GLOSTER. O, beste neef, zoo iets mag ik niet zeggen. 106

YORK. Dan is hij meer in tel bij u dan ik.

GLOSTER. Hij heeft mij te gebieden als mijn vorst,

Maar gij hebt recht en macht op mij als neef.

YORK. Ik bid u, oom, geef mij dien dolk.

GLOSTER. Dien dolk, mijn kleine neef? van ganscher harte.

PRINS. Gij beed’laar, broeder?

YORK. Ja, bij mijn lieven oom, die gaarne geeft,

En om een speeltuig, waar men licht van scheidt.

GLOSTER. Ik zoude u gaarne een grooter gave schenken.

YORK. Een grooter gaaf? dat zoude uw zwaard dan zijn.

GLOSTER. Ja, neeflief, maar dat ware veel te zwaar.

YORK. O, dus is ’t lichte waar slechts, die gij schenkt?

Bij iets gewichtigs zegt gij: „beedlaar, neen!”

GLOSTER. ’t Is u te zwaar, gij kunt het nog niet dragen.

YORK. Al ware ’t zwaarder, wichtig vond ik ’t niet.

GLOSTER. Dus gij verlangt mijn zwaard, mijn kleine prins?

YORK. Ja, en mijn dank zij zoo, als gij mij noemt.

GLOSTER. Hoe dan?

YORK. Slechts klein.

PRINS. Mijn broeder York is altijd boud in ’t praten.—

Gij weet het met geduld te dragen, oom.

YORK. Niet het te dragen, mij te dragen, meent gij;—

Mijn broeder, oom, bespot èn u èn mij;

Hij denkt, omdat ik klein ben als een aapje,

Dat gij mij op uw schouders dragen moest.

BUCKINGHAM. Hoe rijk aan scherp vernuft is wat hij zegt!

Om ’t spotten met zijn oom wat te verzachten,

Steekt hij behendig met zichzelf den draak.

Zoo slim en nog zoo jong, is wonderbaar!

GLOSTER. Mylord, behaagt het u, thans voort te gaan?

Ik en mijn goede neef van Buckingham

Gaan naar uw moeder om haar te overreden,

Dat ze in den Tower u opzoeke en begroet’.

YORK. Wat! naar den Tower? verkiest gij dit, mylord?

PRINS. Mylord Protector dringt er zeer op aan.

YORK. Ik zal niet rustig slapen in den Tower.

GLOSTER. Waarom, wat zoudt gij duchten?

YORK. Nu, den verstoorden geest mijns ooms, van Clarence;

Grootmoeder zegt, dat hij er werd vermoord.

PRINS. Ik heb geen vrees voor ooms, die dood zijn.

GLOSTER. En ook voor geen, die leven, hoop ik.

PRINS. ’k Heb, zoo zij leven, niets te vreezen, hoop ik.

Maar kom, mylord, en met bezwaard gemoed,

Aan hen steeds denkend, ga ik naar den Tower.

(Trompetgeschal. De prins, York, Hastings, de Kardinaal, en Gevolg

verwijderen zich, daarna de Lord-Mayor met Gevolg.)

BUCKINGHAM. Denkt gij, mylord, niet, dat die York, die snapper,

Werd opgestookt door zijn geslepen moeder,

Om u zoo stout te tarten en te hoonen?

GLOSTER. Ja wis, gewis. O, ’t is een slimme gast,

Vroegwijs, gevat, vernuftig, vlug en stout,

Geheel zijn moeder, ja, van top tot teen.

BUCKINGHAM. Nu, laat hen.—Catesby, kom gij hier; gij zwoert

Een duren eed: te doen wat wij ontwerpen

En streng te zwijgen, wat we u toevertrouwen.

We ontvouwden onderweg u onze gronden;—

Wat dunkt u, zou het een’ge moeite baren,

William lord Hastings voor ons plan te winnen,

Dat dezen eed’len hertog op den troon

Van ons roemruchtig eiland plaatsen wil?

CATESBY. Hij heeft den prins om ’s vaders wil zoo lief,

Dat hij tot niets de hand leent tegen hem.

BUCKINGHAM. Wat denkt gij dan van Stanley? zou hij willen?

CATESBY. Hij zal in alles zooals Hastings doen.

BUCKINGHAM. Nu dan, genoeg hiervan. Ga, beste Catesby,

En pols, als ware ’t in ’t verschiet, lord Hastings,

Hoe hij omtrent ons plan gezind zou zijn;

En noodig hem op morgen naar den Tower

Ter raadsvergaad’ring voor de zaak der kroning.

Bespeurt gij, dat hij naar ons luist’ren wil,

Zoo wek hem op en zeg hem onze gronden,

Maar is hij koud, als ijs, en traag, als lood,

Wees gij ’t dan ook en houd uw woorden in,

En deel ons mede, hoe zijn stemming is.

Want morgen houden we een gesplitsten staatsraad,

Waarbij uw dienst van hoog belang zal zijn.

GLOSTER. Groet ook van mij lord William; zeg hem, Catesby,

Dat morgen ’t rot van zijn gezworen haters

Een aderlating wacht in ’t slot van Pomfret;

En zeg mijn vriend, dat hij om deze tijding

Uit vreugd vrouw Shore een kusjen extra geev’.

BUCKINGHAM. Ga, Catesby, ga; volbreng dit met beleid.

Koning Richard de Derde · 第 28 / 82 题