DERDE BODE. Het groote leger, heer, van Buckingham—

KONING RICHARD. Van hier, gij uilen! niets dan doodsgekras?

(Hij geeft den Bode een slag.)

Neem dit, tot gij mij beet’re tijding brengt.

DERDE BODE. De tijding, die ik aan uwe hoogheid meld,

Is, dat door watervloed en zware regens

Het heer van Buckingham verspreid, verstrooid is,

En dat hijzelf, alleen, een wijkplaats zocht,

Waarheen, weet niemand.

KONING RICHARD. O, vergeef mijn drift;

Daar is mijn beurs tot heeling van uw slag.

Heeft niet een kloeke vriend een goede som

Voor ’t vangen des verraders uitgeloofd?

DERDE BODE. Die is onmidd’lijk uitgeloofd, mijn vorst.

(Een vierde Bode komt op.)

VIERDE BODE. Sir Thomas Lovel en lord Dorset staan

Te velde in Yorkshire, zegt men, edel vorst;

Doch dezen goeden troost breng ik uw hoogheid:

De storm heeft de Bretagner vloot verstrooid;

In Dorsetshire liet Richmond door een boot

De lieden, die het strand bezetten, vragen,

Of zij hem helpen zouden, ja of neen.

Zij kwamen, was ’t bescheid, van Buckingham,

En tot zijn bijstand; doch, hen niet vertrouwend,

Heesch hij de zeilen, naar Bretagne steev’nend.

KONING RICHARD. Op, voortgerukt! wij zijn geheel gereed;

Gelde ook de strijd geen buitenlandschen vijand,

Gefnuikt zij iedere opstand binnenslands.

(Catesby komt op.)

CATESBY. Gevangen, heer, is hertog Buckingham;

Dit is de beste tijding. Dat graaf Richmond

Met groote macht te Milford is geland,

Klinkt minder goed, doch ’t melden is mij plicht.

KONING RICHARD. Op dan, naar Salisbury! terwijl wij praten,

Waar’ de uitkomst van een koningsslag beslist.—

Een uwer zorg’ voor Buckingham’s vervoer

Naar Salisbury; gij and’ren trekt met mij.

(Allen af.)

Koning Richard de Derde · 第 65 / 82 题