GLOSTER. En deden zij ’t? 23

BUCKINGHAM. Neen, help’ mij God! zij spraken zelfs geen woord;

Als stomme beelden, ademende steenen,

Zoo staarden zij, doodsbleek, elkander aan.

Dit ziende, gispte ik hen en vroeg den mayor,

Wat dit halsstarrig zwijgen moest beteek’nen.

Die zeide, ’t volk was niet gewoon, dat iemand

Hen toesprak, dan de man, wiens ambt het was.

Die moest nu, wat ik had gezegd, herhalen:

„Zoo zegt de hertog, zoo beweert de hertog,”

Maar sprak geen enkel woord om ’t zelf te staven.

Hij zweeg; toen wierpen enk’len mijner lieden,

Aan ’t eind der zaal, de muts omhoog; en tien,

Twaalf stemmen riepen: „Leve koning Richard!”

Fluks deed ik met die wein’gen nu mijn voordeel

En sprak: „Dank, lieve vrienden, wakk’re burgers;

Die algemeene en blijde bijvalskreet

Toont, dat gij wijs zijt en u Richard lief is.”

En snel brak ik toen af en ging van daar.

GLOSTER. Wat stomme blokken! wilden zij niet spreken?

BUCKINGHAM. ’k Verzeker u, geen woord, mylord.

GLOSTER. En wil de mayor niet komen met de zijnen?

BUCKINGHAM. De mayor is reeds nabij. Toon u bezorgd;

Wees niet te spreken dan op sterken aandrang;

En, hoor, neem een gebedenboek ter hand,

En neem aan elke zijde een geest’lijk heer,

Want op dien grond vertrouw ik, hen te stichten.

Geef ook aan hun verzoek niet snel gehoor,

Maar speel een meisjesrol: zeg „neen,” en grijp het.

GLOSTER. Ik ga; doet gij voor hen uw woord zoo goed,

Als ik voor mij u antwoord geef met neen,

Dan kunnen we op een heuchlijk slagen reek’nen.

BUCKINGHAM. Ga, ga, ’t balkon op! de lord-mayor klopt aan.

(Gloster af).

(De Lord-Mayor komt op, met Aldermans en andere Burgers.)

Mylord, wees welkom; ja, ik schilder hier;

Licht moog’lijk is de hertog niet te spreken.

(Catesby komt uit het slot.)

Nu, Catesby, geeft de hertog mij gehoor?

CATESBY. Hij vraagt, dat uw genade, waarde lord,

Op morgen hem bezoeke, of overmorgen.

Hij is in ’t slot met twee eerwaarde vaders

In geest’lijke overpeinzing gansch verdiept;

Hij wil niet, dat een wereldsch doel hem dringt,

Nu van die heilige oef’ning af te zien. 64

BUCKINGHAM. Vriend Catesby, ga nog eens tot de’ eed’len hertog;

Zeg hem, dat ik, de mayor en aldermans

Met ernstig doel, om zaken van gewicht,

Niets minder dan ons aller welzijn rakend,

Een onderhoud met zijn genade wenschen.

CATESBY. Ik wil ’t hem daad’lijk melden, edel heer.

(Catesby af.)

BUCKINGHAM. Nu, deze prins, mylord, is niet een Edward,

Niet op een weeld’rig rustbed uitgestrekt,

Neen, neergeknield in heilige overpeinzing;

Niet met een paar boelinnen dartel schertsend,

Neen, peinzend met een paar geleerde priesters;

Niet slapend om het trage lijf te mesten,

Neen, biddend om zijn wakk’re ziel te sterken;

Gelukkig Eng’land, zoo de vrome vorst

Het koningschap des lands aanvaarden wilde!

Edoch, ik vrees, ons smeeken is vergeefsch.

MAYOR. Verhoede God, dat zijn genade neen zegt!

BUCKINGHAM. Ik vrees, dit doet hij. Daar is Catesby weer.

(Catesby komt weder op.)

Nu, Catesby, wat is ’t antwoord van zijn hoogheid?

CATESBY. Hij staat verbaasd, waarom gij zulk een macht

Van burgers voor zijn slot verzameld hebt;

En daar dit niet vooraf hem werd gemeld,

Zoo ducht hij, dat gij weinig goeds bedoelt.

