TWEEDE TOONEEL.

Londen. Een ander vertrek in het paleis.

De hertogin van York komt op, met een Zoon en een Dochter van den

hertog van Clarence.

ZOON. Grootmoeder, zeg, is onze vader dood?

HERTOGIN. Neen, kind.

DOCHTER. Wat weent gij dan zoo vaak en slaat uw borst,

En roept:—„O Clarence, mijn rampzaal’ge zoon!”

ZOON. En waarom ziet ge ons aan en schudt het hoofd,

En noemt ons arme bloeden en verstoot’nen

En weezen, zoo onze eed’le vader leeft?

HERTOGIN. Dit is verkeerd begrepen, lieve kind’ren;

Ik ween om ’s konings ziekte, ik ben beangst

Voor zijn verlies, niet om uws vaders dood.

Verloren klacht waar’ smart om een verloor’ne!

ZOON. Gij denkt dan toch, grootmoeder, dat hij dood is?

Mijn oom, de koning, is er schuldig aan;

En God zal ’t wreken! Hem wil ik bestormen

Met bede op bede, en alle tot dit doel.

DOCHTER. Dit wil ik ook.

HERTOGIN. Stil, kind’ren, stil! de koning heeft u lief;

Onnooz’le schaapjes, neen, gij kunt niet gissen,

Wie de oorzaak van uws vaders sterven is.

ZOON. Toch wel; mijn goede oom Gloster zeide mij:

De koning, door de koningin gedreven,

Verzon een aanklacht om hem in te kerk’ren;

En toen hij ’t mij vertelde, weende oom Gloster,

Beklaagde mij en kuste teêr mijn wang;

’k Moest hem vertrouwen, sprak hij, als mijn vader;

’k Zou hem zoo lief zijn als zijn eigen kind.

HERTOGIN. Ach, dat bedrog zoo zachte trekken steelt,

En diepe boosheid dekt met deugdzaam mom!

Hij is mijn zoon, ja, en mijn schande er door,

Maar zoog aan mijne borst die arglist niet.

ZOON. Grootmoeder, denkt gij, dat mijn oom zou huich’len?

Koning Richard de Derde · 第 19 / 82 题