Een ander gedeelte van het veld.
Krijgsgedruisch. Koning Richard en Richmond komen op en gaan vechtend
heen.—Sein tot terugroeping en trompetgeschal. Dan komen op: Richmond,
Stanley met de kroon, verscheiden andere Lords, en troepen.
RICHMOND. Gode en uw zwaard zij dank, zeeghafte vrienden,
Ons is het slagveld en de bloedhond dood.
STANLEY. Schoon, dapp’re Richmond, hebt gij u gekweten!
Zie hier, dit lang geroofde koningskleinood
Heb ik aan ’t doode hoofd des snooden moord’naars
Ontrukt, om u de slapen mee te sieren;
Aanvaard het, draag het lang, hernieuw zijn glans!
RICHMOND. Gij, God hierboven, zeg hier „Amen” toe;—
Maar zeg mij, leeft de jonge George nog?
STANLEY. Hij leeft, in veiligheid, in Leicester, heer,
Waarheen, zoo ’t u behaagt, wij allen gaan.
RICHMOND. Wie vielen er, van naam, aan beide zijden?
STANLEY. Lord Walter Ferrers, hertog John van Norfolk,
Sir Robert Brakenbury, Sir William Brandon.
RICHMOND. Begraaft hen naar hun rang en hun geboorte.
Verkondt genade aan elk voortvluchtig krijger,
Die onderdanig tot ons wederkeert.
Dan willen wij de roode en witte roos,
Gelijk ik zwoer bij ’t sacrament, vereenen;—
De Hemel lach’ het toe, dit schoon verbond,
Die lang met donk’ren blik den krijg aanschouwde;— 21
Wie pleegt verraad en zegt hierop geen amen?
Lang sneed dolzinnig Eng’land zich in ’t vleesch;
Blind stortte lang de broeder ’s broeders bloed;
Woest werd de vader moord’naar van zijn zoon,
De zoon, uit noodweer, slachter van zijn vader;
’t Werd al verdeeld door York en Lancaster,
Door gruwzame verdeeldheid zelf verdeeld.—
O, mogen Richmond en Elizabeth,
Van beide huizen de rechtmatige erven,
Zich nu vereenen door Gods wijs bestel!
En moog’ hun kroost,—zoo gij, o God, dit wilt,—
De toekomst met een zoeten vrede zeeg’nen,
Met dagen van geluk en rijken bloei!
Verstomp, genadig God, het zwaard der boozen,
Wier wensch is, zulke dagen te doen keeren,
Waarin arm Eng’land weent met stroomen bloeds!
Hij sterve en hebb’ geen deel aan Eng’lands zegen,
Die aan den vrede zwart verraad wil plegen!
De twist is dood, en vreê voegt allen samen;
Lang leev’ die hier, en gij, o God, zeg Amen!
(Allen af.)