BUCKINGHAM. Het doet mij leed, dat mijn doorluchte neef

Vermoedt, dat ik iets kwaads bedoelen kan.

Bij God, de reinste liefde voert ons hier!

Ga dus nog eens en zeg dit zijn genade.

(Catesby af).

Zijn vrome lieden aan hun rozenkrans,

Dan valt het zwaar, hen daarvan af te lokken;

Zoo zoet voor ’t hart is ijv’rig overpeinzen.

(Gloster verschijnt boven, op een balkon, tusschen twee bisschoppen.

Catesby komt terug.)

MAYOR. Zie, zijn genade met twee heil’ge mannen!

BUCKINGHAM. Twee deugdpilaren voor een christenvorst,

Beletsels, dat hem ijdelheid ten val brengt!

En in zijn hand, zie, een gebedenboek,

Echt sieraad, om een vromen man te kennen.

Plantagenet, roemruchtig, waardig vorst,

Verleen een gunstig oor aan ons verzoek,

En duid het storen van uw vromen ijver

En christ’lijke overdenking ons niet euvel.

GLOSTER. Geen verontschuldiging, mylord, is noodig;

Ik vraag u, dat gij ’t mij niet euvel duidt,

Dat ik, verzonken in den dienst mijns Gods,

Gedraald heb met de ontvangst van mijne vrienden.

Maar nu, wat is ’t, dat uw genade wenscht?

BUCKINGHAM. Iets, wat aan God en alle braven, hoop ik, 109

In dezen onbeheerden staat, behaagt.

GLOSTER. Ik heb vermoeden, dat ik iets beging,

Wat in der burg’ren oogen onrecht is,

En dat gij mijn onachtzaamheid komt laken.

BUCKINGHAM. Zoo is ’t, mylord; en mocht het u behagen,

Op onze beê ’t verzuim weer goed te maken!

GLOSTER. Leef ik niet daarvoor in een christenland?

BUCKINGHAM. Zoo weet dan, dit is uw verzuim: gij laat

Den hoogen stoel, den troon der majesteit,

De sceptervoering van uw voorgeslacht,

Uw rang door ’t lot, uw aanspraak door geboorte,

Den erfroem van uw koninklijken stam,

Aan de’ uitwas over van een valschen tak.

De zachtheid van uw domm’lige gedachten,

Die wij tot welzijn van het land hier wekken,

Berooft dit edel eiland van zijn leden;

Misvormd is zijn gelaat door schandemerken,

Zijn vorstenstam geënt met wilde rijzen,

Schier neergestort in de’ opgesperden afgrond

Der diepste en donkerste vergetelheid.

Om dit verderf te keeren, smeeken wij,

Dat uw genade zelf den last aanvaarde

En ’t koninklijk bewind in dit uw land,

Niet als protector, ruwaard, plaatsvervanger,

Als slaafsch bewerker van eens anders winst,

Neen, als ’t van lid tot lid aan u gekomen

Geboorterecht, uw eigen erf en rijk.

Dies kom ik, mij vereenend met de burgers,

Uw vrienden, die u eeren en beminnen,

En op hun vuur’gen drang, om uw genade

Voor ons en onze goede zaak te stemmen.

GLOSTER. Ik weet niet, of stilzwijgend heen te gaan,

Of u met scherpe reed’nen te bestraffen,

Met mijnen rang en uwen staat best strookt;

Antwoord ik niet, misschien zoudt gij vermoeden,

Dat schuilende eerzucht, stom, bereid zich toont

Om ’t gulden juk van ’t koningschap te dragen,

Waar gij mij dwaaslijk mee beladen wilt;

En doe ik u verwijten voor uw bede,

Die uwe trouwe liefde zoo mij kruidt,

Dan stoot ik mijne vrienden voor het hoofd.

Ik spreek dus, en ontga zoo de eerste klip;

Maar wil bij ’t spreken ook de tweede ontwijken;

En daarom zij mijn stellig antwoord dit:

Uw liefde is wis mijn dank waard; doch mijn waarde,

Verdienst’loos is ze, en schuwt uw hoog verlangen.

