VIERDE TOONEEL.

Voor den Tower.

Koningin Margaretha komt op.

KONINGIN MARGARETHA. Zoo, nu toch wordt de voorspoed overrijp,

En valt ras in den rotten muil des doods.

Ik heb in deze streken sluw geloerd,

Het tanen mijner vijanden bespied.

Een gruw’lijk voorspel zie ik opgevoerd,

En wil naar Frankrijk, hopend, dat, wat volgt,

Niet minder bitter, zwart en tragisch blijk’!

Ter zijde, onzaal’ge Margareet; wie komt daar?

(Zij gaat ter zijde.)

(Koningin Elizabeth en de Hertogin van York komen op.)

KONINGIN ELIZABETH. Mijn arme prinsen! ach mijn teed’re knapen!

O onontloken bloemen, geur’ge knoppen!

Indien, door eeuw’ge kluisters niet bekneld,

Uw lieve zielen door het luchtruim waren,

Zoo zweeft nu op uw luchtwiek om mij heen,

En hoort de weeklacht uwer moeder aan!

KONINGIN MARGARETHA (ter zijde.) Omzweeft haar, zeggend: „Recht om

recht”; dit bracht

Uw jongen daag’raad dood en eeuw’ge nacht.

HERTOGIN. Zoo meen’ge ellende brak alreeds mijn stem,

Dat mijn van jammer moede tong verstomde;—

Edward Plantagenet, waartoe uw dood? 19

KONINGIN MARGARETHA (ter zijde). Plantagenet boet voor Plantagenet,

Edward voor Edwards dood naar recht en wet.

KONINGIN ELIZABETH. Wijkt gij, o God, van zulke teed’re lamm’ren,

En werpt hen in de kaken van den wolf?

Riep zulk een moord ooit vrucht’loos tot uw troon?

KONINGIN MARGARETHA (ter zijde). Toen Hendrik stierf en mijn geliefde

zoon.

HERTOGIN. Dood leven, blind gezicht, gij schim, die leeft,

Weeschouwspel, smaad der aard, aan ’t graf door ’t leven

Onthouden, kort begrip van lange smart,

Uw onrust ruste op Eng’lands trouwen grond,

Trouwloos gedrenkt, verzaad van schuldloos bloed!

(Zij zet zich neder.)

KONINGIN ELIZABETH. O, wildet gij zoo ras me een graf verstrekken,

Als gij me een weemoedvollen zetel biedt,

’k Zou mijn gebeent’ hier bergen, niet doen rusten!

O, wie heeft grond tot treuren, buiten ons?

(Zij zet zich nevens haar.)

KONINGIN MARGARETHA (te voorschijn tredend). Zoo ’t oudste leed het

meest eerwaardig is,

Zoo gunt aan ’t mijne ’t recht van de’ ouderdom,

En aan mijn somb’re smart den eere zetel.

(Zij zet zich tusschen haar.)

Als leed gezelschap duldt, zoo tel op nieuw

Uw weeën door ’t aanschouwen van de mijne:—

Ik had een Edward, tot hem Richard doodde;

Ik had een Hendrik, tot hem Richard doodde;

Gij hadt een Edward, tot hem Richard doodde;

Gij hadt een Richard, tot hem Richard doodde.

HERTOGIN. Ik had een Richard ook, tot gij hem dooddet;

Ik had een Rutland ook; gij hielpt hem dooden.

KONINGIN MARGARETHA. Gij hadt een Clarence ook, dien Richard doodde.

Aan de spelonk van uwen schoot ontwrong zich

Een helhond, die ons allen jaagt, ten doode;

Dien hond, die eer dan oogen tanden had

Tot lamm’renmoord en ’t lepp’ren van hun bloed,—

Dien boozen schender van Gods handenwerk,

Der wereld stouten aartstyran, die troont

In oogen, stuk gewreven, dof van ’t weenen,—

Dien slaakte uw schoot, om ons naar ’t graf te drijven.—

O, alvergelder, o rechtvaardig God,

Hoe dank ik u, dat dit bloeddorstig ondier

Op ’t lijflijk kroost nu van zijn moeder aast,

Aan and’rer weeklacht hare klachten paart!

HERTOGIN. O Hendriks gade, juich niet in mijn wee;

Getuige ’t God, ik heb geweend om ’t uwe.

KONINGIN MARGARETHA. Vergeef het mij: mij hongert steeds naar wraak,

En nu verzaad ik mij door ze aan te zien.

