog in
wezen, gebouwd door Sir John Crosby, een aanzienlijk burger, die in
1470 sheriff was. Dat Richard, die in de city veel aanhangers had, er
tijdelijk gewoond heeft, wordt door de geschiedenis vermeld.
I. 3. 17. Daar zijn de lords van Buckingham en Stanley. Hendrik
Stafford, hertog van Buckingham, was van koninklijken bloede, zoowel
van vaders- als van moederszijde, zie de geslachtslijst.—De edelman
Stanley wordt in de eerste bedrijven van dit stuk Derby, in het vierde
en vijfde bedrijf Stanley genoemd. In de meeste Engelsche uitgaven is,
naar Theobalds voorgang, „Derby” in Stanley veranderd. Dat dit voor de
duidelijkheid wenschelijk is, behoeft geen betoog, en in de vertaling
moest daarom de naam Stanley alleen gebezigd worden, die bovendien
juister is, want Stanley werd eerst bij de troonsbeklimming van Hendrik
VII tot graaf van Derby verheven. Shakespeare koos den naam Derby
waarschijnlijk, als in Engeland meer bekend.—Stanley was gehuwd met
Margaretha, vroeger weduwe van Edmond Tudor, graaf van Richmond, die
als zoon van Catharina van Frankrijk uit haar tweede huwelijk,
halfbroeder was van koning Hendrik VI. Zijzelve was de dochter van
Somerset, een kleinzoon van Jan van Gendt, en reeds daardoor jegens het
huis van York minder welwillend gezind. Haar zoon uit het eerste
huwelijk, Hendrik Richmond, had aanspraak op den troon, dien hij later
onder den naam van Hendrik VII Tudor beklom. Zie de geslachtslijst.—Het
bovenstaande verklaart het volgend zeggen van de koningin Elizabeth:
„Gravinne Richmond, enz.”
I. 3. 68. Deed u ontbieden. In het oorspronkelijke staat hier, in de
folio-uitgave, slechts één regel: Makes him to send, that he may learn
the ground: doet hem nu zenden om den grond te weten; in de
quarto-uitgave vindt men:
Makes him to send, that thereby he may gather
The ground of your ill-will, and so remove it.
In beide is de zinbouw onnauwkeurig hetzij door toevallige
onachtzaamheid van Sh., hetzij om de ontroering der koningin uit te
drukken, die vergeet, dat zij den zin met de woorden „De koning”
begonnen is.
I. 3. 81. Met gravenkronen enz. In ’t Engelsch vindt men hier een
woordspeling met ennoble, adelen, en noble, een rozenobel, een gouden
munt.
I. 3. 111. Dat kleine word’ nog minder. Deze verschijning van koningin
Margaretha,—zij komt op en verdwijnt als een spook,—is een
dichtersvond; na den slag bij Tewksbury werd zij een poos gevangen
gehouden en door haar vader Reignier vrijgekocht; na dien tijd betrad
zij Engelands grond niet weer. Zie blz. 208.
I. 3. 128. Voor het huis van Lancaster. In het derde deel van „K.
Hendrik VI”, III. 2. 8, beging Sh. de vergissing, den eersten man van
koningin Elizabeth, Sir John (niet Richard, ook dit is er onjuist) Grey
voor te stellen als aanhanger van het huis van York; hij streed voor
het huis Lancaster. Ook Elizabeth behoorde van geboorte tot die partij;
haar moeder was in eersten echt verbonden geweest met niemand minder
dan den hertog van Bedford, den broeder van koning Hendrik V. Dat de
verheffing harer familie tot hoogen rang de broeders van koning Edward
en de hooge aanhangers van het huis van York zeer verbitterde, laat
zich dus wel begrijpen, en Richard wist van die verbittering inderdaad
voor zijn plannen behendig gebruik te maken.
I. 3. 135. Zijn vader Warwick. Clarence’s afval van zijn schoonvader
Warwick komt voor in het derde deel van „K. Hendrik VI”, V. 1. 81.
I. 3. 228. Wroetend zwijn. Koningin Margaretha zinspeelt hier op den
ever, dien Richard in zijn wapen en op zijn standaard voerde. Aan Sh.
stond zeker het spotvers voor den geest: „De klacht van Collingbourne”,
dat onder koning Richard aan Collingbourne, die het gemaakt had, het
leven kostte, waarin de gewilligste aanhangers, of handlangers, van
Richard, namelijk Catesby, Ratcliff en Lovel met dieren werden
vergeleken. Het vers luidde:
The cat, the rat, and Lovell our dog
Do rule all England under a hog;
The crookback’d boar the way hath found
To root our roses from the ground.
Men kan dit aldus vertalen:
De kat, de rat, en Lovel de hond,
Besturen ’t rijk, met een zwijn in verbond,
Daar de boch’lige ever ’t middel vond
De rozen te wroeten uit Englands grond.
I. 4. 1. Hoe ziet uw hoogheid enz. In de folio-uitgave treedt, zooals
hier in acht is genomen, een gevangenbewaarder op, met wien Clarence
over zijn angsten spreekt; eerst later als Clarence slaapt komt de
commandant van den Tower, Sir Robert Brakenbury, op.—De quarto’s
vervangen den gevangenbewaarder dadelijk door Brakenbury. Men mag
vermoeden, dat de folio bewaard heeft wat Shakespeare geschreven heeft,
maar dat bij de opvoering meermalen de gevangenbewaarder door
Brakenbury vervangen werd. Dan werd reg. 66, waar de folio Ah keeper,
keeper heeft, gezegd O Brakenbury, zooals de quarto’s hebben; in reg.
