GLOSTER. Daar komt de mayor van Londen u begroeten.
(De Lord-Mayor komt op, met Gevolg.)
LORD-MAYOR. God schenke uw Hoogheid heil en blijde dagen!
PRINS. Ik dank u, waarde lord, ik dank u allen.
(De Lord-Mayor en Gevolg treden terug.)
’k Had van mijn moeder en mijn broeder York
Reeds eerder op mijn weg een groet verwacht;
Foei, welk een slak is Hastings, dat hij ons
Niet meldt, of zij in aantocht zijn of niet!
(Hastings komt op.)
BUCKINGHAM. Daar komt de lord juist aan, in ’t zweet zijns aanschijns.
PRINS. Welkom, mylord! Spreek! zal mijn moeder komen?
HASTINGS. Om welke reed’nen, dit weet God, niet ik,
maar met uw broeder York week uwe moeder
Ter heil’ge vrijplaats heen; recht gaarne had
De jonge prins met mij u hier begroet,
Doch met geweld hield hem zijn moeder ginds.
BUCKINGHAM. Foei, hoe verkeerd en valsch van haar gedaan!— 31
Lord kardinaal, kan uw genade niet
De koningin bewegen, hertog York
Terstond te zenden naar den prins, zijn broeder?
En weigert zij, ga mee, lord Hastings, scheur
Hem uit haar achterdochtige armen weg.
KARDINAAL. Mylord, indien mijn zwakke redekunst
Den hertog van zijn moeder kan verwerven,
Zoo wacht hem daad’lijk hier. Maar blijft zij doof
Voor zachte beden, dan verhoede God,
Dat wij het godd’lijk recht der heil’ge vrijplaats
Geweld aandoen! Voor heel dit rijk wilde ik
Niet aan zoo groote zonde schuldig zijn.
BUCKINGHAM. Gij klemt, Mylord, u te kleingeestig vast
Aan vormen, aan wat de oudheid heilig noemde;
En ’t is geen heiligschennis hem te grijpen.
De weldaad van een vrijplaats wordt verleend
Aan wie er door zijn hand’len recht op heeft,
En wijs genoeg is, haar voor zich te vord’ren.
De prins begeert haar niet en heeft geen aanspraak,
En moet daarom, dunkt mij, haar niet erlangen;
En dus, wie hem, die daar niet is, er weghaalt,
Die schendt geen enkel recht of voorrecht daar.
Ja, ’k hoorde vaak van mannen in een vrijplaats,
Van kind’ren in een vrijplaats, nooit voor nu!
KARDINAAL. Mylord, voor ditmaal geef ik mij gewonnen.—
Kom dus, lord Hastings, wilt gij met mij gaan?
HASTINGS. ’k Ben tot uw dienst, mylord.
PRINS. Mijn beste lords, maakt haast, zooveel gij kunt.
(De Kardinaal en Hastings af.)
Zeg nu, oom Gloster, als mijn broeder komt,
Waar zullen wij dan huizen tot de kroning?
GLOSTER. Waar uwe koninklijke hoogheid zelf verkiest.
Maar mag ik u eens raden, neem dan eerst
Een dag of twee uw rust hier in den Tower,
En kies daarna ’t verblijf, dat u het best
Tot uw gezondheid en vermaken dient.
PRINS. Geen plaats staat meer mij tegen dan de Tower.—
(Tot Buckingham.) Heeft Julius Cæsar hem gebouwd, mylord? 69
BUCKINGHAM. Hij heeft, genadig heer, het slot gesticht,
Maar later tijden hebben ’t sinds herbouwd.
PRINS. Is ’t overleev’ring slechts, van mond tot mond,
Of staat het opgeteekend, dat hij ’t bouwde?
BUCKINGHAM. ’t Is opgeteekend, wis, genadig heer.
PRINS. Maar neem eens aan, het ware niet geboekt,
De waarheid, dunkt mij, moest onsterflijk leven,
Als ’t ware naverteld aan ’t verste nakroost,
Zelfs tot den dag, die heel de wereld endt.
GLOSTER (ter zijde). Zoo jong in ’t denken stout, wordt nimmer oud.
PRINS. Wat zegt gij, oom?
GLOSTER. ’k Zeg, roem wordt, ongeboekt, toch immer oud.
(Ter zijde). Ik spreek, als Boosheid in mysterie-spelen,
Één woord gebruikend, tweederlei moraal.
PRINS. Die Julius Cæsar was een eenig man,
Want wat zijn moed voor zijnen geest verwierf,
Dat schreef zijn geest, zoodat zijn moed bleef leven.
Dood kan op dien veroov’raar niets veroov’ren;
Steeds voort leeft hij in roem, na ’s levens eind.—
Neef Buckingham, wil ik u eens iets zeggen?
BUCKINGHAM. Wat dan, genadig heer?
PRINS. Wanneer ik leven blijf, tot ik een man ben,
Dan win ik ons oud recht in Frankrijk weer,
Of sterf als held, gelijk ik leefde als vorst.
GLOSTER (ter zijde). Vroeg wordt na vroege lent de groei geschorst.
(Hastings en de Kardinaal komen weder op, met York.)
BUCKINGHAM. Daar komt te goeder uur de Hertog York.
PRINS. Richard van York? hoe vaart onze eed’le broeder?
YORK. Goed, mijn gebieder! zoo toch heet gij thans.
PRINS. Ja, broeder, mij, gelijk ook u, tot smart;
Te vroeg stierf hij, die recht had op dien titel,
Waaraan zijn dood veel majesteit ontnam.
GLOSTER. Hoe gaat het onzen eed’len neef van York?
YORK. Ik dank u, vriend’lijke oom. O! zie, mylord,
Gij hebt gezegd, dat onkruid welig wast;
De prins, mijn broeder, wies mij boven ’t hoofd.
GLOSTER. ’t Is zoo, mylord.
YORK. Telt gij hem nu voor onkruid?