Uw Edward stierf, die mijnen Edward doodde;

Uw andere Edward stierf, voor mijnen Edward;

De kleine York is toegift, wijl die twee

Mijns dooden hooge waarde niet bereikten. 66

Uw Clarence stierf, die mijnen Edward doodde;

En zij, die dit dolzinnig werk aanschouwden,

De echtbreker Hastings, Rivers, Vaughan, Grey,

Zijn voor hun tijd versmoord in ’t donker graf.

Slechts Richard leeft, der helle zwarte speurhond,

Gespaard, opdat hij haar als maak’laar zielen

Inkoop’ en toezend’, maar welras, welras,

Genaakt zijn eind, beklaag’lijk, onbeklaagd;

De aard gaapt, de hel vlamt op, de duiv’len brullen,

De heil’gen bidden: „Plots’ling vaar’ hij heen!”

Verscheur zijn levensbrief, o God! dit smeek ik,

Dat ik ’t beleve en zegg’: „De hond is dood!”

KONINGIN ELIZABETH. Gij hebt voorspeld, ja, eenmaal wenschte ik nog

U naast mij, om mij die gezwollen giftspin,

Die booze bultpad mee te helpen vloeken.

KONINGIN MARGARETHA. Ik noemde u ijd’len glans van mijne grootheid,

Een vorstenbeeltnis, een armzaalge schim,

Een flauwe spieg’ling van wat ik eens was,

Het lokkend voorspel van een schrikvertooning,

Een, hoog verheven voor een diepen val,

Een moeder, met twee schoone zoons bedot,

Een droom van wat gij waart, een bonte vlag,

Om ’t doel te zijn van ieder dreigend schot,

Een glanzend schild, een ademtocht, een zeepbel,

Strookoningin, slechts om ’t tooneel te vullen.

Waar is uw gade thans? waar zijn uw broeders?

Waar uw twee zonen? waar thans uw geluk?

Wie smeekt en knielt en zegt: „Heil, koningin”?

Waar zijn uw vleiers, die gebogen pairs?

Waar is die dichte stoet, die u omgaf?

Houd dit u voor, en vraag: Wat ben ìk nu?

Voor fiere gade,—diepgebogen weduw;

Voor blijde moeder,—jamm’rend om dien naam;

Voor toegesmeekte,—zelve need’rig smeekend;

Voor koningin,—met ramp gekroonde schooister;

Voor een, vol hoon voor mij,—door mij gehoond;

Voor een, gevreesd van elk,—vol vrees voor één;

Voor algebiedend,—door niet één gehoorzaamd.

Zoo is de loop van ’t recht geheel gedraaid,

En laat u aan den tijd geheel ten prooi;

U bleef slechts de gedachte aan wat gij waart,

Die dubbel kwelt, wijl gìj zijt wàt gij zijt.

Mijn plaats naamt gij voor u;—en naamt gij niet

’t Gerechte deel voor u van mijnen rouw?

Half draagt uw trotsche nek alsnu mijn juk;

Doch hier wring ik het moede hoofd er uit

En laat zijn last in al zijn zwaarte op u.

(Zij rijst op.)

Vaarwel, York’s gade, koningin der smart;

In Frankrijk laav’ dit Engelsch wee mijn hart!

(Koningin Elizabeth en de Hertogin van York rijzen op.)

KONINGIN ELIZABETH. O gij, in ’t vloeken meesteres, o toef,

En leer ook mij, mijn vijanden te vloeken! 117

KONINGIN MARGARETHA. Ontzeg u ’s nachts den slaap, en vast bij dag;

Stel naast uw levend wee uw dood geluk;

Denk uwe kinderen schooner dan zij waren,

En die hen moordde, snooder dan hij is;

Vergroot uw smaad, dit zal uw haat vermeêren,

En ’t eeuwig wrokken zal u vloeken leeren.

KONINGIN ELIZABETH. Mijn taal is stomp; o, dat haar de uwe scherpe!

KONINGIN MARGARETHA. Haar wette uw leed, tot ze als de mijne snerpe!

(Koningin Margaretha af.)

HERTOGIN. Waarom moet jammer rijk in woorden zijn?

KONINGIN ELIZABETH. Wind-pleitbezorgers van het leed, hun klager,

Lucht-erven zijn ’t van arm gestorven vreugd,

Zucht-reed’naars zijn ’t van namelooze ellend!

Maar geef hun lucht; al kunnen ze ook de smart

Niet delgen, toch verlichten zij het hart.

HERTOGIN. Is ’t zoo, dan geen bedwang; maar kom, ga mede

En smoren we in een storm van bitt’re woorden

Mijn vloekb’ren zoon, die uw twee kleinen smoorde!

