Een vertrek in lord Stanley’s huis.
Lord Stanley en broeder Christopher Urswick komen op.
STANLEY. Vriend Christopher, zeg Richmond dit van mij:—
In ’t kot van dien bloedgier’gen ever is
Mijn zoon, mijn George, in hecht’nis, ingesperd;
En val ik af, dan valt ook George’s hoofd.
Die vrees alleen vertraagt alsnog mijn bijstand.
Maar ga thans, breng uw heer mijn groet, en tevens
’t Besluit der koningin, die gaarne toestemt,
Dat hij Elizabeth, haar dochter, huwt.
Doch zeg mij, waar is de eed’le Richmond thans?
CHRISTOPHER. Te Pembroke, of te Harford-West, in Wales.
STANLEY. En welke mannen van gewicht zijn bij hem?
CHRISTOPHER. Sir Walter Herbert, groot van naam als krijger,
Sir Gilbert Talbot en Sir William Stanley,
Oxford, geduchte Pembroke, Sir James Blunt,
En Rice ap Thomas, met een kloeke schaar,
En velen nog van grooten roep en waarde;
Naar Londen richten zij hun legermacht,
Zoo ’t niet reeds onderweg tot strijden komt.
STANLEY. Nu, spoed u naar uw heer; ik kus zijn hand;
Mijn schrijven geeft hem blijk van mijn gezindheid.
Vaarwel.
(Hij geeft hem brieven.—Beiden af.)