Aldaar. Een vertrek in het paleis.
De aartsbisschop van York, de jonge hertog van York, koningin Elizabeth
en de hertogin van York komen op.
AARTSBISSCHOP. Zij bleven gist’ren nacht te Stony-Stratford,
En in Northampton rusten zij van nacht,
Zij zijn dus morgen hier of overmorgen.
HERTOGIN. ’k Verlang van ganscher hart den prins te zien,
Ik hoop hem sterk gegroeid, sinds ik hem zag.
KONINGIN ELIZABETH. Men zegt van neen; ’k hoor, dat mijn zoon van York
Hem in zijn groei bijkans heeft ingehaald.
YORK. Ja, moeder; maar ik had dit liever niet.
HERTOGIN. Waarom, mijn jongen? ’t Is toch goed te groeien.
YORK. Grootmoeder, bij het avondmaal vertelde
Oom Rivers eens, dat ik veel sneller groeide,
Dan Edward doet. „Ja,” zeide oom Gloster toen,
„Een klein gewas is eêl, onkruid groeit veel.”
En sedert wenschte ik minder sterken groei;
Eêl kruid komt laat, en onkruid snel in bloei.
HERTOGIN. Voorwaar, voorwaar, dit zeggen ging bij hem,
Die u dit voor de voeten wierp, niet door;
Hij was als kind een nietig onderblijfsel,
Zoo laat en traag in ’t groeien, dat hij, was
Zijn regel waar, een edel kruid zou zijn.
AARTSBISSCHOP. En zonder twijfel is hij ’t, eed’le vrouwe.
HERTOGIN. Ik hoop het, maar een moeder moge twijf’len.
YORK. Doch hoor eens, ware ’t mij toen ingevallen,
Ik had mijn eed’len oom een zet gegeven,
Wat groeien aangaat, erger dan hij mij.
HERTOGIN. Hoe dan, mijn kleine York? vertel het eens.
YORK. Wel dit: men zegt, oom Gloster groeide zoo,
Dat hij, twee uur pas oud, aan korstjes knaagde;
Twee jaar was ik, aleer ik tanden kreeg.
Grootmoeder, zou die zet niet raak geweest zijn?
HERTOGIN. Maar, beste York, wie heeft u dit verteld?
YORK. Zijn min, grootmoeder.