KONINGIN ELIZABETH. Ik heb geen koningszoons ter slachting meer,
En mijne dochters, Richard, zullen bidden
Als nonnen, niet als koninginnen weenen;
En daarom kies haar leven niet tot wit.
KONING RICHARD. Een dochter hebt ge, Elizabeth bij name,
Schoon, deugdrijk, waardig koningin te zijn.
KONINGIN ELIZABETH. En brengt haar dit den dood? O, laat haar leven;
’k Wil zelf haar deugden, al haar schoon verderven,
Mijzelve, als Edwards bed ontrouw, belast’ren,
Den sluier der onteering op haar werpen;
’k Wil, zoo de moord haar leven slechts ontziet,
Verklaren: Edwards bloed is ’t hare niet.
KONING RICHARD. Ontzie haar bloed; zij is een koningskind.
KONINGIN ELIZABETH. Dit wil ik looch’nen, red ik zoo haar leven.
KONING RICHARD. Haar bloed is ’t, wat het best haar leven hoedt.
KONINGIN ELIZABETH. Die hoede was ’t, waarom haar broeders stierven.
KONING RICHARD. Een booze ster beheerschte hun geboorte.
KONINGIN ELIZABETH. Hun leven, neen, beheerschten booze vrienden.
KONING RICHARD. Niet af te wenden is de wil van ’t lot.
KONINGIN ELIZABETH. Zoo ’t lot berust bij wie van God zich wendden.
Een schooner dood waar’ mijn kind’ren lot,
Had God met schooner leven u gezegend.
KONING RICHARD. ’t Is, alsof ik uw schapen ’t leven nam.
KONINGIN ELIZABETH. Ja, herder, gij ontnaamt dien lamm’ren alles,
Geluk en kroon, verwanten, vrijheid, leven.
Wiens hand hun teed’re harten hebb’ gespietst,
Uw hoofd gaf in ’t geheim de richting aan.
Voorzeker, ’t moordend mes was bot en stomp,
Totdat het, op uw kiezelhart gewet,
In de ingewanden van mijn lamm’ren woelde.
Wierd door gewoonte wilde smart niet mak,
Ik zou mijn knaapjes voor uw oor niet noemen,
Dan met mijn nagels ank’rend in uw oogen,
En zoo, in zulk een baai van wissen dood,
Gelijk een boot, beroofd van zeil en want,
Mij op de rots verplett’rend van uw borst.
KONING RICHARD. Zoo waarlijk, vrouwe, krone mij ’t geluk 235
Bij ’t bloedig wapenspel van dezen krijgstocht,
Als ik aan u en de uwen goed wil doen,
Meer dan ik u en de uwen leed deed lijden!
KONINGIN ELIZABETH. Wat goed, door ’s hemels aangezicht bedekt,
Is nog te ontdekken, dat mij goed kan doen?
KONING RICHARD. Verhooging van uw kind’ren, eed’le vrouwe.
KONINGIN ELIZABETH. O, op ’t schavot, om ’t hoofd er te verliezen?
KONING RICHARD. Neen, tot den hoogsten trap van rang en eer,
Het hooge heerschersmerk van aardsche grootheid.
KONINGIN ELIZABETH. Zoo meld het mij en vlei aldus mijn smart;
En zeg, wat rang, wat eer, wat waardigheid
Kunt gij aan een van mijne kind’ren schenken?
KONING RICHARD. Al wat het mijne is, ja mijzelven, alles;
Dit zij mijn gave aan een van uwe kind’ren,
Zoo ge in de Lethe van uw toornend hart
De droevige overpeinzing wilt verdrinken
Van ’t leed, dat ik naar uwen waan u bracht.
KONINGIN ELIZABETH. Wees kort, opdat de ontvouwing van uw weldaad
Niet langer dure dan uw weldoen zelf.
KONING RICHARD. Zoo weet: ik min tot stervens toe uw dochter.
KONINGIN ELIZABETH. Mijn dochters moeder denkt: tot stervens toe.
KONING RICHARD. Wat denkt gij dan?
KONINGIN ELIZABETH. Dat gij tot stervens toe mijn dochter mint;
Zoo mindet gij tot stervens toe haar broeders,
En hiervoor dank ik u tot stervens toe.
KONING RICHARD. Misduid mijn meening niet door uwe drift;
Ik meen: tot stervens toe min ik uw dochter,
En wil haar koningin doen zijn van Eng’land.
KONINGIN ELIZABETH. En wie dan, wilt gij, zal haar koning zijn?
KONING RICHARD. Die haar tot koningin verheft, wie anders?
KONINGIN ELIZABETH. Wat, gij?
KONING RICHARD. Ikzelf, en wat denkt gij er van?
KONINGIN ELIZABETH. En hoe wilt gij haar winnen?
KONING RICHARD. Hiertoe vraag ik
Van u thans raad: gij kent het best haar aard.
KONINGIN ELIZABETH. En dus, gij wenscht mijn raad?