TWEEDE TOONEEL.

Voor lord Hastings’ huis.

Een Bode komt op en klopt aan de deur.

BODE. Mylord! mylord!

HASTINGS (binnen). Wie daar?

BODE. Een bode van lord Stanley.

HASTINGS (binnen). Hoe laat is ’t al?

BODE. Op slag van vieren heer.

(Hastings komt op.)

HASTINGS. Uw meester slaapt deez’ trage nachten niet?

BODE. Dit schijnt wel zoo, naar wat ik heb te zeggen.

Vooreerst zendt hij uw edelheid zijn groet.

HASTINGS. En verder?

BODE. Dan meldt hij u, dat hij vannacht een droom had,

Dat de ever hem den helm had afgestooten;

Ook, zegt hij, wordt een dubb’le raad gehouden;

En licht wordt in den eenen iets beslist,

Wat u en hem in de’ and’ren grieven kan.

Dies vraagt hij, wat uw edelheid besluit,—

Of gij terstond met hem te paard wilt stijgen,

En naar het noorden jagen zonder rust,

Om zoo ’t gevaar, dat hij bevroedt te ontgaan.

HASTINGS. Ga, knaap, en keer tot uwen heer terug;

Zeg hem, dat hij dien dubb’len raad niet duchte;

Zijn edelheid en ik zijn bij den eenen,

En bij den and’ren Catesby, mijn vertrouw’ling,

Waar niets geschieden kan wat ons betreft,

Of ik ontvang terstond bericht er van.

Ja, zeg, zijn vrees is ijdel, zonder grond;

En droomt hij,—wel, ik dacht hem te verstandig,

Om ’t guichelspel van slechten slaap te tellen;

Voor de’ ever vluchten, eer ons de ever aanvalt,

Dit waar’, den ever tot vervolging prikk’len,

Tot jagen, als hijzelf er niet aan denkt.

Ga, vraag uw heer na ’t opstaan hier te komen;

Dan gaan wij samen rustig naar den Tower,

Waar hij zal zien, hoe vriend’lijk de ever is.

BODE. Ik zal mylord, hem melden wat gij zegt.

(Bode af.)

(Catesby komt op.)

Koning Richard de Derde · 第 30 / 82 题