YORK. Als zij ’t niet deed, dan weet ik niet meer wie.
KONINGIN ELIZABETH. Een sluwe knaap! Loop heen, gij praat te vrij.
AARTSBISSCHOP. Doorluchte vrouw, wees op het kind niet boos.
KONINGIN ELIZABETH. Ook kleine kruikjes hebben ooren.
(Een Bode komt op.)
AARTSBISSCHOP. Daar komt een bode.—Wat voor nieuws?
BODE. Nieuws, heer, waarvan het brengen mij bedroeft.
KONINGIN ELIZABETH. Hoe vaart de prins?
BODE. Gezond en wel, uw hoogheid.
HERTOGIN. Wat brengt gij dan voor nieuws?
BODE. Lord Rivers en lord Grey, zij zijn naar Pomfret,
En ook sir Thomas Vaughan, als gevang’nen.
HERTOGIN. En wie nam hen gevangen?
BODE. Hertog Gloster,
Met hertog Buckingham.
AARTSBISSCHOP. Om welk vergrijp?
BODE. Ik heb gemeld al wat ik melden kan.
Waarom, waarvoor die eed’len zijn gevat,
Is mij volkomen onbekend, mylord.
KONINGIN ELIZABETH. Wee mij, ik zie den ondergang mijns huizes.
Nu heeft de tijger ’t slanke ree gepakt,
En dra vergrijpt verwaten tyrannie
Zich aan de’ onnooz’len, eerbiedloozen troon.
Welkom, verdelging, bloedvergieten, slachting!
Ik zie, als op een kaart, het eindmerk reeds!
HERTOGIN. Gevloekte en onrustvolle tweedrachtsdagen,
Hoe velen uwer heeft mijn oog aanschouwd!
Mijn gade viel bij ’t streven naar de kroon;
En op en neder ging het met mijn zoons,
Zoodat ik juichte en weende om zege en neêrlaag;
En nu zij veilig zeet’len, nu de storm
Van twist voorbij is, voeren zij, die wonnen,
Krijg met elkander, broeder tegen broeder.
Bloed tegen bloed, zelf met zichzelf.—O waanzin,
O dolheid, laat van ’t helsche wrokken af;
Of doe mij sterven, niets op aard meer zien!
KONINGIN ELIZABETH. Kom, kom, mijn knaap, ras naar de heil’ge
vrijplaats!—
Vaar, eed’le vrouwe, wel.
HERTOGIN. Wacht, ik wil mede.
KONINGIN ELIZABETH. ’t Is u niet noodig.
AARTSBISSCHOP (tot de Koningin.) Eed’le vrouwe, ga;
En berg er ook uw schatten en uw goed’ren.
Voor mij, ik geef het mij vertrouwde zegel
Uw hoogheid af; en moge ’t zoo mij gaan,
Als ik voor u en voor al de uwen zorg!
Ga, ik geleid u zelf naar ’t heiligdom.
(Allen af.)