VIJFDE TOONEEL.

Binnen de muren van den Tower.

Gloster en Buckingham komen op, in oude harnassen en zeer slordig

gewaad.

GLOSTER. Komaan, neef, kunt gij sidd’ren en verbleeken,

Uw adem smoren midden in een woord,

En dan op nieuw gaan spreken, weer verstommen,

Als waart gij schier waanzinnig, dol van schrik?

BUCKINGHAM. Gerust! den besten speler boots ik na,

Zie om bij ’t spreken, gluur naar elken kant,

Ik beef en staar, wanneer een stroohalm trilt,

En teeken diepen argwaan; holle blikken

Staan mij ten dienst en ook gedwongen lachjes,

En beide steeds gereed en op hun post,

Om aan mijn listen luister bij te zetten.

Maar Catesby is gegaan, niet waar?

GLOSTER. Ja zeker;

En, zie, ook weer terug, en met den mayor.

(De Lord-Mayor en Catesby komen op.)

Koning Richard de Derde · 第 36 / 82 题