(Trompetgeschal achter het tooneel.)

’t Is zijn trompet; kom, geef uw woede lucht!

(Koning Richard komt op, met marcheerende troepen.)

KONING RICHARD. Wie treedt mij te gemoet en stremt mijn tocht?

HERTOGIN. Zij, die voor goed uw loop had kunnen stremmen,

De slachtersdaden, schurk, die gij volbracht,

Door u te worgen in haar onheilsschoot.

KONINGIN ELIZABETH. Omhult gij ’t voorhoofd met een gouden kroon,

Waar, zoo recht recht was, ingebrand moest zijn

De moord der prinsen, wien die kroon behoorde,

En mijner zoons en broeders gruweldood?

Spreek! zeg mij, lage slaaf, waar zijn mijn kind’ren?

HERTOGIN. Gij pad, gij pad, waar is uw broeder Clarence,

En Ned Plantagenet, zijn kleine zoon?

KONINGIN ELIZABETH. Waar is de wakk’re Rivers, Vaughan, Grey?

HERTOGIN. Waar is de goede Hastings?

KONING RICHARD. Trompetten, schalt, en trommen, slaat alarm!

De hemel hoore ’t niet, hoe die klappeien

Hier Gods gezalfde last’ren. Trommelt, zeg ik!—

(Trompetgeschal, Tromgeroffel.)

Weest kalm, gij beiden, spreekt mij vleiend toe,

Of in het woeste krijgsrumoer versmoor ik

Aldus de kreten van uw woeste drift. 153

HERTOGIN. Zijt gij mij zoon?

KONING RICHARD. Ja, dank zij Gode en u en mijnen vader.

HERTOGIN. Zoo hoor mijn ongeduld geduldig aan.

KONING RICHARD. Ik heb dien trek van uw geaardheid, moeder,

Dat ik den toon van fel verwijt niet duld.

HERTOGIN. O, laat mij spreken!

KONING RICHARD. ’t Zij; ik hoor niet toe.

HERTOGIN. ’k Wil in mijn woorden zacht en vriend’lijk zijn.

KONING RICHARD. En, lieve moeder, kort, want ik heb haast.

HERTOGIN. Gij zooveel haast? ik heb op u gewacht,

Bij God, in mart’ling en in angst des doods.

KONING RICHARD. En kwam ik niet in ’t eind om u te troosten?

HERTOGIN. Neen, bij het heilig kruis, gij weet te wel,

Sinds gij op aard zijt, werd mij de aard een hel.

Zwaar, schier ondraaglijk was mij uw geboorte

Uw kindsheid was weerbarstig en vol luim;

Uw schooltijd wild en woest, verschrikkend, roekloos;

Uw jong’lingschap vermetel, stout en waagziek;

Uw rijper leeftijd trotsch, fijn, sluw, bloeddorstig,

Min woest, maar boozer, zacht bij fellen haat.

Kunt gij een enkel rustig uur mij noemen,

Waarin uw bijzijn mij verkwikking bracht?

KONING RICHARD. Geen, dan misschien dat morgenuur, dat eens

U van mijn bijzijn afriep naar ’t ontbijt.

Is u het zien van mij zoo onverkwikk’lijk,

Dan trekke ik voort en geev’ geen ergernis.—

Gij, roert de trommen!

HERTOGIN. ’k Bid u, hoor mij spreken.

KONING RICHARD. Te bitter spreekt gij.

HERTOGIN. Hoor een enkel woord,

Want nimmer zal ik weder tot u spreken.

KONING RICHARD. Nu!

HERTOGIN. Of gij zult sterven door Gods raadsbesluit,

Eer ge als verwinnaar keert uit dezen krijg;

Of ik bezwijk van smart en hoogen leeftijd,

En nimmer zie ik uw gelaat terug.

Neem daarom mijnen zwaarsten vloek met u;

Hij drukke in de ure van ’t gevecht u meer

Dan heel de wapenrusting, die gij draagt!

Mijn beden strijden voor uw tegenstanders;

En Edwards kind’ren, hunne zieltjes, fluist’ren,

Uw vijand moed, vertrouwen in het hart,

En zeggen hem geluk en zege toe.

Bloed is uw lust, in ’t eind zij uw bloed uw straf;

Volgt smaad u thans, hij volge u ook in ’t graf.

(De Hertogin af.)

KONINGIN ELIZABETH. Veel meerder grond, doch minder kracht tot vloeken

Viel mij ten deel; ’k zeg Amen op haar taal.

(Zij wil heengaan.)

Koning Richard de Derde · 第 56 / 82 题