Londen. Het binnenhof van Baynard’s slot.
Gloster komt van de eene zijde op, Buckingham van de andere.
GLOSTER. Hoe is ’t, hoe is ’t, wat zegt de burgerij?
BUCKINGHAM. Nu, bij de heil’ge moeder onzes Heeren,
De burgerij is stom, zij zegt geen woord.
GLOSTER. En spraakt gij van de onechtheid van de prinsen?
BUCKINGHAM. Ja, en van ’t echtverdrag met lady Lucy,
En zijn verloving in Parijs bij volmacht,
En van zijn booze lusten, nooit verzaad,
Het dwingen tot zijn wil van burgervrouwen,
Zijn woeden om een niets, van zijn onechtheid,
Daar hij verwekt moet zijn, terwijl zijn vader
In Frankrijk was, alsook van zijn gelaat,
Dat geen gelijk’nis met den hertog toonde;
En toen maakte ik gewag van uwe trekken,
En schetste u als uws vaders evenbeeld
Door vorm zoowel als adel van gemoed,
En sprak van al uw Schotsche zegepralen,
Uw krijgsbeleid, uw wijsheid in den vrede,
Uw goedheid, deugd en vrome need’righeid;
Niets inderdaad, wat tot uw doel kon leiden,
Werd niet vermeld, of vluchtig slechts genoemd;
En ’k riep, toen ik aan ’t eind was mijner rede,
Een elk, die Eng’land liefhad, op, te juichen:
„God zegen’ Richard, Eng’lands heer en koning.”