(Buckingham, de Lord-Mayor en de overigen komen terug, met Catesby.)
Mijn neef van Buckingham, en acht’bre mannen,
Wijl gij ’t geluk mij op de schouders gespt,
Om, of ik wil of niet, zijn last te dragen,
Moet ik me er onder buigen, met geduld;
Maar als nu zwarte laster, bitt’re smaad,
Ooit in ’t vervolg verschijnen van uw dwang,
Dan spreke uw noodzaak, die mij bukken deed,
Mij vrij van elke blaam en elke smet;
’t Is God bekend, en deels ziet gij het zelf,
Hoe ver van mij begeerte en eerzucht is.
MAYOR. God loon ’t u, heer! wij zien ’t, en zullen ’t zeggen.
GLOSTER. En als gij ’t zegt, is ’t waarheid, wat gij zegt.
BUCKINGHAM. Zoo groet ik thans u met uw koningsnaam:
Lang leve Richard, Eng’lands waardig koning!
ALLEN. Amen!
BUCKINGHAM. Behaagt het u, dat morgen ’t kronen volge?
GLOSTER. Als ’t u behaagt: gij zijt het, die het wilt.
BUCKINGHAM. Op morgen dus verzellen wij uw hoogheid;
En nemen afscheid met blijmoedig hart.
GLOSTER (tot de Bisschoppen.) Komt, gaan wij weder aan ons heilig
werk.—
Vaarwel, mijn neef;—vaartwel, mijn lieve vrienden!
(Allen af).