KONINGIN ELIZABETH. Zend haar door hem, die eens haar broeders doodde,
Twee jonge harten, bloedend; grif daarop
„Edward” en „York”: moog’lijk weent zij dan;
Schenk daarom haar,—zooals eens Margaretha
’t Aan uwen vader deed met Rutland’s bloed,—
Een doek, die—meld haar dit,—het purpersap
Uit harer lieve broeders wonden zoog,
En zeg, dat zij daarmee haar oogen wissche.
Zoo die verlokking nog haar hart niet wint,
Zend dan een lijst van al uw eed’le daden:
Meld, hoe gij van haar ooms, van Clarence, Rivers,
U hebt ontslagen, ja, om harentwil,
Anna, haar goede moei, van kant geholpen.
KONING RICHARD. Nu spot gij, vrouwe; dit is niet de weg
Om haar te winnen.
KONINGIN ELIZABETH. Dit is de een’ge weg;
Tenzij ge een ander wezen aan kunt doen,
Een ander zijn dan Richard, die dit deed.
KONING RICHARD. En zoo ik alles deed uit min tot haar?
KONINGIN ELIZABETH. Dan is haar eenig antwoord, u te haten,
Die liefde koopt met zulk een schat van bloed.
KONING RICHARD. Zie, ’t eens gedane is niet meer te herdoen;
De mensch gaat somtijds overijld te werk,
Zoodat zijn doen in later uur hem rouwt;
Heb ik uw zoons het koningschap ontroofd,
Ik wil ten zoen het aan uw dochter geven.
Heb ik het kroost van uwen schoot gedood,
’k Wil, ter vermeerd’ring uws geslachts, mij kroost
Uit uw bloed bij uw dochter mij verwekken.
Grootmoeder heeten is schier even zoet
Als de betoov’ring van den moedernaam;
De kind’ren zijn slechts ééne trede lager,
Maar van uw eigen merg, uw eigen bloed;
Gelijk in zorg,—slechts in die weenacht niet,
Die zìj doorstaat, voor wie gij ’t zelfde leedt.
Uw kind’ren waren uwer jeugd een plaag,
De mijne worden uwer grijsheid troost.
Verloort gij ook een zoon, die koning was,
Thans wordt daarvoor uw dochter koningin.
Ik kan u niet hergeven wat ik wilde,
Aanvaard dus, wat mijn goedheid bieden kan.
Dorset, uw zoon, die met beangst gemoed
Misnoegde schreden zet op vreemden grond,
Wordt door dit schoon verbond welras naar huis,
Tot hoogen rang en groote gunst geroepen;
De koning, die uw lieflijk kind zijn „vrouw” noemt,
Noemt dan vertrouw’lijk uwen Dorset „broeder”;
Gijzelf wordt weder moeder van een koning,
En elke schâ der bange tijden wordt
Vergoed door dubb’le schatten van geluk.
O, wij beleven nog wel goede dagen! 320
De held’re droppen, die gij hebt geschreid,
Zij komen weer, vervormd tot blanke parels,
Den inzet u vergoedend door de rente
Van tienmaal dubbele aanwinst in geluk.
Ga dus, mijn moeder, ga tot uwe dochter;
Sterk door uw rijp’ren geest haar schucht’re jeugd;
Bereid haar ooren voor eens minnaars kout;
Stort in haar teeder hart den stouten gloed
Naar gulden oppermacht; spreek tot uw kind
Van ’t huwlijksheil in zoete, heimlijke uren;
En als mijn arm dien kleinen oproerling,
Dien dolkop Buckingham, getuchtigd heeft,
Dan kom ik, met het zegeloof bekranst,
En voer uw kind naar ’t bed eens overwinnaars’.
Haar bied ik dan mijn krijgsbuit; zij alleen
Zal overwinnares zijn, Cæsar’s Cæsar.
KONINGIN ELIZABETH. Hoe druk ik best mij uit? Haars vaders broeder
Wil haar gemaal zijn? Of is ’t beter: oom?
Of wel, de moordenaar van haar ooms en broeders?
Met welken titel doe ik voor u aanzoek,
Dien God, de wet, mijn eer en hare liefde
Aanlokk’lijk maken voor haar teed’re jeugd?
KONING RICHARD. Wijs haar op Eng’lands vreê door dezen echt.
KONINGIN ELIZABETH. Een vreê, dien zij met eeuw’gen oorlog koopt.
KONING RICHARD. Zeg haar, de koning, die kon eischen, smeekt.
KONINGIN ELIZABETH. Wat aller vorsten opperkoning wraakt.
KONING RICHARD. Zeg, zij wordt groot en machtig, koningin.
KONINGIN ELIZABETH. En schreit dra om dien titel, als haar moeder.
KONING RICHARD. Zeg, dat ik haar mijn eeuw’ge liefde wijd.
KONINGIN ELIZABETH. Zeg mij, hoe lang die eeuwigheid zal duren.
KONING RICHARD. Zoolang haar lieflijk bloeiend leven duurt.
KONINGIN ELIZABETH. Maar hoe lang zal haar bloei en leven duren?
KONING RICHARD. Zoolang natuur en hemel het geheugt.
KONINGIN ELIZABETH. Zoolang het Richard en de hel behaagt.
KONING RICHARD. Zeg: ik, haar heer, ik word haar onderdaan.
KONINGIN ELIZABETH. Die heerschappij is de onderdane een gruwel.
KONING RICHARD. Bepleit welsprekend mijne zaak bij haar.
KONINGIN ELIZABETH. ’t Eenvoudigst woord wint best een goede zaak.
KONING RICHARD. Spreek dan tot haar eenvoudig van mijn liefde.
359
KONINGIN ELIZABETH. Eenvoudig en niet goed klinkt al te ruw.
KONING RICHARD. Uw reed’nen zijn niet grondig, zonder kalmte.
KONINGIN ELIZABETH. Kalm, grondig zijn mijn reed’nen, dood en diep;—
Ja; dood en diep, in ’t graf, mijn arme kind’ren.
KONING RICHARD. Roer die snaar niet meer aan, dat is voorbij.
KONINGIN ELIZABETH. Ik roer die aan, tot hartesnaren springen.