Vooreerst, ware ied’re hindernis gekapt

En heel de weg mij naar de kroon geëffend,—

Als waar’ gerijpt, wat mijn geboort’ mij schonk,—

Dan blijft mijns geestes armoê toch zoo groot,

En wat me ontbreekt zoo machtig en zoo veel,

Dat ik veel liever wegschuil voor mijn grootheid,—

Een boot mij wetend, die geen zee kan bouwen,—

Dan dat ik in mijn grootheid schuilen wil

En stikken in den nevel van mijn glorie. 164

Doch, Gode dank! gij hebt mij niet van noode;

En ’k ware in nood, hadt gij voor hulp mij noodig;—

De koningsboom liet koningsvrucht ons na,

Die, door den stillen gang des tijds gerijpt,

Der majesteit gestoelte eens sieren zal,

En wis door zijn bewind ons heil verzeek’ren.

Hem leg ik op, wat gij op mij wilt leggen,

Het recht en erfdeel van zijn goed gesternte;

En God verhoede, dat ik ’t hem ontrukk’!

BUCKINGHAM. Mylord, dit toont een nauwgezet gemoed;

Doch uw bezwaren zijn gezocht en nietig,

Wanneer gij alles grondig overweegt,

Gij zeidet: Edward is uws broeders zoon;

Wij zeggen ’t ook,—maar niet van Edwards vrouw;

Want eerst was hij verloofd met lady Lucy,—

Uw moeder, die nog leeft, kan dit getuigen;—

En later werd hij ondertrouwd bij volmacht

Met Bona, zuster van den Franschen koning.

Die beiden schoof hij ras ter zij; er kwam

Een arme smeekelinge, een neergebogen,

Berooide moeder van verscheiden zoons;

En die bedrukte, half verlepte weduw,

Den middag van haar goeden tijd voorbij,

Verraste, boeide en won zijn dartel oog,

En bracht het hoogste streven van zijn geest

Tot diepen val en boozen dubbelecht.

Bij haar, in dat onwettig bed, verwekte

Hij Edward, uit beleefdheid prins genoemd.

Nog snijdender kon ik uw recht u toonen,

Doch uit ontzag voor enk’len, die nog leven,

Perk ik mijn tong verschoonend grenzen af.

Neem dus, mylord, thans voor uw vorstlijk hoofd

De waardigheid, die wij u bieden, aan,

Zoo niet om ons en heel het land te zeeg’nen.

Ten minste om de’ eed’len stam, waaruit gij sproot,

Die door ’t bedrog des tijds verbast’ren zou,

Zijn echten, rechten wasdom weer te geven.

MAYOR. Stem toe, mylord; uw burgers bidden ’t u.

BUCKINGHAM. Wijs, hooge vorst, niet af, wat liefde u biedt.

CATESBY. Maak hen verheugd; verhoor hun wettig smeeken.

GLOSTER. Ach, waarom dringt gij deze zorg mij op?

Ik deug niet voor vertoon en majesteit;—

Ik bid u, neemt het mij niet euvel af,

Ik kan en wil uw wenschen niet verhooren.

BUCKINGHAM. Als gij niet wilt,—als uwe liefde huivert, 208

Dat kind, uws broeders zoon, de kroon te ontnemen,

Gelijk uws harten zachtheid ons bekend is,

Uw teed’re, weeke, vrouw’lijk zachte denkwijs,

Die gij voor uw verwanten,—’t bleek ons,—voedt,

Ja eveneens, voorwaar, voor alle standen,—

Zoo weet: of ge onzen wensch verhoort of niet,

Uws broeders zoon heerscht nimmer hier als vorst;

Wij planten iemand anders op den troon,

Tot smaad en ondergang van heel uw huis;

Met dit besluit verlaten wij u thans.

Komt, burgers, komt; bij God, ik smeek niet meer!

GLOSTER. O vloek toch niet, mylord van Buckingham!

(Buckingham en de Lord-Mayor gaan heen, de Burgers volgen.)

CATESBY. Roep hen terug, geliefde prins, verhoor hen;

Wijst gij hen af, geheel het land zal boeten.

GLOSTER. Wat dwingt gij mij een wereld op van zorgen?

Roep hen terug; ik heb geen hart van steen,

Maar ben door vriendensmeeking te vermurwen,

(Catesby houdt de reeds vertrekkende burgers terug en gaat heen.)

Koning Richard de Derde · 第 42 / 82 题