VIERDE TOONEEL.

Londen. Een zaal in den Tower.

Buckingham, Stanley, Hastings, de Bisschop van Ely, Ratcliff, Lovel en

Anderen, aan een tafel gezeten; Dienaren van den raad op den

achtergrond.

HASTINGS. Nu, eed’le pairs, wat ons hier samenriep,

Is ’t reeg’len van de kroning; in Gods naam,

Spreek, wanneer is die koninklijke dag?

BUCKINGHAM. Is alles voor het hooge feest gereed?

STANLEY. Alleen ’t bepalen van den dag blijft over.

ELY. Dan acht ik morgen wel een goede dag.

BUCKINGHAM. Wie meldt ons, wat de Lord Protector wenscht?

Wie is van de’ eedlen hertog de vertrouwde?

ELY. Dit zal waarschijnlijk uw genade zijn.

BUCKINGHAM. Wij kennen van gelaat elkaar; —maar ’t hart,—

Hij kent het mijn’ niet beter dan ik ’t uwe,

En ik zoo min het zijne als gij het mijne.

Lord Hastings, gij en hij zijt zeer bevriend.

HASTINGS. Ja, dank den vorst, ik ben zijn vriend, dit weet ik;

Doch wat zijn plan betreft omtrent de kroning,

Heb ik hem niet gepolst, noch heeft hijzelf

Mij meegedeeld, wat zijn believen is.

Maar wilt gij, eed’le lords, den dag bepalen,

Dan zal ik stemmen in des hertogs naam,

Wat hij mij, denk ik, wel ten goede houdt.

(Gloster komt op.)

ELY. Daar komt, te rechter tijd, de hertog zelf.

GLOSTER. Mijn waarde lords en neven, goeden morgen!

Ik heb recht lang geslapen; doch ik hoop,

Niets van belang bleef door mijn afzijn rusten,

Wat door mijn hierzijn voortgang hadd’ gehad.

BUCKINGHAM. Waart ge op uw wachtwoord niet gekomen, prins,

Dan had lord Hastings uwe rol gesproken,

Uw stem doen hooren, wat de kroning aangaat.

GLOSTER. Wie stout moog’ zijn, lord Hastings meer dan allen;

Zijn lordschap kent mij goed en heeft mij lief.

Mylord van Ely, ik heb laatst in Holbron

Aardbeien, prachtige, in uw tuin gezien,

Ik bid u, laat mij eens een proefje komen.

ELY. Volgaarne, heer; ’t is mij een waar genoegen.

(De Bisschop af.)

Koning Richard de Derde · 第 33 / 82 题