HASTINGS. Als zij door zulk een doen, mijn eed’le vorst,—

GLOSTER. „Als!” gij beschermer van die vloekb’re snol,

Spreekt gij van „Als?”—Gij zijt een aartsverrader;—

Het hoofd hem af!—ja, bij Sint Paul, ik zweer,

Ik roer geen spijs aan, vóór ik dit aanschouw.—

Lovel en Ratcliff, zorg, dat dit geschiede;—

En wie mij liefheeft, sta nu op en volg’ mij.

(Gloster en Buckingham, met den Staatsraad af; alleen Hastings, Lovel

en Ratcliff blijven.)

HASTINGS. Wee, wee, om Eng’land! geenszins, neen, om mij! 82

Want ik, verdwaasde, had dit kunnen keeren.

Wat Stanley droomde van des evers stoot,

Heb ik bespot en ’k heb de vlucht versmaad.

Driemalen is vandaag mijn paard gestruikeld,

En ’t ging aan ’t steig’ren bij het zien des Towers,

Als schuwde ’t, mij te dragen naar het slachthuis.

Nu is de priester, dien ik sprak, mij noodig;

En nu berouwt mij, dat ik dien heraut,

Te triumfeerend, zeide, dat mijn haters

In Pomfret heden bloedig sterven moesten,

En ik mij veilig voelde in gunst en eer.

O Margaretha, Margaretha! zwaar

Treft thans uw vloek des armen Hastings’ hoofd.

RATCLIFF. Kom aan, maak voort; de hertog wil aan tafel,

Biecht dus wat kort, hij wacht reeds op uw hoofd.

HASTINGS. O vluchtig gunstbetoon van stervelingen,

Meer dan de gunst van God door ons bejaagd!

Wie hoop bouwt op den adem van uw glimlach,

Leeft als een dronken zeeman op een ra,

Dien ied’re schomm’ling neer te sling’ren dreigt

In de opgesperde kaken van het diep.

LOVEL. Kom, kom, maak voort; geen jamm’ren helpt u hier.

HASTINGS. O Richard, man des bloeds!—Rampzalig Eng’land!

De jammervolste tijden spel ik u,

Die deze gruwelwereld ooit aanschouwde.

Komt, mij naar ’t blok, en hem mijn hoofd gebracht;

Wie spot, zie toe! hij volgt mij, eer hij ’t wacht.

(Allen af.)

Koning Richard de Derde · 第 35 / 82 题