Londen. Een straat.
Trompetgeschal. De Prins van Wales, Gloster, Buckingham, Bourchier en
Anderen komen op.
BUCKINGHAM. Wees welkom, Prins, in Londen, in uw kamer!
GLOSTER. Welkom, mijn lieve neef, mijns harten koning!
De lange weg heeft droevig u gestemd.
PRINS. Neen, oom; maar wat mij op mijn weg weervoer,
Heeft dien mij lang, bedroevend, zwaar gemaakt;
Ik wenschte meerdere ooms hier tot ontvangst.
GLOSTER. De schuld’looze eenvoud uwer jaren, prins,
Dook in der wereld arglist nog niet neer
En niets kunt gij nog aan een man erkennen
Dan wat hij toont en schijnt; en dit, God weet het,
Strookt nooit of zelden met des menschen hart.
Die ooms, die gij u hier wenscht, zijn gevaarlijk;
Gij gaaft slechts op hun suikerwoorden acht,
Doch hadt geen oog voor hunner harten gif.
Voor zulke valsche vrienden hoede u God!