Pomfret. Voor het slot.
Ratcliff komt op met een Wacht, die Rivers, Grey en Vaughan ter
terechtstelling geleidt.
RIVERS. Sir Richard Ratcliff, laat mij dit u zeggen;—
Op heden zult ge een onderdaan zien sterven
Voor eer en trouw en kreukloos plichtbetoon.
GREY. Bescherme God den prins voor uw gebroedsel!
Gij zijt een vloekgespuis, dat dorst naar bloed.
VAUGHAN. Gij leeft, doch zult hier eenmaal wee om roepen!
RATCLIFF. Voort, voort! de tijd uws levens is voorbij.
RIVERS. O Pomfret, Pomfret! bloedig kerkerkot,
Voor eed’le pairs noodlottig, onheilspellend!
In ’t zondvol perk van uwe wallen werd
Richard de tweede hier ter dood gehouwen;
En thans, uw gruwelplek tot nieuwen smaad,
Ontvangt gij ons onschuldig bloed te drinken.
GREY. Nu valt Marg’retha’s vloek ons op het hoofd,
Die kreet, voor Hastings, u en mij geslaakt,
Bijstanders bij den moord haars zoons door Richard!
RIVERS. Toen trof haar vloek ook Buckingham, ook Richard,
Trof Hastings ook.—O God, wees dit indachtig,
Hoor haar gebed voor hen, als nu voor ons!
Doch voor mijn zuster en haar koningstelgen
Zij U, mijn God, ons eerlijk bloed genoeg,
Gij weet het, onrechtvaardig hier geplengd!
RATCLIFF. Maakt spoed, uw sterfuur is alreeds voleind.
RIVERS. Kom Grey, kom, Vaughan, hier elkaar omarmd,—
Vaartwel, hierboven zien we elkander weer!
(Allen af.)