73 hebben ondertusschen de quarto’s het woord keeper behouden.—Doch hoe
dit zij, de beschouwingen van Brakenbury, reg. 75—83, en dus ook de
„ongevoelde hersenschimmen,” unfelt imaginations, van reg. 80,
duidelijkheidshalve door „ongenoten hersenschimmen” teruggegeven,
hebben zeker geen betrekking op den droom van Clarence, maar op het
genot of bezit der vorsten, dat slechts in de verbeelding bestaat, dat
zij niet zinnelijk kunnen waarnemen, op het denkbeeldig genot van hun
vorstelijken rang.
I. 4. 266. Spreekt, wie van u. Dit vers en een drietal volgende worden
alleen in de folio-uitgave gevonden, maar staan er waarschijnlijk een
paar regels te vroeg; zij worden gewoonlijk verschikt, zooals Tyrwhitt
het eerst gedaan heeft en in de vertaling gevolgd is. Andere uitgevers
houden zich aan de quarto’s en laten ze weg.
II. 1. 7. Rivers en Hastings, reikt elkaar de hand. Holinshed verhaalt,
naar den voorgang van More, uitvoerig, hoe koning Edward, die zich
anders om de oneenigheden aan zijn hof weinig bekreund had, in zijn
laatste ziekte eendracht zocht te stichten, de vijandige edelen tot
zich riep en met name Dorset en Hastings overreedde elkander de hand te
reiken. Uit deze aanwijzingen heeft de dichter het groote twist- en dit
verzoeningstooneel (I. 3. en II. 1.) geschapen. Evenals het optreden
van koningin Margaretha, die in 1482 stierf, is het verband, waarin
Clarence’s dood hier voorkomt, een vinding des dichters.
II. 1. 67. En u, lord Woodville, en, lord Scales, ook u. Deze regel
komt in de quarto’s niet voor, wel in de folio; vele uitgevers, ook de
Globe-edition, laten hem weg. Is de regel echt, dan heeft Shakespeare
zich vergist, want Lord Rivers, Lord Woodville en Lord Scales zijn een
en dezelfde broeder der koningin, die door koning Edward IV aan de
rijke erfdochter van Lord Scales werd uitgehuwd en zoo den titel van
Lord Scales verkreeg.
II. 1. 95. Mijn vorst, een gunst enz. Schoon Clarence’s dood vijf jaren
vroeger voorviel, 1578, putte Sh. hier toch weder uit de kronieken.
Holinshed verhaalt, dat koning Edward later bitter berouw had over het
dooden van Clarence en vaak, als iemand om genade voor een misdadiger
smeekte, uitriep: „O ongelukkige broeder voor wiens leven niemand wilde
smeeken!”
II. 1. 133. Kom, Hastings, leid mij naar mijn slaapvertrek. Lord
Hastings was opperkamerheer en wordt daarom tot dezen dienst geroepen.
II. 2. 89. Kalm, lieve moeder enz. Deze regel en de elf volgende
ontbreken in de quarto’s.
II. 2. 121. Den jongen prins van Ludlow halen ga. Edward, de jonge
prins van Wales, bij den dood zijns vaders dertien jaar oud, werd op
het kasteel Ludlow in Wales opgevoed; men hoopte, dat zijn aanwezigheid
aldaar gunstig zou werken en de woeste Wallisers in toom houden.—Toen
Edward gestorven was, droeg de koningin-weduwe aan haar broeder op, den
prins naar Londen te brengen. Gloster zette Hastings en Buckingham,
beiden der koningin vijandig, aan, niet te dulden, dat de jonge koning
onder de voogdij kwam zijner bloedverwanten van moederszijde en wist de
koningin te overtuigen, dat het afhalen van den prins met een groote
krijgsmacht wantrouwen zou verraden jegens de edellieden, die zich pas
met de vrienden der koningin verzoend hadden, en hen verbitteren zou.
Toen hieraan gehoor gegeven was, reden Gloster en Buckingham, met
gewapenden, den prins te gemoet, namen Rivers, Grey en Vaughan gevangen
en zonden hen naar Pontrefact (Pomfret) onder voorwendsel, dat zij de
broeders van koning Edward naar het leven hadden gestaan; zij werden
weldra ter dood gebracht. Zoo berichten de kronieken, die Sh.
raadpleegde.—De regels 124—140 van dit tooneel, waarin een groot gevolg
ontraden wordt, ontbreken in de quarto’s.
II. 3. 42. Door hoog’ren aandrang enz. De gedachte van dezen zin en de
vermelding van het zwellen der wateren voor een storm vond Sh. in de
kroniek van Holinshed.—Daarin wordt de ongerustheid van edelen en
burgers, die op de straten samenstroomden, geschilderd; lord Hastings,
dien zij als vriend des vorigen konings kenden, wist hen gerust te
stellen met de verzekering, dat de gevangen edelen verraad hadden
beraamd en dat zij in hechtenis waren genomen, opdat hun zaak naar
behooren zou kunnen onderzocht worden. Nog meer werden zij
gerustgesteld, toen Edward V in Londen aankwam en zij zagen, hoe
Gloster hem met allen eerbied behandelde. Iedereen prees Gloster en hij
werd door den Staatsraad tot Lord Protector benoemd.