DE KINDEREN. Wie onze steun dan Clarence? en hij stierf. 75

HERTOGIN. Wie was mijn steun dan zij? en beiden stierven.

KONINGIN ELIZABETH. Nooit leed een weduw zulk een zwaar verlies!

DE KINDEREN. Nooit leden weezen zulk een zwaar verlies!

HERTOGIN. Nooit leed een moeder zulk een zwaar verlies!

Wee mij, ik ben de moeder dezer smarten;

Hun leed is stukwerk, mijn leed is ’t geheel.

Zij weent om eenen Edward, en ik ook;

Ik ween om eenen Clarence, en zij niet;

Die kleinen om hun Clarence, en ik ook;

En ik om eenen Edward, en zij niet;—

Gij drieën, stort op mij, driewerf verslaag’ne,

Uw tranen uit; ik, voedster van uw leed,

Zal ’t rijk’lijk laven met mijn weegeklag.

DORSET. Kalm, lieve moeder! God wordt zeer verstoord,

Neemt gij met ondank aan, wat hij beschikt.

Ondankbaar heet het steeds in ’s werelds doen

Met tragen onwil gelden weer te geven,

Met milde hand welwillend ons geleend;

Veel meer dan, zoo te twisten met den hemel,

Wijl die zijn vorst’lijk leengoed weder eischt.

RIVERS. Denk, eed’le vrouw, nu, als een trouwe moeder,

Aan uwen jongen prins; zend fluks om hem;

Hij zij gekroond; in hem leeft thans uw troost

Berg ’t naamloos wee in ’s dooden Edwards graf,

En plant uw heil bij ’s jongen Edwards troon.

(Gloster, Buckingham, Stanley, Hastings, Ratcliff en Anderen komen op.)

GLOSTER. Wees, zuster, kalm; wij allen hebben grond

Om ’t dooven onzer flonkerster te klagen;

Doch niemand heelt zijn smart door weegeklag.—

Mijn eed’le moeder, ’k vraag u om vergiff’nis;

Ik zag uw hoogheid niet.—Deemoedig smeek ik

U knielend om uw zegen.

HERTOGIN. God zegene u en make uw hart zachtmoedig,

Gehoorzaam, liefd’rijk, christ’lijk, waar en trouw!

GLOSTER. Amen;—(Ter zijde.) en late als goed oud man mij sterven!

Want dit is ’t eind steeds van een moederzegen;

Dat haar genade dit vergat, bevreemdt mij.

BUCKINGHAM. Bedroefde vorsten, diepgebogen pairs,

Die allen dezen zwaren rouwlast draagt,

Beurt met elkanders liefde elkander op;

Zij de oogst van dezen koning nu verteerd,

Thans moge de oogst van zijnen zoon ons rijpen.

De tweespalt uwer hooggezwollen harten,

Zoo kortlings eerst gezet, gespalkt, verbonden,

Vereischt een teed’re zorg, verpleging, hoede.

Mij dunkt het goed, dat fluks een klein gevolg

Den jongen prins van Ludlow halen ga,

Opdat hij hier als koning zij gekroond. 122

RIVERS. Waarom een klein gevolg, mylord van Buckingham?

BUCKINGHAM. Opdat, mylord, niet door een grooten stoet

De pas geheelde wond des haats zich oop’ne;

Wat des te meer gevaarlijk wezen zou,

Daar alles groen is en nog leiding mist.

Als ieder ros den teugel in zijn macht heeft,

En zelf zijn weg naar welgevallen kiest,

Dan worde, dunkt mij, ook de vrees voor onheil,

En niet het onheil zelf alleen, verhoed.

GLOSTER. Verzoend heeft ons de koning, hoop ik, allen;

Vast en onschendbaar is ’t verdrag voor mij.

RIVERS. En ook voor mij, en voor ons allen, denk ik;

Doch, wijl het jong is, stelle men het niet

Aan ’t moog’lijk dreigen van een breuke bloot,

Die door een grooten stoet licht kon ontstaan.

Daarom zeg ik met de’ eed’len Buckingham:

Klein zij ’t geleide van den prins hierheen.

HASTINGS. Dit zeg ik ook.

GLOSTER. Zoo zij het dan; en laat ons nu bepalen,

Wie onverwijld naar Ludlow zullen gaan.

Komt, bid ik, eed’le moeder, en gij, zuster,

En meldt, wat hieromtrent uw meening is.

(Allen af, behalve Buckingham en Gloster.)

BUCKINGHAM. Mylord, wie naar den prins ook reizen moog’,

Bij God, laat niet ons tweeën achterblijven;

’k Vind, als begin van ’t afgesproken plan,

Wel midd’len onderweg om ’t trotsch geslacht

Der koningin te scheiden van den prins.

GLOSTER. Mijn ander ik, mijn raadsvergadering,

Mijn godspraak, mijn profeet!—Mijn waarde neef,

’k Vertrouw mij, als een kind, aan uwe leiding.

Naar Ludlow dus, wij blijven niet te huis.

(Beiden af.)

Koning Richard de Derde · 第 21 / 82 题