GLOSTER. Mijn neef van Buckingham, een woord met u. 37

(Hij neemt Buckingham ter zijde.)

Catesby heeft Hastings over ’t plan gepolst,

En vindt dat stugge heerschap zoo vol vuur,

Dat hij zijn hoofd verliezen wil, eer ’t kind

Zijns meesters, zooals hij eerbiedig spreekt,

’t Bezit van Eng’lands troon verliezen zal.

BUCKINGHAM. Ga even uit de zaal, heer; ik kom na.

(Gloster af, gevolgd door Buckingham.)

STANLEY. Wij hebben ’t hooge feest nog niet bepaald.

Op morgen is wat al te spoedig, dunkt mij;

Want ik ben zelf nog zoo niet toegerust,

Als ik zou zijn, wanneer ’t verschoven werd.

(De Bisschop van Ely komt terug.)

ELY. Waar is mylord, de hertog Gloster?

Ik zond om ’t aardbeiproefjen iemand heen.

HASTINGS. De hertog ziet van morgen opgeruimd;

Een streelend denkbeeld zweeft hem voor den geest,

Als hij zoo vroolijk goeden morgen wenscht.

Ik acht, dat niemand in de christenheid

Zijn liefde en haat zoo slecht verbergt als hij;

Wat hij op ’t hart heeft, leest ge op zijn gelaat.

STANLEY. Wat leest gij van zijn hart dan op ’t gelaat

Door ’t een of ander teeken, dat hij toonde?

HASTINGS. Wel, dat hij tegen niemand hier iets heeft;

Zijn trekken hadden anders ’t wis verraden.

(Gloster en Buckingham komen terug.)

GLOSTER. Ik bid u allen, zegt, wat zij verdienen,

Die mij naar ’t leven staan door duivelsplannen

Van vloek’bre hekserij, en reeds mijn lijf

Door helsche tooverkunst aan ’t kwijnen brachten?

HASTINGS. Mijn vuur’ge liefde tot u dringt mij, heer,

Dat ik vóór allen in deez’ eed’len kring,

Wie schuldig zijn, veroordeel; wie ze ook zijn,

Den dood, heer, zeg ik, hebben zij verdiend.

GLOSTER. Ziet dan met eigen oogen ’t schendig stuk.

Aanschouw, hoe ik behekst ben; ziet, mijn arm

Is als een loot, die wegkwijnt, ingeschrompeld;

’t Is ’t werk van Edwards vrouw, die booze heks,

Verbonden met die veile snol, vrouw Shore;

Die merkten door haar hekserij mij zoo.

Koning Richard de Derde · 第 34 / 82 题