Aldaar. Een straat.
Twee Burgers ontmoeten elkander.
EERSTE BURGER. Zoo, buurman, goeden dag; waarheen zoo haastig?
TWEEDE BURGER. Ja, dit, geloof mij, weet ik nauwlijks zelf.
En weet gij ’t nieuws?
EERSTE BURGER. Ja, dat de koning dood is.
TWEEDE BURGER. Slecht nieuws, ja; zelden baart de toekomst rozen.
Ik vrees, ik vrees, er komt een tijd van storm.
(Een ander Burger komt op.)
DERDE BURGER. Gods zegen, buren!
EERSTE BURGER. ’k Wensch u goeden morgen.
DERDE BURGER. Is ’t waar, de goede koning Edward dood?
TWEEDE BURGER. Ja, ja, maar al te waar; sta God ons bij!
DERDE BURGER. Dan, mannen, kunt ge een tijd van storm verwachten.
EERSTE BURGER. Neen, neen; als God wil, wordt zijn zoon nu koning.
10
DERDE BURGER. Wee, wee den lande, door een kind bestuurd!
TWEEDE BURGER. Neen toch, bij hem valt op bestuur te hopen;
Zoolang hij klein is, denkt de raad voor hem,
En in zijn rijp’re jaren heerscht hijzelf;
Geloof mij, voor en na wordt goed bestuurd.
EERSTE BURGER. ’t Stond evenzoo, toen negen maanden oud,
De zesde Hendrik te Parijs gekroond werd.
DERDE BURGER. ’t Stond evenzoo? Neen, vrienden, neen, God weet het;
Toen mocht het land zich op een schat verheffen
Van welberaden staatsmanskunst; toen had
De koning deugdrijke ooms tot steun en hoede.
EERSTE BURGER. Deze ook, van vaders- en van moederszijde.
DERDE BURGER. Veel beter stond het, als zij allen waren
Van vaderszijde, of geen van vaderszijde;
Want nu treedt ijverzucht, wie ’t naast hem zijn zal,
Ons allen al te na, zoo God niet helpt.
O, vol gevaren is de hertog Gloster,
Der koningin verwanten driest en trotsch;
Ja, wilden zij beheerscht zijn en niet heerschen,
Dan had dit kranke land wellicht weer rust.
EERSTE BURGER. Kom, kom, te zwaar getild! het zal wel gaan.
DERDE BURGER. Betrekt de lucht, dan slaan we een mantel om;
Verliest het woud zijn loof, dan komt de winter;
Wien meldt het ondergaan der zon geen nacht?
Na hagelslag en storm wacht elk een duurte.
’t Kan goed gaan; maar, als God het zoo beschikt,
Is ’t meer, dan ik verwacht, of wij verdienen.
TWEEDE BURGER. ’t Is waar, een ieders hart is vol van vrees;
Met wien ge ook spreekt, gij vondt bijna geen mensch,
Die niet bezorgd er uitziet en vol angst.
DERDE BURGER. Zoo is het altijd, voor verand’ring komt;
Door hoog’ren aandrang ducht des menschen geest
Gevaar, dat naakt; zoo zien wij immers ook
De waat’ren zwellen voor een wilden storm.
Doch Gode zij ’t vertrouwd! Waar gaat gij heen?
TWEEDE BURGER. Wij werden voor de rechtbank opgeroepen.
DERDE BURGER. Ik eveneens; zoo laat ons samen gaan.
(Allen af.)