KONINGIN ELIZABETH. Gods krenking is de zwaarste.
Hadt gij geschuwd een eed bij hem te breken,
Die eendracht, die de vorst, uw broeder, stichtte,
Ware onverstoord, mijn broeder leefde nog.
Hadt gij geschuwd een eed bij hem te breken,
Het koningsgoud, dat thans uw hoofd omspant
Het sierde nu mijn kind de teed’re slapen;
En beide prinsen waren aad’mend hier,
Die nu, in ’t stof twee teed’re bedgenooten,
Der wormen buit door uwe trouwbreuk zijn.
Waar kunt gij nog bij zweren?
KONING RICHARD. Bij de toekomst.
KONINGIN ELIZABETH. Die hebt gij in ’t verleden reeds gekrenkt.
In tranen moet ik zelf de toekomst wasschen,
Om dat voor u zoo diep gekrenkt verleden.
Hoe menig kind, wier ouders gij vermoorddet,
Leeft zonder tucht, en zal dit, oud, bejamm’ren!
Hoe menig ouder, die zijn kroost zag slachten,
Als dorre stam, en zal dit, oud, bejamm’ren!
Zweer bij de toekomst niet; zij is ontwijd
Door uw verleden, boos besteden tijd. 396
KONING RICHARD. Zoo waar ’t mij rouwt en ik geluk begeer,
Zoo waarlijk slage ik in het hach’lijk spel
Des feilen krijgs!—Verderve ikzelf mijzelven!
Geen blijde stond gunn’ God mij of ’t geluk!
Onthoud mij, dag, uw licht, gij, nacht, uw rust!
Bestrijdt, gij heilgesternten, al mijn doen,
Indien ik niet, met echte trouw des harten,
Met vlekk’looze’ eerbied, heilige gedachten,
Naar uwe schoone vorstendochter ding!
Op haar berust heel mijn en uw geluk,—
En zonder haar volgt voor mijzelf en u,
Voor haar, dit land en meen’ge christenziel,
Dood, ondergang, verderf, vernietiging.
Het is niet af te wenden, enkel zoo;
Het wordt niet afgewend dan enkel zoo.
Dus, lieve moeder,—zoo moet ik u noemen,—
Wees zaakverzorgster mijner liefde. Stel
Haar voor, wat ik zijn wil, niet wat ik was,
Niet wat ik heb verdiend, maar zal verdienen;
Leg nadruk op den stand en eisch des tijds,
En wees bij groote plannen niet kleingeestig.
KONINGIN ELIZABETH. Hoe! mag de duivel mij aldus verzoeken?
KONING RICHARD. Ja, zoo de duivel u verzoekt ten goede.
KONINGIN ELIZABETH. Mag ik mijzelf en wie ik ben vergeten?
KONING RICHARD. Ja, zoo het denken aan uzelf u schaadt.
KONINGIN ELIZABETH. Maar toch,—gij bracht mijn kind’ren om.
KONING RICHARD. In uwer dochter schoot begraaf ik hen;
Daar, in dat feniksnest, verwekken zij
Op nieuw zichzelf, tot nieuwen troost voor u.
KONINGIN ELIZABETH. Moet ik mijn dochter voor uw wensch gaan winnen?
KONING RICHARD. En door dat doen weer blijde moeder zijn.
KONINGIN ELIZABETH. Ik ga;—zend spoedig mij een schrijven toe,
En ìk meld u, hoe zij er over denkt.
KONING RICHARD. Breng haar mijn kus vol liefde, en nu vaarwel!
(Hij kust haar. Koningin Elizabeth af.)
Toegeeflijk dwaashoofd! wank’le zwakke vrouw!
(Ratcliff komt op, gevolgd door Catesby.)
Wat nu? wat meldt gij?
RATCLIFF. Grootmachtig heer en vorst, een sterke vloot
Kruist op de westkust; naar het zeestrand vloeien,
Ja, vrienden, maar holhartig, onbetrouwbaar,
En wapenloos, tot afslaan niet besloten.
Er wordt vermoed, dat Richmond vlootvoogd is;
Zij dobb’ren daar en wachten slechts de hulp
Van Buckingham om voet aan wal te zetten.
KONING RICHARD. Een wakk’re vriend ijl’ vlug tot hertog Norfolk;—
440
Gij Ratcliff,—ja, of Catesby; waar is Catesby?
CATESBY. Hier, beste Heer.
KONING RICHARD. Vlieg naar den hertog, Catesby.
