HASTINGS. Goên morgen, Catesby; gij zijt vroeg er bij.
Wat nieuws, wat nieuws in onze’ onzeek’ren staat?
CATESBY. ’t Is waar, mylord, het is een dwarrelwereld;
Zij komt, geloof ik, niet tot vasten stand,
Eer Richard met den krans van ’t rijk gesierd is.
HASTINGS. Gesierd is met den krans! meent gij de kroon?
CATESBY. Ja, beste lord.
HASTINGS (op zijn hoofd wijzend). Men moog’ die kroon mij van de
schouders slaan,
Eer ik de kroon arglistig zie ontvreemd.
Kunt gij vermoeden, dat hij er naar streeft!
CATESBY. Zoo waar ik leef, hij doet het; en hij hoopt,
Dat gij met kracht hem die zult helpen winnen;
En daarom zendt hij u het heuch’lijk nieuws,
Dat die uw haters waren, de verwanten
Der koningin, vandaag in Pomfret sterven.
HASTINGS. Voorwaar, dit nieuws perst mij geen tranen af;
Zij waren altijddoor mijn tegenstanders;
Maar dat ik ooit mijn stem aan Richard geef,
En de echte spruiten van mijn meester uitsluit,
God weet, dit doe ik niet, al waar’ ’t mijn dood.
CATESBY. God sterke uw lordschap in dit vroom besluit!
HASTINGS. Maar wis, een jaar en langer zal ik lachen,
Nu ik ’t beleef, van ’t rot, dat bij mijn meester
In haat mij bracht, het treurspel aan te zien.
Nu, Catesby, eer ik veertien dagen meer tel,
Ruim ik nog enk’len op, die ’t nu niet denken.
CATESBY. ’t Is iets verschriklijks, edel heer, te sterven,
Geheel onvoorbereid en onverwacht.
HASTINGS. O gruw’lijk, gruw’lijk! en zoo is nu ’t lot
Van Rivers, Vaughan, Grey;—en zoo zal ’t gaan
Met meerd’ren, die zich even veilig reek’nen
Als gij en ik, die den doorluchten Richard
En Buckingham, gij weet het, dierbaar zijn.
CATESBY. Gij zijt bij beide vorsten hoog gezien;
(Ter zijde.) Zij zien zijn hoofd, als ’t waar’, reeds op de slotpoort.
HASTINGS. Ik weet het, en ik heb ’t aan hen verdiend.
(Stanley komt op.)
Wel zoo, wel zoo, waar is uw zwijnsspriet, man?
Gij, die den ever ducht, gij wapenloos? 75
STANLEY. Mylord, goên morgen,—goeden morgen, Catesby.—
Nu, spot maar toe, maar, bij het heilig kruis,
Ik houd van dien gesplitsten raad niet, ik.
HASTINGS. Mylord, mijn hoofd is mij zoo lief als u,
En nooit, in heel mijn leven, dit verklaar ik,
Heb ik het zoo op prijs gesteld als nu.
Denkt gij, dat, als ik mij niet veilig achtte,
Ik zoo zou triumfeeren als ik doe?
STANLEY. De lords in Pomfret reden opgeruimd
Uit Londen weg en waanden zich recht veilig,
En hadden inderdaad geen grond tot argwaan;
En toch, hoe snel was niet de dag bewolkt!
De snelle dolkstoot van dien wrok verschrikt mij;
Geev’ God, dat ik mij nood’loos lafaard toon’!—
Nu, wilt gij naar den Tower? Het wordt hoog tijd.
HASTINGS. Kom, kom, gerust!—Weet gij ’t, mylord? De lords,
Waarvan gij spreekt, verliezen heden ’t hoofd.
STANLEY. Als trouw besliste, stond het hoofd hun vaster,
Dan menigeen, die hen verklaagt, de hoed.
Maar kom nu, laat ons gaan.
(Een Herautsdienaar komt op.)
HASTINGS. Ga voor; ’k heb dezen vriend nog iets te zeggen.
(Stanley en Catesby af.)
Wel man, hoe gaat het u?
HERAUTSDIENAAR. Zoo veel te beter,
Nu ’t uwe lordschap zoo genadig vraagt.
HASTINGS. Ik zeg u, man, mij vrij wat beter dan
Toen gij de laatste maal mij hier ontmoet hebt;
Toen ging ik als gevang’ne naar den Tower,
Wijl de aanhang van de koningin dit dreef;
Maar nu, zeg ik u, gaan,—doch houdt dit voor u!—
Vandaag, die mij vervolgden, zelf ter dood,
En ik heb meer gezag dan ooit voordezen.
HERAUTSDIENAAR. Dat God dit, naar uw wensch, bij u bestendig!
HASTINGS. Dank, knaap.—Daar, neem, en drink dit op mijn heil.
(Hij werpt hem zijn beurs toe.)
HERAUTSDIENAAR. Ik dank uw edelheid.
(Herautsdienaar af.)
(Een Priester komt op.)
PRIESTER. Gij daar, mylord? ’t Verheugt mij u te zien.
HASTINGS. Heer John, ik dank u en van ganscher harte.
’k Ben voor den laatsten kerkdienst in uw schuld;
Kom de’ eersten sabbat, en ik maak het goed.
(Buckingham komt op.)
BUCKINGHAM. Lord kamerheer, wat, in gesprek met priesters! 114
De priester koom’ uw vrienden ginds in Pomfret
Te stade; uw lordschap heeft nog niet te biechten.
HASTINGS. Voorwaar, toen ik dien heil’gen man hier zag,
Toen stonden zij, van wie gij spreekt, mij voor.
Zeg, gaat gij naar den Tower?
BUCKINGHAM. Ja zeker, maar ik kan niet lang er blijven,
En ga er vóór uw edelheid vandaan.
HASTINGS. Licht moog’lijk, want ik blijf er middagmalen.
BUCKINGHAM (ter zijde). En avondeten ook, al denkt gij ’t niet.—
Kom gaat gij mee?
HASTINGS. Ten dienste van uw lordschap.
(Allen af.)