CATESBY. Terstond, mijn vorst, met allen denkb’ren spoed.
KONING RICHARD. Ratcliff, kom hier; gij jaagt naar Salisbury;
Als gij daar aankomt,—(Tot Catesby.) Domme, trage vlegel,
Wat toeft gij hier en ijlt niet tot den hertog?
CATESBY. Doorluchtig heer, gelief mij eerst te melden,
Wat last ik van uw hoogheid brengen moet.
KONING RICHARD. ’t Is waar, mijn goede Catesby;—daad’lijk breng’ hij
De grootste macht te zamen, die hij kan,
En koom’ terstond tot mij naar Salisbury.
CATESBY. Ik ga.
(Catesby af.)
RATCLIFF. En wat doe ik in Salisbury, mijn vorst?
KONING RICHARD. Wel, wat zoudt gij er doen, voor ik er ben?
RATCLIFF. Ik moest, mijn vorst, er vóór u heen, met spoed.
(Stanley komt op.)
KONING RICHARD. ’k Heb mij bedacht.—Gij, Stanley, spreek, wat meldt
gij?
STANLEY. ’t Is heer, zoo goed niet, dat gij ’t gaarne hoort,
Maar ook zoo slecht niet of het is te melden.
KONING RICHARD. Zie eens, een raadsel! ’t is nòch goed nòch slecht?
Wat loopt gij zooveel mijlen om en rond,
En gaat niet recht naar ’t doel en meldt uw nieuws?
Nog eens, wat is er?
STANLEY. Richmond is op zee.
KONING RICHARD. Dat hij er zinke en hem de zee bedekke!
Die laffe vagebond, wat doet hij daar?
STANLEY. Ik weet het niet, mijn vorst, en kan slechts gissen.
KONING RICHARD. Wat gist gij dan?
STANLEY. Gestijfd door Dorset, Buckingham en Ely,
Komt hij naar Eng’land en verlangt de kroon.
KONING RICHARD. Is dan de troon ontruimd? het zwaard gebroken?
470
De koning dood? het koninkrijk verweesd?
Wie anders is York’s erfgenaam, dan ik?
Wie anders koning, dan York’s erfgenaam?
Spreek, zeg mij nu, waartoe is hij op zee?
STANLEY. Is ’t hierom niet, mijn vorst, dan weet ik ’t niet.
KONING RICHARD. Is ’t hierom niet, dat hij uw koning worde,
Dan weet gij niet, waartoe die schooier komt.
Uw plan is vlucht tot hem, is afval, vrees ik.
STANLEY. Neen, beste vorst; daarom; mistrouw mij niet.
KONING RICHARD. Waar is uw volk dan, om hem af te slaan?
Waar zijn uw onderhoor’gen, uw vazallen?
Niet waar, zij zijn in ’t westen, op de kust,
En dekken daar de ontscheping der rebellen?
STANLEY. Neen, beste vorst, mijn vrienden staan in ’t noorden.
KONING RICHARD. Uw vrienden, koud voor mij! wat doen ze in ’t noorden,
Terwijl hun vorst in ’t westen hen behoeft?
STANLEY. Zij werden niet ontboden, machtig koning.
Gelieft uw hoogheid oorlof mij te geven,
Dan monster ik mijn volk en kom tot u,
Zoodra en waar uw hoogheid het verlangt.
KONING RICHARD. Ja, ja, weg wilt ge, en u bij Richmond voegen;
Maar ik vertrouw u niet.
STANLEY. Grootmachtig vorst,
Gij hebt geen grond om aan mijn trouw te twijf’len.
Nooit was ik valsch, en zal het nimmer zijn.
KONING RICHARD. Ga dan en monster volk; maar laat uw zoon,
Uw George, hier; zorg, dat uw hart niet wanke,
Want anders staat zijn hoofd niet al te vast.
STANLEY. Behandel hem, zooals mijn trouw u blijkt.
(Stanley af.)
(Een bode komt op.)
BODE. Genadig heer en vorst, in Devonshire
Staan, naar ik zeker van mijn vrienden hoor,
Sir Edward Courtney en de trotsche kerkvoogd,
Bisschop van Exeter, zijn oudste broeder,
Met vele bondgenooten, in het veld.
(Een tweede Bode komt op.)
TWEEDE BODE. In Kent, heer, staan de Guildfords in de waap’nen;
En dien rebellen stroomen uur op uur
Meer medehelpers toe; hun macht wordt sterk.
(Een derde Bode komt op.)